Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)

Chapter 8

Chapter 83,762 wordsPublic domain

Ongestoord en rustig bleef de rijke Burchtgraaf thands in het bezit zijner goederen. Dat er echter geheime vijanden waren, die hem dit misgunden, mag worden opgemaakt uit een vreemd voorval van eenige jaren later, waarby men moeielijk alleen aan al te koene vrijbuiters denken kan.

Het was in 1495, kort na den 14en Juli, waarop er zulk een ontzettend onweder gewoed had. De nacht was gedaald, en mag wel niet zeer helder geweest zijn, toen eenige mannen, aan de gracht van het kasteel te Montfoort genaderd, er eene schouw te water brachten, kennelijk met het doel om de wallen te beklimmen. Maar het was hier niet, zoo als te Woerden: De naauwlettende wacht werd opmerkzaam, en in een oogenblik was de gantsche bezetting op de been. Haastig namen de vijanden de vlucht, en wie of wat zy geweest zijn, is altoos een raadsel gebleven.

Bisschop Davids opvolger, Frederic van Baden, in 1499, kort na het ten onder brengen van de Heeren van Wisch, met den Hertog van Cleve in oorlog geraakt, behoefde herhaaldelijk geld, dat hy wel voor een groot deel, maar toch niet geheel en al, by zijne getrouwe steden van het Bovensticht vinden kon. Hy wendde zich daarom ook tot Burchtgraaf Johan, die hem met vier duizend gouden rijnsguldens bystond, en daarvoor het recht der hooge heerlijkheid weder in pand ontfing voor zich en zijn geslacht, tot zoolang de pandsom weder te rug betaald zou zijn. De oirconde daarvan werd den 21en Augustus 1499 bezegeld, en op Sint-Andries [24] daarna beloofde de Bisschop, by open brieve, dat hy-voor-zich het pand nimmer zou doen lossen.

De Burchtgraaf maakte zich ook nog in zijn ouderdom by den Bisschop verdienstelijk, want het was vooral aan zijne onverpoosde bemoeiïngen te danken, dat de vrede tusschen Utrecht en Holland in het voordeel van den Prelaat tot stand kwam, en in het laatst van Juli, 1511, met de Landvoogdes Margareta van Oostenrijk gesloten werd. Verder vindt men niets byzonders meer van hem opgeteekend. De juiste datum van zijn overlijden schijnt niet bekend te zijn; hy leefde nog in 1512, maar zijne echtgenote was hem reeds in 1506 door den dood ontvallen.

Hun zoon Joost van Montfoort, gehuwd met Anna van La-Layng, volgde hem op, en werd in 1530 door Keizer Karel den Vijfde in alle voorrechten bevestigd, hoewel het Hoogheerlijk recht, waarop de Burchtgraven zoo grooten prijs stelden, merkelijk was besnoeid door het sedert eenigen tijd te Utrecht gevestigde provinciaal Gerechtshof. Heer Joost overleed reeds in 1539, terwijl zijne kinderen Johan en Filippa nog minderjarig waren, weshalven Vrouwe Anna ten hunnen behoeve het Burchtgraafschap bestuurde.

De Stichtsche zaken waren thands onder het waereldsch beheer allengs op een geregelder voet gekomen, zoodat men de vroeger gemaakte pandschulden kon beginnen af te lossen. Zoo werden in 1545 aan de voogden van Joosts oudsten zoon Johan de vier duizend rijnsguldens te rug betaald, die in 1499 aan Bisschop Frederyc waren voorgeschoten. Daarmede werd natuurlijk de vergunning tot uitoefening van het hoog gerecht ingetrokken. Te vergeefs trachtte Johan dit later weder in bezit te krijgen; en toen hy eene proeve waagde, om het eigenmachtig weder uit te oefenen, werd hy in 1551 door het provinciaal Gerechtshof van Utrecht daarin belet.

Hy overleed kinderloos, en het Burchtgraafschap kwam alzoo op zijne zuster Filippa. Deze huwde met Heer Jan van Merode, geboren uit het aanzienlijk Grafelijk geslacht van dien naam, uit Gulik herkomstig, en aldaar reeds in 1250 bekend. Hy werd in 1583 met het Burchtgraafschap verlijd, maar bezat het niet zoo lang als zijn schoonvader. Zijn huwelijk had hem geen zonen, slechts eene dochter, Anna, geschonken. Anna van Merode was dus Erfdochter van Montfoort, en trad in den echt met Filips van Merode, Baron van Petershem, die op den 8en December 1593 als Burchtgraaf werd erkend. Onder zijn bestuur, in 1617, werd met goedkeuring der Staten-Generaal en die van Holland de gracht gegraven, die van het water de Linschoten tot aan de IJsselpoort loopt, en der scheepvaart vrij wat gemaks verschafte.

Zijn zoon, naamgenoot, en opvolger, Filips van Merode, van wien wy niets meer weten, dan dat hy, Vrijheer van Merode en Markgraaf van Westerloo zijnde, in 1628 Burchtgraaf van Montfoort werd, stierf na een twaalfjarig bezit, nalatende Ferdinand Filips van Merode, Vrijheer van Merode, Graaf van Olem, Markgraaf van Westerloo, Burchtgraaf van Montfoort, Heer van IJsselmonde, Ridderkercke, enz.

Met dezen Ferdinand Filips eindigt de rij der Burchtgraven van Montfoort, wier historische figuur, na Johan den Rijke, ook hoe langer zoo kleurloozer wordt. In 1648 verkocht hy het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van Montfoort aan de Provinciale Staten van Utrecht, voor eene som van 225,000 gulden.

Uit den belangrijken koopbrief van 4 Juli des gemelden jaars, zien wy volledig wat toenmaals tot het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van Montfoort behoorde, waarvan het voornaamste eene mededeeling verdient.

Allereerst: het recht van patroonschap over de kerk van Montfoort en verschillende vicaryen, zoowel dáar als te Woerden en te Linschoten, enz. Vervolgends:

De stad en vrijheid van Montfoort, met het rechtsgebied, het aanstellen van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, Sekretaris, Kerk-, Huis-, en Schoolmeester, Bode, Organist, en Koster, en nog andere ambten en bedieningen. Verder:

Het kasteel met grachten en verdere aanhoorigheden; de hof of boomgaard in de stad, voor de poorten van 't kasteel; twee boomgaarden, waarvan de een, het Cingel genoemd, binnen, de ander, tusschen de groote en kleine grachten, buiten de stad gelegen is; het aan deze laatste palende wilde bosch, met gebouwen, beplantingen en kunstheuvelen, mitsgaders de opperhof, het olmboomenbosch, en de cingels daar buiten, met de visscherij in de kleine gracht, al hetwelk in jaarlijksche pacht werd uitgegeven; de visscherij in de grachten van het kasteel en de stad, en gedeeltelijk in den IJssel, van Snadelenhoeck tot Oudewater; de zwanendrift, het recht van den wind, de wind- en de roskorenmolen met het molenaarshuis en erf, voor zoover dit den Burchtgrave behoort; alle thynsen die hem toekomen, van verschillende huizen, boomgaarden, en erven, binnen het Burchtgraafschap, jaarlijks bedragende 132 gl. en 5 st.; het heerenrecht van een aantal leenen en vasallagiën, tot het Burchtgraafschap, de stad en het kasteel behoorende: Achthoven, Heeswijck, Kattenbroeck, Papencop, enz.; het Erfdijkgraafscbap langs de Leck, tusschen den Nieuwen-dam en Schoonhoven, en langs den IJssel tusschen den Nieuwen-dam en Haestrechter-Were; de aanstelling van Sekretaris en dijkbode by het kollegie van Dijkgraaf en Heemraden van Lopickerweerd; enz. Bovendien blijkt uit den zelfden brief, dat de Burchtgraven binnen de stad Utrecht bezaten een huis en erve, genaamd: de Huizinge van Montfoort.

Het grootste gedeelte van al deze rechten en bezittingen kwam door dezen koop aan de Staten, en alzoo werd het land van Montfoort voor goed aan de provincie verbonden; de stad op zich-zelf was overigens reeds stellig in 1530, en nog duidelijker in 1585, tot de leden van het Neder-Sticht gerekend, en als zoodanig in de Provinciale Staten vertegenwoordigd geworden. De burchtgrafelijke praal »metten aencleve van dien," was nu voor altijd verdwenen, en men kon het kasteel vergelijken by een grijzen eik, die het laatste groen, dat hem nog tooide en vrolijk maakte, thands verloren had. Zeker, de landzaat had nog eerbied voor zijne eerwaardigheid; maar wanneer daar eens vreemden kwamen en te machtig werden, zou men dan de vernielende bijl kunnen weeren?

Den 7en April 1672, verklaarde Frankrijk [25] aan het Gemeenebest den oorlog, en, ten gevolge van de jammerlijke bekrompenheid der Algemeene Staten (te laat ingezien!) waren de Franschen reeds in Juni meester van Utrecht. Het spreekt van zelf, dat het bezit van eene plaats als Montfoort, door een zwaar kasteel versterkt, den overweldigers niet onverschillig was: den 21en Juni woei dan ook de lelievaan van den burchttrans. De Montfoorters hadden aanvankelijk van deze eerste vestiging niet lang te lijden: Lodewijk, in de eerste helft der volgende maand ziende, dat de voorlanden van Noord-Holland allen onder water werden gezet, gaf bevel om de voorposten uit Woerden en Montfoort op Utrecht te rug te trekken. In de laatste helft van September echter, toen de Maarschalk Luxemburg Utrecht door eene lijn van versterkte posten beschermen deed, lag ook Montfoort in die rij, en werd het kasteel van eene bezetting voorzien, die op den 7en Oktober 70 man bedroeg. In die zelfde maand trokken zy weder af, maar niet zonder er eene altoosdurende herinnering aan hun verblijf achter te laten: zy deden het kasteel door buskruit springen, en in een verwarden puinhoop veranderen. Daarmede was echter de stad niet van hunne plaag bevrijd, want toen de winter kwam, en Luxemburg zijn voornemen, om over het ijs in Holland te trekken, ging bewerkstelligen, was Montfoort in het laatst van December de verzamelplaats van 2000 man. Zoo duurde het by afwisseling met minder en meerder kwelling, tot in de maand November des volgenden jaars, toen de snoevende vijand, door de uitmuntende maatregelen van onzen grooten Willem den Derde tot den aftocht genoodzaakt, het Sticht moest verlaten, en derhalven ook Montfoort ontruimd werd.

Maar waar nu ook de geliefde Oranjevlag zegevierend mocht wapperen--niet van het verdelgde kasteel, waaraan de stad haren oorsprong dankte. Slechts de voorpoort, weêrszijds door een dikken ronden toren beschermd, was staande gebleven, het gebouw byna volstrekte ruïne geworden; de sterke muren waren gescheurd en samengestort, de grachten ten deele met het puin gevuld. Metter tijd werd een deel der bouwvallen wechgeruimd, een ander, gering gedeelte, hersteld en tot woonverblijf geschikt gemaakt.

Die huizinge werd nog in 1833 bewoond door het geslacht Gobius, dat toenmaals in het bezit van den opstal des kasteels was, en dien op gemeld jaar aan de stad Montfoort verkocht. Later kocht deze ook den kasteelgrond, aan het domein behoorende, en richtte het huis tot eene kostschool in, die onder het bestuur van den vroegeren hoofdonderwijzer aan de stadsschool eenig aanzien begon te verkrijgen. De toenemende bloei der nieuwe inrichting bracht der overigens arme en vervallene stad talrijke voordeelen aan, en de stedelijke regeering, van gevoelen dat de inwendige goede toestand zich ook wel in uitwendige verbeteringen mocht uitspreken, besloot om daartoe het vervallen gebouw en den grond meer naar den tegenwoordigen smaak in te richten. Ten gevolge daarvan, werden de hier en daar nog overgebleven ringmuren wechgeruimd; de oude houten stallen naast de voorpoort deed men door ruime steenen gebouwen,--de knotwilgen langs de moerassige grachten door net plantsoen vervangen; de brug over de gracht werd afgebroken en hare plaats gedempt, en zoo ging er byna alle zichtbare herinnering aan het verledene verloren. En waren niet nog de beide torens daar als proeven van den ouden bouwtrant overgebleven--niemant zoude er aan een alouden slotbodem denken.

Sic tempora mutantur! Op de plaats, die dikwerf van krijgsgeschrei en soldatenliederen weergalmde, klinkt thans de stem van dartele knapen; en de grond, zoo vaak van het bloed der strijders doorweekt, brengt kleurige bloemen voort. Zoo volgen de gebeurtenissen elkander op; zoo wisselen de tijden van gelaat--en de geschiedenis van het Kasteel der Burchtgraven van Montfoort eindigt met eene kostschool.

HET KASTEEL VAN IJSSELSTEYN.

Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van kortswijl en luim--meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want ge zijt Hollander! [26]) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven; krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles, soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch presidents-kussen te plaatsen--ja, schoon ge dit alles te gelijk waart--dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest, waarop ge gewenscht hebt:--»dat toch steenen eens konden spreken!"

Het was dan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels, die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt hebben willen ondervragen, indien ge ook maar half verzekerd waart geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.

Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn--zoo hy Holland bewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen van Brederode; zoo hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen van het Kasteel te IJsselsteyn--en ik vrees niet, dat hy, van daar wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.

Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen te rug te roepen [27]; beproeven wy dit thands ook met betrekking tot het laatste.

De oorsprong van het edel geslacht IJsselsteyn kan met redelijkheid niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht, en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis van Aemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer van IJsselsteyn, in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene vergissing zijn [28], terwijl Jan van IJsselsteyn, wiens erfdochter Bertrande met Aernout van Aemstel zou gehuwd zijn, moedwillig uit de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken.

Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.

Heer Gijsbrecht (de Derde) van Aemstel, die in 1251 overleed, had, behalven eene dochter Badeloch, die met Herman van Woerden gehuwd was, nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht, hem opvolgde, de jongste, Willem, Proost van St. Jan was, en de middelste, Aernout of Arent, wellicht verstandig zou hebben gedaan, indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam, Janne, of Joanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267 legde hy den grondslag tot de latere Heerlijkheid IJsselsteyn. Hy pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel, eenige goederen aan den IJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich toen reeds met de Leck vereenigde. Het voornaamste daarvan was het oude Eyteren of Heteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een burch of stein, dien hy IJsselsteyn noemde, welke naam, vervolgends op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van het Graafschap Holland, als in die van het Bisdom Utrecht, byna even spoedig vermaard als bekend werd.

Aanvankelijk legde Aernout zich vooral op het vermeerderen en inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt van Oostbroec eenige goederen in het naby gelegene Geyn, en in het laatst des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel te Utrecht behoorden, voor vijf jaren, tegen 154 pond 's jaars. De vijandelijkheden over den Vreelandschen tol, door zijn broeder Gijsbrecht eigenmachtig geheven [29], hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen van het landleven. Aernout, Gijsbrechts partij kiezende, en mede breed opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijns broeders plaats het bevelhebberschap van Vreeland op zich. Graaf Floris, den 5en September 1278 met Utrecht een verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg voor dat kasteel, maar zag zich door Aernouts wakkere verdediging tot den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd by Loenen voorgevallen, en Gijsbrecht daarby door Costijn van Renesse gevangen genomen was, werd Aernout onmachtig om zich alleen staande te houden, en leverde Vreeland in 's Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naar Zeeland gevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen, die op den 27en Oktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen ten volle aan Floris moesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk weêr in leen te rug ontfingen.

Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in 's Graven hechtenis hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht ontslagen zijn. Wy vinden Aernout ten minste in de voorhelft dier zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid: Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond en vijf zalmen verhoogd werd.

Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. Vrouwe Joanna (die door Grave Jan in het tijdelijk bezit harer weduwgoederen bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste, Heer van Benscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering tegen Floris den Vijfde verkregen heeft, en de oudste, Gijsbrecht, als tweede Heer van IJsselsteyn optrad.

Gijsbrecht van IJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich op den 25en Oktober, 1294, benevens tien andere voorname Utrechtsche Edelen, met Graaf Floris, om dezen, ware 't nood, te dienen tegen elk zijner vijanden, den Bisschop van Utrecht daar buiten gesloten. Hy heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan den moord. Dat hy met den Heer van Zuylen zich voegde by Loef van Cleve en de Hollandsche benden, die de moordenaars op Cronenburch belegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn broeder Benscoep toch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen moest. En schoon Arent van Benscoep geen beter lot verdiende dan Willem van Zaenden--ter wille van Gijsbrechts broederhart is het ons toch lief, dat Loef van Cleve den verrader nog heeft kunnen behoeden, en Gijsbrecht hem in veiligheid te Kervenheym wist.

Maar weldra werd gijsbrechts toestand zelf hachelijk. Wolfaert van Borssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijken Jan den Eerste, de bondbreukigheid van Bisschop Willem van Mechelen bemerkende, begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met het slot van Ameide, door Dirc van Herlaer by overeenkomst daartoe afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, was Gijsbrecht van IJsselsteyn.

»Dat ware schande!" andwoordde hy op Borsseles aanzoek: »wanneer ik den Grave van Holland mijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van 't Sticht ben [30], en de Bisschop mijn rechte Heere is. 't Bracht my oneere, zoo ik dat toestond--des weiger ik, er moge van komen wat er wil!"

Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zocht Wolfaert nu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen, Hubrecht van Vyanen en diens verwanten, op aanstoken uit Holland; en werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon men hem naar het Kasteel van Culemborch bracht, en aldaar in hechtenis hield--dat van IJsselsteyn was daarom nog niet gewonnen: Bertrade, of Baerte, van Heuckelom, Gijsbrechts gemalin, was een kloekhartige vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht weigerde als hy 't zelf had gedaan. Dat men hem geen leed zou doen, daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht van Vyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het op den IJsselsteyn gebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd een Wolfaert van Borssele haar zou hebben overgeleverd, indien Vyanen niet in Gijsbrecht den borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.

Borssele deed 's Graven banier voor het Kasteel planten, en het dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave, op den forschen toon van stormtuig en staal:

Straks wordt het schaatrend aanvals-teeken Van rij tot rij in 't rond gehoord, En onder luid gejubel breken De benden op en rukken voort. Als golven die het strand beklimmen, Door barsche winden voortgestuwd, Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmen En werpgesteente paart en huwt Zich aan 't gedrang. 't Klaroengeschetter En 't rofflen van de holle trom Dreunt samen met het staalgekletter En krijten van den strijdbren drom.

De hooge trans--de borstweer--'t kraakt Van steenen, 't werptuig uitgebraakt. De stormram beukt de poort. Het rijs, in bergen aangebracht, Bevloert welras de diepe gracht, En stijgt er tot den boord. De ladders worden saamgetast, En hechten aan den muur zich vast; De strijders dringen voort, En klautren op, met sterke hand, En klemmen zich met knie en tand Aan stijl en sporten vast. En stuift een dichte pijlenregen Uit schietgat en kanteel hun tegen-- Het aantal groeit en wast.

En 't scherp en gierend strijdgeluid Galmt boven gil en jammer uit, Al valt er menig een. En dondert ook een raatlend heir Van keien langs de wallen nêer En morselt hoofd en leên; En storten krakend, splintrend daar De ladders op en door elkaâr, De klimmers onder een, Verplet, verbrijzeld of verwond-- Wie kan, verrijst weêr van den grond, Ten nieuwen storm gereed. En steeds vergroot zich weêr 't getal Dat opstijgt naar kanteel en wal, Met luider oorlogskreet.

Maar Bertrade stond (om met Vondel te spreken) als eene heldin op de haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een verdediger dooden--zy maakten geen bres in de muren, die niet werd gedekt met trouwe in 't staal gehulde borsten, tot dat de opening weer gevuld was.

Nogmaals beproefde Wolfaert den weg der onderhandeling, maar met geen beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar eerst toestond met Gijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken, opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list achter zochten, of dat zy Gijsbrecht genoeg kenden om van zijn raad geene verandering te wachten--hare voorwaarde werd niet aangenomen, en--schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw bestreed!--er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.