Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Chapter 7
Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche gewoonte, het bestuur binnen Utrecht veranderd, en de poorters hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer, waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in 't heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam--en, in hare duisternis verborgen, ook Bisschop Rudolf. Met hem waren zijn neef Proost Coenraad van Diepholt, de Domproost Sweder van Culemborch, Burchtgraaf Henric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers den toegang. De Utrechtenaars, door 't gerucht en de kreten thands gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die van Utrecht niet in den rug gevallen--de Bisschoppelijken hadden de stad waarschijnlijk niet behouden. Rudolf behaalde de overwinning, maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden, en waarin natuurlijk zijn broeder Willem deelde, wiens banvonnis door den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.
Na den dood van Bisschop Rudolf schijnen de broeders minder eenstemmig geweest te zijn: Heer Willem wordt gevonden op de lijst dergenen, wien, als tegenstanders van Bisschop Gijsbrecht van Brederode, in 1456 by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos, met Reynout van Brederode en Johan van Cleve naar Leyden begaven, om Hertog Filips met den Bisschop en diens stad te bevredigen.
Twee jaar later, 1458, overleed Henric, en werd opgevolgd door zijn zoon Johan den Tweede, bekend onder den naam van Johan de Rijke, thands Heer van Montfoort, Lynschoten en Purmerende, en, door zijn huwelijk met Willemyne, Erfdochter van Naeltwyc, na 1496 tevens Heer van Naeltwyc, Cappelle en Wateringhe, en Erfmaarschalk van Holland. Het verlij met Montfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen, die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide Heren Florens van Wevelkoven, Bisscop te Utrecht an die een zyde, ende Heeren Henrick Borchgrave tot Montfoirde an die ander zyde, gededingt was, begrepen syn." Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrecht niet onder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469 te rug keerde. De oversten der gilden te Utrecht gaven hem toen, met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die door den Domproost, door Heer Jan van Renesse, en andere voorname leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond, en waarvan de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn, eene som van 10 rijnsguldens (f 13.) en 14 stuivers beliepen.
Bisschop David van Borgondiën, die niet zeer by zijne poorters gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel eenige achterdocht geraapt hebben [20]; hy vond ten minste goed om hem naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474. Johan gaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy, in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te steunen, zijne onderzaten in 't algemeen minder van zich verwijderd, en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit evenwel niet--en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met zijne stad Utrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman verkoos. Johan was voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnen Utrecht te vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der Hoekschen in Holland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig inwerkte. Toen Reynier van Broechusen in 1481 de stad Leyden voor die partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok, spoedde hy zich over Woerden naar Montfoort, wel wetende daar eene goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene zware proef werd gesteld. De Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk zette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na, kwam voor de stad, eischte vrijen ingang, en daarby de uitlevering van Heer Reynier met diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander andwoord dan hy verwacht had: die van Montfoort stelden zich te weer, en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche benden spelen, zoodat Maximiliaan zelf byna door een serpentijnkogel gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon 't Palmzondag was, te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen, tot de eigendommen van Montfoort behoorende, aan de vlammen te hebben opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in den Hage, of hy vaardigde tegen Broechusen, Henric van Nyevelt en anderen, waaronder ook Johan behoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam dit op het verlies zijner Heerlijkheid Purmerende te staan, met wier inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.
Maximiliaans maatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den Aartshertog af te bidden. David stelde ter voorwaarde de uitdrijving van den Burchtgraaf, 'tgeen den Raad in groote ongelegenheid en tweespalt bracht, en ten gevolge had dat Johan, die in den laatsten tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neef Henric van Zuylen van Nyevelt voor het stadhuis trok, waar hy de stads banier plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam tot handdadigheid; het staal besliste--de Burchtgraaf verdreef zijn tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.
Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half genoodzaakt, de zijde van Maximiliaan, stelde Frederyc van Egmond van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als Legeroverste aan, ontfing uit Holland, behalven 400 wapenknechten onder Jan van Cats en Jacob van Boshuzen, den bekenden Ridder Petit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den Stadhouder La Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10en dier maand het beleg sloeg voor het blokhuis te Vreeswijc aan de vaart, dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die van Utrecht de noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf terstond de reizige-ruiters [21] en voetknechten uit Montfoort en Amersfoort lichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok, met zijn oom Sweder van Montfoort, Henric van Zuylen van Nyevelt, Dirc van Zuylen van der Haer, Vincent van Swanenburch, en Willem van Wachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat het leger by Engelenburch was gerangschikt, werden Vincent, Willem, en Dirc (Henric weigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste verwarring op de vlucht. Op de wegen naar Schoonhoven, Oudewater, Woerden, en IJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in de Leck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot in het duister van den laten avond zettenden Montfoort en de zijnen hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad, geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde vanen van Dordrecht, Delft, Rotterdam, en Heusden, trokken zy in triomf hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de Burchtgraaf van Montfoort niet tegen den Aartshertog van Oostenrijk, op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad zou zien gaan,--dat hy en zijne aanhangers liever den nood van honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, dat Utrecht ongeschonden onder de heerschappij van Bisschop David zou te rug komen.
Een listige aanslag tegen Naerden, 8 Dec. 1481, met goed gevolg bekroond, maar door toeval zonder ondersteuning gebleven, werkte meer kwaads dan goeds, daar de Hollanders terstond daarop de plaats bezet hielden, en van daar uit herhaalde strooptochten deden. Ook hielp het Eemnes weinig, of een honderdtal Stichtsche krijgers het kwam versterken:--de bloeiende plaats werd door het Hollandsch leger ingenomen en zoo deerlijk verwoest, dat zy zich nooit weder heeft kunnen herstellen. Evenmin baatte het Baern en Soest, dat hunne inwoners beroemd waren om heldenmoed zoowel als om bekwaamheid in het voeren van den boog:--beide dorpen werden overvallen, en de gloed hunner vlammen lichtte tot op den Amersfoortschen berg, vanwaar Engelbert van Cleve ze aanschouwde, juist toen hy naar Utrecht trok om het hem aangeboden ruwaardschap over het Sticht te aanvaarden. Tot die aanbieding was men overgegaan op raad van den Burchtgraaf, die de noodzakelijkheid van een machtigen bondgenoot al te wel inzag, sedert hy zich overtuigd hield, dat de vrede met Maximiliaan zonder herstelling van den Bisschop onmooglijk werd. Engelbert-zelf was slechts negentien jaar, zijn broeder, Hertog Jan, een machtig Heer.--Waarlijk! de vroede, maar al te heerschzuchtige Burchtgraaf had geen beter bondgenoot kunnen kiezen.
De Stichtsche zaken werden er evenwel niet gunstiger door. Die van Utrecht, by een uitval in eene hinderlaag gelokt, verloren 150 dooden en 100 gevangenen [22]. Dat gaf eene droevige verslagenheid binnen de stad, waar de lagere klasse alreeds gebrek, de kleine burger behoefte begon te lijden, en de meer-gegoeden en rijken de toekomst beängst gingen inzien. Montfoort ging onwankelbaar zijn weg: hy versterkte de wallen, deed scherpe wacht houden, en de landstreek rondom onder water zetten. Den 15en Januari 1482 verscheen de Stadhouder van Holland met zijn leger naby Utrecht, maar trok, na eene vruchtelooze opeisching, drie dagen later weder te rug. Twee maanden verder, 18 Maart, deed de Burchtgraaf, door Vincent van Swanenburch, Vianen innemen en bezetten; maar den Raad der Bisschopsstad was dit weinig naar den zin, en hare burgers droegen er eerder meer dan minder oorlogskosten om: beiden morden in stilte, en de wolken, die boven de kim van Montfoorts gezach oprezen, werden hoe langer hoe zwarter en dreigender. Een mislukte toeleg op Dordrecht, in April, beterde daar niet aan. De Burchtgraaf meende zelfs op het spoor eener samenzwering te zijn, deed eenige burgers de stad ruimen, en haalde er verscheidene vroegere ballingen weder in; een burger, die kwalijk van hem gesproken had, werd openlijk onthalsd. In kleine, afmattende strooptochten en schermutselingen (by een van welke Jan van Schaffelaer die grootheid van ziel toonde, die wy nog met eerbied bewonderen) ging de oorlog steeds voort, meestal met verlies aan de zijde der Stichtschen. Eindelijk meende men dat de tijd voor groote handelingen aangebroken was: de Cleefsche hulpbenden zouden weldra opdagen, en in afwachting daarvan, om tot eene bestorming over te gaan, sloeg de Burchtgraaf het beleg voor de stad IJsselsteyn. Maar zelfs hierin maakten onvoorziene omstandigheden zijne kloeke maatregelen weer te schande: toen de Cleefschen nu ook werkelijk waren aangekomen, verklaarden zy gezonden te zijn om te stroopen, niet om steden te bestormen, en weigerden volstandig alle meêwerking. Hy moest dus met bittere teleurstelling weder aftrekken, daar zijne eigene manschap te weinig in getal was. Beter integendeel dan deze onderneming slaagde die der Hollanders, in de maand September, op het blokhuis Gildenburch aan de vaart: de tijding van de overmeestering en volkomen vernieling dezer sterkte baarde te Utrecht weder nieuwe angst en bekommering.
De roem van des Burchtgraven persoonlijke dapperheid leed toch volstrekt niet onder de gedurige mislukking zijner kloekberaamde, maar door anderen slecht uitgevoerde of ondersteunde plannen. De koene Ridder Jan van Egmond [23], wiens gebrek aan den voet door eene dubbele mate van kracht in de borst meer dan opgewogen werd, voelde begeerte om zich met den Montfoorter, man tegen man, in het strijdperk te meten. Hy zond hem daarom eene uitdaging tot een ridderlijken tweekamp; de overwinnaar zou van den overwonnene een losgeld van 1000 kroonen erlangen. De Burchtgraaf liet zich echter niet overhalen. Misschien achtte hy het ongeraden, om het vertrouwen op zijne dapperheid aan den onzekeren uitslag van zulk een strijd prijs te geven, vooral in een tijd, waarop hy het getal zijner aanhangelingen met den dag verminderen zag. Zelfs Engelbrechts gezindheid te hemwaart nam af, blijkends diens goedkeuring op de verkiezing van Aernt Ram tot Schout en Schepen-Burgemeester der stad, 12 Nov. 1482, in de plaats van den overleden Jan de Coningh:--Rams goed-hoekschgezindheid was niet buiten verdenking.
De volkomen nederlaag deed zich niet lang wachten. Op den 4en April van het volgende jaar, terwijl de Ruwaard zich te Amersfoort bevond, brak er eene omwenteling uit, die Bisschop David in de stad, en Johan van Montfoort met eenigen der zijnen in de gevangenis bracht. Gelukkig voor den Burchtgraaf was Henric van Zuylen van Nyevelt nog in vrijheid. Deze wakkere bondgenoot (dien de kronijk »een cloeck, stout, vroom man" noemt) verzamelde met den Ruwaard en Gijsbrecht Baes een deel gewapenden, overviel de stad op Hemelvaartsdag, en verloor er wel het leven, maar sprak nog stervende zijnen volgers zoo vurigen moed in, dat zy werkelijk boven des Borgondiërs aanhang meester bleven. De Bisschop, in 't onzekere over den afloop, had intusschen den Burchtgraaf voor zich doen brengen, en was met dezen overeen gekomen, dat de een des anderen lijf zou schutten, wiens partij ook overwon. De Burchtgraaf hield woord: hy beschermde het leven van den Kerkvoogd, die naar Amersfoort gevoerd en aldaar gevangen gehouden werd.
Nu begreep men in Holland om tot afdoende maatregelen over te moeten gaan--en de stad Utrecht zag zich weldra door eene sterke belegering onder Maximiliaan geheel ingesloten. Vergeefs waren alle onderhandelingen, en de Aartshertog was eindelijk oneerlijk genoeg, om de afgezonden onderhandelaars, Engelbrecht van Cleve en Burgemeester Gerrit Soudenbalch, gevangen te houden. De Burchtgraaf, die met hen was, ontkwam by geluk. Door een heimelijken vriend gewaarschuwd, nam hy den schijn aan als of hy, ter uitbreiding van hunnen lastbrief, spoedig naar de stad moest gaan, en terstond te rug zou keeren; zoodra hy echter in 't zaal zat gaf hy zijn ros de spooren, en rende heen in volle vaart. Dat mag achterdocht verwekt hebben: eenige reizige-ruiters zetteden hem terstond na, en waren hem dicht op den voet, toen hy gelukkig naby de boomgaarden was, van 't paard sprong, en dwars door 't geboomte, over slooten en greppels, langs bypaden en heimelijke wegen voortsnellende, behouden de poort bereikte. Zondag daarop werd de stad heftig bestormd door de Hollandsche benden, maar de Burchtgraaf sloeg ze wakker af. By eene volgende bestorming werd de voorstad de Waard verloren, waar de vijanden zich nestelden, en vooral geschut plaatsten. Op het einde neep het gebrek in de stad gevoelig; men kwam tot een verdrag, en op den 6en September 1483 trok Maximiliaan als overwinnaar, door eene gemaakte bres in de wallen, Utrecht binnen. De tot overmoed aangegroeide heldhaftigheid van Johan van Montfoort had niet geholpen: in genade aangenomen, vertrok hy naar zijne eigene stad, maar peinzende hoe hy den Cabiljaauwschen toch verder afbreuk zou doen.
De gelegenheid daartoe kwam.
Een klein uur zuidwaart van Montfoort hief steeds het zware kasteel van Woerden de grijze spitsen boven het geboomte. De Burchtgraaf vernam, dat de Hollandsche Slotvoogd Aernout, bastaart van Ysselsteyn, een schraapziek Ridder was, die, bouwende op de sterkte der burcht, de door hem genotene inkomsten niet, gelijk het zijn moest, ten deele tot het uitrusten en in standhouden eener goede bezetting besteedde, maar ze geheel voor zich-zelven behield, zoodat er slechts éen man de nachtwake deed en ieder uur éenmaal de wallen rond ging, om onraad of kwaden aanslag te verspieden. Toen was zijn plan gemaakt.
De lange nacht na den tweeden Kersdag, 1488, hing met hare doodsche stilte op het kasteel van Woerden, toen Heer Aernout door wapenklank en staalgekletter werd gewekt. En eer hy nog zijne echtgenote opmerkzaam kon maken, ging de deur van het slaapvertrek open, vertoonden zich de Burchtgraaf met diens oom Sweder en eenige andere Hoeksche Edelen, in volle harnas en met getrokken zwaard, voor den ontstelden Kastelein, en verklaarden hem hun gevangene. 's Morgens zagen de omwoners van het kasteel met verwondering en schrik, dat er niet meer de liebaart van Holland, maar de banier van Montfoort in de koude Decemberlucht wapperde. Zoo onverwacht en ijlings was de burcht in de nacht beklommen en overmeesterd geworden.
De Burchtgraaf zorgde beter voor eene goede bezetting, en hield er zich dikwijls op, zendende zijne gewapende knechten tegen de Hollandsche dorpen uit. »Ende dair geschieden veel rovingen, branden ende brantscattingen ende andere dingen, alsmen in zulken feiten van orlogen plach te gebruiken: van scepen ende scuiten, die na der Goude ende Utrecht voeren te beroven ende te bescadigen. Ende alle dye dorpen, ghelegen tusschen Leyden, Hairlem, ende Amstelredamme mosten allegader meest brantscattyngen gheven: dair hy alten groten swaren goet of creech."
Een aanslag op Leyden, met den uit Rotterdam afgezonden Heer van Naeltwijc beraamd, mislukte, even als later een op Naerden. Maar in dien tusschentijd overmeesterde de Burchtgraaf het blokhuis by Woerden, en verwoestten zijne krijgslieden, op een helderen Oktoberdag in het natte najaar van 1489, het versterkte Bodegraven. Kort daarna overvielen zy Stolwijc, en legden het mede in de asch; ja zy trokken door de veenen tot Nyeberch, en plunderden het, niettegenstaande de dorpelingen aan den Burchtgraaf brandschatting betaalden.
De klachten, over dezen onophoudelijken moedwil gerezen, deden eindelijk den Stadhouder-Generaal, Hertog Aelbrecht van Saxen, gehoor geven aan het verlangen van Edelen en steden, om Montfoort, het brandpunt dezer verzengende stralen, te belegeren. In het laatst van Mei, 1490, kwam hy met vele Ridderen, Heeren, en knechten, in 't geheel een groote macht volks, en sloeg zich om de stad en het kasteel neder. Terstond werden de donderbussen en andere schietwerktuigen opgericht, en weldra dreunde de grond onophoudelijk van den donder des geschuts niet alleen, maar ook van de vallende steenklompen van muren, poorten, en torens: het geschut werd goed bestierd, en richtte geduchte verwoestingen aan. In 't begin van Juli werd tot den storm besloten, en de Henegouwsche knechten deden den eersten aanval; maar daar zy door de Duitsche benden niet behoorlijk werden ondersteund, en de wakkere Montfoorters zich hunnen Burchtgraaf waardig toonden en hen vromelijk te lijf gingen, werden zy met verlies te rug geslagen. De Hertog liet zich echter door eene eerste mislukking niet ontmoedigen. Nog in het laatst der zelfde maand gelastte hy eenen tweeden storm--maar die niet beter afliep: de brug, door de bestormers met groote moeite over de gracht gelegd, begaf hun en zonk; daar ontstond groote verwarring; zy werden nogmaals afgeslagen, en verloren een groot aantal gekwetsten en dooden. Onder de laatsten telde men den Grave van 'Tsoorle, wiens broeders reeds in den Utrechtschen oorlog waren gevallen.
De moed van den Burchtgrave en der zijnen werd door den gelukkigen uitslag van hunnen weerstand niet weinig gestijfd. Herhaaldelijk deden zy onverwachte uitvallen in het Hollandsche heir, sloegen er menigen vijand neder, en keerden gemeenlijk met buit en gevangenen te rug. Zeker, de Hertog mocht al de overtuiging hebben, dat stad en burcht, steeds ingesloten door een macht als de zijne, eenmaal zouden moeten overgaan--maar hoe lang zouden zy 't nog volhouden, aangevoerd en aangevuurd door een stouten bevelhebber als Johan van Montfoort? Eene dergelijke overweging mag wel hebben bygedragen tot het leenen van een gunstig oor, toen in Augustus de Graven van Nassau en van Chimay in Holland kwamen, en den Hertoge woorden van bevrediging toespraken, ten einde »dese twist, schade, hinder ende grote verderflijcke oncosten ende dye grote bloedstortinghe te beletten."
En werkelijk kwam het nu spoedig tot eenen zoen, nadat de belegering byna vier maanden geduurd had. De beide strijdende partijen werden vereenigd, maar hoe of op wat wijze, zegt de kronijkschrijver, dat is onder de Heeren geheim gebleven, en het algemeen is er onkondig van geweest; alleen weet men, dat de Burchtgraaf beloofde geen Hollandsche ballingen op zijn burcht meer te herbergen. Voor 't overige deed hy hulde en manschap aan Maximiliaan en diens zoon, en leverde het kasteel van Woerden te rug in handen des Hertogs, die het terstond van een waakzamer Kastelein en behoorlijke bezetting voorzag.
Nu haalde Holland weder ruim adem: de belemmering van wegen en vaarten werd opgeheven, zoodat men overal weder vrij en veilig reizen en trekken kon.