Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Chapter 6
De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig: hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende, getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men om zijne groote goederen Sweder den rijke noemde, eene belangrijke som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge recht in de Heerlijkheid Montfoort, voor altoos, terwijl hy het lage recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag met Schout, Schepenen en gemeene buren van Montfoort, waarby deze beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met niemant, wie 't ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den Bisschop van Utrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.
Het zij nu dat Sweder edel genoeg dacht, om ook eene door den nood afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield--het blijkt niet, dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan zijn voorgevallen.
Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoon Henric [16]. Deze Burchtgraaf, die zich den tytel van Heer van Montfoort aanmatigde, verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk van Abcou, Heer Willem, tegen Bisschop Floris van Wevelichoven, en eigende zich met kracht van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te berooven, en belegerde het slot van Abcou; toen hy dit overmeesterd, en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich tot Henric van Montfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den verdragsbrief van 1297: Bisschop Floris wilde, als een voorzichtig Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen gebied meer dan gevaarlijk werd, en thands de machtigste zijnde, maakte hy, als 't gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.
Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond, werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen de banne van Montfoort meer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de stad Montfoort te komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken; en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende tegen de bisschoppelijke leenheerschappij. Henric verdedigde zich met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de stad Utrecht in leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch, en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak zou worden uitgesproken volgends het Landrecht van Utrecht, door den Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen, en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden; maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men niet voornemens was te onderzoeken, maar wel te oordeelen. De Bisschop bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan, waarover voldoening gegeven moest worden. Heer Henric verklaarde die gaarne te willen geven--mits zijn schuld uit het onderzoek blijken zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. Maar Henric was te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht, of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en den meesten van den lande." En daar hem zulks niet werd toegestaan, verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men hem opzettelijk zijn recht onthield.
Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht, nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf had Heer Henric verlijd met het Dijkgraafschap »tusscen den nywen-Dam ende Sevenhoven, die Lecke langens, ende tusscen den nywen-Dam ende Haestrecht, weder die Ysel langens," gelijk dit van ouds Stichtsch eigendom geweest, en steeds door de Montfoorts al van over honderd jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen, Leenmannen en Steden van 't Sticht met den Burchtgraaf te breken; en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met een sterk leger voor Montfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werking werden gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen, deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche, thands Luyksche, Bisschop Aernout van Hoorn, oom van Heer Henrics gemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:
Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen zich nimmermeer Heeren, maar Burchtgraven van Montfoort schrijven. De stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten, of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich te Montfoort neêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet verandwoord had, terstond uitbetalen; ook moest hy de oirconde van Bisschop Jan van Nassau aan den Luykenaar in handen geven, waarvoor hy een andere van Bisschop Willem zou ontfangen, inhoudende de nieuw gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden worden.
Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen, blootshoofds en in 't openbaar, dragende in zijne hand de sleutels van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven, daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed van trouwe doende [17]. En totdat deze zoen geheel geregeld was, mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig man in Utrecht legeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van den Bisschop van Utrecht en van Amersfoort zoo wel op der stede als op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemde Henric van Montfoort, Heer Henrics neef, die daarom van zijne anders denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten, den toenaam »de Rover" ontfing. Wy lezen ten minste: »dese Heer Henric de Rover, Heer Willems soon, bleef doot in het besit van Montfoort, t'welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des Vrydaechs nae Pinsterdach."
Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraaf weer huiswaart rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop van Utrecht te dienen, deszijds den IJssel met 25 speeren [18], op eigene kosten, en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.
Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn »lieven, geminden Heer", en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387." Nogtans verklaarde hy, en wel, zonderling genoeg, tevens in 't volle kapittel, by zijn eed en ridderschap, dat hy 't alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid, vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends des Ridders sterke bewoordingen in 't kapittel.--»Daarmeê neem ik geen vrede," sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop, en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht niet benadeelen:--omdat allen, die hierover moeten zitten, niet tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen, Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende, daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken; omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft, en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in 't bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest."
Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnen Montfoort, door zekeren Jan Jans van Boemel, een manslag gepleegd op eenen Arent den Schermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en maakte er zich meester van den moordenaar, die, naar Utrecht gevoerd, daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.
Van Henrics twee zonen, Sweder, Ridder, en Jan, Domdeken en Proost te Utrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch wel billijk ware geweest. Bisschop Frederic van Blanckenheym weigerde dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in 't openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, 't zij nu dat deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde, ter strengere handhaving van zijn gezach--hy liet zich eindelijk door bidden en dreigen van Sweder en diens vrienden bewegen, om hem met het Burchtgraafschap te beleenen, maar--op de zelfde voorwaarden, waarop Heer Henric dat ontfangen had. Heer Sweder bleef geen andere keuze, en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor, waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop, thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van gewelde" te zullen laten.
Toen Sweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de zelfde strijd. Zijn broeder Jan, de Utrechtsche Domdeken, had de kap aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap, waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil tusschen hem en Bisschop Frederic, over het verbreken der overeenkomst van 1387, waarin Graaf Willem van Holland, als scheidsman, hem echter in 't gelijk stelde.
De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beieren tot dadelijken krijg overgingen, en de Montfoorters des Bisschops partij kozen. In dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijc van Montfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:
By een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijc in der haast te Montfoort zoo vele manschappen samen, als er uit de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver Van der Beke, toen Heer Lodewijc met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden, want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die van Oudewater moesten 't eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinte Martyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren."
Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos behandelde Jacoba van Beieren zoo menig goede dienst, dat zy hem uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie Heerlijkheden, palende aan het Land van Montfoort, namelijk: Linscoten, Hekendorp en Snelrewaerd, die hy later, schoon eerst onder Filips van Borgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy ook bezittingen in Holland verkregen: de Heerlijkheid Purmerende, die hy in 1431 van den Ridder van Sijl had gekocht.
Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman, van den Bisschop van Utrecht tot den Burchtgraaf van Montfoort, in eene omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschen Rudolf van Diepholt en Sweder van Culemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag tusschen Bisschop Frederic en Jan van Beieren buiten gesloten, vond zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak, waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door 't groote meerendeel der Stichtenaars gehaten, Bisschops Sweder koos. Hy leende dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000 Hollandsche Wilhelmsschilden [19], en ontfing daarvoor ten jare 1430 in pandschap de hooge Heerlijkheid van Montfoort, met uitdrukkelijke voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren van Montfoort, wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.
Heer Jan van Montfoort had alzoo door zijne rijkdommen verworven, wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.
Uit zijn huwelijk met Cunigonde van Bronchorst waren hem drie zonen geboren, Henric, Willem, en Sweder. Henric, een heethoofdig en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voor Agnes van IJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aan Blocland, de andere in Benscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy, ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden, een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te onterven.
De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene omstandigheden, kwam Henric tot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen vader te dwingen. Gants in 't heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen, waaronder voornamelijk de verwanten van zekeren Jan van Naerden, poorters van Woerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken" gevangen hield. Zyn broeder Willem, wien dit verdroot, begaf zich, daar de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos was, naar Holland, en klaagde Filips van Borgondiën wat er te Montfoort plaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk, waarby Johan in het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd, onder voorwaarde, dat hy Jonker Henric noch onterven, noch ook maar een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men echter daarby op eene andere plaats: »deselve Heer Johan Voorsz. sterf daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach," dan heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, dat Henric in zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken, het gezach over 't Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder zich aan de gemaakte bepalingen te storen.
In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn broeder Willem voor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen te Utrecht zoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige staatkunde evenwel van Filips den Goede, die in de toekomst alreeds den opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoon David zag bekleeden, sloot zich den Montfoorters aan, en maakte hen, door een verbond van onderlingen bystand met hem en de Edelen van Mynden, Zuylen, Cronenborch en anderen, waarby zich ook de Stad Amersfoort voegde, zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en Bisschop Rudolf de hand konden bieden, om hem weder in 't bezit zijner met hem in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed hem toch eene belangrijke boete betalen. Willem van Montfoort hield, na de bevrediging door Filips, geheel de zijde zijns broeders, en beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen van Utrecht te vertoonen, eene opschudding binnen de Stad ten voordeele van Rudolf te verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.
En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.