Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Chapter 5
Maar maakt de levendige werkzaamheid eener katoenspinnerij (in onze dagen ontegenzeggelijk van grooter praktiesch nut dan een ridderkasteel) een aangenamen indruk op uw gemoed--ga dan het westelijk gedeelte binnen, en verheug u by de overtuiging, dat daar eene minder bevoorrechte klasse door eigene vlijt in haar onderhoud voorziet, en de welvaart van waardige en edeldenkende meesters met dien arbeid ondersteunt.
HET KASTEEL VAN MONTFOORT.
Godfried van Rhenen, Bisschop van Utrecht, was geen man des vredes; zijne regeering (1156-1178) is ten minste een aaneenschakeling van oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam [11], gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden bezwijken. Om de muitzieke Edelen van Aemstel in bedwang te houden, stichtte hy een kasteel te Woerden. Om de Friesche grenzen te dekken, deed hy er een te Vollenhoven bouwen; en tegen de Gelderschen richtte hy by Rhenen het geduchte kasteel ter Horst op. Hy had echter een te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien, dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd, zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats hiertoe scheen hem de landstreek beöosten Oudewater, aan den linker Yssel-oever, tegenover het Yssel-veld, en slechts drie uren van zijn zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnen last het sterke slot, dat, zoo men wil, door hem Mons fortis werd genoemd, maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam van Montfoert of Montfoort bekend staat.
Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding gemaakt voor 1227, wanneer wy Everaert Burchtgraaf van Montfoort vinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief van Bisschop Otto van der Lippe hing. Vervolgends wordt er gewach gemaakt van eenen Willem, zonder bepaling of hy tot het geslacht zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van Bisschop Henric den Eerste, 1260, van den Burchtgraaf Wouter, Geraerts zone uit den huize van der Goude.
Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer helder licht ons voor het oog.
Bisschop Johan van Nassau, die van 1267 tot 1288 [12] regeerde, was een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:
»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is 't er zeer holbollig in het Bisdom toegegaan. De regeering van 't gemeenebeste is tenemaal t'onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd altijd, uyt het gemeene volk gekozen; ambachtsgilden ingestelt, die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben; ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest."
Trouwens--er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst, in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten van het eerste steunde--om er dikwijls zelf, het zij reeds in zich, het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.
Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo ging het ook Bisschop Johan; en by een der maatregelen tot voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het slot Vreeland en dat van Montfoort, welks Burchtgraaf overleden was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom: Gijsbrecht van Aemstel, en Herman van Woerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam weldra ten duidelijkste aan den dag, toen Gijsbrecht by Vreeland een tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan--maar hier had de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in 't eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen, riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen Burchtgraaf van Montfoort in. Herman van Woerden sammelde niet lang, en kwam met eene aanzienlijke krijgsbende Aemstels leger versterken, waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by den Soester eng, tegentrokken. Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of verslagen; maar Woerden, daarop met zijne versche benden uit Holland aanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der Bisschoppelijken. Ofschoon Woerden reeds in den eersten aanval zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic"; en zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag: Bisschop Johan verliet in haaste het veld, met verlies van vele kloeke strijders, waaronder vooral Steven en Frederyk van Zuylen moeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnen Amersfoort.
In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren Hollander, Graaf Floris den Vijfde, te hulp; en het bleek, dat hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had. Floris zond den beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voor Vreeland; zijne moedige Zeeuwen, onder Costijn van Renesse, sloegen den tot ontzet aangesnelden Gijsbrecht geheel, en namen hem zelfs gevangen; Arent van Aemstel zag zich toen genoodzaakt tot de overgave van Vreeland, en Floris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te hebben, sloeg den weg in naar Montfoort.
Hier had Herman van Woerden hem niet afgewacht. 's Graven krijgsmacht duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen" [13], die reeds voor Vreeland hadden gediend, werden ongetwijfeld ook voor Montfoort gebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur beuken. Toen bleek het, dat Godfried van Rhenen goede bouwmeesters in 't werk gesteld, en te gelijk, dat Herman van Woerden zijne ongerechte zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan blyde en stormram. Telkens vinniger trokken de Hollanders, by het schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut- en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen, en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op--telkens werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en--»Holland! Holland!" is de zegekreet, die binnen Montfoorts wallen den val vermeld der burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende, velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier van Woerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had, en de klimmende liebaart van Holland
Zag fier van de transen langs d' Yssel-boord rond:
want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279, en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.
Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds, en de Aemstellaers [14] ter anderer zijde, op den 27en Oktober 1285 tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven, en kwam Montfoort alzoo weder in handen van den Bisschop.
Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die Graaf Floris omringden een Brabantsch Ridder, Henric van Roden of Royen, jonger zoon uit het geslacht der Graven van Roden, en om manslag uit zijn vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296 Henric de Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latere Henric van dien naam, kleinzoon van Burchtgraaf Sweder den Eerste, zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.
De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl Heer Henric van Roden zich nog in Brabant bevond, stierf daar zijn oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve Kanunnikdijen: te Roden, te Hilvarenbeec, en te Oirschot; begiftigden er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op 't hoogst Heer Henric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken, de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig, dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en huns levens lang ballingen van Brabant blijven: sommigen begaven zich naar Vlaanderen, en verbleven te Brugge, hy-zelf week naar Holland, en begaf zich tot Graaf Floris den Vijfde, by wien hy een goede ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene wijze, den Edelman waardig.
De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóor Herman van Woerden Montfoort bezeten had, was nog in leven, en de waardigheid heurs overledenen vaders onvervuld. Graaf Floris wendde zich daarop tot Bisschop Johan van Syric, en wist door zijne voorspraak te bewerken, dat Heer Henric van Roden de hand der verweesde Jonkvrouwe van Montfoort bekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en Heer Herman bezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als gewoon-, Henric echter als erfleen, schoon 't niet blijkt, dat een van beide zich daarover verklaard heeft.
Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader, ofte Heer Herman van Woerden oyt geweest hadde," gaf evenwel aanleiding tot eene botsing met Johans opvolger Willem van Mechelen, die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe, om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy zich Erf-Borchman op het Slot te Montfoort wist, en dat de goederen, tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos, gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.
Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk paleis te Utrecht, waar hy met den Bisschop ook de Ridders Hubrecht van Bosinchen, Ghysebrecht van Schalcwijc, Ghysebrecht uten Goye, Hubrecht van Vyanen, en Lambrecht de Frese vond, benevens de Heeren Jacob van Lichtenberch, Herman Teutelaer en Ghysebrecht Pellencussen, Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, het gebrek aan bescheiden ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen legde Heer Henric met zijne getuigen de hand op een voorgebracht reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.
Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam van Royen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van keel. [15]
In 1300 was Burchtgraaf Henric niet meer in leven, en te Montfoort heerschte zijn oudste zoon Sweder. Deze, zegt men, huwde met eene Jonkvrouwe van Holland; maar het proza der geschiedenis wordt hier zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor de poëzy der sage, die dus luidt:
EEN DOCHTER VAN HOLLAND.
--»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht," »Wy zoeken Holland weer." Zoo sprak in 't hof van Engeland Graaf Willems Edele Gezant, Volyvrig voor zijn Heer.
Maar ijlings trad, met biddend oog, Een jonker hem ter zij. Die droeg in 't oog een vurig hart; Een wapen, wit en rood en zwart, Gestikt op zijn kleedij.
--»Ter wille van uw Edelvrouw »Die gy in 't hart vereert-- »Twee enkle dagen nog getoefd," Zoo bad hy: »schoon 't mijn ziel bedroeft-- »En dan--naar gy begeert."
--»Die bede zy u toegestaan »Mijn Jonker van Montfoort!"-- En ijlings was de Jonker heen, Te paard, en voort, en gants alleen; Men wist niet naar wat oord.--
Aan Medways blaauwen waterstroom Daar rijst een landkasteel. Daar staart een Jonkvrouw van den trans. Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans, Als ducht zy 't lot niet veel.
Nu wuift zy snel ten toren af, Met hoog-gebloosd gelaat: Een ruiter nadert, gants verhit... Zijn wapen, zwart en rood en wit, Gestikt op zijn gewaad.
Hy stijgt van 't paard--en ijlings op, En zy daalt ijlings neer. Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart, En zy, van zoete vreugd verward, Zy stelt zich niet te weer.
Hy sprak: »Een tijding droef--en blij: »Ras keer ik naar mijn land. »Nu zeg my, Ellen! dierbre Maagd! »Van wat geslacht den naam gy draagt, »En 'k spoed my om uw hand."
Zy bloost--zy siddert--zy ontzet-- Zy slaakt een droeve kreet; Zy meldt met diepe droefenis: »Ik weet niet wie mijn moeder is, »Noch hoe mijn vader heet!...."
--»Ik ben van onbetwijfeld bloed!" Zoo borst hy angstig uit: »Mijn vader is een Hooge Heer.... »Toch, Ellen! toch--ik zie u weêr, »En als mijn dierbre bruid!"--
Straks joeg een strijdros langs den weg Die recht naar Londen gaat. Zijn Ruiter reed met rustloos hart; Een wapen, wit en rood en zwart, Gestikt op zijn gewaad.
En later reed er, eer de schaaûw Nog heenkroop naar het oost, Een droeve Jonkvrouw langs die baan. Toch blonk er door zoo menig traan Een stille hoop van troost.
Zy wisselde in de ruime stad Met niemant woord of taal; Maar waar 't arduin paleisbordes 't Blazoen droeg van de Rijks-princes, Daar steeg zy uit het zaal.
Zy vroeg geen lijftrawant den weg, Geen knaap of kamervrouw: Zy ging er tot in 't rijk klozet, En boog zich neêr, als ten gebed, Alleen met de Edelvrouw,
Zy bad met woorden uit de ziel, Maar diepe eerbiedenis: »O zeg, Mevrouwe! hoog van staat, »Die my steeds gunstig gade slaat, »Zeg wie mijn vader is?"
De Rijksprinces verschoot van blos, En siddrend boog ze saâm: »Wat raadslen, Ellen! vraagt ge my... »Wat weet ik wie uw vader zij? »Wie noemde me ooit zijn naam?"--
En zichtbaar greep het Ellen aan Met zielsontroerenis; En dieper, dieper boog ze neêr, En schreide, en smeekte naamloos teêr: »Zeg wie mijn vader is."--
Dat brak het hart der Rijksprinces: Zy snikte op schellen toon: »Weet!..." maar toen duizelig en dof: »Aan Hollands machtig Gravenhof »Daar draagt hy-zelf de kroon!..."
En Ellen brak in jubel uit, En viel haar aan de borst. --»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God: »Dat spelt me een eindloos zoeter lot »Dan ik ooit hopen dorst.
»Neem nu mijn droef en blij vaarwel: »Ik trek naar ander oord; »En zoo gy ooit my wederziet, »Dan is 't in Hollands rijksgebied, »En Vrouwe van Montfoort!"
Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk; Maar zy verhief zich ras: »Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart... »Maar wat dan..." en zy kreet van smart: »Zoo ik... uw moeder was?..."
En Ellen trad versteend te rug: »Mevrouw! wat zegt ge my? »Gy, die steeds aan mijn eigen haard »My goedig--maar als vreemde waart, »Myn moeder, moeder gy?"--
Toen kromp het moederhart in een: »U afstaan!..." rilde zy: »Neen, Ellen! spreek dat woord niet weêr: »Al kostte 't my mijn rang, mijn eer-- »Kies tusschen hem en my!..."
--»Ik heb... gekozen..." sprak zy zacht (Van smart bestierf heur stem): »Mijn moeder... heeft my... nooit bemind: »Zy was een vreemde voor heur kind. »Mevrouwe!... ik ga met hem."--
Wie vraagt gehoor by Hollands Graaf? De Jonker van Montfoort. --»Al wat ik Uw Genade breng, »Wanneer ze 't my in gunst geheng, »Dat is een luttel woord:
»Een groete van de Rijksprinces, »Een vorstelijke groet; »Daarby een bede, koen en stout: »Een Jonkvrouw, twintig jaren oud, »Die drukt ze u op 't gemoed.--"
Graaf Willem sloot zijn kind aan 't hart, Geroerd en blij te moê: »Nu spreek, mijn dochter! gul en rond: »Ik zie, een beê zweeft om uw mond; »'k Zweer u verhooring toe."
Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad Na 's Graven plechtig woord? Daar gingen luttel weken om, Toen was zy bruid; de bruidegom Was Sweder van Montfoort.
Maar wie, wie schepen flux daarna In 't heimlijk zich aan boord, En houden koers naar 't Britsche strand? Het wapen, schittrend aan het want, Is 't wapen van Montfoort.
Men vraagt, met hoofsche plechtigheid, Der Rijksprinces gehoor; Maar als geheel den gang bewust, Treedt de Edelvrouw van Hollands kust Heur eedlen gade voor.
Zy knielde voor de Rijksprinces, Wel kinderlijk gezind: »Doof niet aan 't Hof uw gloriekrans, »Maar, moeder! wees in 't heimlijk thands »Gelukkig met uw kind!"
Sweder van Montfoort gingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen Bisschop Willem van Mechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den ijzeren handschoe zag, koos Sweder de partij van Hubrecht van Vianen, Jan van Linschoten, Jacob van Lichtenberch, en andere samenspannende Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan door den Aartsbisschop van Keulen, en nog veel meer vrijwillig door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame stad Utrecht, waar de Burgemeester Jacob van Lichtenberch thands het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche Ridders, Diederic van Wassenaer, Henric, Burchtgraaf van Leyden, Filips van Duvenvoirde, Simon van Benthem, en Jacob van der Woude, rukten daarop hunne dienstmannen by een, om Lichtenberch ter hulp te komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op de Hooge-woerd, eene vlakte, omstreeks den oever des Ouden-Rijns. Met schetterende klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw een trompet van de zijde van Montfoort, en de banier, weldra boven de aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde manlicken, om den seghe te vercryghen." Maar de moedige Bisschop gaf het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche heir, als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde, viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze strijd geschiedde op den 12en Juli, 1301. Sweder van Montfoort had de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.
In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl Bisschop Jan van Arckel voor het kasteel Woudenburch, en zijn Maarschalk voor dat van Ruwiel lagen, zonden de Ridders Jan van Culemborch en Gijsbrecht van Vianen hem een ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen en kasteelen. Burchtgraaf Sweder deed daarin dapper meê, zonder dat wy weten of hy er oorzaak toe had; maar Jan van Arckel was geen Bisschop om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers van Woudenburch gebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had, ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad en het kasteel Montfoort, beide door Sweder bezet en verdedigd.