Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Chapter 4
Reeds in het begin der dertiende eeuw bezat de Orde aan deze plaats eenige goederen, waarover in 1249, volgends een brief van dat jaar, nog op het archief van Postel aanwezig, een Provisor bestuurde. Uit een charter van 1270 blijkt, dat Gemert toen voor de eene helft als vrij land aan Jonkheer Diedryc van Gemert, voor de andere aan de Ridders van het Duitsche Huis behoorde. Te dien tijde bestond er reeds een Kommandeur, want in het genoemde archief berust mede een document van 1261, waarby Broeder Henric, Kommandeur van Gemert, met toestemming van den Luykschen Kommandeur de Prenthage, eenige goederen aan het huis van Postel verkocht, die gedeeltelijk door den Hertog van Brabant, gedeeltelijk door den Beschermvoogd van Mol aan de Kommandery geschonken, en in de dorpen Lommel en Hilvarenbeec gelegen waren.
In 1366 was broeder Gheryt van Audenhoven Kommandeur. Op den 21en Juni van dat jaar kocht hy van den toenmaligen Diedryc van Gemert dat gedeelte der Heerlijkheid, dat tot hiertoe nog door dit geslacht, sedert 1364 als leen, bezeten was, waardoor het Duitsche Huis alzoo in het volledig bezit geraakte. Kort daarna, het zij onder zijn bestuur, het zij onder dat van zijn opvolger Henric Reynart van Husen, in 1387 vermeld, werd er ten zuiden van de dorpskapel een ruim gedeelte gronds, aan den zoom van het watertjen de Rups, afgebakend, en daarop het sterke kasteel gebouwd, dat sints den Kommandeurs met de hunnen ten verblijf diende. Het hoofdgebouw rees als een zwaar vierkant gevaarte, uit drie of vier andere gebouwen bestaande, met steile daken, en alleen slechts door trapgevels en hoektorens ietwat verlevendigd, kloosterachtig somber uit de diepe gracht op, en werd nog door buitenwallen en eene versterkte voorpoort beschermd. De inwoners van Gemert zullen zich evenwel waarschijnlijk niet over den afstand van Heer Diedryc beklaagd hebben: de Duitsche Ridders waren geen harde heeren voor hunne onderzaten; en zoo men al beproefd heeft hen daarvan te beschuldigen--de wetten van den Grootmeester Siegfried van Feuchtwangen [7], 1309-1312, zijn daar, om den aanklager, dien het om waarheid te doen zij, te beschamen: de wijsheid van den Regent spreekt er u op iedere bladzijde uit tegen; en waar ze strengheid ademen, daar is het om een vergrijp te voorkomen, of te straffen, opdat de goedgezinde onderdaan in vrede en veiligheid het zijne bezitten moge, en orde en zedelijkheid bevorderd worde. Welke eene naauwlettende zorg spreekt zich uit in verordeningen, by de Art. XX, XXIV, XXVII, inhoudende:
Vee, den eigenaar tot zijn daaglijkschen arbeid noodig, mag voor geenerlei schuld in pand worden genomen.
Jaarlijks zullen de dorpsrechters met hunne byzitters de grenzen hunner gemeente omrijden, en de marksteenen en grensteekens, waar deze onkenbaar mochten geworden zijn, vernieuwen, op straffe van vergoeding der schade, die door nalatigheid in deze verplichting mocht ontstaan.
De voogden van weduwen en weezen zullen de goederen hunner pleeglingen schriftelijk doen opteekenen en beschrijven, en het hun toevertrouwde gants zoo als zy het hebben ontfangen, by het einde hunner voogdijschap te rug leveren, op verlies van hunne eer.
Zulk eene naauwlettende zorg kan niet worden overschaduwd door eene strenge strafbepaling, als die, waarby vrijheid gegeven wordt, om een wechgeloopen dienstknecht by het oor vast te spijkeren (Art. VI): de laatste verordening had niets wreeds naar de zienswijze van dien tijd--de eersten zijn nog weldadig en billijk in het oog van den onze.
Het zou zeker de moeite waardig zijn, zoo men kon nasporen, in hoeverre het bestuur der Orde over hare goederen in ons land, van invloed mag geweest zijn op de denkwijze van de hooge Regeering omtrent de regeling van dezer gemeentebelangen.
De Orde scheen hier echter gee grooten prijs te stellen op het volle bezit van allen eigendom, want de kommandeur Iwan van Cortenbach verkocht op den 1en Augustus 1421 de gemeente Gemert aan de ingezetenen, voor eene erfpacht van 50 kroonen 's jaars. Heer Iwan (ook Ywan genoemd), die voor het eerst als Kommandeur van Gemert gemeld wordt in een schepenbrief van 25 November 1418, was tevens Landkommandeur van Aldenbiesen.
Als Iwans opvolger wordt genoemd Heer Dirc van Betenhausen, of Bergenhuysen. Blijkends eene aanteekening in het pastoreele register der gemeente, kocht hy de moerige Peellanden van Gemert van den Brabantschen Hertog Filips, en gaf ze vervolgends voor een pacht van 61 karolusguldens aan de ingezetenen weder uit. Daarna benoemd tot Landkommandeur van Aldenbiesen, werd hy in de kommandery van Gemert opgevolgd door Heer Henric van Eynatten. Het was onder het bestuur van dezen Kommandeur, dat de kapel te Gemert [8], grootendeels door bemoeiïng en tusschenkomst van den Landkommandeur Bergenhuysen, tot eene parochiekerk verheven werd, waarvan de wijding op den 18en Maart 1437, door den Luykschen Bisschop Johan van Heynsbergen, met groote plechtigheid plaats vond. Heer Henric, overleden 17 Juli 1444, en in de kerk te Gemert voor het hoog-altaar begraven, werd als Kommandeur opgevolgd door Niclaes van der Dussen, uit het Hollands-Brabantsch geslacht van dien naam. Hy was de tweede zoon van Jan van der Dussen, Heer van Dussen, Aertwaerde, en Munsterkercke. Vóor 1439 in de Orde getreden, bekleedde hy, onder andere aanzienlijke betrekkingen, de waardigheid van Kommandeur te Gemert tot in het jaar 1467, toen hem het Landkommandeurschap werd opgedragen, weshalven hy naar Aldenbiesen vertrok, en daarna in 1476 overleed. Zijn bloedverwant Aernout van der Dussen, die te Gemert zijn plaats verving, deed er het nieuwe parochiale kerkgebouw vergrooten met een aanzienlijk choor, waarop een klein torentjen geplaatst is.
In vrede en rust ging het leven op het kommanderykasteel doorgaands steeds voorby; hoewel de Ridders voor 't overige de strenge onthoudingsregelen niet meer zoo naauwgezet hielden als in den beginne: de Grootmeester Wallenrode b.v. gaf zijnen Duitschen gasten eens een zoo prachtig eeremaal, dat de onkosten daarvan, zoo men zegt, de verbazende som van 500,000 markzilvers bedragen hebben. Ook moeten wy niet voorby zien, dat de beöefening der wetenschappen aan de Orde volstrekt niet vreemd was. En al is het ontwijfelbaar dat sommige Grootmeesters zekere historische documenten opzettelijk hebben vernietigd, en bepaalde plaatsen in kronijken, waar van de Orde gesproken werd, doen wechnemen--de Grootmeester Winrich van Kniprode daarentegen, die van 1351 tot 1382 regeerde, was een voorstander en beschermer van wetenschappelijken vooruitgang. Hy deed de weinige bestaande scholen in Pruissen verbeteren, en nieuwe oprichten, opdat het zijnen jongen Ridderen, wanneer zy in rijd- en strijdkunst volkomen bedreven waren, aan geen onderricht van den geest ontbreken zoû. Wy zijn dus volkomen gerechtigd tot de onderstelling, dat er buiten het Breviarium, of de Orde-statuten, of den Blaffert van eigendommen, nog wel eens een andere foliant of kwartijn door den Kommandeur van Gemert, of diens Ridders, zal zijn opengeslagen; dat een Bestiaris van Maerlant, of een Slag by Woeronc van Heelu er geen onbekende verschijnselen zullen zijn geweest; ja dat, al gedoogden de ernst van het verblijf en de eerwaardigheid der Krijgsmonniken niet altoos, als op de kasteelen der waereldlijke Edelen, open hof en blijde ontfangst voor een reizenden Minstreel of Sprookspreker--Heynrycs Roman der Kinderen van Limborch behoeft er wel zoo min een onbekende gast te zijn geweest, als Dirc Potters sproken van Der Minnenloep. Ook was het den Kommandeurs en Ridders volstrekt niet ontzegd, om aan een waereldsch feest of vreugdebedrijf, op den een of anderen burch, of aan het Hertooglijk hof gegeven, deel te nemen, evenmin als het genot van den wandelrid of dat van het weidspel,
Hair met hair, en veêr met veêr,
onder de verboden uitspanningen werd gerekend. Dit alles te zamen genomen, vinden wy dus redenen te over om te gelooven, dat het verblijf in de zalen en gewelven der kommandery (al vond men ze, naar de gewoonte der Orde, door het overal aangebrachte zwarte kruis meer versomberd dan vercierd) zoo min als de landstreken daar rondom, niet zoo eentonig en van alle afwisseling ontdaan zal zijn geweest, als eene oppervlakkige beschouwing zou kunnen doen vermoeden.
Toen Aernout van der Dussen in 1482 overleden was, werd hy opgevolgd door Heer Maximiliaen van Eynatten, die er tot in 1503 zijn ambt bekleedde, om het toen, als zoo menig een zijner voorgangers, met dat van Landkommandeur van Aldenbiesen te verwisselen.
Van de Kommandeurs Wynand van Breyl (benoemd 1536, overleden 1554) en Wynand van Eynatten (overleden 25 Mei 1570) vinden wy niets merkwaardigs opgeteekend. Zy schijnen, niettegenstaande de klimmende onrust der tijden, zonder stoornis bestuurd te hebben.
Minder rustig liep het onder Heer Wynands opvolger Godaert van Aere. In 1588 deed de onvertsaagde maar woeste Marten Schenck een strooptocht in het dorp Gemert, waarby de inwoners veel van zijne wapenknechten te lijden hadden. Niettegenstaande de bemanning van het kasteel te gering was om een uitval te doen en de dorpelingen by te springen, werd er toch zoo vinnig van de wallen geschoten, dat de plunderaars het niet waagden om den ingang der kerk, die naar de kasteelzijde lag, te bemachtigen. Toen, om toch de gehoopte buit der kerkelijke kostbaarheden niet te verliezen, braken zy aan de noordzijde van het gebouw een opening waardoor zy binnendrongen, het inwendige van al zijne cieraden beroofden, en de kenteekenen der eeredienst baldadig vernielden. De toen gemaakte opening werd niet weder dichtgemetseld, maar slechts bygewerkt, en sedert tot een gewonen ingang in orde gebracht.
Een dergelijk onheil herhaalde zich in 1599 in nog veel grootere mate, toen de Spanjaarden in het dorp vielen, en het geheel uitplonderden.
Henrik van Holtorp, dien wy na Godaert van Aere vermeld vinden, overleed te Gemert in 1630, en werd voor het hoog-altaar in de kerk begraven.
Zijn opvolger was de Kommandeur Ulrich van Hoensbroek, een fier en hooghartig man, die zich door trotschheid en heerschzucht by velen gehaat, by niemant, zelfs zijner Orde, bemind maakte. Hy berokkende zoowel der kommandery als het dorp veel onaangenaamheid. Reeds stond hy te Gemert aan het hoofd der zaken, toen hy naar het opengevallen Landkommandeurschap dong, en zien moest dat men hem voorby ging, en een jongeren Ridder, Graaf Godfried van Huyn de Geleen aanstelde. Vol van verbittering, weigerde hy nu diens bevelen te volbrengen; en toen hy in 1648 over dezen inbreuk op de wetten der Orde ter verandwoording gedagvaard werd, beriep hy zich op de Staten der Vereenigde Provinciën, aan wie sedert den 30en Januari van dat jaar te Munster de Meiery van 's Hertogenbosch was afgestaan. Op den 24en Juli nam eene Staatsche bende van Gemert bezit, en verjoeg er terstond de Dominicanen, die, in 1629 reeds eenmaal uit 's Hertogenbosch verdreven, zich onder de schaduwe der kommandery hadden nedergeslagen. In 1649 schijnen eenigen hunner weer heimelijk naar Gemert te rug gekeerd te zijn; ten minste het gerucht daarvan liep rond, en kwam ter ooren van den Schout van Peelland, Prouninck gezegd Deventer, die gants niet monniksgezind was. Of het nu waar of onwaar mocht zijn--Prouninck sloeg er geloof aan, en viel op een vroegen morgen in den zomer, kort na pinksteren, met eene ruiterbende in het dorp. Het klooster [9] werd terstond aangevallen, de vensters stuk geslagen, en--torschte men er al geen
kelcken uit, kassuiffelen, en kappen, Die stijf staen van gesteente, en paerlen en root gout, Om 't heerelijckst, als 't placht, wanneer men hooghtyd houdt--
de plonderaars keerden toch niet met ledige handen uit het ontwijde gebouw. Maar wat erger was dan deze moedwil, aan levenlooze voorwerpen gepleegd--de geprikkelde baldadigheid koelde zich ook aan een grijzen leekebroeder, die byna naakt door de vensters werd gesleurd, naar de markt gevoerd, en daar, van de ruwe ruiters omringd, der bespotting prijs gegeven. De pastory en des kapellaans woning werden mede geplunderd; de pastoor, benevens de prioor der Dominicanen, gevangen naar 's Hertogenbosch gebracht, en niet, dan tegen betaling van een groot losgeld, weder ontslagen; de kerk bleef in handen der hervormden.
Zoodra deze handelingen den Landkommandeur waren kenbaar geworden, bracht hy terstond zijne klachten in by den toenmaligen Grootmeester der Orde, den Aarts-Hertog Leopold van Oostenrijk, die zonder eenig vertoef zijn Licentiaat Verheye naar 's Gravenhage zond, om de kommandery te rug te eischen. De Staten waren daartoe echter volstrekt niet genegen: zy beweerden, dat Gemert noch eene vrije Heerlijkheid was, noch tot het Rijk kon worden gerekend, maar onder de Meiery van den Bosch, en alzoo onder het recht van hunne soevereiniteit behoorde. Zy grondden dit op het volgende:
»Uit verschillende oude brieven bleek het, dat Gemert by het kwartier van Peelland ingesloten was, zijnde het in 1572 onder het Bisdom 's Hertogenbosch, en wel onder het Landdekenschap van Helmond, de hoofdplaats van 't kwartier Peelland, gesteld. Gemert was weleer een gehucht van het dorp Bakel, en de kerk een dochterkerk van die der laatste plaats geweest. De Koning van Spanje had, als Hertog van Brabant, den Bisschop van Luyk (die zich over het onttrekken van Brabant aan zijn geestelijk rechtsgebied beklaagde) ten andwoord gegeven, dat hy in zijn eigen land, met toestemming van den Paus, zooveel Bisdommen kon oprichten als hem goed dacht. Men had zich van alle vonnissen, te Gemert gewezen, altijd op de hoofdbank des kwartiers van Peelland, te Helmond, van dáar op Schepenen van 's Hertogenbosch, en vervolgends op den Raad van Brabant, te Brussel, beroepen, als uit twee brieven, van 1434 en 1451, bewijsbaar was. Het op-, of afzetten der munt was te Gemert altijd door den Hertog van Brabant geschied. De maten en gewichten, die men er bezigde, waren te Helmond geijkt. De gantsche Gemertsche gemeente of heide was eigen goed van den Hertog van Brabant geweest, die het op den 6en Juli 1450 aan de Heerlijkheid had verkocht, behoudens een cijns van 50 oude grooten tornois. De inwoners van Gemert stonden onder het ingebod van 's Hertogenbosch, dat eene der vier hoofdsteden van Brabant was, en de Judicatuur van Gemert kwam den Staat toe, gelijk de Orde zelf bekende."
De Grootmeester daarentegen beweerde, dat Gemert niet in Peelland geënclaveerd was, en vestigde deze stelling op het volgende:
»Gemert grensde aan het land van Ravesteyn, aan het opperkwartier van Gelderland, en aan Spaansch-Brabant. De Landkommandeur Johan van Cortenbach had, als gemachtigde van den Grootmeester, in 1421 aan de ingezetenen van Gemert zekere gemeente- en peelvelden verkocht. Toen in het jaar 1270 eenig geschil tusschen den Hertog en die van Gemert gerezen was, had de eerste verklaard, dat hem noch hooge, noch lage heerlijkheid, noch eenig recht te Gemert toekwam, maar begeerden zy van hem hulpe, dan was hy als opperste Beschermheer verplicht hun die te verleenen. Gemert was door den Raad van Staten in 1621, toen de brandschattingen in de Meiery waren uitgeschreven, erkend als niet behoorende onder Brabant. De Kommandeurs te Gemert hadden kwijtschelding van doodslag gegeven, en wel in de jaren 1603 en 1607. Verschillende aan doodslag schuldigen uit de Meiery waren naar Gemert gevlucht, en er onvervolgd gebleven. De Landkommandeur der Orde had er in het jaar 1613 een vrije jaarmarkt opgericht. Het beroepen van vonnissen op Schepenen van Helmond, en van daar op die van 's Hertogenbosch, was geen bewijs van onderhoorigheid, omdat men zich in verschillende plaatsen der Meiery van aldaar gevelde vonnissen op Schepenen van Antwerpen beriep; die van Nymegen, Stevenswaert en andere beriepen zich op de Wethouderschap van Aken; voorheen was men in verschillende plaatsen van Brabant gewoon zich van de vonnissen op de Wethouders van Luyk te beroepen, totdat zulks in 1469 door Hertog Karel den Stoute afgeschaft werd. Dat Gemert onder het Duitsche Rijk behoorde bleek daaruit, dat het zijn aandeel in de oorlogen tegen de Turken had betaald, zoowel als in de vijf millioen rijksdaalders, door het Ryk by den vrede van 1648 aan Zweden toegestaan: dit zouden de Algemeene Staten niet toegelaten hebben, indien het zeker was, dat Gemert tot de Meiery behoorde. Dat het, eindelijk, onder het Bisdom van 's Hertogenbosch gelegen was, bewees niets, omdat het grootste gedeelte van Brabant, Limburg, en Namen, vóor de oprichting der nieuwe Bisdommen in 1565, onder den Bisschop van Luyk behoord had."
Het onderzoeken, uiteenzetten en bepleiten dezer bewijsgronden vorderde op zich zelf reeds veel tijd, en het geding werd bovendien traag voortgezet. Welk deel de Kommandeur Hoensbroeck, die zich meestal in 's Gravenhage ophield, er in had, wordt niet gemeld. Hy beleefde het einde van het geschil niet, maar overleed in 1654; zijn lijk werd naar Gemert vervoerd, en in het choor der kerk aldaar begraven.
Ambrosius, Baron van Wirmundt, die na hem Kommandeur werd, liet zich veel aan de regeling der zaak gelegen liggen; en het was voor een groot deel aan zijne rustelooze bemoeiïngen dank te wijten, dat er eindelijk tusschen de Staten der Vereenigde Provinciën en den Grootmeester een concordaat tot stand kwam, waarby de laatste, onder zekere voorwaarden, in zijn recht op Gemert werd erkend. Het besluit daartoe, door de Staten op den 8en Juni 1662 in den Haag geteekend, bevatte hoofdzakelijk het volgende:
»De Staten Generaal verklaarden, dat Gemert onder het Duitsche Ryk behoorde, en zy derhalven daarover geen gezach, hoegenaamd, behouden of op nieuw eischen zouden. Dat zy de opperheerschappij volkomen afstonden, met beding echter, dat de Heerlijkheid onder het appèl en ingebod des gerichts van 's Hertogenbosch zoû blijven, gelijk tot hiertoe gebruikelijk was geweest. De Grootmeester en de Orde zouden voortaan de vrije oefening der hervormde godsdienst moeten toelaten, en daartoe ten hunnen koste, en naar genoegen der Staten eene geschikte kapel, benevens woningen voor predikant en schoolmeester doen bouwen; het recht tot benoeming van een predikant zou aan de Orde blijven, doch het onderhoud zijner woning voor rekening der Staten komen. De Orde mocht er geen kloosters, het zij van geördende monniken of andere geestelijken, toelaten. Zy zoude voor den afstand aan de Staten 40,000 gulden betalen: een derde zes maanden na de onderteekening van het verdrag, en de twee overige derdedeelen telkens een jaar daarna. De Algemeene Staten zouden nergends in gehouden zijn, indien de twee laatste betalingen niet op den bepaalden termijn geschiedden."
Op den avond van den 28en Juni, 1662, werd de geslotene voorwaarde te Gemert afgekondigd, de parochiekerk den volgenden feestdag van Petrus en Paulus door de roomschgezinden weder in bezit genomen, en het kerkjen der Dominicanen aan de hervormden afgestaan. De Baron van Wirmundt bestuurde vervolgends de kommandery nog ruim twintig jaren in rust: hy overleed te Gemert, op den 18en Maart, 1684, en werd ter linkerzijde van het hoogaltaar begraven onder een zerk, wier latijnsch inschrift zijne deugden en verdiensten vermeldde.
Een Edelman uit Hollands oudst geslacht voerde daarna te Gemert den staf: Baron Hendrik van Wassenaer, zoon van Johan van Wassenaer en Maria van Erckel. Reeds Kommandeur van Gruytrode, verwisselde hy die kommandery, na Wirmundts dood, met Gemert, van waar hy in 1690 naar Aldenbiesen vertrok, om daar de waardigheid van Landkommandeur te aanvaarden. In het eerste jaar van zijn bestuur, 1685, was Gemert geteisterd geworden door een zwaren brand, die honderd huizen vernielde.
Bertram Wessel, Baron van Loë, Heer van Wissen, by Kevelaar, kwam daarop te Gemert, stierf den 21en Maart 1710, een jaar na zijn voorganger, en werdt opgevolgd door
Bertram Antonie, Baron van Wachtendonk, die tevens Kommandeur was van Ramersdorff, by Bonn. Deze wakkere krijgsman hield echter op geen zijner beide kommanderyen verblijf, daar hy als Keizerlijk Bevelhebber by het leger van Karel den Zesde stond. Ook verwierf hy er zich geene rustplaats aan de zijde van zoovele hem reeds voorgegane Ordebroeders: hy overleed op Sicilië.
Het afzijn van den Kommandeur was intusschen den goederen niet zeer voordeelig geweest: het kasteel, dat nu reeds ruim twee eeuwen het kruis der Orde gedragen had, was verouderd, en behoefde noodzakelijke herstellingen.
Er werd derhalven besloten om voor als nog geen nieuwen Kommandeur te benoemen, en met de op deze wijze uitgespaarde gelden in de onkosten der vernieuwing van het gebouw te voorzien. De Landkommandeur van Aldenbiesen, Damian Hugo, Graaf van Schönborn, Kardinaal-Bisschop van Spiers en Constans, beheerde zoo lang de kommandery; en onder zijn toezicht werd in 1740 alles weder in goeden staat gebracht, en zelfs, in den smakeloozen stijl der achttiende eeuw, zoogenaamd opgecierd. Drie jaren later deed men den Kommandeur van Bernesheim, Baron van der Noot, zijn standplaats met die van Gemert verwisselen; maar na zijn overlijden werd het Kommandeurschap nogmaals eenige jaren onvervuld gelaten, om de landkommandery, die door den successie-oorlog, waartoe zy heur contingent moest leveren, in zware schulden stak, in de afdoening daarvan te kunnen ondersteunen.
Eerst in 1770 vinden wy Gemert dan weder bezet, en wel door Nicolaes Bernhard de Borggrave, die in 1777 werd opgevolgd door den Baron van Plettenberg.
Deze moest zijn plaats later weder afstaan aan den Landkommandeur van Aldenbiesen, Baron Frans Jozef Nepomuc Fidelis van Reisschag, onder wiens bestuur werd aangevangen met het bouwen van een schoonen toren, aan de westzijde der kerk. Reeds waren de fondamenten gelegd, toen in 1794 het werk werd gestoord door de verschijning der Fransche driekleur op den Nederlandschen bodem. De woeste republikeinen, die der Orde ontnamen wat zy konden bemachtigen, maakten zich ook van de kommandery Gemert meester, en nu ging deze den Duitschen Huize voor altijd verloren. In 1810, toen Napoleon het Koninkrijk Holland by Frankrijk had ingelijfd, schonk hy de bouwhoeven en eenige losse gronden der kommandery aan den Maarschalk Oudinot, Hertog van Reggio, die er ook, hoewel korten tijd, de opbrengsten van trok [10]. Het kasteel werd echter gerekend tot de domeingoederen te behooren, en als zoodanig door de Keizerlijke regeering in 1812 verkocht aan Jonkh. Mr. Adrianus van Riemsdijk, die er in 1832, mede door aankoop, eenige molens, bouwhoeven en landerijen byvoegde, weleer onder het bestuur der Orde er reeds toe behoord hebbende.
De zichtbare herinnering aan het oude is te Gemert niet gants verloren gegaan. Nog bestaat de voorpoort van het kasteel nagenoeg in den ouden toestand. Is men door deze echter op het binnenplein gekomen, dan ontwaart men groote verandering: de gracht is wel ten deele overgebleven, maar het hoofdgebouw vertoont zich veel minder luisterrijk dan vroeger: de torens met hunne ranke spitsen, die in het begin dezer eeuw nog allen aanwezig waren,--de levendige trapgevels en hooge schoorsteenen--zy zijn voor goed verdwenen; 't is regelmatiger, maar veel minder indrukwekkend geworden. En het inwendige?.... Wanneer ge met eenige liefde voor onze monumentale geschiedenis bezield, den drempel wilt overschrijden, in de hoop daar nog een spoor van verleden dagen aan te treffen; met het voornemen om in eene oude zaal, waar de zonnestraal den rij zwart ingelijste, fiere en ernstige gestalten, in hunne witte mantels met zwarte kruisen gehuld, gelukkig-spaarzaam verlicht, u te verdiepen in niet altoos onvruchtbare droomen van een nog niet genoeg gekenden tijd--dan raden wy u: »bewaar uwe illusiën en treed te rug."