Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Chapter 3
Op den 6en September 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623 zond de Landvoogdes Izabella heimelijk zekeren Priester, Michiel van Ophoven genaamd, Prior der Preekheeren te Antwerpen, tot Willem Adriaan van Hoorne, Heer van Kessel, destijds Gouverneur der stad, met belofte, dat, indien hy Heusden in hare handen leverde, zy hem den tytel van Graaf van Hoorne, de ridderorde van 't Gulden Vlies, en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen tot hoogen rang verheffen. Kessel, dit voorstel gehoord hebbende, wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten des Konings van Spanje geen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan ook Ophoven naar den Hage gezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later Bisschop van 's Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering dier stad door Frederik Hendrik.
Gedurende het beleg van Breda door Spinola, in de jaren 1624 en 1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die van Haarlem en aan eenige Hagenaars het lot te beurt, in Heusden gelegerd te worden. Deze bezettelingen waren aangevoerd door Jan Klaasz. Loo, Burgemeester van Haarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stad Heusden, in 't koper gebracht door den beroemden Matham.
Gedurende het beleg van 's Hertogenbosch, in den jare 1629, werden nogmaals te Heusden twee voor die stad gevallen krijgshelden begraven: de een was de Ritmeester Nikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden van Overyssel voor den Prins van Oranje, en het Voorzitterschap van den krijgsraad bekleed had. Zijn lichaam, geleid door den Vorst van Nassau, de Graven Ernst en Willem van Nassau, en andere Legerhoofden, werd in Mei van genoemd jaar in 't zelfde graf gelegd, waarin Olivier van den Tempel begraven was.--De andere was de Kolonel Louis de Levin, Heer van Famars, zoon van den reeds genoemden Charles de Levin, en broeder van Filips de Levin, die beiden Gouverneurs van Heusden waren geweest. Onder 't doen eener ronde in den rug door een kogel getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot buiten het leger vergezelschapt door den Prins van Oranje, den Koning van Bohemen, en de meeste krijgsoversten.
Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634-35, en de derde reis in 1664.
In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing, die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven, geheel vruchteloos bleef.
Het verdient opmerking, dat Heusden, nadat het Staatsch geworden was, noch in den oorlog tegen Spanje, noch in dien tegen Frankrijk gevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondom Heusden gelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die een toeleg op Heusden in den zin had, in 't dorp Baartwyk gekomen, dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennen gevende, dat zy onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy over Oud-Heusden wellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter, 't zij uit misverstand, 't zij met opzet, wees hun den weg aan door de Baartwyksche steeg op het dorp Doeveren, waar mede een schans lag, toen geslecht, en zoo tot Heesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen, Heusden in naam des Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was, om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver: het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de aandacht der Staten op Heusden vestigen, en werd het Gouverneurschap over die stad, 't welk sedert 1663 door den Heer van Schagen, by wijze van sinecure, bekleed was geworden, aan den Veldmaarschalk Paulus Würtz opgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.
Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar, Jan Beens genaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit, toen hy, te Heesbeen gekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naar Genderen brengen moest; doch in de zoogenaamde Groensteeg gekomen, reed hem een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde, dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echter Jan Beens niet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die op Jan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar, zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiter aanlegde, hem van 't paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met paard en rusting, tot aller verwondering, binnen Heusden voerde.
De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats, hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van de rampen van den krijg.
Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat op den 24en July des jaars 1680 boven Heusden losbarstte, wanneer de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels, van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot zes dooden, jammerlijk omgekomen onder 't puin hunner verbrijzelde woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden 't leven. Het jammer, de schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen kolk, vol zwart water, 't welk, door het geweld des poeders beroerd, al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had: dewijl anders de stad een algeheele vernieling zou hebben ondergaan.
Aan Willem Adriaan, Grave van Hornes, die Würtz als Gouverneur vervangen had, volgde in 1688 Daniel de Tafin de Torsay. Tijdens diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken aangelegd, terwijl een der torens tot kruitmagazijn werd ingericht. Na het overlijden van Tafin, in 1709, werd Johan Theodoor Baron van Friesheim tot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen die van Gouverneur van 's Hertogenbosch verwisselde. Hem vervingen achtereenvolgends in 't zelfde jaar Jacob Harduïn Palm en Statius Filip Grave tot Benthem.
De stad Heusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de Dagvaarten beschreven werd en teekende vóor Purmerend, had zich, even als vele andere kleinere Steden, dit recht--waarvan de uitoefening met geen geringe kosten gepaard ging--van lieverlede laten ontnemen. Ten tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder gelden, 't welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De oorlog tegen Frankrijk was uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons Land gevallen, hadden Breda en Geertruidenberg veroverd, en eischten nu ook Heusden op. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken toch waren sterk, de schansen te Doeveren en Hemert in goede orde, en de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins van Oranje (later Koning Willem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart te Heusden zijn hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn broeder Frederik vervangen.
Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in 't volgende jaar waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktober den Bosch overmeesterd, en men was te Heusden hun aanval verwachtende; weshalve men, ter meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk te Hedikhuizen gemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap met Holland, door de om Heusden zwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging werden hierdoor grootendeels verzwakt. Van Liesvelt, die het bevel over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn krijgsvolk, de stadsgrachten en de Maas open te houden, waarmede, den 28sten December, door veertig burgers tevens, een aanvang werd gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting in 't ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad op Heusden gemunt had. Dan op den vijfden dier maand deed de Generaal Daendels de vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen, verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden voorraad krijgs- en mondbehoeften, welke Daendels in handen vielen.
Onder het bewind van Napoleon lagen er veteranen in bezetting te Heusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen, de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheen Heusden eensklaps uit den doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest, herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de Generaal Bulow had er een tijd lang zijn hoofdkwartier.
Maar weldra zou de tijd aanbreken, dat Heusden uit den rij van Neêrlands sterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingen onderging: voorts een arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht, en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap, maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens, met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.
HET KASTEEL TE GEMERT.
De witte mantel met het roode kruis, die kenmerkende dracht des roemruchtigen Tempeliers, was reeds lang in de wentelende golven van den tijdstroom ondergegaan, of liever: in de vlammen, door Clemens den Vijfde en Filips den Schoone ontstoken, verteerd--toen eene andere Ridder-orde, jonger van erkenning, maar weinig minder beroemd dan die van den Tempel, nog in vollen bloei stond: wy bedoelen de Orde der Marianen of Duitsche Ridders, ook Kruisheeren, Teutonisten, en Ridders van den Duitschen Huize genoemd.
Nadat Jeruzalem in 1099 door de Kruisvaarders veroverd was, deed een Duitsch Edelman aldaar een huis inrichten, ter verpleging van zoodanige pelgrims en Ridders onder zijne landgenoten, als zulks mochten behoeven. Zijn voorbeeld vond navolging: eenige andere edele Duitschers, wier hart warm sloeg voor zelfopofferende menschenliefde, sloten zich by hem aan, voegden de inkomsten hunner goederen by die der zijnen, en vormden alzoo weldra eene broederschap van barmhartigheid, die, door geen anderen regel dan onderlinge overeenkomst verbonden, hare weldaden uitdeelde zonder veel geruchts, en in tijden van gevaar weder even snel naar het zwaard greep als voorheen, en het niet minder wakker voerde.
Toen het meerendeel dezer Ridders in de moedige maar onbedachte verdediging van Tiberias, 1187, was gevallen, en de overigen daarop by het verlies van Jeruzalem die stad moesten verlaten, zou de Vereeniging geheel onder zijn gegaan, indien eenige medelijdende kooplieden van Lubeck en Bremen haar niet hadden ondersteund. Nadat er in 1190 eene versterking door nieuwe leden had plaats gevonden, besloot men zich, naar het voorbeeld der Tempeliers en Hospitaliters of Sint-Jans-Ridders, tot eene gesloten Geestelijke Ridderorde te vereenigen, en wendde zich om vergunning daartoe tot Keizer Hendrik den Zesde en Paus Celestinus den Derde, welke laatste by een bul van den 12en Februari 1191 zijne toestemming gaf, en bepaalde, dat zy den naam zouden dragen van Ridders der H. Maagd Maria, of Broeders van het Duitsche huis onzer Lieve Vrouwe te Jeruzalem; zy zouden aan de kloosterregelen van Sint Augustinus onderworpen zijn, en hun onderscheidend gewaad moest bestaan uit een zwart kleed, waarover een witte mantel met een zwart kruis op den linker schouder. De Keizer schonk bovendien den Ordemeester, waartoe Henrik van Walpott van Bassenheim reeds in 1190 gekozen was, het recht om ridders te slaan, met eenige andere gunstbewijzen daarenboven, en zoo zag de nieuwe Orde, niet zonder nayver der Johannieten en Tempeliers, haar bestaan gevestigd.
By de verovering van Akkaron (Ptolemais) kocht de Ordemeester daar een uitgestrekten hof, en stichtte er eene kerk en een hospitaal, benevens een kloostergebouw voor de broeders; en nu ging de Orde rustig, en aanvankelijk zonder veel opzien te baren, haren weg, niet minder dapper, maar veel minder begiftigd, veel minder weelderig door rijkdom dan beide genoemde orden.
De zaak der Christenen was echter in Palestina, na den val van het Koningrijk Jeruzalem verloren: daarom besloot de vierde Ordemeester, Herman van Salza, den zetel der Orde naar Venetië over te brengen. Herman van Salza, een der edelste en grootste mannen van zijnen tijd, was de adelaar, op wiens stoute vleugelen de Orde zich tot eene ongekende hoogte verhief. De roep zijner onkreukbare goede trouw en rechtschapenheid was zoo groot, dat Keizer Frederik de Tweede en Paus Honorius de Derde een onderling geschil aan zijn oordeel onderwierpen, en zich naar zijne uitspraak gedroegen; beide waren evenzeer over hem voldaan, en de Orde oogstte er de voordeelen van in: Honorius ontsloeg haar van het geven van tienden en van onderworpenheid aan het geestelijk gericht, en Frederik begiftigde haar met voorrechten en goederen; daarenboven verhief hy Herman, die van den Paus een kostbaren ring, in 't vervolg het Ordemeesterschap eigen, ontfangen had, voor hem en zijne opvolgers in den Rijksvorstenstand. Van toen af breidden de bezittingen der Orde in Europa zich snel uit. In 1226 door den Hertog der Masoeren naar Pruissen gebeden, om er de wilde heidensche bewoners ten onder te brengen, met toezegging van de landstreken, die zy zoude overwinnen, in eigendom te zullen ontfangen, werd Herman van Balco derwaart gezonden aan het hoofd van eenige Ridders en knechten, wier heldhaftigheid met zoo goed gevolg werd bekroond, dat de geheele Orde, na het verlies van Akkaron in 1291, zich in het overwonnen land aan de Oostzee vestigde, en in 1309 Marienburg tot Hoofdzetel koos. In de laatste helft dier eeuw bedroegen hare inkomsten, alleen van gemelde landstreek, 900,000 Rijnsguldens, eene som, waarover geen Europesche Staat van die dagen beschikken kon, terwijl de bloeiende toestand harer bezittingen en de welvaart der onderhoorigen de beschuldiging weerspreken, dat zy een tyranniesch bestuur voerde.
Hare bezittingen werden verdeeld in 12 Landschappen, Balyen of Landkommanderyen genaamd, die door Landkommandeurs werden bestuurd, en waarvan er 2 in Nederland lagen. De hoofdzetels daarvan stonden, voor het noorderdeel, te Utrecht, en, voor het zuiderdeel, te Aldenbiezen, in Limburg, zijnde de laatste, die reeds in 1220 voorkomt, de oudste [5]. De onderafdeelingen die te zamen eene landkommandery uitmaakten, werden eenvoudig kommanderyen genoemd, en stonden onder het beheer van een Orde-ridder, die den tytel van Kommandeur voerde. Tot Utrecht behoorden 12 kommanderyen, waarvan wy de vermelding, met byvoeging der weinige tot ons gekomen byzonderheden, hier geheel op hare plaats achten.
1. Middelburch, waar het huis der Orde in 1249 werd gesticht op een erf, haar door Niclaes van Putten geschonken. Graaf Floris de Vijfde heeft deze kommandery mild begiftigd, »en 't zelve huis is metter tijd zoo magtig geworden, dat, wanneer de Graaf van Holland, of deszelfs oudste zoon, ter hooge vierschaar binnen Middelburg zaten, de Abt van Middelburg aan de rechter, en de Kommandeur der Duytsche orden aan de slinkerzijde van den Graaf gezeten waren."
2. Leyden, mede een gift van Grave Floris den Vijfde: hy schonk er in 1268 de St. Pieterskerk, en de Orde richtte er het gebouw der kommandery by op.
3. Dieren, op de Veluwe, een kasteel, met vele daartoe behoorende landerijen. Graaf Adolf van Bergen schonk het der Orde in 1240, waarop het aan de kamer des Grootmeesters werd getrokken, tot in 1420, toen het aan den Landkommandeur van Giessen overging; maar Heer Herman van Keppel, Landkommandeur van Utrecht, kocht het in 1433 voor eene som van 3000 Rijnsguldens, en voegde het by zijne eigene Baly.
4. Oetmarsen, weleer tot de landkommandery van Munster behoord hebbende, maar in de eerste helft der vijftiende eeuw onder die van Utrecht gebracht. Het huis was gesticht in het jaar 1290, door zekeren Leffard, een schildboortig poorter van Oldensael, die zich mede in de Orde begaf.
5. Valckenburch. Graaf Willem de Tweede schonk der Orde in 1251 de kerk aldaar, waaronder twee parochiën behoorden, nl. Katwijc op Zee en Katwijc op den Rijn. In 1378 verplaatste Splinter uten Eng, toenmaals aan het hoofd der Baly van Utrecht staande, den kommandeurszetel van Valckenburch naar Katwijc op den Rijn, ten gerieve der zeedorpers, en liet de eerstgenoemde plaats als eene pastory op zich-zelf. Sints dien tijd wordt er gewoonlijk van de kommandery van Katwijc gesproken.
6. Hofdijc, die mede aan Grave Willem, door het schenken der kerk te Maesland, in 1251, haar oorsprong dankt. Zijn zoon Floris begiftigde later de Orde met eenige landerijen aan den Hofdijk, waarop de Utrechtsche Baly er een huis deed stichten voor een Kommandeur. In 1365 deed de Landkommandeur Henric van Alckemade, met toestemming van Graaf-Hertog Aelbrecht, het huis ten Hofdijc afbreken, en een ander by de kerk van Maesland oprichten. De goederen aan den Hofdijk werden aan de landkommandery gehecht, en de Ridders mede derwaart verplaatst. Sedert stond de kommandery van Maesland op zich-zelf.
7. Doesborch, die in 1266 een aanvang nam: De Regulieren van het klooster Bethlehem, zich tegen de Orde misgrepen hebbende, en tot voldoening genoodzaakt, schonken haar in dat jaar de kerk dezer plaats, waarover zy te beschikken hadden.
8. Rhenen, waar Graaf Egbert van Bentheim de kerk in 1268 aan de Orde maakte; eene aanzienlijke schenking, die door zijn zoon Otto bevestigd werd.
9. Schoonhoven. Gwy van Blois gaf der Orde in 1390 de keuze tusschen de kerk van Gouda en die van Schoonhoven; zy koos de laatste, welke hy daarop met eenige andere goederen afstond.
10. Scaluynen, of Schelluynen, eene heerlijkheid, geschonken door Heer Dirc van Altena, met de kerk en de tienden van het dorp, benevens de ten deele onder Giessen behoorende visscherij, en drie landhoeven.
11. Bunen, in Drenthe, was eerst een konvent van zusteren der Duitsche Orde, en omstreeks 1271 opgericht. Het kwam toen onder de Westfaalsche Baly te Munster, maar werd door den Utrechtschen Landkommandeur Gosewijn van Gaerne, die in het midden der veertiende eeuw vermeld wordt, voor eene som van 1500 pond aangekocht.
12. Nesse, almede ontstaan uit de gift der kerk, door eenige Friesche Edelen in 1298, schijnt de geringste der kommanderyen geweest te zijn; ten minste werd het huis, naby de kerk gesticht, slechts door Priesters en dienende broeders, geenszins door Ridders bewoond.
En nog waren deze bezittingen niet de eenigen der Utrechtsche Baly: te Hemert in Gelderland, en te Scoten in Friesland, vond men nog een konvent. Het huis en konvent te Scoten, waar aanvankelijk slechts zusteren der Orde woonden, was gesticht omstreeks den aanvang der veertiende eeuw. Later werden er Priesters en dienende broederen in geplaatst. Het huis te Hemert was in 1270 gesticht. De Landkommandeur Johan van Hoenhorst verwisselde het in 1328 tegen andere goederen te Thiel, toebehoorende aan de Kanunniken van de St. Walburgskerk aldaar, die zich vervolgends te Aernhem neêrsloegen, en de St. Walburg aan de Orde schonken, waarop de Landkommandeur het huis te Hemert deed afbreken, en een nieuw gebouw by gemelde kerk binnen Thiel oprichten. [6]
Tot de landkommandery van Aldenbiesen (Vieux-Joncs), in de nabyheid van Tongeren gelegen, behoorden de volgende kommanderyen:
1. Jongebiesen, te Maestricht; 2. Rebsdorf in Gulick; 3. St. Gilis te Aken; 4. Biesen te Keulen; 5. Ramesdorf by Bonn; 6. Bernesheym, en 7. Ordingen, beide by St. Truden; 8. St. Petersvoren in Limburg; 9. Gruytrode in de Luyksche Kempen; 10. Beckevoort by Diest; 11. Feucht of Vught, en 12. Gemert, beide in de Meiery van 's Hertogenbosch.
En behalven al deze goederen, bezat de Orde nog op verschillende plaatsen het patronaatschap, dat is het recht tot aanstelling van een pastoor.
Nadat wy dus de Orde in het algemeen met betrekking tot Nederland hebben beschouwd, wenden wy ons tot een harer bezittingen in het byzonder, en kiezen daartoe, als eene der niet onbelangrijksten de kommandery van Gemert.