Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)

Chapter 2

Chapter 23,748 wordsPublic domain

Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar 1318, waarin Jan, Heer van Saffenbergh, en zijn vrouw Sofia, die uit het huwelijk van Jan VIII met Margaretha van Kuik geboren was, als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach over Heusden aanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, dat Jan IX, wiens huwelijk met Cunigunda van Arkel door geen kinderen gezegend werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus maar zaak was, zich by voorraad in 't bezit daarvan te stellen. 't Kan echter ook zijn, dat Jan IX zwak van geestvermogens was, en buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in 't Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by het letten op tijden en omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten moet. Jan IX stierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier van Heusdens torentrans hadden laten waaien.

Sofia van Sassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht de Heerlijkheid aan Hertog Jan III van Brabant op te dragen, in de hoop van er wederkeerig 't verlij van te bekomen; doch de Hertog, die liever de vrije beschikking over Heusden aan zich behouden wilde, sloeg 't haar af; waarop zy aan den Graaf van Holland, Willem den Goede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd door Jan van Elshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan de Heusdens was vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden, en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen vredebreuk met Brabant, onderwierp Graaf Willem de zaak aan de beslissing van den Graaf van Gulik, die ten voordeele van den Hertog uitspraak deed: waarop deze de stad en 't land van Heusden in leen gaf aan den Graaf van Kleef. Wel berustte Sassenbergh niet in deze schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel hy in Brabant, en plunderde en verbrandde Turnhout; maar hy begreep toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd gouden realen, waar de stad 's Hertogenbosch borg voor bleef.

Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die op Heusden aanspraak maakte. Deze was Jan van Drongelen, die, oom van Jan IX, en, in geval Heusden niet als een spilleleen beschouwd kon worden, het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde hy zich tot Willem van Holland, om door dezen in zijn aanspraak gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, en Drongelen stierf, eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.

Hertog Jan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen toren rijzen, die--langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een diepe gracht, welke de geheele vest omgaf--gemeenschap had met het ruim betimmerde nederhof, 't welk niet alleen geschikte woningen voor de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten, en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam, verstrekte tot gevangenis.

Het was echter eerst onder de regeering van 's Hertogen dochter en opvolgster Johanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed, dat Brabant er tot driemaal toe voor geschat werd.

Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker de plaats--hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder, dat die van Holland haar niet dan met leede oogen in de macht des Hertogs bleven zien. Willem III, hoezeer hy van den Graaf van Kleef diens rechten op Heusden had afgekocht, had zijn aanspraken na den gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven. Willem van Drongelen, even als zijn vader Jan hakende naar 't bezit van wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaands Willem van Drongelen en zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch die gekocht werd met het bloed van Robbert van Drongelen, den oudsten zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.

De staat van zaken was echter met betrekking tot Heusden de zelfde gebleven, toen in 1355 Jan III overleed, en zijn dochter Johanna, gade van Wenceslaus van Luxemburg hem in 't Hertogdom opvolgde. Naauwlijks echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf van Vlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor hy, tien jaren te voren, zijn recht op Mechelen aan Hertog Jan III had afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg begon: de Vlamingen rukten, terwijl Wenceslaus te Maastricht zijn tijd in werkeloosheid doorbracht, Brabant binnen, vermeesterden Brussel, Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachten Wenceslaus op den rand des verderfs. De moed van Evert 'Tserclaes, die Brussel weêr verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheel Brabant onder 't gezach van Wenceslaus terug. Niet te min bleef de Graaf van Vlaanderen den krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen, het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van Graaf Willem V van Holland te onderwerpen. Met blijdschap nam deze het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel by varen zoû. Hy begon daarom met aan Wenceslaus den afstand van Heusden als voorwaarde te stellen, zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede, welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die van Brabant was, hy wees echter Wenceslaus Mechelen toe, tegen allen schijn van billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren zeggen tot den Hertog: »Heusden mijn, Mechelen dijn;" woorden die van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als: »de eene dienst is de andere waard."

Nu was Heusden met Holland vereenigd; maar ook Willem van Drongelen moest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom van Heusden voor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren van Drongelen de Heerlijkheid van Eethen en Meeuwen tot een Hollandsch erfleen, en stelde Jan van Drongelen tot Baljuw van Zuid-Holland aan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot en Heerlijkheid van Heusden voor eeuwig afstand deden ten zijnen behoeve. Wat zouden de Drongelens doen? Zy onderwierpen zich aan wat zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel het wijste.

Nu dacht Graaf Willem de rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd te hebben!--en echter, geen drie jaren waren er verloopen, of Heusden moest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid. Willem V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder, Hertog Aelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen geschonken. Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die vernedering getroost. Heemskerk riep Kennemerland in de wapens, Delft stond openlijk tegen den Ruwaard op, en Floris van Borselen bracht Zeeland in rep en roer.

Laatstgenoemde Edelman was door Willem V tot Burggraaf van Heusden aangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy door Hertog Aelbrecht belegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over te geven. Maar kort was de rust, welke Heusden genoot. Toen in 't zelfde jaar Delft zich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronder Gijsbert van Nyenrode en Jan Kervena genoemd worden, de wijk naar Heusden en verschansten zich op 't slot. Op nieuw werd dit belegerd; doch zoo hardnekkig was de verdediging, dat Nyenrode en de zijnen het een rond jaar tegen de macht van Aelbrecht uithielden. Toen werd er, door bemiddeling van Otto van Arkel een zoen getroffen, en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen twee jaren naar Jeruzalem in bedevaart te gaan.

Na 't vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang over Heusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten, door Aelbrecht of door zijn opvolger Willem van Beyeren aan de stad geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein aangestelden Willem van Kroonenburg gedaan. By het uitbarsten van den twist tusschen Hertog Jan van Beyeren en Gravin Jakoba, hield Heusden de zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt, door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in 't volgend jaar verscheen Jakoba met haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers van Heusden stof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar gevangenschap op Teylingen worden opgedischt; namelijk, dat zy gewoon was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben, over 't hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs door Wagenaar en andere deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling, althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.

In 1446 werden de President of Stadhouder van Holland, Gozewijn de Wilde, en Filip Banjaart, Kastelein van het slot te Medemblik, die elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, te Heusden gevangen gezet. De eerste werd naderhand te Loevestein onthoofd, en de andere vrijgelaten.

Sedert Filips van Bourgondiën de Hertogskroon van Brabant en de Gravenkroon van Holland tevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan, of Heusden hem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid zulks geschiedde. Immers, toen Graaf Jan van Nassau, Heer van Breda, na 't overlijden van Dirk van Merwede door Filips tot kastelein van Heusden werd aangesteld, brachten die van Holland bezwaren daartegen in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart van Brabant was, en die aanstelling schijnbaar te kennen gaf, dat Heusden gerekend werd onder Brabant te behooren. Filips begreep zich echter aan die bezwaren niet te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die van Heusden te kennen, dat zy Grave Jan zouden hebben te gehoorzamen, zonder daaruit af te leiden dat zy meer aan Brabant dan aan Holland verbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de plaats behoorde, geheel in 't midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten van Brabant voortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten lieten zweeren, dat zy Heusden weder aan Brabant zouden hechten, lieten die van Holland hen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy het nooit van Holland zouden scheiden.

In den Gelderschen oorlog, die in 't jaar 1497 begon, had het platte land rondom Heusden veel van de Gelderschen onder den Overste Boudewijn te lijden; doch die van Heusden versloegen hen tusschen Herp en Hedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren. Boudewijn zelf sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven, ter plaatse, die sedert den naam van Boukens-kerkhof droeg. Men wil, dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze in zwang bleef: »'t Spookt als Boukens geest."

Het was ook te Heusden, dat, op den 4en July 1524, een stilstand van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en vijftien jaar later had de stad het voorrecht, Keizer Karel V binnen haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor de poort, en wel geen ander dan de gevreesde Maarten van Rossum, die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.

Geen jaar meer duurde het echter, of al de Nederlanden waren onder Keizer Karel gebracht, en mochten zich een geruimen tijd in 't genot eener zoete rust verheugen. Op den 24en September 1549 was het wederom feest op het hooge slot te Heusden: de pektonnen brandden op de burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, Prins Filips, des Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der stad aanbood was Jonker Gerard Spieringh van Wel, uit het geslacht van Heusden gesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd aan Jonker Wynand Maschareel.

Toen Alva in de Nederlanden kwam, en alle vaste plaatsen door zijne troepen in bedwang werden gehouden, ontfing Heusden een bezetting Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onder Nicolao de Basto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen drie burgers, Geraert Geraertsen van Ghesel, Jan Bruer en Huybert Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567 buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige gasten ontslagen; maar op den 17en January 1569 bekwamen zy Francisco Vargas met een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks vrij onbehoorlijk huis hielden.

De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging, door de anti-Spaansche party aangewend, om Heusden te verrassen. Op een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok de Hopman Waerdenburgh met Joost Hoeck (een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk de stad binnen: waarop de Drossaert Spieringh, bygenaamd Quaedtael, met eenige arbeidslieden op 't kasteel weken. Hier werd hy door Waardenburg belegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte, ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk en 't Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich genoodzaakt, Heusden weder te verlaten, op de aankomst van Jan Hol, opperste Ritmeester des Hertogen van Holstein, die op 16 September met troepen uit 's Hertogenbosch was afgezonden. Hoewel als vriend te Heusden ontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde de stad; terwijl ettelijken van Waerdenburghs volk door de zijnen achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog van Holstein zelf binnen Heusden, ontfing de inwoners in genade, en nam hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend Duitsche en Waalsche bezetting bleef.

Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, door Oranje, Graaf Lodewijk en anderen aangewend, om de Nederlanden van Alvaas juk te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden--te lande namelijk--niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een binnenstad als Heusden zou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en in verband gestaan hebben met den inval, door Hoogstraten en Kuilenburg in Gelderland beproefd:--of later, na 1572: welk laatste men schier zoude aannemen, omdat Spieringh van Wel, genaamd Quaedtael, eerst in 1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.

Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, 't welk wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoe Joost Hoeck en de Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by 't beleg van Bommeneede; doch, by 't innemen der stad door de Spaanschen op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om 't leven werden gebracht.

Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht van Heusden, dat Walcheren zijn bevrijding van 't Spaansche juk te danken had, en wel aan Jan van Kuik, Heer van Herp, die in 1571 Vlissingen tot 's Prinsen zijde deed overslaan; voor welke kloeke daad hy later met de Heerlijkheid Domburg beleend werd.

Eerst in 1577 werd Heusden, ten gevolge der Pacifikatie van Gent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de Kastelein-Drossaart en de Schout naar Brabant metter woon, en werd in de plaats van eerstgemelde aangesteld Jonker Johan Bax, een der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toen Parma, na 't innemen van Maastricht, Valdez afzond om Heusden te verrassen. Reeds had hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen, door Bax gedaan, om het omliggende land onder water te zetten, werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen er gelukkig een stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed, zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.

Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam, bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en werd de Hervormde leer alleen op 't kasteel gepredikt. In 't jaar 1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naar Heusden geweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.

In 1588 leed Heusden wederom last; doch deze reis niet van een vyand van buiten. Leycester had de stad met een zware bezetting voorzien, onder bevel van Christoffel van Ysselstein. De wanbetaling der soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan 't muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet, en Ysselstein zelf op 't kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31 January tot 23 Maart, toen het Nikolaas Blanckaert, die in 1584 aan Bax als Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den Burgemeester Dierck Hamel Diercksz gelukte, de rust te herstellen.

Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnen Heusden lag, onthield zich de Drossaart niet langer op 't kasteel, maar liet, waarschijnlijk om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over aan den Kommandant. Karel van Levin, Heer van Famars, had Ysselstein als zoodanig vervangen, toen Graaf Karel van Mansveld zich in 1589 aan 't hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in 's Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak, en Famars drong by Prins Maurits aan op versterking. Deze voldeed gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver van Hedikhuizen, eenige benden over de Maas voeren; maar nu kwam het er nog op aan, hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar naam het aandenken van dezen strijd, en heet de Spanjaartsslag. Vijf maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen te Doeveren, Elshout en Hemert alle door den vyand bemachtigd waren; doch toen kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp, zoodat de troepen van Mansveld zich niet alleen gedwongen zagen van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te breken. De schansen, door hen bezet, werden in 't volgende jaar door Maurits ingenomen.

Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20en Oktober 1603 te Heusden voor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden krijgsoverste Olivier van den Tempel, Heer van Corbecke, die voor 's Hertogenbosch door een kanonschot van 't leven was beroofd geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door Prins Maurits, Grave Willem van Nassau, den Vorst van Anholt, en een aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.