Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)

Chapter 13

Chapter 133,637 wordsPublic domain

Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder onnatuurlijken, smaak ingericht--was het Loo weldra in staat, zijn vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, dat Lodewijks bygeloovige zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren) een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht, wijl hem gezegd was, dat hy zich in 't algemeen voor water zou hebben te hoeden. Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra door zijn bekwamen bouwmeester Tibault hersteld en verbeterd, deed hy de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. Onder Lodewijks belangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op het Loo; en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde.

Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het Koningrijk Holland werd by het Keizerrijk ingelijfd, en met Lodewijks vertrek bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en jachtslot niet dan slechts weinige beambten over.

Toen echter de groote veroveraar Napoleon in het volgende jaar door Gelderland trok, kreeg alles op het Loo weder voor korten tijd een vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld van den Prins Neufchatel, de schoone Hertogin Monte-Bello, en geheel een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook den Keizer-zelf. Deze, den 29e dier maand onder het geleide van talrijke gewapenden van Zwolle vertrekkende, kwam nog dien zelfden dag op het paleis aan, met den Maarschalk Duroc, Hertog van Frioul, en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs de weldaad bewezen had, van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen, en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven ondernemen zouden." [49]--In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen twee koeriers, met haastigen spoed, op het Loo aan, en de rust in de koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnen Napoleons sluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort daarna was de rust van geheel Europa weder gestoord, en werden alom de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naar Rusland.

En deze tocht naar Rusland legde den grondslag tot de opeenvolging van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op het Loo weder eene eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis van Oranje vasten voet op den Nederlandschen bodem, en Willem de Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust, dan de schepping van Willem den Derde.

»Sedert dien tijd werd het Loo de geliefkoosde lustplaats onzer vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel te Laeken aan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf." Nog toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar Koning Willem van zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval, en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren zijner regeering, dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur de hooggewelfde paleizen omzwerven."

Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets weet te verhalen van gintsche tijden, toen Princes Louize hier nog haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen Princes Marianne zich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk Nederlandsch karakter deed bezitten.--O, het Loo bevat een waereld van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in ons oog deed opwellen!--

Onder Willem den Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken.

Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd door den Baron d' Offemont, Sir Charles Stuart Wortley, en de beide Heeren Newcombe, en wel van den 1en Juni 1839, tot in den aanvang der volgende maand.--Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en 2 tertsels, onder het opzicht der gebroeders Both, Valkeniers van Valkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan, opgewacht: gedurende het tijdsverloop van 2 ure in den namiddag, tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen, die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104.

Ernstiger herinnering bewaart het Loo van het volgende jaar 1840. De Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was, en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van September vertrok hy uit 's Gravenhage naar het Loo. En op Woensdag den 7en Oktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel, omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den Geheimen-Raad voor Luxemburg, en teekende er de acte van abdicatie, ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wien Nederland sints by voorkeur zijn ridderlijken Koning noemt.

Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den ingang, door de lange beukenlaan staart--dan gevoelt ge zoo levendig, hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze het persende harnas had afgegespt.

Koning Willem de Tweede had eene voorliefde voor het door hem byna omgeschapene Tilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats der Oranjes te vinden, schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter zijn onverwachte en te vroege dood hem wech nam van een volk dat hem vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de mare van zijn spoedigen dood--toen werd op het Loo weder eene oude herinnering als opgewekt met den naam van Willem den Derde.

Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van bloei voor het Loo aangevangen. Talloos zijn de veranderingen en verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht, waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt; en de moestuin, die geen gelijke in Europa heeft, beslaat 7 bunders.

Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op het Loo in 1851, door den wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven hunner behendigheid aflegden,--feestelijk werden onthaald, en uit de Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle schouwburgzaal ingewijd, die onder 's Konings toezicht aan den rechter vleugel der voorgebouwen is opgericht.

Alzoo is het Loo een kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de geschiedenis van het Huis van Oranje omvat, van den eersten Willem den Derde af, tot aan den tweeden Willem den Derde toe, van wien het nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt:

Een derde Willem stichtte 't Loo. Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?-- O Derde Willem! moge ook zoo De naam Uws Vaders op U wezen! Hy was het borstschild van Euroop-- Wees gy Oud-Nederlands beschermer!

En Gy, Oud-Nederlands Ontfermer! Vervul door Willem Neêrlands hoop!--

HET KASTEEL AMMERSODE.

Voor wie de geschiedenis van zijn land lief heeft,--voor wie beseft, dat groote handelingen en bewegingen zich in duizend kleinere splitsen, daarvan zijn voorafgegaan, daarmeê samenhangen, daardoor gevolgd worden,--voor wie alzoo begrijpt dat elke uiting eener eeuw, niet alleen in het openbaar--, maar ook in het huisselijk leven en wat zich daaraan vasthecht, eene historische belangrijkheid bezit, die vooral dáar in waarde klimt, waar vele dier enkele verschijnselen nog zijn samengebleven in een groot geheel, dat het eigenaardig kenmerk van zijn bepaalden tijd draagt--voor hem is het meer dan een bloot genoegen, nog eens rond te wandelen in de zalen en vertrekken en gewelven van een dier weinige kasteelen, die in ons vaderland aan de geduchte handen des tijds en der sloopers ontkomen zijn: voor hem is het wetenschappelijk genot.

En wie nu dit genot nog eens in ruime mate wenscht te doorleven, wende den voet naar dat gedeelte van het aloude Teisterbant, dat thands den naam van Bommelerwaard draagt, en wel dáar heen, waar aan den rechter Maas-oever het dorp Ammerzode zich in het welige geboomte verbergt, en niet verre van de rivier een kasteel ernstig en statig oprijst.

En wie zich nu, ondanks zijn goeden wil, tot dien tocht belemmerd vinde--hy vergezelle met ons den Heer van Engelen, waar deze kennisrijke en smaakvolle verhaler, wien wy reeds op het Loo eenige voetstappen ter zijde gingen, zich naar den Ammersode richt:--

Een diepe gracht, nog voor een gedeelte van een aarden wal voorzien, omgeeft het kasteel. Een brug verleent den toegang, eerst op een uitgestrekt voorplein, van oude, thands grootendeels onbewoonde nevengebouwen omringd, waaraan slechts een talrijke duivenslag leven byzet. Vervolgends komt men door eene poort op een binnenhof; en thands het hoofdgebouw betredende, treffen al aanstonds de verbazende dikte der muren en de buitengewone omvang der hooggezolderde vertrekken de opmerkzaamheid des bezoekers. De uitstekende netheid die overal heerscht, en talrijke voorwerpen, tot de hedendaagsche huishouding behoorende, mogen al voor een oogenblik het denkbeeld aan vroegere eeuwen, door de eerste beschouwing van het gebouw opgewekt, verwijderen--toch zullen spoedig de vele overblijfselen van een huisraad, dat een geheel ander tijdperk aanduidt, en dat te midden van meer moderne voorwerpen verspreid is, den eersten indruk hernieuwen. Vooral zullen de fraai gestikte tapijten langs den wand, vercierd met de wapens van het stamhuis van Arckel, dat in de zestiende en zeventiende eeuw de Heerlijkheid bezat,--de groote spiegels met hunne blinkende stalen lijsten, een cieraad van vroegere tijden, dat al te zeer in vergetelheid is gekomen,--de met kunstig snijwerk voorziene schoorsteenranden, en de ouderwetsche stoelen, met hooge ruggen en lage zittingen--den bezoeker telkens herinneren aan een tijd die lang voorby is.

Tot vóor korten tijd waren, behalven het belangrijk archief in een onbewoond gedeelte van het slot, ook nog eenige oude wapenen en een aantal familië-portretten hier aanwezig. Dit een en ander was echter door den tegenwoordigen eigenaar der Heerlijkheid, den Baron de Woelmond, Lid der Provinciale Staten van Limburg, en aldaar woonachtig, meerendeels van hier wech gevoerd. Intusschen waren er nog enkele familië-stukken achter gelaten, meestal vrouwenportretten, in de stijve kleederdracht van een vroeger tijdperk, benevens een groot familië-tafreel, eenige spelende kinderen voorstellende. Men vermaande my, toch vooral den hoofdtoren van het slot te beklimmen, boven welke zich een zoogenaamde peer of pijnappel verheft, die een keurig vergezicht over den omtrek aanbiedt. De wind, die vrij hevig woei, deed dit hoogste gedeelte van het kasteel eene gedurige schudding ondergaan, hetgeen my echter niet verhinderde, een geruimen tijd mijne blikken door de kleine torenvensters over deze vruchtbare landstreek te laten rond weiden. Aan de eene zijde vertoonden zich de breede Waal-stroom en de statige toren van Bommel, schijnbaar in de onmiddelijke nabyheid; terwijl aan den anderen kant de stad 's Hertogenbosch zich met hare vestingwerken en forten, torens en kerkspitsen uitbreidde. Den geheelen Bommelerwaard, met zijne talrijke dorpen, korenrijke akkers, weiden, en boomgaarden, kon men van hier met een enkelen blik omvatten. Na my met moeite aan dit gezicht onttrokken te hebben, voerde men my uit de hoogte naar de diepte: in de verbazend ruime overwelfde kelders van het slot namelijk, thands tot dienstbodenvertrekken, provisiekamers, enz. ingericht, maar in vroeger tijden voor een gedeelte tot een kerker dienende, gelijk men nog een blok, waaraan de gevangenen gekluisterd werden, als eene rariteit bewaart.-- [50]

Staat ons alzoo nu het ernstig en kolossaal gebouw in deze duidelijke omtrekken levendig voor den geest--werpen wy dan den blik te rug, en zien wy, welke historische herinneringen zich daaraan verbinden, welke feiten aan die muren zijn verknocht, welke lotgevallen hunne bewoners of eigenaars hebben ondergaan.

Wanneer, en op wiens last, hier de spade in den grond werd gestoken, om de rooiïng der grondslagen in vasten steen te verwerkelijken, is onbekend. Zeker weet men echter, dat de sterke burcht in het laatste gedeelte der dertiende eeuw in eigendom behoorde aan Johan van Herlar (uit het oud en edel geslacht van Lo), daarna op zijn zoon Dirc, en vervolgends weder op diens zoon Gerard overging.

Gerard, die het in 1351 bezat, was een aanhanger van den Hollandschen Graaf Willem den Vijfde, wiens kleederen hy droeg; en dat hy Jonker Eduard van Gelre genegen was boven diens broeder, den Hertog, blijkt uit het aandeel dat hy nam in 't verzet van eenige Edelen tegen Reynald, ten behoeve van Eduards verkort recht, in 1353. Na zijn kinderloos overlijden kwam het kasteel, by magescheid of broederdeeling, in handen van Johan van Herlar, Heer van Ameyde, die er zyn jongsten broeder Arndt meê verlijdde, wiens Erfdochter het door huwelijk weder aan Arnold van Hoemen, Heer van Hoemen en Midlar bracht.

In den oorlog tusschen den Gelderschen Hertog Willem van Gulich en Joanna, de Hertogin-weduwe van Brabant, koos Heer Arnold, met voorbyzien van zijn leenmansplicht, de partij der laatste, en yverde zeer voor hare zaak. Hy was er echter niet gelukkig in. Op den 24en Juni, 1386, krijgsvoorraad en levensmiddelen van 's Hertogenbosch naar zijn kasteel van Midlar geleidende [51], werd hy by het uitkomen van een bosch, zuidwaart van Grave, door Gerard van Oyen aan het hoofd eener talrijke bende Gelderschen overvallen, en met zijn zoon Reynald en eenige Brabantsche ridders gevangen genomen. Hertog Willem, hiermede zijn voordeel trachtende te doen, deed den gevangene voor zich brengen, en gaf hem de keuze tusschen de oogenblikkelijke overgave van den Ammersode, of--de dood. Maar ook in dien nijpenden oogenblik begaf den heldhaftigen Ridder zijne fierheid niet:--»Moet ik sterven," gaf hy onvertsaagd ten andwoord: »ik zal het met eere weten te doen--maar de bezworen trouw aan mijn Vrouwe van Brabant verbreek ik niet."--'s Hertogs scherp voorstel bleef toen een bloote bedreiging, 't zij hy getroffen was door de moedige taal des Edelmans, of dat hy wellicht diens dood nooit in den zin had gehad, maar slechts op deze wijze de bemachtiging van 't kasteel wilde beproeven. Thands schoot hem hiertoe niets anders over dan een beleg. Hy liet Heer Arnold het leven, maar wendde zich met de wapenen voor den Ammersode, die, niettegenstaande een kloekmoedigen weêrstand, na weinige dagen, in Augustus gewonnen, en met het kasteel Midlar, dat in de volgende maand het zelfde lot onderging, verbeurd verklaard werd. En schoon hun dappere eigenaar later by Hertog Willem in aanzien geraakte--hy ontfing zijn fraai goed aan de Maze, zoo min als zijn schoone Heerlijkheid in Bommelerwaert weder te rug [52]. Evenmin kwam ze in handen van Gherit van Bruechem, die er aanspraak op maakte (waarschijnlijk uit hoofde van bloedverwantschap), maar in 1391 afstand van deed, behoudens zijn recht op eenige morgen lands, die zijner moeder behoorden.

Toen de Hertog zich in 1392 tot zijn derden tocht naar Pruissen gereed maakte, stelde hy het kasteel in hoede van zijn oversten rentmeester Godart van Stamprade, die zich daartoe verbond »mit op gerichten vingheren ende mit ghestaefden eden ten heiligen gheswoeren."--En toen hy, in Januari 1402, zijn einde voelde naderen, en de verdeeling zijner bezittingen by testament regelde, schonk hy slot en Heerlijkheid Midlar, met uitzondering van den tol, aan zijn oudsten bastertzoon Willem van Cuyc; en den tweeden, Johan, begiftigde hy met Ammersode, onder voorwaarde dat dit, in geval van kinderloos overlijden, weder op 's Hertogs rechte erfgenamen zou te rug komen,--ten allen tijde voor hen open staan,--en tegen uitkeering van 1000 Rijnsche guldens steeds losbaar zou zijn.

Men vindt echter niet, dat Johan ooit in 't bezit der hem beschikte heerlijkheid gekomen is. Waarschijnlijk heeft hy zich daaromtrent verstaan met zijn oom Reynald, die ten minste in 1405, tegen ruiling met het kasteel ter Knype, en het hoog en laag gericht van Beecke en van Sterckerode, aan Johan Steck van Beecke, Heer van Beecke, en Hertooglijk Raad, overlevert: »slot, borch ende herlicheit Amersoyen, mit hogen gerichte ende degelixschen gerichte, mit mannen, mit dyenstmannen, horigen luden, wastijnsigen luden, coirmetschen luden, eygenen luden, mit hoenren, capuenen, gansen, mit renthen, mit paichte, mit theenden, mit tijnse, mit gulden, mit jairgulden, mit wijnde, mit watere, wijhere, mit busschen, mit broeken, mit artlande, mit beemde, visscherijen, forefeyten, mit allen opkomyngen, mit heyden, mit weyden, hoge ende lege, ende mit allen anderen goiden ende erven, tot der voirscr. herlicheit van Amersoye gehoirende." [53] Zeven jaren later deed Heer Johan er weder afstand van, tegen een bepaalde som. Het moet hier echter aan een of andere voldoening van 's Hertogs wege gehaperd hebben; want Meralda Steck van Beecke, Johans erfdochter, gehuwd met Heer Goossen van Rossem, deed zich na heurs vaders dood met de Heerlijkheid beleenen, schoon zy overigens evenmin in 't bezit getreden schijnt te zijn, als Willems Johan.

Een andere Bastert van Gelre werd er meê beschonken, en wel Hertog Reynalds zoon Willem van Wachtendonc, die op den 25en April 1424, in overeenstemming »mit Hermanna van Batenborch, sijn echte huysvrouw, Johan Heer tot Broeckhuysen ende tot Weerdenburch verkocht 't slot van Amersoyen, mit den voorburchte ende graven, mit der heerlijcheyt van Amersoyen, mit den dorpe" enz., verder gelijk reeds in Hertog Willems brief van ruiling werd omschreven. Hertog Reynald keurde dezen overgang goed, en gaf het in 't volgend jaar aan Broeckhuysen en diens erven tot een onversterfelijk leen, te verheergewaden met éen pond goed geld. De goede luiden van Ammersode hadden reden om zich over dezen verkoop te verheugen: hun nieuwe Heer toonde zich hunnen belangen niet onverschillig, en gaf hun in 1428 landrechten en keuren, met die van Tielre- en Bommelerwaert overeenstemmende, terwijl hy de ingenoten van het kasteel meer gemaks verschafte, door er eene slotkapel te stichten.

Heer Johan van Broeckhuysen van Waerdenburch overleed vervolgends in 1443, en liet zijn eenigen zoon Gerard, die met Walravina, Heer Walravens dochter van Brederode [54], gehuwd was, en de waardigheid van Erf-Hofmeester des Hertogen van Gelder bekleedde, den Ammersode.

Wanneer zijne onderzaten met goede hope hem zijne goederen hebben zien aanvaarden--zy zagen die hoop niet verwezendlijkt: reeds het volgende jaar viel de bekende slag van Sint-Hubert voor, waarin Willem van Egmond van IJsselsteyn gevangen genomen werd [55], en in dezen strijd sneuvelde Heer Gerard, die, edeler dan zijn lafhartige naamgenoot van Culemborch, dus zijn ridder-eer en leensmans-trouwe met zijn dood staafde. Hy mocht sterven in het vertrouwen dat zijn bloed zich in zijn kroost niet verloochenen zoû: slechts weinige uren te voren, vóor den aanvang van 't gevecht, zag hy zijn oudsten zoon Johan op het slagveld ridder geslagen, en alzoo tot de hoogste waardigheid van den adel verheven.

Het geluk was den jongen held echter niet gunstig: strijdende werd hy krijgsgevangen gemaakt, en moest zich eenigen tijd het gemis zijner vrijheid getroosten.