Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Chapter 12
En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige heide rondom het Loo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en welwillend gelaat, missen--de Bentyncks en hunne verwanten en vrienden (of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-, of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom een jachtslot verplaatsen,--den bezitters en hunne gasten in hun geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den Heer Haasloop Werner, wanneer hy de jacht in 't woud vergezelt.
»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens, die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,--dat nog op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien--opgejaagd en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar de nog snellere pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand, bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door de bloeddorstige honden te worden afgemaakt."
Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan de Heer Verster van Wulvenhorst ons geleiden zal.
»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en, van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken, voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld.
»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld.
»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen van den derden vogel, den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers.
»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen, en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd, van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze, het edel jachtvermaak verhoogt."
En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog lang op de Veluwe gevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in 1826 door den Baron van Lijnden van Oldenaller geschoten werd--zoo wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan.
Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch, En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.-- Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren, Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,-- Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot, Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend rood Om 't bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.
Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen, Op 't uur des dageraads, die met zijn zilverglans Reeds opstijgt tegen 't blaauw van d' oostelijken trans. De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken, Door 't windgeruisch verspat, laat zich door 't loover zakken Op 't geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid, Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit. Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken, Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken. By wijlen steekt hy 't oor door 't nat gebladerte op, En richt van 't laauwe mosch den borsteligen kop. Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoeven Verheft hy 't bovenlijf, en blijft beweegloos toeven, Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld, Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:-- Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammen Genaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammen Hem aan:--de speurhond is aan 't einde van zijn spoor; Hy koos zijn richting goed--en is zijn vijand voor.
Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogen Niet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen, Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst, En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd: De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtig En schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig, Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...
Een blaffen schalt hem na--en plotslijk trilt de lucht Van 't bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen, En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzen En seinen plaats en spoor. 't Gevogelt krijscht in 't rond. Al 't wild, vervaard, schiet op van 't leger, langs den grond. Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven; De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven-- 't Is alles éen rumoer.
Voort, jaagt het boschzwijn, voort! De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord, De diepste wildernis en dreven om en over. Het schaaft door 't reuzig riet; het sproeit het dorre loover Met schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door-- De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor. Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen, Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren: Dan verre, en dan naby--maar immer onvermoeid, En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.
De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen. Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollen Om d' opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloed Doorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet. Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers, Hem tot op 't lijf genaakt in 't blinde vuur huns ijvers, Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid, En hun op 't lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaait Den groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmig Gescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig, Den heeten honden dwars door buik en ingewand, En werpt hen krimpend in 't met bloed gekleurde zand.
Maar 't spoor blijft ongewischt. En 't huilen der gewonden Is slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden, Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. Wild Van woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt, Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,-- Het rankrigst kreupelgroen,--de dichtste hazelaren, En breekt een hollen gang door 't ruige struikgewelf. Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf: De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd. Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomt De jachtstoet altoos na.
De felle drijvers winnen Met ingespannen kracht, en louter vuur van binnen. Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor, En 't hijgend zwijn ter zij. Het voelt in 't siddrend oor De heete tanden. 't Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zich Ten doodelijken houw--maar thands vergeefs.
Daar drukt zich Een tweede hondenmuil 't gebit in 't ander oor.... En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in 't spoor, En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarte Van wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte. Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om; De zweetdamp walmt in 't rond; geblaf, gehuil, gebrom Galmt schor en wild door een. De doggen slaan de tanden In rug en schoft en zij.
Van dolle woede aan 't branden, En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond, En kwetst in 't wilde, en sleurt een enklen dog ten grond... Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rilling Die hem naar 't harte schiet--en strekt met woeste trilling De grove leden uit, voor immer:--
En nu toog De jager 't staal, dat tusschen schouderblad en oog Het hart getroffen had, te rug, en wischte 't rustig In 't zweet der borstlen af.
Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van 't gebouw, voor den breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang" zingt:
Nog is jacht hier genoeglijk, en 't weidspel in eer, By wie rustig de leden wil reppen;
en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht, thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen van Arnhem, van Voorst, van Isendoorn, van Stepradt, en van Dornick, die slot en Heerlijkheid achtereenvolgend bezaten.
In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den Prins-Stadhouder Willem den Derde, die, even als zijn vader, dikwerf op de Veluwe de genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar was Heer Johan Carselis van Dornick, met wien de Prins onderhandelen deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam.
Willem de Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste, 'tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriend Godart van Reede, later Graaf van Portland, verrees, en naar den toenmaligen bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen, en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat prachtig--en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor het corset en den hoepelrok.
En de rijke en weelderige lokken van het krachtige Veluw-landschap vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen dwong--kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde--alles volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen natuur-verminker le Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst.
In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerk met vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid van het Loo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken, toen zekere Jan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen, zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand, misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner kloekmoedige beradenheid was.
Toen de Prins later den troon van Engeland beklom, vormde hy al spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk buitenverblijf te verheffen.
De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op, en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid, door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken, taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden--schoon ze ons thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van den Asselt, een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten, die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven.
De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die in die dagen het evenwicht van Europa omklemde, en Frankrijks trotschen Koning onverwrikt diens plaatse aanwees--schoot hier met vrolijke behendigheid den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waar Willem zijne jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom, waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven lommer dekt.
De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom de Udeler-meir zoo gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk water-zelf de reigers uit het Soerensche bosch by menigte aan zijn kalmen oeverzoom lokte.
De Staten van Gelderland gaven den Koninklijken jager intusschen een bewijs hunner hulde, door het Loo en de buurschap Noord-Apeldoorn, op de 10en December 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid, ten behoeve van hem en zijne nakomelingen.
Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn noodlottigen wandelrid naar Hamptoncourt; plotselijk struikelt het paard,--de ruiter valt,--breekt het sleutelbeen--en reeds op den 19en dier zelfde maand beweent Engeland het verlies zijns Konings,--Nederland dat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote, en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had.
Daar Willem de Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid van het Loo ook terstond vervallen verklaard, en op den 4en April 1702 weder aan het Landdrost-ambt der Veluwe gehecht.
Nu behoorde het Loo, even als IJsselsteyn [47], onder de goederen der nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, Koning Frederik van Pruissen en Johan Willem Friso, onderling betwist werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van Prins Willem Carel Hendrik Friso kwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot eene bepaalde afdoening.
Baron Diederik van Lynden, Heer van de Park, 's Princen Opperhofmeester,--Baron Hobbe van Aylva, Drossaat van 't Graafschap Buren, 's Princen Opperstalmeester, en Johan Duncan, zijn gewone Raad en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als gevolmachtigden naar Berlijn gezonden, en sloten er in 's Princen naam eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16en Juni 1732 te Dieren onderschreven, nadat de onderteekening van 's koningswege reeds den 14en der vorige maand te Berlijn had plaats gevonden.
By deze schikking geraakte het Loo gelukkig in handen van den Prins, en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam. [48]
Na 's Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën, beschonken de Staten van Gelderland nogmaals, en wel by besluit van 13 Januari 1748, het Loo met de rechten eener hooge Heerlijkheid, en vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt van Apeldoorn en der Udeler-meir. Thands werd het weder levendiger in de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ook Willem de Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst »die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde," onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang der Nederlanden, op den 24en Oktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid op het Loo te rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een ongestoord verblijf.
's Princen eenige zoon, de goedaardige Willem de Vijfde, die reeds op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en--staatszorgen zijns vaders erfde, verpoosde zich gaarne op het Loo, en deed er vooral de diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal van Braem, na de verovering van Malabar, van twee schoone Aziatische olifanten, hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die door de nabyheid der Udeler meir, met hare verbazend groote snoeken, steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap zijnde, nog helder voor den geest.
Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar het Loo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten van Holland dermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden, en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting ontnamen--waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek.
Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof.
De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog van Brunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op den 18en Januari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleide Nederland, en het Loo zag hem nimmer weder rustig en nadenkend door de dreven dwalen.
En hoe het toen met Gelderlands prachtigst buitenverblijf geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron van Spaen, wier aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis van Oranje ondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel vertier veroorzaakten; 'twelk voor de ingezetenen der schrale hooge Veluwe een bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is."
En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de zuidelijke Nederlanden terug, en hier door trokken, brachtten er zoo veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen, het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te gelde gemaakt!
En indien dit geschiedde door den Staat-zelf--hoe kon men dan verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden zou! Zeker--wanneer Johan Bentynck zijn fieren gebieder op zijn jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de pracht des Hertooglijken aanhangs--dan heeft hy wel nooit, ook maar niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal" voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer Graaf Godart van Portland de door hem aangelegde zalen en vertrekken voor Nederland zag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien men thands erkent een der grootste Koningen van Groot-Britanje te zijn geweest--toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een deel der armee van die zelfde Franschen, door een Willem den Derde zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren.
En toch--het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En toen eenmaal, nog steeds in 1795, Deventer, Zutphen, Doesburg en Arnhem nalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve van dat hospitaal, dreigde de Generaal van Damme, met de volmaakte onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der besmettelijke huidzieken van het Loo by de burgers dier steden zou doen inlegeren.
De herschepping van de Noordelijke Nederlanden in een Koninkrijk Holland, was voor het Loo eene weldaad. De goede Lodewijk--een andere Willem de Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche deugd, die spaarzaamheid heette--had niet zoodra kennis met de vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden.