Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)
Chapter 11
Maximiliaen van Egmond van IJsselsteyn, thands Graaf van Buren en Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Jaersvelt, St.-Maertensdijc, Cortgene en Cranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns vaders dood door den Keizer in de plaats van den overleden Joris Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland, Overijssel, Groningen, en Groningerland, waar hy rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge mate de gunst van Keizer Karel, dien hy in verschillende oorlogen volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer, zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf diens Graafschap Buren tot een Hertogdom verheffen--zonder echter daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste bewoog Maximiliaen tot eene dankvolle afwijzing: »Liever," sprak hy: »wil ik een rijke Graaf, dan een arme Hertog zijn."--
Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uit Engeland in een gezantschap van 's Keizers wege was te rug gekeerd, oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens te Brussel overviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfarts Andries van Wesel (Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten, en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was op den 22en December, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk om zijne twee gemeenzaamste vrienden, de Heeren van Ligne en van Granvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.
Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen, voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige huivering bevangt hen--Maximiliaen van Egmond, geheel in 't harnas gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe; beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken heeft, reikt hy den Heer van Ligne zijn Ordeteeken over, om het den Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.
Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts, en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het lichaam reeds verlaten.
Zijne weduwe, Françoise, Heer Hugoos Erfdochter van Lannoy, overleefde hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van gelijken ouderdom, van Vorstelijken Huize, en sinds zijn elfde jaar aan het Keizerlijk hof te Brussel opgevoed: in 1551 huwde Willem van Nassau-Dillenburg, Prins van Oranje, Baron van Breda en Diest, met Anna van Egmond van IJsselsteyn, Erfdochter van Buren en Leerdam en der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.
Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon, Filips Willem, in 1554, en een dochter, Maria, in 1556, die later de echtgenote des Graven Filips van Hohenlo werd.
Hierdoor kwam IJsselsteyn alzoo in handen van het doorluchtig Huis van Oranje-Nassau, waarin het ook tot aan Willem den Derde bleef, zonder dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend, dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van 1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal dragonders van de Fransche bezetting uit Utrecht naar IJsselsteyn, om het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald, »dat de meeste part het weder-komen vergaten"; de overige helden spoedden zich ijlings weder naar Utrecht, »blasende en trommelende voor de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt."
De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel en stad, zonder eenigen weêrstand, in 's vijands handen overgegaan, en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen uit Utrecht.
Na Koning Willems plotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond er tusschen Frederik den Tweede, Koning van Pruissen, en Johan Willem Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd. IJsselsteyn kwam toen aan Willem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Gelderland, en in 1747, als Willem de Vierde, Stadhouder der Vereenigde Provinciën. Zijne moeder, de beminnelijke Maria Louisa van Hessen-Cassel, die, na gade en zoon overleefd te hebben, eerst in 1765 te Leeuwarden overleed, hield zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat, en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare herinnering van de edele Vorstin.
Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost van IJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid bekleed door den Heer de Beaufort, die er toen afstand van moest doen, en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek werd gebracht.
Nu moest het, dàn als hospitaal--dàn als kazerne dienen, en speelde de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten, en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van de Capelle als huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van der Duin van Maasdam heur verblijf vestigde.
Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van de Capelle, in 1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer Mr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer van Bunnik en Vechten, wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.
Intusschen heeft de uitwendige vorm van den IJsselsteyn natuurlijk veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den tegenwoordigen toestand wordt gevonden in Robidé van der Aas »Oud-Nederland," en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht, wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5 N. el dikte heeft.
De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoe wenschelijk dit ook ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde klooster te onderhouden." De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.
Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men met den dichter spreken:
Wel, zeker, wie 't herdenken mint Van lang voorleden, schooner dagen-- Wie een weemoedig-zoet behagen In de eeuwig groene Erinring vindt, Heeft slechts die muren te ondervragen, Die 't merk van koninklijke pracht, Van oude--eilaas! verlamde--kracht-- In reuzenschrift aan 't voorhoofd dragen.
o, Fluisterstem van dat Voorleden, Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord, Die, als een zangrig harpaccoord, Ter helft geraden, half gehoord, Den avondwandlaar langs gegleden, De stilte van den bouwval stoort! Hoe woei mij dàar de Erinring tegen Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht, Van Riddereer en Riddermagt, Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!
Dan rijst voor mijn verwonderd oog Op nieuw het burggewelf omhoog, Zoo als 'et prijkte in vroeger dagen; Dan krijgt die slotpoort als weleer Zijn ijzren vleugeldeuren weêr; Dán wappert van den hoogen toren Op nieuw de slanke baanrol uit; Dan is 't, of 't avondzonnegloren Op 't blankgeslepen borstschild stuit, En blikkert op de stormhelmetten, En 't flikkrend staal der krijgsgenetten, Die zich verdringen in het krijt En joken naar den strijd!
Dán treedt een sleep die hallen binnen Van Edelvrouwen, jonk en schoon, Van Ridders, vurig in 't beminnen, Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen, En Minstreels, die den zang beginnen Voor Vrouwengunst en Minneloon!
Waar is uw luister heêngevaren, En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?
Gij spreekt de vreeselijke taal Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven, Van korten Bloei en langzaam Sterven; Gij zingt het slepend grafgezang Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang!
Doch neen, geen Dood! De geest blijft leven, Die, eens dier stichting ingedreven, Nog scheemrig in den bouwval gloort.-- Want wat des menschen vinding stichtte, Want wat de kracht zijns wils verrigtte, De daad die is duurt altoos voort!
JACHTSLOT HET LOO.
Schoon ik een open zin en een warm hart voor het oude heb, ben ik toch volstrekt niet ingenomen met het verouderde, en van weinige dingen heb ik een zoo volstrekten afkeer, als van verouderde klachten.
En niettegenstaande dit, wil ik echter nog eenmaal op eene verouderde klacht terug komen, omdat de ergelijke grond van haar ontstaan met iederen zomer weer op nieuw herleeft:
»Wy--neen, Goddank! nog niet wy, maar toch, helaas! nog velen onzer--zoeken de oorspronkelijke schoonheid der natuur nog altoos buiten, niet in ons vaderland; en wie onder ons aanspraak maakt op den naam van man van beschaving en opvoeding, kent, zoo hem Zwitserland en Italië nog vreemd zijn, ten minste de Maas- en Rijn-streken door eigene aanschouwing; ook nog, by toeval, de omstreken eens buitenverblijfs van verwant of vriend, en heeft waarlijk ook wel eens hooren beweren dat Nederland zelfs rijk aan natuurschoonheid is--maar onder dit laatste schrijven zijne verbaasde blikken: »quod est demonstrandum!"
De arme dwaas!--
Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die f 50.000 jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat hy geen f 500.000 heeft--beklaag ik slechts; en--in een zeer netelige luim zou ik misschien zeggen, dat hy voor Meerenberg rijp is, als zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds.
Nederland arm aan waarachtige natuurschoonheid!
»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!--Schaduw en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer in Holland overvloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een welriekende balsemgeur toe--niet minder streelt ons in het voorjaar de balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.--Naast de hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas, met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen, dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden, dat Vondel ze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen, gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of het malsche klavergroen der weiden afsteken.--Zoo groeien hier op Hollands bodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen, op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken: de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en het varenkruid.--Over de kelken dezer in het wild verspreide bloemen zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in de zomerzon.--Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.--Maar als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide, waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen; als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven, het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling afwisselen--dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al dien wellust te bevatten." [41]
Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is om Hollands weelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen--hy zal 't ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die 't weerkaatsen moet.
En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom te genieten--hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat (door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den naam van Neêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche vreemdigheid, draagt!
»O!" wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennen Arnhem en zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!"
Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk schoon van Gelderland dáar te zoeken hebt?--Zoo ge my toestemmend andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in wandelen tusschen groene bergen en fraaie dreven, onder prachtige beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk zoowel als langs klaterende fonteinen--maar uw gevoel voor de natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.--Zijt ge zoo gelukkig dit te bezitten, en weet ge alzoo vruchtbaarheid van produktiviteit, statigen ernst van eentoonigheid, vrije natuurschakeering van kunstige afwisseling te onderscheiden--ga dan naar dat deel van Gelderland, dat door een zijner eigene Hertogen [42] werd gekenmerkt als »een wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen."--
Dáar, op de Hooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon, hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen; hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde van onze planeet, te weten in Jutland, Holstein, Hanover, Westfalen, en Nederland, wordt gevonden:--en niet zonder belangstelling zal hy die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in hunnen natuurstaat bevinden.
En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest gestemd tot ernst en overdenking!-- [43]
En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen geschakeerde Veluwe zoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men natuurlijk niet beschaafd heeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef; van dat een Koning van Engeland er ter verpoozing van staatszorg zijne valken opschoot, tot toen een Koning van Nederland, door staatszorg vermoeid, er den scepter nederleî.--Hoe veel voor het hart; hoeveel voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!--
Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen van het voorgeslacht te bezielen?
By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk; maar niet alleen voor den dichter, of den schilder--ook voor den geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts enkele onderwerpen te behandelen. Dus is het thands my, nu ik op de Veluwe tusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig overblijfsel zoek, maar deze zich by menigten aan my opdringen.
En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen zich ten naauwste aan het Huis van Oranje verbinden, dan vreeze ik geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen.
Een halfuur noordwaart van het grijze Apeldoorn ligt eene heerlijke plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als een
Blinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;
maar
Als in glansend goudgevonkel 't flonkren van den diamant.
Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees daar in de 16e eeuw het jachtslot van den Hertooglijken Maarschalk Johan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog.
Heer Johan was een zoon uit het oud en edel Geslacht van Bentync, dat reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote, Joanna, des Heeren dochter van Appeltern, ontsproot mede uit een der edelste geslachten van het Gelreland. Zy schonk hem vier dochters, waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat--de beide jongsten in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed. [44]
Reeds in 1503 werd hy met de Heerlijkheid Arensberghe (thands Berrinkhuizen) en de tienden in Engeland, op de Veluwe, beleend, en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap op Veluwe en in het Nederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder bevestigd werd.
Wanneer, en door wie zijn huis het Loo gesticht was, en of het leven zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan, daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn, is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor goed vernietigd.
Onder het toenmalig kerspel Apeldoirn gelegen, was het tot in 1537 een vrij, eigen goed, en werd den 31en Augustus van dat jaar door Johan in leen opgedragen aan Karel van Egmond, zijn Hertog en Heer, dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had.
De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester op Veluwe en in het Nederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten ind toebehoir" erfelijk in het Geslacht van Bentynck. Te voren was aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de Heerlijkheid Hoeckelom verknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 met Herman van Hoeckelom vervallen was, verbond Karel er andere, nieuwe voordeelen aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus 1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege:
»Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op sijnen altsten soen Adolph Bentynck, in soe voirtaen then euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnen Adolffs ind Kairls sijnen sone, van lijven gekoemen. Ind ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op onsen diener ind lieven getrouwen Seger van Arnhem, ind op sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouwe Anna Bentynckx toe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen koemen ind vallen."
En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra plaats.
Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit de Veluwe de overeenkomst van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging van Gelder en Sutphen met Gulick en Cleve mede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in 1543, toen hy op den 16en Oktober overleed, en ze, met het bezit van 't Loo, aan zijn oudsten zoon Adolf naliet.
Heer Adolf, nu Erf-Jagermeester van de Veluwe, werd terstond beleend met de Heerlijkheden Arensberghe en Westerhof, en met de tienden van Engeland. Het liep echter tot den 19en September 1547, eer hy door Keizer Karel den Vijfde, sedert 1543 Hertog van Gelder, met het Jagermeesterschap der Veluwe en de Heerlijkheid het Loo verlyd werd, waarby het heergewaad, ook voor 't vervolg, werd vastgesteld op twee witte windhonden en een jachthoorn.
Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want hy stierf reeds den 30en Mei des volgenden jaars, en liet zijne kinderlooze gade, Margareta van Valck, als eene eenzame weduwe achter.
Daar nu zijn broeder Karel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door Hertog Karel van Egmond gemaakte bepalingen, op hun schoonbroeder Seger van Arnhem, gehuwd met Anna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden, het weder aan het Hertogdom te rug kwam. [45]
De Heerlijkheid het Loo bleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke zijlinie van het geslacht: Aleyde Bentynck, Heer Filips echtgenote van Varick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met de Heerlijkheid Westerhof.
In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven aan te nemen zij, dat Gelderlands meest beruchte Maarschalk, Marten van Rossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel [46] te staan.