Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI)

Chapter 10

Chapter 103,705 wordsPublic domain

Heer Willem van Egmond van IJsselsteyn overleed op den 31en December 1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter, Belia, gehuwd met Berthout van Rietwijc, en een zoon, Aernout van IJsselsteyn genoemd, die in den echt trad met Barbara van Borssele, en in wien wy den schraapzieken Slotvoogd van Woerden hervinden, wiens vrekkige aart het der kloekheid van Johan van Montfoort zoo gemakkelijk maakte, om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.

Na Heer Willems dood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg, de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenoot Willem, tweede zoon van den vurigen Jan van Egmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den krijgshaften »Jan met de Bellen" hebben leeren kennen.

Willem van Egmond was reeds door zijn ouderen broeder, Hertog Aernout van Gelder, beschonken met de goederen van Willem van Buren, in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer van Buren, Leerdam, Schonerwoert en Haestrecht, en des lands van Mechelen. In den slag met Hertog Gerhard van Berg, 10 November, 1444, die vooral door de lafhartigheid van Geraert van Culenborch verloren ging, toonde Willem van Egmond een ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich, door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijand Willem van Buren, sints 1430 Veldheer van den Hertog van Berg, was gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol jaar krijgsgevangen, en Hertog Aernouts geldelijke toestand had het betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toon Buren hem op den 13 November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelastte zich over acht maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stad Berchem te begeven, er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn tollenaar Koenraed van Boelendorp, en niet van daar te vertrekken buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.

Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds, maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voor Egmond en Gelder beiden. Hertog Aernout nam daarop zijne maatregelen, en de loskooping volgde eerstdaags.

Toen de laaghartige Adolf, Hertog Aernouts zoon, in verbond met zijne onnatuurlijke moeder Catherine van Cleve en een deel verraderlijke Edelen, zijn vader in 1465 te Grave gevangen nam, deed hy ook den niets kwaads vermoedenden Frederic van Egmond, Heer Willems zoon, in hechtenis nemen. Vergeefs trachtte Heer Willem, die ter goeder trouw maar al te dikwijls Adolfs voorspraak by diens vader was geweest, thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zou hy, die de vaderlijke weldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben voor de weldaden van den oom!

Het duurde zelfs niet lang, of Adolf, die de wederspannigheid der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef, liet al diens leenen in Gelderland aanslaan, en viel hem met allerlei betichtingen lastig. Graaf Vincent van Meurs, Heer Willems schoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toen Willem te Arnhem kwam om zich te verandwoorden, en daartoe met Vincent naar 's Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op aan drong, om te weten hoe het dan toch met Heer Willems zaak gaan moest, voer Adolf toornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche goudgulden--tenzij hy de inkomsten van den tol te IJsseloord zal betalen, of dien tol laten varen."

Toen de Graaf dit woord overbracht, sprak Willem met bitterheid: »Zie, dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my thands ook van mijne inkomsten te berooven."--En nadat hy den Grave gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy zich netelig in 't zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld, naar zijn Slot van Baer, waar hy zich terstond maatregelen nam, om Hertog Jan van Cleve, de stede Wageningen, en eenige anderen, met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid van Adolf bekend te maken.

Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zond Adolf eene bende krijgslieden onder Otho van Weeren naar IJsselsteyn, waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster, door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun keertocht toevende binnen Gorcum, waar zy zich veilig waanden [38], werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster, voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te vergeefs: de stadhouder van Holland deed hen van daar en naar 's Gravenhage voeren, waar zy op den 26en en 29en Mei, 1466, ondanks alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen, onthalsd en geraderd werden.

Jonkheer Frederic was intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt, en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunne volgers gewapend, en zich by het leger des Hertogen van Cleve gevoegd hadden, van waar zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten, en zelfs Arnhem verrasten.

Na den vrede van Gent, 1469, begon de roekelooze Adolf weder de oude treken tegen zijnen oom. Heer Willem, evenzeer verontwaardigd als verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar Hertog Karel van Borgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden verwisseld: Adolf in hechtenis geraakte, en Aernout op vrije voeten kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen van IJsseloort en Arnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel van Buren, geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel te Grave, waar hy, na zijn afstand van het Hertogdom aan Karel, gewoonlijk verblijf hield en ook, op den 23en Februari 1473, overleed.

By het verzet der Gelderschen tegen Hertog Karel, sloot Heer Willem zich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen en hunne wapenknechten zelf in 't Hertooglijk heir, waar hy groote diensten bewees, en in het beleg van Nymegen, 1473, zijne tenten opsloeg aan de overzijde van de Waal in 't dorp Lent, aan de zijde van zijn ouden vriend den Hertog van Cleve, met wien hy de overmoedige stad zeer in de engte bracht. Hertog Karel toonde hoezeer hy de diensten en bekwaamheden van Willem op prijs stelde, en stelde hem, na de onderwerping van Gelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.

De dood van Karel den Stoute, 5 Januari 1477, bracht Willem in ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, en Catharyne van Gelre, op verlangen van heur geslaakten broeder Adolf (kort daarna echter voor Doornic gesneuveld) als Voogdesse aannamen. In de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide jongere zonen Frederic en Willem door de poorters van Nymegen gevangen, en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over het Valkhof in hechtenis gehouden.

De Aarts-Hertog Maximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog op het bestreden Hertogdom, en nam Heer Willem, om hem aan zich te verbinden, in 1478, te Brugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451 op het kasteel te Egmond aantroffen [39], droeg het vorstelijk onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen overleed hy op het kasteel van Grave, 19 Januari 1483, en werd aan de zijde van zijnen broeder Aernout begraven.

Frederic van Egmond, zijn opvolger als Heer van IJsselsteyn, en gehuwd met Jonkvrouwe Aleyde, Heer Geraerts dochter van Culenborch, had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf van Montfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde [40], en Frederic als Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde.

Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan de Catrynepoort buiten Utrecht, het rooven van vee uit de landerijen aan den Rijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy deed uitschudden en naar IJsselsteyn voeren, dat door hem reeds onder Karel den Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt was geworden. Een inval der Montfoorters onder Jan van Middachten werd door den IJsselsteynschen Bevelhebber Lambrecht Myllinck gekeerd. In de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarby Middachten met negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd, terwijl Myllinck, zijn behaald voordeel vervolgende, de landen van Montfoort en Utrecht met vuur en staal verwoestte. Eene onderneming der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het kasteel Oudegein, aan de vereeniging van Lec en IJssel gelegen, en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters van IJsselsteyn langs den vaartschen Rijn legden, wanneer zy den voorraad, die van tijd tot tijd naar het blokhuis aan de Vaart werd gevoerd, wilden onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had, werd het sein gegeven aan het kasteel Vronesteyn en aan de Vaart, en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder voort. Te vergeefs mochten die van IJsselsteyn zich een poos afmatten, wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht, en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag, 16 Juni 1482, overvielen zy den Oudegein, verjoegen de bezetting, plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit verlies grooten last, want van nu aan legden Heer Frederics mannen hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.

De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den verdrukten Kennemer van 885 klagen:

»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,--op de velden Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis--hoe zelden Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord! Ach! 't land brengt doornen meest en ruige distlen voort!"--

Toen de Burchtgraaf van Montfoort eindelijk meende den oorlog op grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden, de Heeren van IJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt--en zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27en Augustus 1482, ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen, stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien, dat het Cleve en Montfoort met de bestorming ernst was. Het leger werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naar Lopic voerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdat Reynier van Broechusen met de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen, liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er het leven by verloren.

De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.

Intusschen was Broechusen met zijne Clevenaars den 31en Augustus over Utrecht naar IJsselsteyn getogen; en het leger alzoo voltallig geworden. Montfoort naderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou kunnen overmeesteren--maar toen het er nu op aan kwam om dien storm te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst gewonnen ware, »want," zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om steden te bestormen."

En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte zijn warm bed binnen de veilige muren van Utrecht weder op te zoeken, zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds den 1en September eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts 4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.

De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde, want de Burchtgraaf wist zeer wel, dat Frederic te Schoonhoven lag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en, hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben--een spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiere Johan van Montfoort thands besluiten kon.

En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten, die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6 September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by dezen vruchteloozen aanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.

Die van IJsselsteyn maakten zich terstond van het achtergelaten krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen, lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de stad inruimden.

Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der wallen van IJsselsteyn ingemetselde steen, die tot aan het einde der vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:

Wech, Uytersen met uw tuten en blasen, Doet uyt twee leuwen en set twee hasen, Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt, Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.

Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien nog ligt.

Heer Frederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedige Utrecht te verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in eene herberg »de Sleutel" samenkomende, vonden daar in de dienstboden gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad, ter stad uit gebannen.

Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de poorters koelden hunne verbittering op negen zijner krijgsknechten, die zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.

De Geldersche oorlog, waarin zijne stad Buren overweldigd, en het kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert meester, en sloot Utrecht zoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000 goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te doen begraven.

Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk erkend door Keizer Maximiliaan, die de Heerlijkheid Buren tot een Graafschap verhief, zoodat de broeders van Egmond nu beiden den Graven-tytel voerden.

Frederic van Egmond van IJsselsteyn, Graaf van Buren en Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Sint Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq, en Jaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk van IJsselsteyn bygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds op den 26en Juli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende houding draagt, deed oprichten.

Hun oudste zoon Floris, gehuwd met Margareta van Zevenberghe, volgde in het bezit van het Graafschap Buren en Leerdam. De jongste, Wennemaer, kwam aan de Heerlijkheden IJsselsteyn, St.-Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq, en Jaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder andere kinderen dan een natuurlijken zoon, Willem van IJsselsteyn, zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld op Floris over, die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg, en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.

In 1510 trachtten de Stichtschen zich van IJsselsteyn meester te maken, 't geen hun echter mislukte. Niet beter voer Floris van zijnen kant in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte land van 't Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.

Toen Hertog Karel van Egmond daarop als Beschermheer van Utrecht was aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en Stichtsche wapenen tegen IJsselsteyn gekeerd. Drie weken lang duurde het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters van Utrecht lagen gedurende dien tijd onder den standaart van Karel rondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant van Schoonhoven, staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en den Crimpenerwaert veroorzaakt, kostte Holland meer dan honderdduizend kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen, waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteel Jaersvelt, aan de Lec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld van Floris ten einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van Graaf Henric van Nassau, en noodzaakte den vijand, op den 1en Juni 1511, tot het opbreken van 't beleg. In die zelfde maand overviel hy, in vereeniging met den Heer van Wassenaer, aan het hoofd van 200 ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting van Jutfaes, die hy tot aan de poorten van Utrecht voor zich uit dreef, er velen van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.

Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de opbrengsten der Utrechtsche bezittingen in IJsselsteyn de soudeniers te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden te wijten, dat hy in de wandeling Floortjen Dunbier werd genoemd, schoon 't ook zijn kan, dat hy dezen schimpnaam aan de Stichtenaren te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van Hertog Karel van Oostenrijk of van Margareta niet met zijne zienswijze strookten, stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens belang handelde.

Des niettegenstaande stelde Karel van Oostenrijk een groot vertrouwen in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder in Holland was, en zond hem in 1515 naar Friesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En hier was Floris vastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen, hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om den Oostenrijker als Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks in Friesland te erkennen en aan te nemen.

De huldiging geschiedde op den 1en Juni, 1515, met veel plechtigheid te Leeuwarden. Floris vertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan door den Herout (wiens dalmatiek Karels wapens droeg) en gevolgd door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom den koolstruik tot ridder geslagen had!

Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden, en droeg er veel toe by, om Karel, die inmiddels (1519) de Duitsche Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen verkrijgen.

Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikte Floris toch den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20en Oktober, 1539, nalatende drie kinderen, een zoon, Maximiliaen, en twee dochters, Anna (die door heur huwelyk met Jozef van Montmorency moeder was van Floris en Filips van Montmorency, zoo bekend in onze historie) en Walburga.