Merauke, en wat daaraan voorafging De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 3
De ragebol van de Papoea's der noordkust is echt, maar het lang afhangende haar der mannen en vrouwen van Merauke is onecht; valsch haar is dus geen uitvinding der zoogenaamde beschaving. Afgesneden menschenharen, van allerlei herkomst, ook van afgeslagen koppen, worden met plantenvezels gedraaid tot een koordje, en deze koordjes aan bosjes hoofdhaar vastgebonden; zoowel mannen als vrouwen versieren zich met deze koordjes, _majoebe_. En dan is er een haartooi, _beïsam_ geheeten, vlechtjes van bies, waarvan men tafelmatjes vlecht ten onzent, en deze versiering dragen de _somb-onem_, de oudere mannen, in het haar gevlochten; en ten derde de _moembre_, dat zijn koordjes van plantenvezels gedraaid en rood geverfd, die de _wahoeke_, het huwbare meisje, of de _saof_, de pas getrouwde vrouw, aan hunne hoofdharen binden, aldus een kapsel vormend van grooten omvang; soms dalen deze aanhangsels af tot over de heupen, en een ander maal maakt men van de bundels kokers, die stijf langs het hoofd hangen tot in den nek. Bij het aanbrengen van deze versieringen dienen beenen pennen, _boan_, in vorm gelijk aan de ouderwetsche pijpenwroeters van hazebeentjes. Men hecht aan deze versiering van het haar veel waarde, want als er een man gestorven is, vlecht de vrouw nieuwe tressen in het haar van het lijk.
Een sieraad uitsluitend voor mannen is een breede kuif van steile kasuaris-vederen, die voor het voorhoofd vastgemaakt wordt.
Als de opening in de neusvleugels een voldoende grootte heeft, brengen de mannen daarin in vertikalen stand een _sagau_, een cylindertje van bamboe, met een gaatje in den wand voor de ademhaling; _papoe baonke_ heet het vischbeen waarmede neusvleugels en oorlellen doorboord worden; _kambeetdee_ noemt men de oorsieraden van jongens en meisjes; _mbea_ die voor _ewati_, jonge ongehuwde mannen, en voor _kiwasoem iwogge_, dat zijn meisjes welke spoedig gaan trouwen; daarboven onderscheidt men nog de _ihierke_, de oorring van rotan, van kasuaris-slagpennen of van een in zichzelf terugkeerenden rogstaart; het achtervoegsel _ke_ is ook weder louter sieraad, zoodat _poer_ en _poerke_, _side_ en _sideke_ hetzelfde beteekenen.
Om den hals draagt men ringen van door vlechtwerk vastgehouden tanden, _ngot-inde_, of van coyx-pitjes, _samoonde_, parelgrijze vruchtjes als jobs-tranen welbekend; een bundel gedroogde varkensstaartjes dragen de mannen als sierraad op de borst, ook wel een trosje ledige krabben-scharen, die onder het loopen tegen elkander rinkelen. Dan komen de bovenarm-banden, van tot een ring samengevoegde halfronde varkenstanden; verscheidene van deze ringen, onderling verbonden, draagt de inlander boven elkander, al naar gelang hij vele zwijnen gedood heeft; en dit eereteeken voor moed, beleid en kracht wordt op prijs gesteld, want de zwijnenjacht met de primitieve wapens dezer menschen is een gevaarlijk werk. Kangoeroes noemt men hen die bang zijn, maar de moedigen noemen zichzelven varkens. Ook andere deelen van het varken, die hier ongenoemd blijven, worden tot armbanden verwerkt; _gomor_ en _kiembe_ heeten deze verschillende banden. Om den pols dragen de boogschutters een beschermenden, breeden, gevlochten band, die de terugslaande boogpees opvangt. De _segoske_ is de gesloten buikband van gevlochten rotan, die van onderen af over den man heengeschoven wordt, nadat het onderste gedeelte van zijn lichaam met olie glad gemaakt is; er komen aan dit werk verscheidene personen te pas, maar de ring zit dan ook, tenzij er een verzamelaar opdaagt, voor 't leven; over dezen buikband komt de _wiebeke_, een gordel, die stijf om den buikband gevlochten wordt van bies, een duim of vijf breed is en evenmin het lichaam ooit verlaat; aan den achterkant hangt een staartje van dezelfde materie en aan de voorzijde wordt de schelp vastgemaakt die aan dezen kant tot bedekking en bescherming dient. Het heeft veel moeite gekost, schrijft de heer Van Herwerden, deze voorwerpen te krijgen; want de man moest er uitgetrokken worden, en er is tusschen lichaam en gordel in den loop der jaren een zeer innige aanpassing gekomen.
De vrouwenkleeding, om dit woord gemakshalve te blijven gebruiken, is niet zoo lastig; zij bestaat uit de _nowa_, een band van vlechtwerk die om het middel geslagen wordt; in 't midden hangt daarvan af een dikke bundel van in de modder zwart geverfde strooken boombast, die tusschen de beenen doorgehaald wordt en van achteren een kussentje vormt; van den gordel hangen langs de dijen sierende helkleurige koordjes af, met kralen en coyx-pitjes. De onderbeenen en voeten dezer menschen zijn dikwijls wit gekleurd ten gevolge van het loopen door leemachtig slijk, nadat zij uit de prauwen gestapt zijn. De teenen staan veelal waaiervormig uitgespreid.
Nu zijn er nog bijzondere sieraden en kenteekenen, die men niet altijd en niet bij iedereen aantreft; zoo dragen niet alle mannen de over de borst gekruiste banden en de gevlochten banden onder de knie, niet alle vrouwen de litteekens eener reeks opzettelijk toegebrachte huidwonden op buik, borst en beenen, eene versiering die men o. a. ook in centraal-Afrika en in Australië vindt. Deze litteekens, die als walletjes _en relief_ op de huid liggen in gekruiste en evenwijdige lijnen, zouden, volgens de onlangs verschenen dissertatie van Dr. Koch, voor zoover zij op de buikhuid liggen, waarschijnlijk een gunstigen invloed uitoefenen op het verloop van graviditeit en partus. Zoo worden voorts het rouwmantelje, _soja_, en de rouwgordel, _sen-ndoonde_, alleen bij rouw, de dansgordels, _moerke_, bij den dans gedragen; beide eerstgenoemde zijn van grof maar aller-interessantst vlechtwerk, zwart en rood geverfd; de dansgordel is eigenlijk meer een schort van lang-afhangende plantenvezels. De _japoe_, een pluim van kasuaris-vederen steekt men bij het dansen in den band van bovenarm of pols, en de _warke_ op de punt van een rotan die op den rug bevestigd wordt en boven het hoofd uitkomt. De afbeelding toont dat dit dansattribuut een vogel moet voorstellen; het is van zeer licht hout vervaardigd, wit en rood geverfd en met vederen versierd, en wiebelt onder de dansbewegingen op en neer aan de buigzame rotan. Zoo wordt ook maar nu en dan het gelaat van de mondhoeken naar de oogen in een gebogen lijn besmeerd met roode verf.
Dr. Koch, wiens proefschrift over de anthropologie der bewoners van Zuidwest Nieuw-Guinea wij zooeven vermeldden, heeft op zijn reis 78 Tugere's van Merauke gemeten, n.l. 46 mannen, 16 vrouwen en 16 kinderen: de mannen hadden dooreengenomen een lengte van 167, de vrouwen van 156 centimeters; niet alleen de lengte, maar ook de schouderbreedte der mannen overtreft die van de vrouwen; de maat van de heup is de eenige die bij de vrouwen grooter is.
Aan het eind van de lange zeereis is men verbaasd hier, op dit afgelegen deel der zuidkust van Nieuw-Guinea, zulk een nederzetting te vinden. De vestiging heeft veel geld gekost, maar zij ziet er goed uit; en men is er veilig, ondanks de rondzwervende inlanders die de plaats doorkruisen, ongekleed maar prachtig opgetuigd. Meer dan elders is het doen doordringen van den bestuursinvloed hier een lastige zaak. Er is, naar 't schijnt, niemand aan wien men bevelen kan geven, niemand die verantwoordelijk is voor het minachten van wetten en bepalingen. Onder nagenoeg alle stammen van Zuid-Nieuw-Guinea zijn, voor zoover wij weten, stam-, kampong- of familiehoofden onbekend; men heeft dus geen vat op de menschen, men heeft alleen vat, of hoopt het te krijgen, op den mensch, den enkeling. Misschien ook gaat ons weten nog niet ver genoeg. Van de noordkust van Nieuw-Guinea is eveneens beweerd, dat men het gezag er niet kende, dat de macht was in handen van den sterkste. Daarna is het onjuiste van deze bewering voldoende gebleken; iets dat gelijkt op het gezag, op een beheer, is daar wel. En dit zal het gemakkelijker maken Noord-Nieuw-Guinea onder rechtstreeksch bestuur te brengen, indien daartoe aanleiding bestaat. Er is iets als een incidentje--een Indisch blad meldde het--dat wellicht het begin kan zijn van een beteren toestand. Klaagde eerst de Britsche overheid in het zuiden, nu doet, als het bericht juist is, de Duitsche hetzelfde in het noorden. De zaak is echter minder ernstig; in het zuiden gingen Nederlandsche onderdanen op Britsch gebied menschen schieten, in het noorden komen zij op Duitsch territoor paradijsvogels schieten; op zoek naar beter jachtterrein trokken zij in grooten getale het binnenland in. De mode, die voorschrijft dat een behoorlijke hoed met paradijsvogel-vederen moet getooid zijn, kan nu de aanleiding worden, dat ook Noord-Nieuw-Guinea onder rechtstreeksch bestuur gebracht wordt.
AANTEEKENING
[1] Van 23 en 24 Juli, 3 September, 4 en 5 October, 2, 28 en 29 November en 24 December 1907.
End of Project Gutenberg's Merauke, en wat daaraan voorafging, by Various