Merauke, en wat daaraan voorafging De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 2

Chapter 23,634 wordsPublic domain

De beide schepen zijn vervolgens naar Selerika gestoomd, dat een in alle opzichten ongunstig gelegen negorij voor een bestuursvestiging bleek. De keus was dus niet lastig; nu, ter voorkoming van verdere invallen en rooftochten der Tugere's, waardoor moeilijkheden met het naburige Britsche bestuur konden ontstaan, de noodzakelijkheid gebleken was om de inboorlingen van de zuidkust onder geregeld bestuur te brengen, lag het voor de hand de oevers van de Merauke-rivier te kiezen als plaats van waar het gezag zijn stralen naar zuid-oost en naar noord-west zou uitzenden. Met het oog op den verren afstand tusschen deze kust en de hoofdplaats Ternate, zou deze bestuursvestiging van de residentie Ternate afgescheiden en aan het gezag van den sultan van Tidore moeten onttrokken worden, terwijl het hoofd van het bestuur direkt onder den gouverneur-generaal zou dienen te staan.

Wegens het urgente van den maatregel werd reeds den 18den Juni 1901 de afdeeling West- en Zuid-Nieuw-Guinea tijdelijk gesplitst in de afdeelingen West-Nieuw-Guinea en Zuid-Nieuw-Guinea, de laatste onder een assistent-resident, en omvattende het kustgebied van Kaap Steenboom tot aan de monding van de Bensbach-rivier en omliggende eilanden. Voorts werden de noodige fondsen en personeel, waaronder een korps gewapende politiedienaren, voor de nieuwe vestiging toegestaan en bepaald, dat de assistent-resident zou zijn gevestigd te Merauke. Inmiddels was met den sultan van Tidore, de leenvorst, onder wiens rechtstreeksch bestuur ook de westelijke helft van Nieuw-Guinea heet te staan, op 7 October 1901 een suppletoir kontrakt gesloten, waarbij het gebied der tijdelijke afdeeling Zuid-Nieuw-Guinea onder rechtstreeksch Nederlandsch bestuur werd gesteld; dat gebied werd den 20sten Januari 1902 verheven tot een zelfstandig gewest, en ten slotte kreeg Merauke een tijdelijke militaire bezetting van 4 officieren en 160 man, benevens het noodige administratief en geneeskundig personeel.

Met de werkzaamheden voor deze vestiging te Merauke kon toen een aanvang gemaakt worden. De inboorlingen toonden zich aanvankelijk alweder goedgezind, maar reeds na enkele dagen werden zij hoe langer hoe opdringender en driester. Zij stalen alles wat zij machtig konden worden, en op 22 Februari vermoordden zij 5 chineesche timmerlieden, 2 politiedienaren en 1 mandoer over de dwangarbeiders, die zich heimelijk buiten den bewakingskring hadden begeven; de lijken werden zonder kleederen en onthoofd teruggevonden. Den volgenden nacht trachtte de bevolking de boeien voor de betonning weg te halen, en ofschoon dit haar toen kon worden belet, wendde zij later nog herhaaldelijk pogingen daartoe aan, die enkele malen gelukten. De tegen de schuldige negorijen afgezonden militairen konden niet veel uitrichten, daar de woningen steeds verlaten bleken.

Den 23sten Februari werd, veiligheidshalve, voor de inboorlingen een verboden kring vastgesteld, hetgeen niet wegnam dat in den nacht van 26 op 27 Februari eene bende van naar schatting ongeveer 1000 Tugere's uit de omstreken van het reeds genoemde Bouterika een overval waagde op de wachtposten van het nieuwe emplacement. De aanvallers werden echter, zonder verliezen aan den kant der bezetting, teruggeslagen, met achterlating van vele dooden en een groot aantal wapens, bestaande uit lansen, knotsen, bogen en pijlen. Sedert hield de bevolking in dit lieve land zich rustig, blijkbaar alleen uit angst voor onze vuurwapens, want voor niet met geweren gewapende personen toonde zij hoegenaamd geen vrees. Integendeel trachtte zij die tot zich te lokken, om ze dan onverhoeds te overvallen, te onthoofden en te berooven. Dit lot trof ook hoogstwaarschijnlijk in het laatst van Maart dertien van een vijftiental Atjehsche dwangarbeiders, die met een groot aantal anderen in het bosch aan het bamboekappen waren en zich heimelijk hadden verwijderd. Van de vermisten toch werd niets meer vernomen, en evenmin van vier Javaansche gestraften, die zich met zes anderen in den aanvang van April buiten de ijzerdraad-versperring van het militair kampement gewaagd hadden. Van twee andere dezer Javanen werden later de onthoofde en beroofde lijken teruggevonden. Twee van de gedroste Atjehers en vier Javanen hadden zich nog bijtijds uit de voeten weten te maken.

Tot half Maart was de gezondheidstoestand bevredigend, maar toen kwamen er onder de militairen gevallen van beri-beri voor. Hoewel het klimaat van Merauke tot dusver voor tamelijk gezond gehouden werd, verergerde de toestand weldra zoodanig, dat half April eenige militairen en schepelingen, 152 dwangarbeiders en 8 hunner mandoers, 5 politiedienaren, en 42 werklieden en vrouwen, lijders aan beri-beri, koorts en buikziekte--misschien voor een deel uit angst voor de vreemde manieren der inlanders--met spoed moesten weggezonden worden.

Langzamerhand werd de houding der bevolking wel iets vriendschappelijker; en toen de eerste helft van 1902 ten einde begon te loopen zocht zij, op haar beurt nu, herhaaldelijk aanraking met de bezetting. Maar zonder gevolg, want men achtte het niet geraden voorkomend te zijn, zoolang het stelen en koppensnellen geen einde had genomen en de bevolking er niet van doordrongen was, dat die misdrijven steeds streng door het bestuur zouden gestraft worden.

Er verliep inderdaad nog geruimen tijd voordat eenige verandering ten goede in de houding der bevolking viel te bespeuren. Was er al geen sprake meer van moord, omdat de pioniers, door de ondervinding geleerd, zich niet meer zonder militaire dekking buiten het bestuurs-emplacement waagden, met stelen werd steeds voortgegaan. In April werden, en nog wel van het terrein waarvoor de _Nias_ ten anker lag, pijpen voor de artesische boringen en een vat koolteer ontvreemd, en in Mei bleken herhaalde malen de voor de monding van de Merauke-rivier gelegen boeien weggenomen. Bij een van deze gelegenheden werden de van den noordelijken oever dier rivier afkomstige inboorlingen op heeterdaad betrapt door den gezagvoerder van de _Van Doorn_, waarna de assistent-resident met eene 30 man sterke kolonne een tocht naar dien oever ondernam, ten einde de schuldige negorijen onder vuur te nemen. De hoop dat de inboorlingen daardoor een gevoelige les zouden hebben gekregen bleek ijdel, want in het laatst van Mei stalen de Tugere's, uit dezelfde streek afkomstig, nogmaals eene boei, waarop de _Nias_, die het onderricht voortzette, eenige granaten in de negorijen wierp. De uitwerking van die beschieting kon door den grooten afstand niet worden nagegaan, doch zij schijnt toch--wie zou eraan twijfelen!--den noodigen indruk te hebben gemaakt, want groote diefstallen zijn sedert dien tijd niet meer voorgekomen.

Dat de toestand wel verbeterde blijkt uit het feit, dat men aan de inlanders toestond zich vrij te bewegen op het terrein der nederzetting, terwijl het hun vroeger verboden was binnen de ijzerdraadversperring te komen. Daarbinnen was het veiliger dan daarbuiten; half Augustus verdwenen 's nachts uit hunne barakken 28 Atjehsche dwangarbeiders, die meenden dat er nu reeds alom orde heerschte; zij waren naar Koeperike gegaan, kregen daar ongenoegen met de bewoners en werden, op twee na die ontkwamen, gedood. De 26 geprepareerde koppen zijn, toen de Koeperikers verjaagd werden uit hunne negorij, teruggevonden.

Zoo ging het met de veiligheid op en neer, evenals met de gezondheid. Er kwam allengs meer vertier op de plaats; Chineezen, Arabieren en Klingaleesche handelaars kwamen er zich vestigen en er ontstond een levendige handel met de inboorlingen die klappers brachten voor het bereiden van copra, in ruil tegen ijzeren gereedschap en katoentjes; op de markt kwamen zij ook hunne landbouw-produkten brengen, zoomede de visch uit de zee en de rivieren.

En, nu bijzondere voorvallen gaan ontbreken, wordt het verhaal langzamerhand minder interessant; prauwvaart en passerbezoek nemen belangrijk toe, de vrees voor deze blanke vreemdelingen zit er bij de inlanders nu voor goed in, en van hunne baldadigheid en diefachtigheid wordt geen overlast meer ondervonden. Het vroeger nogal eens voorgekomen stelen van de boeien voor de monding der Merauke-rivier gebeurde niet meer; integendeel--de door stroom en wind weggedreven boeien werden door inboorlingen teruggebracht of van het wegdrijven werd onmiddellijk kennis gegeven aan het bestuur. Niet alleen bewogen zich de handelaars vrijelijk in de negorijen, om van de inlanders klappers en wat zij verder telen, te koopen, maar in de strandnegorijen begonnen zich vreemde visschers te vertoonen, die daar hun bedrijf uitoefenden, om de vangst te Merauke te verkoopen. Is het niet een idylle?

Daarbuiten was het nog niet zuiver, daar had men nog geen belang erbij zich in te houden, daar werd nog gehongid, werden menschen onthoofd en kinderen geroofd; maar het was ook niet te verwachten, dat onze vestiging te Merauke plotseling orde zou scheppen over heel Zuid-Nieuw-Guinea. In 1904 verkregen de pioniers vriendschappelijke verbinding met een groot aantal tot dusver onbekende volksstammen, die ieder hun eigen taal spraken; de markt werd drukker bezocht, en men zag er handelaars komen, die, behalve de reeds genoemde artikelen, vogels, buideldieren en varkens te koop boden. Inderdaad was de orde gekomen, die nooit uitblijft wanneer één de baas is, de orde waarnaar verlangd was en waaraan de oorspronkelijke bevolking moest gewennen. De rooftochten naar het Britsche gebied hadden opgehouden, en slechts nu en dan moest nog met klem worden opgetreden tegen nog niet ganschelijk getemde stammen, waarbij bevriende negorijen--bij de olifanten-vangst geschiedt iets dergelijks--hulp verleenden. De militaire bezetting kon worden opgeheven en vervangen door eene politie-macht, die vooralsnog volkomen in staat blijkt om orde en rust op voldoende wijze te handhaven.

Kort geleden is Merauke, zooals het thans aan den bezoeker zich voordoet, beschreven in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. [1] Aan dit uitvoerige verhaal is veel van het volgende ontleend.

Gewoonlijk komen de schepen bij de uiterton, op 15 K. M. afstand van Merauke, in 16 voet water bij laagwaterspring ten anker, om hoog water af te wachten. De vaargeul is aangegeven door een zestal boeien en kronkelt zeer eigenaardig, zoodat er buitengewone voorzichtigheid geboden is.

Aan den bezoeker die uit zee komt, doet het land zich voor als een lage, sterk begroeide vlakte. De lange, egale, aan den horizon in 't niet verloopende lijn der kruinen van het aan de kust staande geboomte, bijna alles klapperboomen, wordt slechts op ééne plaats afgebroken door de kruin van den zoogenaamden kroonboom, die reeds op 16 Eng. mijlen afstand in zee zichtbaar wordt en vroeger het punt was waarop peilingen genomen werden om de uiterton te vinden.

In 1905 is bezuiden den mond der rivier een vuurtoren geplaatst, een open, ijzeren opstand, wit geverfd en ruim 20 meter hoog, waarop een vast licht met verduisteringen staat. De "Lichtenlijst" geeft voor de ligging van dat licht 8° 28,5' Z. B. en 140° 21,5' O. L. Flauw steekt de toren tegen het geboomte af, en verder doet alleen een geringe verandering in tint van het groen de monding van de rivier vermoeden.

Het water wast, het anker wordt gelicht; langzaam stoomt de boot op en langzaam verandert ook het panorama. Het geboomte wijkt uiteen, de riviermond teekent zich duidelijk af; nog een wending en in de verte ligt Merauke voor ons. Het eerst trekt de aandacht de op stroom liggende gouvernements-stoomer _Valk_, welk schip ter beschikking van het hoofd van gewestelijk bestuur gesteld is tot het doen van dienstreizen. De gezaghebber, de heer Hondius van Herwerden en de officieren van dien bodem hebben zich in den laatsten tijd zeer verdienstelijk gemaakt met kust- en rivieropnemingen, waarbij gebleken is dat de kustlijn op de zeekaart op sommige plaatsen van 12 tot 15 minuten verkeerd ligt.

Op den noordelijken oever van de rivier bespeuren we opgaand oerwoud en door de openingen in het bosch uitgestrekte vlakten, waarop de inboorlingen bezig zijn het droge gras en alang-alang in brand te steken, om het wild eruit te jagen en daarna te schieten. Hooge, zware rookwolken rijzen op en daartegen teekenen zich fantastisch de gestalten dezer menschen af. Hun jachtbuit zal bestaan uit wilde varkens en kangoeroe's en er zal feest zijn in de kampong bij hun terugkeer.

Op den zuidelijken oever ziet het er geheel anders uit. Aan de monding een uitgestrekte bank, die aan de landzijde met een strandbosch van rizoforen begroeid is. Verderop een strook laag struikgewas en, daarachter, een menigte daken van gegalvaniseerd ijzer en alang-alang. Slechts één rood pannen dak is er, op de woning van den assistent-resident Hellwig, den man, die de zaken op Zuid-Nieuw-Guinea met vaste hand heeft aangegrepen.

In de rivier steekt een houten, ietwat bouwvallige pier uit, waaraan een paar kleine handelsvaartuigen liggen. Dan volgt een vlakte en daarachter een laadhoofd op ijzeren schroefpalen, met kolenloodsen, op een 20 minuten afstands van de plaats als vergeten liggende. De gesteldheid van de kust is eigenaardig en doet aan haffvorming in het laatste stadium van dichtslibben denken. Evenwijdig aan de kust loopen tamelijk hooge zandruggen, dicht begroeid; tusschen die ruggen vlakten en moerassen, in den oostmoeson droog, in den westmoeson één uitgestrekt meer of moeras.

Bij het bouwen van Merauke hebben we onze kikvorschenaard niet verloochend. Het militaire kampement, opgebouwd uit ruime barakken, van Lombok afkomstig, werd op een vrij hoogen zandrug geplaatst. De woningen en kantoren der bestuursambtenaren, de toko's der handelaren enz. staan daarnaast in de vlakte. Alles ging goed, tot de westmoeson begon door te staan en bij hoog water daar alles onder water zette en, wat erger was, bij afloopen van het water voor een tijd alles onder water liet. Velerlei middelen werden aangewend om het water te keeren: stroombrekers, een dijk van klapperdoppen en zoo meer, tot men eindelijk ertoe overgegaan is een behoorlijken dijk met zeewering te maken, en het breken der golven heeft getemperd door een ervoor gelegen aanplant van strandbosch. Vrees voor die overstroomingen was ook aanleiding om de kolenloodsen, en daarmede den laadsteiger--voor Merauke toch zoo'n dringende behoefte--op een grooten afstand landwaarts in op te richten.

De plaats beslaat een vrij groot oppervlak. Van boord af gezien heeft men aan zijn rechterhand aan den oever eerst de slachtplaats, meer landwaarts in het voormalige kampement, thans kazerne der pradjoerits, de officierswoningen betrokken door den instrukteur dier politiesoldaten, den dokter-djawa en ondergeschikte beambten.

Van het kampement naar links gaande, heeft men langs den oever, achter den dijk, eerst het waterreservoir, dan de woning van den assistent-resident, daarnaast diens kantoor, het postkantoor en 's lands kas, dan de societeit, die vroeger te Ampenan op Lombok stond; dan Toko Baroe, tevens koffiehuis, en op den linkervleugel, voorbij de pier, de toko, het kantoor en de magazijnen der Merauke-Compagnie. Bij de pier een primitieve opslagloods. Van die loods af loopt Décauville-spoor in twee richtingen: naar het kampement en, in de andere richting, naar het dwangarbeiderskwartier en de gevangenis. De plaats wordt doorsneden door zindelijke, smalle zandwegen.

Langs de Merauke-Compagnie landwaarts gaande, heeft men aan zijn linkerhand weer een zandrug, eenige nette woningen, o. a. voor den gehuwden machinist van de _Valk_ en den kontroleur; verderop de gevangenis, een reeks barakken binnen een met prikkeldraad omrasterde ruimte, waar thans een 300-tal veroordeelden vertoeven, druk bezig gehouden met werken aan de zeewering, het ophoogen der oude, het aanleggen van nieuwe wegen en het indijken van het terrein. Rechts zien we verscheidene toko'tjes van Chineesche en Klingaleesche handelaren, opkoopers van copra.

De kom van de nederzetting, tusschen kampement, assistent-residentswoning en gevangenis, wordt gevormd door tal van grootere en kleinere huisjes van mindere beambten, gehuwden van de bemanning van de _Valk_, koelies en ruilers. Deze laatsten loopen de kampongs af, vestigen er zich voor eenigen tijd en ruilen klappers en andere artikelen des lands in tegen zaken van den meest uiteenloopenden aard.

De handel is echter slap geworden; de Papoea kreeg langzamerhand reeds al hetgeen hij begeerde, en list, dikwerf dwang, wordt door die ruilers toegepast om wat van hen te verkrijgen. Gaarne werpen zij zich op als tusschenpersonen, bemiddelaars tusschen bevolking en buitenstaanders, om zich zoodoende een schijn van macht te geven en invloed te verkrijgen. Zij zijn het, die onzen bestuursinvloed en onze bemoeiingen tegenwerken. Zij hadden het monopolie, willen hun handen vrij hebben en zien met leede oogen aan, dat er toezicht op hun doen wordt gehouden. Van tijd tot tijd wordt zoo'n ruiler omgebracht, gewoonlijk ter vergelding van afzetterij, of omdat hij zich aan de maagden van den stam vergreep. Dan volgt wel de gerechte straf, maar de misdaad werd dikwerf uitgelokt.

Merauke heeft met een groot euvel te kampen: watergebrek. Wel werd er met groote kosten en moeite een put voor artesisch water geboord, maar dit water ruikt sterk naar zwavelwaterstof en bevat veel zouten, die het ongeschikt maken voor drinkwater. Het wordt alleen gebruikt voor bad-, wasch- en spoelwater. In den westmoeson geven putten op den landrug zeer goed drink- en kookwater, in den oostmoeson worden ze droog en heeft men voor zijn gebruik slechts regenwater, dat in groote cylindervormige reservoirs van gegalvaniseerd ijzer wordt opgevangen en zorgvuldig bewaard. De inlanders moeten het water dikwijls vèrweg halen, in lange bamboe-kokers, waarin het ook bewaard wordt.

Op Merauke is van alles te krijgen: levensmiddelen, dranken, manufakturen, schoenen en verschillende ruilmiddelen. Beloofde men zich vroeger gouden bergen van den handel in copra, met het oog op de uitgestrekte klapperbosschen aan de kust en den haast onmetelijken overvloed van klappers,--de gemakzucht, indolentie en zelfgenoegzaamheid van den Papoea deed deze verwachting in rook opgaan. Het is hem te veel moeite de klappers in zijn tuinen te verzamelen en over te brengen naar de kampong; hij plukt alleen wat hij voor zijn eigen behoefte noodig heeft. Den handelaars vergunnen die klappers te verzamelen doet hij evenmin; trouwens die menschen zijn veilig in de kampong, maar daarbuiten kan niet zoo op hen gelet worden en loopen zij gevaar overvallen en vermoord te worden, wat voor de inboorlingen tegenwoordig onaangename gevolgen heeft.

Twee- of driemaal 's weeks wordt er geslacht en is er versch vleesch te krijgen. Door een paar ondernemende Chineezen en Klingaleezen werden in de rivier sero's, groote vischfuiken, geplaatst, terwijl overigens met werp- en sleepnetten veel gevischt wordt, zoodat dagelijks overvloed van heerlijke versche visch te koop is.

Onlangs vestigden zich hier eenige Rottineezen, een twaalftal gezinnen, die aan dezen vruchtbaren bodem de voorkeur gaven boven de kalkrotsen van Rotti, en die, tuinbouw beoefenend, zorgen voor groenten en vruchten. Povere hutten sloegen zij op; gereedschappen en zaad werden hun verstrekt, en vlijtig gingen zij aan het werk. De oogsten vallen bijzonder mede; sedert Januari kwam reeds de derde maïsoogst binnen. Een gedeelte van het terrein wordt genivelleerd en tot sawah's omgewerkt. Een stuk grond te midden hunner tuinen, met de daarop staande palmen en andere boomen, wordt hun als kampong aangewezen en zoo worden deze arme Rottineezen langzamerhand welgestelde landbouwers. Door de opkoopers worden pisangs, papaja's en watermeloenen uit de kampong aangebracht.

Het voornemen bestaat, eenige landbouwers uit Java te laten overkomen om te trachten de Papoea's iets voor rijstkultuur te doen gevoelen. Zij houden wel van gekookte rijst en vragen er hier om, maar thuis zijn zij nog tevreden met hun sago en met klappers en als toespijs al wat loopt, vliegt en kruipt.

De huizen der inlanders zijn niet op palen, maar onmiddellijk op den grond gebouwd. Al de mannelijke bewoners van een dorp slapen te zamen in eenige mannenhuizen; in de vrouwenhuizen wonen ook de kinderen. De ongehuwde mannen slapen dus ook in de mannenhuizen, maar overdag houden zij verblijf in de jongelingshuizen, die buiten het dorp liggen. De mannen komen nooit in de vrouwenhuizen, de vrouwen evenmin in de mannenhuizen.

In de kampongs hebben de Papoea's veel varkens, maar zij zijn er niet toe te bewegen deze te ruilen en houden ze liever zelf. Alleen wanneer er een boete opgelegd is komen de varkens te voorschijn en worden gretig opgekocht. Vroeger werden er ook kroonduiven aangeboden, maar de Papoea's hebben door ruil nu reeds zooveel verkregen, dat deze jacht de moeite niet meer loont. Verder kan men kippen (nl. hanen), eenden en _soms_ versche eieren koopen voor een daalder, drie gulden en een dubbeltje per stuk.

De Papoea's komen niet in het ouderlijk huis maar daarbuiten ter wereld, in het kraamhuisje, waarheen de vrouw zich, het vrouwenhuis verlatend, begeeft om hare bevalling af te wachten; dit is echter niet een afzondering die bepaaldelijk aan Nieuw-Guinea eigen is: men ziet ze op vele punten van den aardbol. De moeder zoogt het kind tot het een jaar of drie is, tenzij inmiddels een nieuwe spruit hare rechten doet gelden. Tot ongeveer hun tiende jaar groeien knapen en meisjes gezamenlijk op; daarna worden ze gesorteerd en de meisjes gekleed, wel heel weinig, alleen met een band van bladeren gemaakt. De jongens blijven loopen zooals zij ter wereld kwamen, ongerekend eenige sieraden aan hals en armen; later nog, als mannen, blijft versiering de hoofdzaak; van kleeding kan men bij hen eigenlijk niet spreken. Geurmakers dragen broek en jas, als zij "in stad" komen en doen heel lang daarmede, omdat zij zich ontkleeden zoodra zij weder buiten den beschavingskring treden. Zijn de meisjes op een leeftijd gekomen, dat men haar onmogelijk meer tot de kinderen kan rekenen, dan worden haar neusschot en de oorlellen doorboord, en in de openingen fraaiigheden gehangen; zij leeren een en ander: breien en vlechten, pagaaien, sago-bereiden en sirih-pruimen.

Het werk doen, dat is de taak der vrouw; de man gaat op jacht en ter vischvangst of luiert; zij onderhoudt de tuinen, klimt in den kokospalm om de noten te plukken, bereidt de sago en wat er verder gegeten wordt. De spijzen worden gepoft in de heete asch of gaar gestoofd tusschen heete steenen, een zeer algemeene en ook in onze broodbakkerijen gevolgde manier van doen. Met brandstof maakt men stukken klei gloeiend en tusschen deze worden, nadat de brandstof verteerd en de overblijfsels daarvan weggeruimd zijn, de spijzen, in bladeren gewikkeld, neergelegd; zoo stooft alles gaar in zijn eigen vocht.

Hoe de mannen en vrouwen van Merauke er uitzien blijkt uit de afbeeldingen; maar met een door het Rotterdamsche _Museum voor land- en volkenkunde_ van den reeds genoemden heer J. H. Hondius van Herwerden, gezaghebber van de _Valk_, ontvangen verzameling ethnografica van Merauke naast mij, valt over hun uiterlijk nog wel een en ander te vertellen. De schenker van deze hoogst belangrijke collectie werd bij het bijeenbrengen daarvan ijverig geholpen door de pastoors H. Nollen en Ed. Cappers, beide van de Congregatie van het H. Hart te Tilburg; deze geestelijken bewegen zich vrijer dan de andere blanken der nederzetting te midden der inlandsche bevolking en kunnen, zij 't ook niet zonder moeite, door ruiling wel een en ander van haar machtig worden.