Merauke, en wat daaraan voorafging De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
MERAUKE, EN WAT DAARAAN VOORAFGING.
Door Joh. F. Snelleman.
Heel Nederlandsch Nieuw-Guinea, d. i. de westelijke helft van het groote eiland, heeft langen tijd tot de residentie Ternate behoord; eerst in 1902 is de afdeeling Zuid-Nieuw-Guinea daarvan gescheiden en tot een afzonderlijke assistent-residentie verheven. Om uit de Koloniale Verslagen de geschiedenis van onze vestiging op de zuidkust te leeren kennen, heeft men vóór 1902 de berichten omtrent de residentie Ternate, daarna de mededeelingen onder het hoofd Zuid-Nieuw-Guinea te raadplegen.
Onze aanraking met het land en zijne bevolking in het uiterste oosten van den Archipel is betrekkelijk van recenten datum, maar toch ouder dan men gewoonlijk meent. Zij is begonnen een jaar of zestien geleden, in 1891, toen, in Januari, in werking trad de nieuwe regeling van den dienst der Paketvaart-Maatschappij, waardoor om de twaalf weken van Ternate uit zoowel de noord- als de zuidkust van Nieuw-Guinea met de op kontrakt varende mailbooten kon bereikt worden. Op de zuidkust voer de boot door tot den 141sten lengtegraad, maar van eenige handelsbeweging was in de eerste jaren geen sprake. Het was meer een vlagvertoon op de grenzen van ons gebied; op de eerste kontraktueele reis werd het weder zóó ongunstig, dat op het eindpunt, waar de _Camphuys_ twee etmalen ten anker lag, 't niet mogelijk bleek verbinding met den wal te krijgen, en voor zoover bespeurd was, hadden de inlanders, nogal verstandig, geen pogingen gedaan om zich naar het stoomschip te begeven.
Op zijne tweede reis kreeg hetzelfde schip, van 141 naar 140°30', dus noordwestwaarts stoomende, een groote en volkrijke kampong in 't gezicht, waarvan de bewoners, blijkbaar op kennismaking niet gesteld, op de nadering der stoombarkas vluchtten.
Af en toe maakte een gouvernements-ambtenaar, de posthouder van Patani op Halmahera, deze reizen mede; zoo ook weder de reis in Januari 1892, omdat in den loop van 1891 vanwege den Gouverneur van Britsch Nieuw-Guinea langs diplomatieken weg gevraagd was of de strooptochten niet een einde konden nemen, die de Tugere's, een stam waarschijnlijk thuisbehoorende in het Nederlandsch gedeelte van Nieuw-Guinea, naar het Engelsche gedeelte des eilands en ook naar de naburige Queensland-eilanden ondernamen. De posthouder zou nu inlichtingen inwinnen omtrent deze lastige Papoea's en hij kreeg aanraking met hen in de zooeven genoemde, of eigenlijk niet genoemde, groote kampong, die later Sileraka of Selerieka gedoopt werd, maar ten slotte bleek te heeten Seriere of Sariere. De posthouder werd aan de inlanders voorgesteld door een Engelschen zendeling, zekeren heer Montague, die reeds met hen kennis gemaakt had, deugdelijk zelfs, en over hen tevreden was, zoowel over de Tugere's die hem niet opaten, als over de stammen die hij op zijne reis uit het binnenland naar de kust ontmoette. Er werd nu te Sileraka een Nederlandsch wapenbord opgesteld en een Hollandsche vlag geheschen; gezamenlijk met de ongewapende inlanders deed men een wandeling door de kampong, en ten slotte droegen deze de bezoekers naar de sloepen, ongetwijfeld meenende, dat zij hen nu wegdroegen voor goed.
De reeds genoemde heer Montague, het zij ter loops vermeld, heeft een veelbewogen tijd te midden der inlanders doorgebracht en zijne avonturen beschreven in een verhaal, dat men zoowel in het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap (dl. IX, 1, blz. 506) als in het Maandbericht van het Ned. Zendelinggenootschap (no. 6, Juni 1892) vindt opgenomen.
Nu de posthouder ongedeerd teruggekomen was, besloot de Regeering hem nabij de grens als vertegenwoordiger van het gezag te stationneeren, met eenige gewapende politie-dienaren; hij zou in last hebben kennis omtrent taal, land en volk op te doen en te trachten langs vredelievenden weg de bewoners aan eenige orde te gewennen en--indien zij zich werkelijk aan rooftochten bleken schuldig te maken--zoo mogelijk door overreding hen daarvan af te brengen.
Den 7den December 1892 werd diensvolgens de posthouder van Patani, in gezelschap van een katholieken zendeling, aan wal gezet op een bewoonde plek, die hij als het boven vermelde Sileraka herkende. Hij beschikte over een buiten de kampong opgericht etablissement, 12 gewapende politiedienaren, 10 mede met beaumont-geweren gewapende dwangarbeiders en voor 3 maanden levensmiddelen. Maar van deze bleef nog over; want nadat de _Java_ en de _Zeemeeuw_ vertrokken waren, maakte de aanvankelijke vriendschappelijke gezindheid der bevolking plaats voor een vijandige; eerst waren 't kleine diefstallen en weinig beteekenende aanvallen waarvan deze pioniers te lijden hadden, maar weldra werden de aanrandingen van ernstiger aard, zoodat de posthouder, toen de mailboot _Camphuys_ den 6en Januari 1893 ter reede kwam, met heel zijn hebben en houden--op één vermoorden pradjoerit na--scheep ging. Aan "eenige orde" waren deze Papoea's nog niet gewend. Vermoedelijk vonden zij het tegen de orde, dat vreemde menschen zich ongevraagd in hun land kwamen neerzetten en met schietgeweer er den baas speelden.
Nu komt er stilstand. De booten van de Paketvaart voeren kontraktueel naar den 141sten graad; af en toe verscheen een onzer oorlogsschepen in deze oostelijke wateren en ten behoeve der hydrografische opneming kwam er een flottielje-vaartuig; maar aanraking met de bevolking kreeg geen dezer schepen, tenzij men daartoe wil rekenen het oppikken van drie vrouwen, die met hare prauw ter hoogte van Prins Hendrik-eiland uit de koers en in gevaar geraakt waren en door de _Borneo_ medegenomen werden naar Ternate, omdat het ondoenlijk was hen ergens aan land te zetten.
Eerst heel op 't laatst van 1899 deed het oostelijk gedeelte van Zuid-Nieuw-Guinea weer van zich spreken, naar aanleiding van het droevig verdwijnen van eenige scheepsofficieren van de tot de vloot der Paketvaart behoorende _Generaal Pel_.
Toen dit schip den 27sten December van dat jaar ten anker lag op eenigen afstand bewesten den 141sten lengtegraad, dus dicht bij de grens van ons gebied, maakten eenigen van de Europeesche bemanning het plan om te trachten eene ontmoeting te hebben met de inboorlingen. Op hun verzoek, en onder aanbeveling van de noodige omzichtigheid, gaf de gezagvoerder daartoe vergunning, zooals ook wel vroeger enkele malen iets dergelijks vergund was. Des voormiddags te 8 uur lieten zich de 1ste en de 2de officier en de 2de, 3de en 4de machinist, ieder met een revolver gewapend, door een 4-tal inlandsche schepelingen naar den wal roeien. Ter hoogte van de negorijen Jouberika en Bouterika (beter: Baderike) ging de sloep in 4 à 5 voet diep water voor dreg, en was weldra omringd door tal van ongewapende inboorlingen, met wie een ruilhandel begonnen werd. De ontvangst was zeer vriendschappelijk; onder de menigte aan het strand bewogen zich ook vrouwen en kinderen en er scheen zoo weinig gevaar, dat de 2de officier en twee der machinisten besloten met de inboorlingen naar den wal te gaan, waar zij spoedig uit het gezicht geraakten. De afspraak was dat zij niet langer dan een half uur zouden wegblijven. Na geruimen tijd te vergeefs op de terugkomst hunner kameraden gewacht te hebben, terwijl intusschen niemand zich meer aan het strand ophield, zagen de in de sloep achtergeblevenen eindelijk een 40-tal inboorlingen aankomen, die, door de zee wadende, de sloep trachtten te bereiken; toen zij dicht genoeg in de nabijheid waren gekomen, haalden zij hunne pijlen en bogen, die zij verborgen hadden weten te houden, te voorschijn en schoten een regen van pijlen op de sloep af, door één waarvan de in de sloep gebleven 1ste officier van de _Generaal Pel_ in de borst ernstig gewond werd. Niettemin gelukte het den opvarenden te ontkomen en met de sloep naar boord terug te keeren.
Des anderen daags begaf zich de gezagvoerder met de stoomsloep en een andere sloep met 10 inlandsche schepelingen naar de kust, om zoo mogelijk de achtergehouden personen terug te halen. Van deze werd echter niets bemerkt en voeling met de bevolking werd niet verkregen, daar eenige tientallen inboorlingen aan het strand pijlen afschoten, waarmede zij echter de sloepen niet konden bereiken. Na nog gewacht te hebben en vervolgens nog langs vier andere negorijen aan de kust te hebben gestoomd, zonder van de vermisten iets te zien, keerden de sloepen naar boord terug, waarna de _Generaal Pel_, hare reis vervolgende, koers zette naar Dobo op de Aroe-eilanden.
Hier vond de _Pel_ het voor wetenschappelijk diepzee-onderzoek ingericht flottielje-vaartuig _Siboga_, dat onmiddellijk naar den naastbij gevestigden gewestelijken bestuurszetel, Amboina, vertrok, om van het gebeurde kennis te geven en den gewonden 1sten officier in het hospitaal te doen opnemen.
Aanstonds werden nu van bestuurswege maatregelen genomen om de vermiste scheepsofficieren zoo mogelijk te hulp te komen. Den 4den Januari 1900, twee dagen nadat de _Siboga_ te Amboina was aangekomen, vertrok van daar het flottielje-vaartuig _Serdang_ naar Fak Fak, waar zich den 9den de kontroleur van West- en Zuid Nieuw-Guinea met eenige gewapende politiedienaren en verder personeel inscheepten.
Eerst werd nog naar Dobo gestoomd tot het innemen van kolen, waarna de _Serdang_ den 15den het onbewoonde eiland Habeeke (Vleermuis-eiland) bereikte, waar, op 4 kilometer uit den wal, geankerd werd; dit is namelijk het eenige punt der zuidkust van waaruit men zich, wat de ligging betreft, het gemakkelijkst met de bevolking in verbinding kan stellen, omdat de inboorlingen op het achtergelegen gedeelte van den vasten wal geacht werden vertrouwbaarder inlichtingen te zullen verschaffen dan de bewoners der schuldige of medeplichtige negorijen.
Van het vasteland zag men een paar prauwen oversteken, en allengs verzamelde zich op Habeeke eene groote menigte inboorlingen, die er zich een nachtverblijf kozen, door het maken van hutten van klapperbladeren. Nadat den volgenden ochtend op de _Serdang_, door het wuiven met lange witte doeken, teekens waren gegeven dat het schip met goede bedoelingen kwam, roeiden eenige prauwen naar het stoomschip en gaf een dertigtal der opvarenden gevolg aan de uitnoodiging om aan boord te komen. Na langdurige door gebaren uitgevoerde onderhandelingen met deze nog geheel in den natuurstaat verkeerende inboorlingen, rees bij den kontroleur aanvankelijk het vermoeden, dat de drie scheepsofficieren van de _Generaal Pel_ niet vermoord waren, doch gevangen gehouden werden, en hij wist zes inboorlingen te overreden aan boord te blijven, terwijl de anderen met hunne prauwen zich naar de verblijfplaats der gevangenen zouden begeven om dezen tegen eene goede belooning naar de _Serdang_ te brengen.
Den 17den kwamen een paar prauwen langs zijde van het stoomschip, grootendeels met dezelfde personen bemand, die den vorigen dag aan boord waren geweest. Toen bleek, dat zij het overeengekomene niet begrepen hadden, en er werd getracht eenigen hunner te bewegen om met de _Serdang_ mede te reizen en eene prauw mede te nemen. Van de zes inboorlingen, die aan boord overnacht hadden en zich tot dusver niet angstig hadden getoond, sprong er één overboord; de vijf anderen en nog een achttal, wier prauw geheschen werd, bleven aan boord. Doordien er iets aan de machine moest verricht worden, kon de _Serdang_ eerst den volgenden dag onder stoom gaan. Dit scheen den inboorlingen aan boord te lang te duren; althans zij vroegen om met hunne prauw naar Vleermuis-eiland te mogen teruggaan, wat toegestaan werd, onder voorwaarde dat zij den volgenden morgen aan boord zouden terug zijn. Den 18den, na eenigen tijd vruchteloos op hen gewacht te hebben, lichtte men het anker; bij het voorbijvaren van Vleermuis-eiland stak een prauw af, maar het bleken niet de personen te zijn, die beloofd hadden aan boord te zullen komen. Eindelijk ging nu de _Serdang_ voorgoed onder stoom, koers zettende naar de ankerplaats van de _Generaal Pel_ (8° 36' Z. B.--140° 12' O. L.) Den 20sten ankerde het schip ter hoogte van de negorij Jouberika, maar van de bevolking was geen spoor te zien. Nochtans werd, op verzoek van den kontroleur, de witte vlag geheschen, een kanonschot met los kruit gelost, en des avonds gedurende een half uur het zoeklicht op den wal gericht, doch er kwamen geen prauwen uit. Intusschen was de zee zoo onstuimig geworden en de wind zoodanig toegenomen, dat aan eene gemeenschap met den wal niet te denken was, terwijl het, met het oog op het hard doorkomen van den westmoeson, niet was te voorzien dat spoedig eene verbetering zou intreden.
De kommandant van de _Serdang_ achtte zich onder die omstandigheden niet verantwoord om eene sloepen-flottielje onder den wal voor dreg te laten liggen, of een gedeelte der manschappen op den wal te laten bivakkeeren; en dit zou tot het verkrijgen van eenig resultaat stellig noodig geweest zijn, in verband met den grooten afstand tot het schip en den te vreezen langen duur der onderhandelingen met de bevolking; deze toch zouden niet zoo spoedig afgeloopen zijn, want tolken waren niet aanwezig en het viel niet te berekenen hoe lang de nasporingen konden duren die noodig zouden zijn om de schuldige negorij of negorijen te vinden.
Bovendien kon de _Serdang_ ook niet te lang op beter weer wachten, omdat rekening was te houden met den kolenvoorraad aan boord. Het was een hard gelag deze wateren te verlaten, zonder het doel te hebben bereikt. Te Soerabaja gekomen, werd de _Serdang_ met spoed gereed gemaakt voor een nieuwen tocht naar de plaats van waar zij kwam--zoodra de westmoeson ter zuidkust van Nieuw-Guinea in kracht zou zijn afgenomen--om zekerheid te krijgen omtrent het lot der gevangen genomen scheeps-officieren.
Den 6den Maart 1900 ankerde het schip 5 kilometer uit den wal ter hoogte van de negorijen Jouberika en Bouterika, en den volgenden morgen werd een verkenningstocht langs het strand gemaakt. Uit de aanwijzigingen van den djoeroemoedi, roerganger, van de _Generaal Pel_, die bij het gebeurde in December was tegenwoordig geweest, bleek, dat de plaats, waar de sloep van dit stoomschip destijds landde, gelegen was tusschen de beide bovengenoemde negorijen en dat Bouterika de negorij was, waarin de gevangen scheepsofficieren verdwenen waren. Ruim twee uren werd langs het strand gevaren, waar, onder bijna onafgebroken rijen van klapperboomen, negorij aan negorij paalt.
De geheele kust is sterk bevolkt en de inlanders worden ons door de opvarenden van de _Serdang_ beschreven als forsch gebouwde, afzichtelijk toegetakelde, woeste menschen, die landbouw noch veeteelt kennen en menscheneters zijn. Bij het naderen van de kust stroomde de mannelijke bevolking uit alle naburige negorijen naar het strand en liep op grooten afstand met de sloepen mede, die vaak drijvend werden gehouden om te zien welke houding de bevolking zou aannemen. Uit alles bleek duidelijk, dat hare gezindheid alles behalve vriendschappelijk mocht heeten, waarvoor trouwens geen enkele reden was. De sloepen deden toen alsof een landing onmogelijk was, en men wuifde den inboorlingen toe, om hen te bewegen aan boord van de _Serdang_ te komen, terwijl men hun geschenken toonde. Daarop werd weder koers gezet naar het van den wal zeer goed zichtbare schip. Te vergeefs echter wachtte men den volgenden dag de komst der inboorlingen af, die met hunne prauwen veilig het schip hadden kunnen bereiken, en vroeg in den morgen van den 9den Maart werd met eene flottieltje, bestaande uit de stoomsloep, drie andere sloepen en een orembaai (een opgebouwd kielvaartuig zonder vlerken) met de geheele landingsdivisie van de _Serdang_ aan boord, naar den wal gestoomd. Ter hoogte van de negorij Bouterika kwam de mannelijke bevolking langzamerhand van alle kanten opdagen, ditmaal echter zonder wapenen, en om dit duidelijk te toonen liepen de mannen met de beide armen omhoog. Aanvankelijk moest de landingsdivisie tot het middel door het water waden, om de kust, en vervolgens anderhalf uur marcheeren om de negorij Jouberika te bereiken. Op weg daarheen namen de inboorlingen voortdurend in aantal toe en blijkbaar zonnen zij op verraad. Hunne mededeelingen gaven weinig hoop, dat de verdwenen scheeps-officieren ooit zouden terugkeeren. Elf inlanders, die beweerden, dat in de negorij Kondo onim de schuldigen huisden, en die bereid waren den kontroleur daarheen te brengen, werden medegenomen naar boord, om de ligging van deze plaats aan te wijzen. De _Serdang_ stoomde op, en toen moet er groote angst zijn gerezen in het gemoed dezer wegwijzers, want zij trachtten over boord te springen, wat aan vijf hunner gelukte; de zes overigen werden gekneveld en al spoedig bekenden deze, dat Kondoonim nooit bestaan had, en dat al de om en bij Bouterika en Jouberika gelegen negorijen aan de ontvoering der Europeanen schuld hadden. Het zestal werd te Fak Fak ontscheept, en bewaard om later, wanneer zij Maleisch zouden geleerd hebben, als tolken te dienen. Een verder plaatselijk onderzoek en eene bestraffing der schuldigen werd onnoodig geoordeeld, nu het voorloopig wel onmogelijk zou zijn vriendschappelijke aanraking met de Tugere's dezer streken te verkrijgen, na de wegvoering van elf hunner.
Reeds in 1897 bestond het plan om, zoodra een geschikt punt voor een bestuursvestiging ter zuidkust van Nieuw-Guinea zou zijn gevonden, die kust van de afdeeling West- en Zuid-Nieuw-Guinea af te scheiden en onder het bestuur van een afzonderlijken kontroleur te plaatsen. Aangezien de sedert door de Marine verrichte opnemingen niet tot het gewenschte doel leidden, bleef het denkbeeld rusten, totdat in December 1899 het hier beschreven voorval met de scheeps-officieren van de _Generaal Pel_ en een klacht van de Britsche regeering betreffende een omstreeks denzelfden tijd door de Tugere's in het Britsche gebied op Nieuw-Guinea ondernomen strooptocht, aanleiding gaven om door den, inmiddels tot assistent-resident-titulair van West- en Zuid-Nieuw-Guinea bevorderden kontroleur een onderzoek te doen instellen naar de gegrondheid van de bewering der Britsche regeering, dat die Tugere's afkomstig zouden zijn geweest uit ons gebied.
Tugere is een naam die ter zuidkust van Nederlandsch Nieuw-Guinea niet bekend is; in de ten oosten der Bensbach-rivier gesproken dialekten beteekent het woord "mesdrager"; de roovers, van het westen komende naar Britsch Nieuw-Guinea, plegen steeds, als zij op een hongi-tocht uitgaan, aan een koord om den hals een mes van bamboe te dragen, dat zij bepaaldelijk gebruiken om de hoofden der vijanden af te snijden. Tugere is feitelijk een scheldnaam, evenals 't "slaaf" beteekenende Papoe of Papoea, en Tugere's worden genoemd de beruchte koppensnellers van de zuidkust van Nieuw-Guinea. Vraagt men den inlander waar de Tugere's wonen, dan wijst hij naar de grens, westwaarts van de Toro Koesa (de Bensbach-rivier) en dan zegt hij, dat zij koppensnellers zijn, en dat er twee stammen van Tugere's zijn, de Merauke- en Amberauke-stammen.
De bevolking der op Britsch gebied liggende Bensbach- en Morehead-rivieren waagt zich, uit vrees voor ontmoetingen met de Tugere's niet naar het strand. Eerstgenoemde is in lichaamskracht en getalsterkte niet opgewassen tegen de Tugere's, die bij haar vergeleken reuzen zijn; zij mist de geestkracht om zich te verzamelen en hare aanranders weerstand te bieden en is zóó bevangen door de Tugere-vrees, dat zij liever wegloopt dan have en goed verdedigen. De Moreheadsche menschen zijn kleine, nietige personen, goedaardig van karakter. Het eenige wat zij doen ter beveiliging hunner negorijen, is het bouwen van hooge, houten versperringen daaromheen. Verschillend zijn de menschen, maar ook verschillend zijn de prauwen, de wapens, de sieraden: het is, zooals ook in Noord-Nieuw-Guinea op te merken valt, alsof de politieke grens met de ethnografische samenvalt.
Er is niet aan te twijfelen of de Tugere's, onze landgenooten, destijds periodiek goed geslaagde hongitochten naar het Britsche gebied ondernamen; maar wel mag betwijfeld worden of zij ooit het verbod om deze tochten te houden hebben gehoord of begrepen. Elders op Nieuw-Guinea gaat de bevolking uit op hongitochten, zoodra zij zich onbespied waant--zou zij dat hier, in dezen uitersten uithoek, dan nalaten? De wet is hard, maar het is de wet: de koppen die men medebrengt van deze tochten zijn noodig om aan de kinderen thuis namen te geven. Zijn de mannen in langen tijd niet erop uit geweest, dan blijven vele kinderen in de kampong zonder naam.
Het waren de _Sumatra_ en de _Serdang_ die den 26sten November 1900 op een afstand van 7 zeemijlen vóór de monding der Amberauke-rivier ankerden, en den dag daarop kwamen vier prauwen uit die rivier, met mannen, vrouwen en kinderen, pisangs, bloemen en een varken; zij wilden niet aan boord komen en kregen naar huis de boodschap mede, dat de heeren van de stoombooten spoedig zouden landen. De ontmoeting met de bevolking in de strandnegorij Koembeke was vriendschappelijk; de menschen waren vroolijk en mededeelzaam, maar ook erg vrij en toeschietelijk, zoodra zij kans zagen iets te kapen. Bij kleinigheden bleef het niet: het kamp werd op een nacht beschoten en nogmaals den ochtend daarop; de negorijen bleken bij onderzoek verlaten, de huisdeuren gesloten; de bewoners waren naar een begroeid terrein gevlucht en loerden erop om den troep in den rug aan te vallen. Zich ijlings in het kreupelhout verschuilen, verstaan deze inboorlingen even meesterlijk als het plotseling in massa's uit hoeken en gaten te voorschijn treden, met de handen vol wapens.
Voor eene vervolging van de "kwaadgezinden", zoo noemt men hen die nog niet begrijpen de zegeningen van een ordelijk bestuur, voor eene vervolging van deze onwetenden tot dieper het binnenland in, was de troep onvoldoende toegerust en niet groot genoeg; de beide sloepen-flottieljes keerden dus naar boord terug en de _Sumatra_ en de _Serdang_ verstoomden naar den mond van de Merauke-rivier. Bij het binnenvaren dezer breede, diepe en mooie rivier, bleek de waterweg tusschen de zandbank, vóór den zuidelijken oever, en den noorderoever zoo diep en breed, dat grootere schepen, zonder het getij af te wachten, naar binnen stoomen en tot vlak bij den oever kunnen gemeerd liggen; hoe woest de zee buiten ook moge wezen, in de haven is het altijd rustig. De oevers der rivier zijn aan de monding een meter of drie hoog, en op en om uitgestrekte, vruchtbare grasvlakten staan groote klapperbosschen, waartusschen de sterk bevolkte negorijen der inlanders gebouwd zijn.
In den beginne was het ook hier, aan de Merauke-rivier, weder koek en ei met de inlanders, maar lang duurde het niet. Op een marsch door de dorpen het binnenland in, langs de mooi aangelegde, goed onderhouden, omheinde tuinen, werd de troep herhaaldelijk van alle kanten beschoten, zoodat naar vier zijden vuur gegeven moest worden; ook op den terugtocht langs het strand moest op de schietende bevolking teruggeschoten worden en de negorij Kajakerika verbrand. Na deze tuchtiging heeft de bevolking nergens meer geweld gepleegd of zich verzet; de twee door haar geleden nederlagen zijn van dien aard geweest, dat zij zelfs niet heeft durven wreken het verbranden van een harer voornaamste negorijen. Maar de lust tot rooven bleef: de zeden dezer menschen werden niet plotseling gelouterd door het vuur in de kampong; eenige tot het doen van metingen bij het kamp geplaatste vlaggen werden 's nachts dadelijk weggehaald en een Nederlandsche vlag werd, na het verlaten van het kamp, geroofd door een inlander, wiens oog van verlangen zal geschitterd hebben bij het zien van de geliefde Hollandsche driekleur.