Mei-droom: Een feestelijk verbeeldingsspel in acht tooneelen
Chapter 2
[met witte waterlelies op den arm, waarbij de groote groene bladen neerhangen]
Ik ben geduld, dat leerde beiden, En in een kolk van stil gedacht, Ternauw bewogen door het lijden, Aan de'oever van het leven wacht.
KENNIS
[met omhoog staande zonnebloemen]
Ik ben de kennis, die door 't duister Heelal haar stralen openspreidt, Tot zij bij 't licht van de'eigen luister Der wereld luister onderscheidt.
SCHOONHEID
[met een garf neerhangende groote roode rozen]
Ik ben de schoonheid, zij die zwijgend Al 't hemellicht weer samenbindt En, in een glimlach nederzijgend, 't Geluk op aarde wedervindt.
LIEFDE
[met een grooten bloeienden rozerooden meidoorntak]
Ik ben de liefde -- in mij ademt Wat ik ten doop aan 't leven hield, -- Ik ben het, die het al omvademt -- Ik ben het, die het al bezielt!
[Na de laatste woorden, waaruit de muziek ontluikt, werpt zij den meidoorntak den man en de vrouw in den schoot en neemt met beide handen de laatste schaal, waarmede zij naar het midden-voorplan treedt. De andere deugden reien zich hier om haar, terwijl het kwartet, elkaars handen vattend, zich ter zijde op het linker-voorplan schaart.]
MENUET DER DEUGDEN
[Na den dans schikken de deugden zich vóór het kwartet, waarbij zij de schalen voor zich neerzetten en, met de armen elkaar omstrengelend, ter zijde naar den heuvel zien. -- De man en de vrouw zijn bij de woorden van de laatste deugd geheel tot zittende houding opgekomen; zij houden den meidoorntak in hun beider schoot en daar overheen elkanders handen gevat, terwijl zij, naast elkaar gezeten en tegen elkander aanleunend, het vrije been iets ter zijde gebogen, droomerig over de schalen heen staren.]
DE MAN
't Is of mijn hart die wijde woorden Als 't zeil de zilte winden gaart, En met zijn blijbespoelde boorden Naar onbekende zeeën vaart.
DE VROUW
Mij is 't of ik door groene zoden Van maagdelijke weiden treed, Waarin ons beiden, nieuw-genooden, Een zalig zonlicht welkom heet.
[Mei, die met de groen-omloofde koorden nog bij den dans heeft toegezien, heeft deze daarna over den schouder genomen en is, het leege nest achter zich aantrekkend, bij de laatste woorden van de vrouw, met een stillen glimlach voor zich heen, tusschen het gewas naar rechts verdwenen. Te gelijker tijd glijdt een schaduw over het tooneel (hetgeen een poos iets donkerder blijft) welke den man en de vrouw doet rondzien en Mei's heengaan doet ontwaren, zoodat zij oprijzen en elkaar bij de hand vatten, die zij met den bloemtak ontsteld naar Mei uitstrekken. -- De groepen willen op de onrustig groeiende muziek Mei volgen: -- de deugden nemen hunne schalen en haasten zich naar rechts, gevolgd door het kwartet, zoodat nu aan de rechterzijde achtereen en van rechts naar links de deugden, het kwartet en het koor van gehuwden geschaard staan. De kinders en de jongeren ontwaken.]
ALLEN
[zingend]
Zie! maar zie daar! Mei verlaat Onzen lichten levensstaat! Lachend vliedt hij langs de wegen -- Waar het nest in groen vergaat -- -- Bloem en blâren buigen neer, Nu hun kleine lieve heer Met zijn stralenrijken zegen In een wolk is weggestegen -- -- Ach! hun zieltjes voelen veeg -- Ach! hun hartjes loopen leeg!
[De beweging zet zich nu onder de jongeren en de kinders voort, die oprijzen en met uitgestrekte handen enkele stappen naar rechts komen, terwijl de man en de vrouw met gezonken handen, thans wat afgezonderd op den halfverlaten heuvel, blijven toezien.]
DE KINDERS
[zich neervlijend]
Ach! nu loopt ons hartje leeg, Dat van Mei het meeste kreeg --!
DE JONGEREN
[zich neerzettend]
O! het mooist -- het allermeest Is toch Mei voor óns geweest --!
DE GEHUWDEN
[neerknielend]
Maar den schoonsten levenszegen Hebben wij van Mei gekregen --!
DE DEUGDEN
[staande]
Zie van ons zijn luister gloren, Waar wij zelf uit zijn geboren --!
[Zij heffen de schalen op, waarbij het weer overvloedig licht wordt en Mei met den grijsaard op den achtergrond verschijnt.]
ZEVENDE TOONEEL
[DE GRIJSAARD in donkerbruine, dunne, wollige pij, sandalen aan de voeten, witte baard en een smalle krans van jonge groene blaadjes om de witte lokken; met de rechterhand steunt hij op een groen-omloofden staf, met de andere rust hij op Mei's schouder, die in de rechterhand zijn roze stafje heeft en met de linkerhand den stengel van een grooten pluisbol omvat houdt, welke boven over hem en den grijsaard heenbuigt. -- Bij het verschijnen van Mei en den grijsaard zetten de man en de vrouw zich weder neer en blijven verder zittende, met den arm om elkanders hals en elkaar bij de hand houdend, droomerig toezien.]
ALLEN
[behalve de man en de vrouw half oprijzend, zingende tot Mei met den grijsaard gekeerd]
Zie! maar zie daar! Mei komt weer --! Als een kleine lieve heer Keert hij uit zijn schaduw nader, En zijn stralend lijfje houdt, Lijk een boom van bloeiend hout, Onzen ouden witten vader!
[De beweging naar den grijsaard met Mei zet zich nu voort: -- de kinders loopen, tusschen de jongeren en over het rozenkoord, van den heuvel weg naar het achterplan, waar zij zich paar naast paar en hand in hand in twee kleine bogen links en rechts van den grijsaard en Mei scharen. Van rechts komen nu ook de gehuwden met hun kwartet en de deugden, van links de jongeren eenige stappen naar den grijsaard en Mei toe, zoodat thans alleen de man en de vrouw op den verlaten heuvel blijven.]
DE KINDERS
Hij, uit wien wij zijn gedegen --!
DE JONGEREN
Hij, de zaaier onzer zege --!
DE GEHUWDEN
Hij, de herder onzer wegen --!
DE DEUGDEN
Hij heeft meest van al gekregen --!
[De zijgroepen komen nu min of meer in de schaduw, terwijl het volle licht op het midden-achterplan tegen Mei en den grijsaard valt, met de kinders ter zijde.]
MEI
[zingend, met zachten inzet]
Naar de verte verdwaald, Heb ik dien stam gevonden -- Heb ik hem hier gehaald En met bloemen omwonden En de lente hergeven Aan wien lente ontvlood -- Zoo is het leven -- --
[Hierbij slaat Mei de armen vóór zich uiteen, den stengel echter zoo houdend, dat de pluisbol boven hem en den grijsaard blijft, -- hij buigt dan het hoofdje achterover en blaast in den pluisbol, waaruit een gedeelte wegdrijft -- -- dan weer voor zich uitziende, zingt hij den laatsten regel:]
Zoo is de dood --!
DE KINDERS
[als een zachte, bijna fluisterende echo]
Zoo is het leven -- -- Zoo is de dood --!
[Mei en de grijsaard komen thans iets naar voren, in welke beweging de andere groepen deelen.]
MEI
Menig stam, die al zucht En al bladerloos wankelt, Om wiens kruin nog een vlucht Groene loovertjes sprankelt. Die daar blinkende beven Aan een wuivende loot -- Zoo is het leven -- --
[als boven]
-- -- -- -- -- -- -- Zoo is de dood --!
DE KINDERS en DE JONGEREN
[als een zachte echo]
Zoo is het leven -- -- Zoo is de dood --!
[Mei met den grijsaard en, in verhouding daarmede, de groepen komen weder enkele stappen naar het voorplan.]
MEI
Op de bloeiende zee Van die ruischende blâren Wiegt hij zwijgende mee Als een mast op de baren -- En, ten hemel geheven, Duikt hij zacht in heur schoot -- Zoo is het leven -- --
[als boven]
-- -- -- -- -- -- -- Zoo is de dood --!
DE KINDERS, DE JONGEREN en DE GEHUWDEN
[als een echo]
Zoo is het leven -- -- Zoo is de dood --!
[Bij zijn laatste woorden heeft Mei den leeggeblazen pluisbol in het gewas ter zijde geworpen en is thans met den grijsaard op het voorplan, vlak voor den takkenbos gekomen, te midden van den halven kring der groepen, waarnaast de heuvel zelf buiten het volle licht blijft.]
DE GRIJSAARD
[sprekend]
Ik kom met kleinen Mei verlegen naar uw feest Om er mijn beetje groen bij al dien bloei te dragen, -- Want boven bloemen, boven 't hooge loover zagen Mijn oude oogen naar die schemerende dagen, Waarin het alles -- alles anders is geweest.
MEI
[droomerig sprekend]
Vertel ons vader die herinneringen, -- Ik was er bij en wist het eenmaal wel, Maar ik vergat alweer die verre dingen, En 't lijkt zoo lang geleê, -- vertel -- vertel --!
DE KINDERS
Vertel --!
[De naastbijzijnden, links en rechts, vlijen zich aan de voeten van den grijsaard, de daaraanvolgenden knielen op een knie, met de hoofdjes en armpjes op elkaars schouders rustend.]
DE JONGEREN
Vertel --!
[Links, -- de voorsten knielen als de kinders, de volgenden staan met de armen om elkanders schouders geslagen en het hoofd ter zijde gebogen toe te luisteren, de achtersten vóór den voet van den heuvel, welke zelf buiten het tafreel blijft.]
DE GEHUWDEN
Vertel --!
[Rechts, -- met de armen op elkanders schouder geleund en daar overheen gebogen toeluisterend. -- De deugden, de Liefde in het midden, terwijl de twee opvolgenden aan haar beide zijden de lichtende schalen als caryatiden op het hoofd houden, scharen zich inmiddels hand in hand in een halven boog op het tweede plan, achter den grijsaard. -- De grijsaard zet zich op den takkenbos te midden van den kring, terwijl Mei met zijn stafje rechts, iets ter zijde achter hem blijft staan.]
DE GRIJSAARD
[voornamelijk tot de kinders sprekend]
Er was een tijd, voordat het daagde op de aarde, Voor zich der menschen ziel met 't licht heelal verbond, Dat ieder schepsel door een blinden doolhof waarde En geen het goede woord -- den weg ter zonne vond. -- Er was een tijd, waarin geen jonge kinderkoren Als blijde wijde rei van bloemen in het veld Op de aarde ontwaakten, maar die ieder nieuw-geboren, Verwonderd, teeder wicht te midden van 't geweld Dier wilde wereld stil een krans van zwarte zorgen Om 't droomig hoofdje leî. -- Toen groeiden zij op steen, In steenen kelders als in kuilen weggeborgen, Met steenen boven hen, en steenen om hen heen, -- Zoo diep -- zoo diep daarin, dat zelfs de zonnestralen Maar vaag iets wisten van die hartjes daar beneê. Geen wind waaide van 't veld en fluisterde verhalen Van de'ijlen hemel -- en de vogels -- en de zee, -- -- En, zelf een bleeke vlek, heeft menig nooit geweten Hoe groen de wereld was. -- Veel werden maar een knop, Veel werden door het lot vertrapt en stukgereten, Veel vroeg geplukt, -- en veel -- groeiden ondelgbaar op! -- Ik zelf was één van hen --!
DE KINDERS
Zoo'n kleine bloem in donker --?
DE GRIJSAARD
[voornamelijk tot de jongeren sprekend]
Donker --?-- ja donker wel, waar zelfs de warme glans Der blijde liefde maar een weifelend geflonker In 't arme leven was, -- een bang-gewachte kans In 't blindelingsche spel -- een hoop -- een heete wonde --! Hoe beefde liefde als de laatste dunne snaar Van een gedoofd akkoord, -- hoe leefde zij als zonde: Een worstelende greep --! en nooit dat wijd gebaar Van wie een wereld aan zijn warme hart wou drukken! -- Ach 't leven was een woud, een schemer zonder dag. Een duisternis van strijd en eeuwig onderdrukken, Waar slechts de sterke wies, -- tot hij de sterren zag. En toch: -- hoeveel dat klom, dat bloeide in 't verborgen, Dat ál maar schoonheid beurde uit die verdoemde laagt' -- Dat bouwde in den nacht en wachtte op den morgen -- -- Totdat de roode dag voor allen heeft gedaagd --!-- Zij bloeiden boven mij --!
DE JONGEREN
Zoo vele liefdeloozen --?
DE GRIJSAARD
[voornamelijk tot de gehuwden sprekend]
O -- liefde tóch! -- welk hart, dat haar nimmer beleed? Ook zij droegen haar toom -- doch zelden met de rozen, Die vroeg ontbladerde' op den bodem van hun leed. En als de lente ging -- wat doornen die hen wachtten Aan 't zwart-getrapte pad: -- de mannen, gauw berooid Van allen bloei, -- de vrouwen, ledig van gedachten -- Zelfs door geen vaal verdriet met tranen meer getooid. O -- liefde tóch! -- hoe heeft zij hen door 't leed gedragen, Wier hart het lichtend beeld van 'n leven in zich droeg, Dat ze als een witte ster boven den einder zagen, -- -- Totdat hun staf 't licht uit de donk're bergen sloeg, En door de grauwe weerld 'n zondvloed van liefde welde, Waarin de oude aarde eind'lijk ging bestaan --! O -- liefde was wel de bezieling van die helden, Die voor ons vochten, -- die hebben gedáán -- gedáán --!-- Ik was nog maar een bloem --!
DE GEHUWDEN
En weet gij nog die jaren --?
[Het tooneel wordt langzaam iets donkerder, zoodat vooral de schalen schijnen te lichten.]
DE GRIJSAARD
[voor zich heen starend]
Ik weet nog vaag hoe men toen samenkwam en zong, -- Ik zie nog vaag die donk're -- lange -- lange scharen Met kleinen Mei voorop -- -- doch Mei is eeuwig jong; -- -- Maar, als het zomert, meen 'k die stemmen soms te hooren, Is 't of mijn oog op eens die verre wereld ziet, -- -- Dan groeit dat groot visioen -- dan ruischt weer in mijn ooren De zachte echo van een lang-vergeten lied -- -- --
[Bij de laatste woorden klinkt gedempt van verre de muziek van een bekenden revolutionnairen zang, -- allen luisteren met den grijsaard mede. -- Met het einde van de eerste strophe ziet de grijsaard op naar den man en de vrouw, die bij het laatste gedeelte van zijn verhaal allengs uit hun luisterende houding zijn teruggezonken op den heuvel en onder de eerste tonen der muziek zijn ingesluimerd, in juist dezelfde houding als bij den aanvang, -- allen zien mede op naar het slapende paar. -- Dan legt de grijsaard den vinger op de lippen, rijst op en schrijdt langzaam heen, met den groenen staf in zijn rechterhand en aan zijn linker de kleinste van de kinders, waarachter de anderen volgen en met de zachter klinkende muziek de aftocht begint: -- Velen der kinders en der jongeren werpen het sluimerend paar kushandjes toe, anderen houden een vinger op de lippen, of wijzen nog omziende elkander naar het paar, allen gaan zachtjes, als op de teenen, voorbij; de stoet gaat links vóór den heuvel om en wendt zich dan naar het rechter-achterplan, waar hij in 't gewas verdwijnt. -- De deugden zijn voor het begin van den aftocht geheel op het achterplan teruggetreden en blijven daar geschaard in denzelfden caryatidenstand. -- Op het voorplan blijft Mei alleen over: hij werpt bij de laatste tonen van het al verderaf klinkende lied den beiden slapenden een kushand toe, zwaait met zijn stafje in het rond en slaat op den heuvel -- waarbij plots het volle licht terugkeert, hij zelf op de plaats, vanwaar hij verscheen, weer in den heuvel verdwijnt, en de man en de vrouw ontwaken te midden der lichte stilte. -- Zij zien naar den bloeienden meidoorntak, die nog op hun schoot in hunne handen ligt, dan omhoog tot den bloeienden struik naar hen heen gebogen; verwonderd kijken zij rond, wrijven zich de oogen uit en zien elkander aan; dan rijzen zij op, geven elkaar glimlachend de hand en dalen, de man thans links, de vrouw rechts, ieder met een loot van den tak, den heuvel af naar het voorste plan, waar de beide zijgordijnen langzaam achter hen dichtschuiven.]
ACHTSTE TOONEEL
EPILOOG
[Eenige stappen van elkaar af staande, ten halve tot elkander gewend, zien de man en de vrouw eerst nog mijmerend voor zich uit.]
DE MAN
't Is of de droom van blonde weelde, Die straalde uit de lentelucht, Op eens, met al zijn blijde beelden, Den hemel weer is ingevlucht.
DE VROUW
Ach, laat ons aan het droomen blijven --! Hoe zoet om naar dat droomenland Van 't wilde leven weg te drijven, Als bloemen aan den waterkant.
DE MAN
[tot haar tredend en zijn linkerhand op haar rechterschouder leggend]
Neen! -- schooner is 't waarachtig leven, Schooner dan droomen is de strijd! En meer dan droomen kunnen geven Geeft ons de groote werklijkheid.
DE VROUW
[haar rechterhand op zijn linkerschouder leggend]
Dan zal de droom ons leven sterken. Waar wij te zamen, hand in hand, Aan eene nieuwe wereld werken En vechten voor 't beloofde land.
[Zij laten elkander nu los en komen naast elkaar vlak voor het voetlicht, vanwaar zij zich tot de toeschouwers wenden.]
DE MAN
Zij onze droom voor uwen geest De schoonheid, die ge in 't leven leest --!
[Bij de laatste woorden werpt hij een handvol bloesems van den meidoorn over de toeschouwers.]
DE VROUW
Ons spel is maar een droom geweest -- Ontwaakt gij tot een waarlijk feest --!
[Bij de laatste woorden werpt zij eveneens een handvol bloesems. Zij strooien daarna de overige bloesems naar de toeschouwers, leggen dan den vinger op de lippen, nemen elk een slip van de dichte gordijnen en halen deze langzaam, op de teenen loopend, naar weerszijden open; met de eene hand het gordijn ophoudend, wijzen zij met de andere daarna de toeschouwers met uitgestrekten vinger op het tafreel daarbinnen: -- Allen zijn, als een nog sluimerend toekomstbeeld, op hunne beurt in slaap gezonken; in het midden, tegen den takkenbos geleund, zit Mei, met het hoofd ter zijde op den linkerarm gebogen en in de rechterhand nog het schuin-gevallen stafje ophoudend, terwijl de grijsaard languit, met het witte, groenomloofde hoofd dwars in Mei's schoot rustend en den gezonken groenen staf nog naast zich in de hand, schijnt te sluimeren; aan beide zijden liggen de kinders, de jongeren en de gehuwden, allen neergevlijd en in slapende houdingen; achter Mei en den grijsaard liggen de deugden geknield op eene knie, met de lichtende schalen omhooggeheven, (de Liefde in het midden houdt in iedere hand met de naastknielenden een schaal op, deze houden met den anderen arm de beide naast hen geknielden wederzijds bij de schouders omstrengeld, welke met de beide uitersten wederom een schaal omhooghouden). --
De man en de vrouw schuiven de gordijnen weder dicht, en treden bij het sluiten nu tevens zelf daarbinnen.]
* * * *
DIT BOEKJE IS GEZET UIT DE HOLLANDSCHE MEDIÆVAL DER LETTERGIETERIJ "AMSTERDAM", ONTWORPEN DOOR S. H. DE ROOS
* * * *
VAN C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA IS VERSCHENEN
DE GRONDSLAGEN EENER NIEUWE POËZIE Uitverkocht EEN WEG VAN VERZEN Uitverkocht UIT DEN DOOL Uitverkocht VAN ZON EN ZOMER 3e druk f 0,60, geb. f 1,10 ZWERVERSVERZEN 3e druk f 0,60, geb. f 1,10 EENZAME LIEDJES 3e druk f 0,60, geb. f 1,10 UIT STILTE EN STRIJD 2e druk f 0,60, geb. f 1,10 EERSTE OOGST f 0,90, geb. f 1,50 MEIDROOM f 0,60, geb. f 1,10 LEVENDE STEDEN: I LONDEN, II DUSSELDORP, III AMSTERDAM per deel f 0,60, geb. f 1,10 Enkele exemplaren op geschept Holl. papier per deel f 2,50
VOLLEDIGE TITELOPGAVE VAN ALLE WERKEN VERSCHENEN BIJ W. L. & J. BRUSSE TE ROTTERDAM EN IN IEDEREN BOEKHANDEL TE VERKRIJGEN. JULI 1912.
Verkleinde illustratie uit William Morris Kunst en Maatschappij.
BELLETTRIE. VERZEN. KUNST. REISBESCHRIJVING. LIEDJES WIJZEN EN PRENTJES. WERKTUIGKUNDE. WETENSCH. ONDERWERPEN. WIJSBEGEERTE. KINDERBOEKEN. OPVOEDING, ONDERWIJS ENZ.
BELLETTRIE.
Mr. Antonio
NIEUWE SCHETSEN UIT DE TWEEDE KAMER ONDER HET MINISTERIE-KUYPER. Met 60 karikaturen van Dirk Nijland. Prijs gecart. f 2,25.
Piet van Assche
MARCUS EN THEUS. Met omslag- en bandversiering van D. Nyland. Prijs ing. f 2,90, gebonden f 3,50.
M. J. Brusse
HET ROSSE LEVEN EN STERVEN VAN DE ZANDSTRAAT. (De Rotterdamsche "Polder" gesloopt.) Met tal van historische afbeeldingen naar teekeningen en fotografieën uit deze internationaal vermaarde nachtbuurt, haar bevolking, en wat de sloopers er van hebben gemaakt. Prijs f 0,90 gebonden f 1,25.
M. J. Brusse
BOEFJE. Naar het leven verteld, 11e en 12e druk, met een naschrift: "Zeven jaar later". Goedkoope uitgaaf. Prijs f 0,90, geb. f 1,25.
M. J. Brusse
BOEFJE. Naar het leven verteld door M. J. Brusse (10e druk). Op veertien steenen in prent gebracht en verlucht met bladversieringen en beginletters door Dirk Nijland. Met een voorrede door Johan de Meester. Gebonden in perkamenten band met gouden stempels. (33 × 27-½ cM., XX + 166 + 14 × 4 bladzijden. 14 prenten op Japansch papier buiten den tekst). No. 1-100 épreuves d'artiste, gewaarmerkt door den schrijver en den teekenaar met hunne handteekeningen. Prijs f 47,50. No. 101-300 gebonden in linnen f 25,-.