Meesterstukken van Rembrandt Harmensz. Van Rijn Leesboek voor het Lager en Voortgezet Onderwijs
Part 5
Het is waarschijnlijk, dat de groote m'nheer in Den Haag, die zijn stuk honderd gulden waard achtte, niemand minder dan Constantijn Huygens is geweest.
Kort nadat Rembrandt zich in Amsterdam had gevestigd en een grooten naam begon te krijgen, bracht Huygens hem bij den stadhouder, prins Frederik Hendrik, ter sprake, wat hij gemakkelijk kon doen, omdat hij, als diens geheim-secretaris, dagelijks met den vorst verkeerde.
Er volgde eene bestelling van eenige stukken, misschien om er het stadhouderlijk paleis te Rijswijk mee te versieren. De levering, en daarna de betaling, hebben nog al voeten in de aarde gehad. Men is dit aan de weet gekomen uit eigenhandige brieven van Rembrandt, die bewaard zijn gebleven in families, welke van Huygens afstammen. Uit een van deze blijkt, dat hij zelf zeer goed wist, een eerste-rangsschilder te zijn, dien men goed moest betalen, maar tevens, dat hij bescheiden genoeg was, om waarde te hechten aan het oordeel van Huygens of van den Prins. Zie hier:
_Mijn Heer_!
Soo ist dan dat ick met licensij u e dese 2 stucken toesende die ick meen dat soodaenich sullen bevonden werden dat sijn Hoocheijt nu selfs mij niet min als dusent guldens voor ider toeleggen sal doch soo sijn Hoocheijt dunckt dat sijt niet en meerijteeren sal naer sijn eijgen believen minder geeven mij verlaetende op sijn Hoocheijts kennis en discreesij. Sals mij danckbaerlick daer met laeten contenteeren ende blijvende neffens mijne groetenisse sijnen
D.W. ende geneegen dienaer
REMBRANDT.
Het tghene ick aen de lijsten en de kas verschooten hebb is 44 guldens in alles.
Behalve omtrent zijn karakter, leert dit schrijven iets omtrent zijne ontwikkeling. Hij schreef een goeden brief, de zinnen vloeiden hem gemakkelijk uit de pen, en hij spelde vrij zuiver, te rekenen voor de zeventiende eeuw. Zijn schoolonderwijs was niet verwaarloosd, al wijdde hij zich reeds vroeg aan de kunst. Dat hij in den laatsten zin schreef: "daer _met_ laeten contenteeren" in plaats van "daar_mee_", kan men op rekening stellen van zijn omgang met vrouwe Saskia van Uhlenburg, die dat in Friesland zoo had geleerd.
Uit zijne brieven aan Huygens moge ook deze nog aangehaald worden, om grond te geven aan ons vermoeden, dat het hof in Den Haag met de uitkeering der contanten nu niet juist zoo heel vlug is geweest.
_Mijn Heer!_
Mijn E. Heer met schroomen ist dat ick u e met mijn schrijvens kom besoucken ende dat doort seggen van den ontfanger Wttenboogaert die ickt tardeeren van mijn betaeling klaechden hoe dat den tresoorier Volbergen dat lochgent als dat daer jaerlicks intresse getrocken werden soo heeft mij den ontfanger Wttenboogaert nu voorleden woondach daer op geantwoort als dat Volbergen allen halven jaer die selvij intressen heeft gelicht dat tot nu toe soo dat daer nu wederom over 4000 K. gulden bij den selvij kantooren verscheenen is ende bij desen waerachtijge geleegentheijt soo bidde ick u mijn goet aerdijgen Heer dat mijn ordonnansij nu in den eersten mocht klaergemaeckt werden opdat ick mijn wel verdiende 1244 guldens nu mocht eenmael ontfangen. Ende ick sal sulx aen ue met reverensij dienst ende blijck van vrienschap altijd soucken te rekumpenseeren met deesen ist dat ick mijn heer hartelick groete ende wenssche dat ue Godt lanck in goeden gesondtheijt ter saelicheijt spaeren werde.
UEDw. ende geaffexcioneerde dienaer,
REMBRANDT
ick woon op de binnen-Emster in die suijkerbackerij
Adresse:
_Mijn Heer_!
Mijn Heer van Suijlikum raet ende Secreetarijus van Sijn Hoocheijt
in den port Schraeven Haech.
De indruk, dien men uit dit schrijven krijgt, is wel, dat de beheerder van de stadhouderlijke penningen Rembrandt zonder veel complimenten op zijn loon liet wachten. Al maakte de jonge schilder opgang, toch zooveel nog niet, dat zijn naam voldoende was om geld los te krijgen. Ook bracht hij het nooit zoo ver, dat beroemde mannen uit onze geschiedenis zich door hem lieten portretteeren. We mogen dit stellig betreuren. Wat zouden we uit zijne handen een portret hebben gekregen van een Frederik Hendrik, een Jan de Wit, een Michiel de Ruijter, een Constantijn Huygens. Beter dan de bestaande levensbeschrijvingen zouden zulke afbeeldingen ons hun karakter, hunne edele hoedanigheden hebben bewaard. Maar dat heeft zoo niet mogen zijn! De groote mannen hebben gemeend, zijne kunst niet noodig te hebben om hunne trekken te vereeuwigen. De portretten, die hij gemaakt heeft, zijn alle van tweede-rangspersonen. Toch kunnen we hieruit zijn meesterschap voldoende leeren kennen. Als een mooi voorbeeld verdient dat van den ontvanger Uytenbogaerd te worden vermeld, welks naam we vinden in den zoo even aangehaalden brief.
* * * * *
MEER DAN PORTRET.
De heer Uytenbogaert zien we gezeten in zijne werkkamer. Op de tafel liggen zakken met geld, en een boek, waarin de hand gereed is, aanteekening te houden. Hij overhandigt den bediende eenen zak, dien deze misschien in een geldvat moet ledigen. De balans, om het goud af te wegen, hangt aan een boekenplank boven de tafel; op den achtergrond wachten meerdere bedienden op orders.
Wat ons in den heer Ontvanger het meest treft, is de blik, dien hij op zijnen dienaar werpt. Doordringend ziet hij hem aan. Uit zijn oog lezen we de gewetensvraag: kan ik je dit toevertrouwen? En dat oog blijft streng en onderzoekend op hem rusten. Rembrandt slaat hier den spijker met den eersten slag op den kop; hij tast de zaak aan in 't hart. Immers de beste eigenschap van eenen beheerder van 's lands penningen, is, dat hij tegen alle bedrog op zijn hoede is. Zoo één steeds waakzaam moet zijn, dan hij! Kan men een man als Uytenbogaerd dus treffender in beeld brengen, dan door deze eigenschap voorop te stellen? Hij mag een goed man, een vriendelijk man, een eerlijk man geweest zijn, het beste wat men van hem kan zeggen, is: hij was een man op de juiste plaats. En dit allereerst zegt zijn portret.
Het gezicht is niet bepaald schoon te noemen. De wangen hebben eene onaangename breedheid, sommige gelaatsspieren leggen er onbevallige vormen in; de neus is van een scheef, ingedeukt model. Maar zooals dit moest wezen, zoo is het ook uitgebeeld. We behoeven niet in onzekerheid te vragen, hoe eigenlijk de vorm was.
De borst is breed en vierkant in de kleeren gestoken. Kloek en zwaar hangt de pelsmantel er om: het schijnt een "kantoorjasje" te zijn. Maar wat voor een! Het zachte, glanzige haar zit er duimen dik op; men zou er gaarne de hand over willen strijken, om de molligheid te voelen. Wat een rijkdom van pluisjes en bundeltjes haren zien we op den breeden zoom; telkens weer liggen ze in andere richting op en tegen elkaar. Zwaar en dik is de stof, waar we, in het verkort, tegen de wijde linker mouw aan zien. Daarentegen is het onderkleed, dat bij den hals zichtbaar is, van fijn en kostbaar weefsel, waarschijnlijk in regelmatige preciese plooitjes gevouwen en gestreken.
Het is een zeer aparte kunst, om met dichte arceeringen de stof uit te drukken. Let eens op den achtergrond. De wand, waartegen de schilderij hangt, is volgekrabbeld, tot het een beschaduwde, grijze, gepleisterde muur was; het gedeelte aan den rechterkant, voorbij een soort van poortje, is met hout betimmerd, wat duidelijk van den gepleisterden muur te onderscheiden is. Het afhangende deel van het tafelkleed, ofschoon van de zelfde grijsheid, draagt daarentegen weer duidelijk de kenmerken, dat het geweven stof is.
Ander mooi werk zien we in de voorwerpen, die op den voorgrond staan. Ze duiken op met hunne verlichte bovenkanten uit eene zachte, donkere kamerschaduw. Zooals wij in een donker hoekje alleen met onzekerheid de dingen waarnemen, zoo zien we op den voorkant van de groote kist het nauwelijks afgebeelde, zware ijzerbeslag; hier en daar blinkt de kop van eenen spijker; langs den rand rechts glimt wat licht, dat misschien door een ander meubelstuk is teruggekaatst. Zware scharnieren teekenen zich met kleine, zwakke glimlichtjes af langs den bovenrand. Op het deksel, dat zeer versmald geteekend is, zitten drie ijzeren banden, die op de juiste manier naar elkaar toeloopen; door hunne wijking krijgt het deksel voor ons oog zijne breedte. Een mooi stuk teekenwerk, zoo'n kist, waarin we de hardheid voelen van het ijzerbeslag.
Uit al deze onderdeelen blijkt de mogelijkheid, om, met arceering alleen, stof en maaksel van de voorwerpen uit te beelden.
Om nu tot de figuur van den ontvanger terug te keeren, de breedheid en de vierkantheid doen ons vertrouwen stellen in het karakter. De openliggende mantel, met daaronder de fiere borst, wekken het vermoeden van openheid en eerlijkheid. De rechterhand is eene uitdrukking van nauwlettendheid en zorgvuldigheid; ze ligt steeds gereed om in het boek van alle gedane uitgaven aanteekening te houden. Aardig is het om te zien, met hoeveel schrijversfijnheid de duim en de vinger het pennetje vasthouden.
In gelaat, in blik, in houding en lichaamsbouw, in actie en handgebaar zien we eene aanduiding van de eigenschappen, die Uytenbogaerd maken tot een voortreffelijk ambtenaar. Hij is een model betaalmeester; door een man als hem worden 's lands middelen naar den eisch beheerd. Zijn portret is maar niet slechtweg een portret, waarbij men vraagt, of het goed gelijkt; het is een zinnebeeld geworden, een lofspraak op den man in zijn vak. En meer nog: een lofspraak op de regeering uit die dagen. Met welk eene vaste hand moet deze de teugels hebben gevoerd, als ze bestond uit mannen, gelijk we er hier een voor ons zien. De kracht van het jonge Holland spreekt uit zoo'n portret, de kracht van eene regeering, die nog bezig is (1639) zich vrij te vechten van de Spaansche overheerschers.
Historische waarde krijgt het vooral, als we niet alleen op den hoofdpersoon, maar ook op den bediende letten.
Met welk een respect neemt deze den geldzak aan, die hem overhandigd wordt! De blik, welken hij met den ontvanger wisselt, wekt de veronderstelling, dat hij plichtmatig moet toonen, zijnen meester in de oogen te durven zien en dus geene slechte voornemens te koesteren. Een en al onderdanigheid is hij! Bijna slaafschheid. Het doet ons vreemd aan, dat in een vrijgevochten land, als het onze, alleen de hoogere klassen des volks zich mensch en onafhankelijk voelden, dat in een Republiek de ondergeschikten de knie bogen voor den werkgever. Is het niet, alsof we nog waren in de dagen der Spaansche overheersching? Toch draagt de prent de dagteekening 1639, en het leek in dat jaar in het Kanaal voor Duins weinig naar eene zoodanige heerschappij.
Maar de Regenten lieten niet met zich spotten: ze hadden er den wind onder. Het is deze verhouding tusschen heer en dienaar, die Rembrandts plaat voor ons bewaard heeft; in enkele lijnen worden hier boekdeelen gezegd.
Niet slechts het portret van een persoon, maar een tooneel uit het leven zien we, hetwelk ons doet zeggen: zoo ging het toe; zoo leefden de standen met elkaar in de Republiek.
Het portret is een sprookje geworden. We lezen van een groot heer, die een kostbaar kleinood toevertrouwt aan eenen braven dienaar. Doch het is een sprookje van het soort, waar meer achter gezocht moet worden. Het gunt ons een blik op de samenleving onzer zeventiendeeuwsche voorvaderen.
* * * * *
GEËTSTE PRENTEN.
De prent, die Uytenbogaerd voorstelt, is eene ets. Wat is dat, eene ets?
Gebruikt de schilder eenen lap linnen of een houten paneel, en brengt hij daar met behulp van penseelen olieverf op, dan spreekt men van eene schilderij. Werkt hij met kool, krijt, potlood, inkt of waterverf op papier, dan ontstaat eene teekening. Van beide maakt hij natuurlijk niet meer dan één exemplaar. Schildert of teekent iemand dit na, dan heet dat eene copie. Voor boeken en geschriften laat men den photograaf en den plaatdrukker reproducties maken.
Maar nu eene ets.
De teekenaar neemt een plaatje roodkoper. Dit moet volkomen vlak en effen zijn, en wordt daarom tegenwoordig langs galvanischen weg vervaardigd. Op het plaatje brengt hij eene dunne laag was aan; door het aan den onderkant te verwarmen, wordt de was vloeibaar en dus geschikt, om zoodanig verspreid te worden, dat het korstje na het stollen overal eene gelijkmatige dikte heeft.
Eene fijne naald is het teekengereedschap. De punt zet de lijnen niet op, maar in de was; ze kan zich door de zachte massa heel gemakkelijk bewegen, en dit vergunt den teekenaar dus, om los en zwierig te werken, zwieriger, dan wanneer hij met een mes zijn beeld in palmhout snijdt, om eene houtsneeprent te maken.
Wat er nu in de was staat, kan hij niet met inkt aansmeren, om op papier af te drukken. Daarvoor is alles te zacht. Hij brengt rondom de koperplaat een opstaand lijstje aan, en giet er vitriool over uit. Deze vloeistof laat de was onaangetast; maar waar ze koper vindt, bijt ze dit uit. Dus in de smalle voren, die de naald in het bedekkende laagje heeft getrokken. Na eenigen tijd wordt de vitriool afgegoten, de koperplaat door verwarming ontdaan van de was, en alsnu vertoont ze de figuur, door den teekenaar in de zachte stof ontworpen, doch thans in het harde metaal onvergankelijk ingevreten.
Met behulp van eene inktrol bedekt hij haar met inkt, wrijft haar met een lap weer schoon, maar draagt zorg, den inkt niet te verwijderen, die in de diepte van de lijnen zit. Deze zal, bij het afdrukken op een blad papier, de teekening te zien geven, juist even los en zwierig, als ze in de was geteekend is, maar in spiegeld beeld. Want door het afdrukken wordt de voorstelling omgekeerd.
Van eene ets worden door den teekenaar een groot aantal exemplaren vervaardigd. Daar ze voor den handel bestemd zijn, en de liefhebbers ze gelijkstellen met oorspronkelijke teekeningen, kunnen ze eene ruime bron van inkomsten zijn. Er is er een afkomstig van Rembrandt, die "honderguldenblad" heet, omdat elke afdruk den prijs van honderd gulden opbracht!
De geëtste koperplaat blijft voor latere afdrukken bewaard. Het komt meermalen voor, dat de etser na eenigen tijd met zijn werk niet meer tevreden is. Hij tracht dan in de plaat wijzigingen aan te brengen. Er heeft zeker geen kunstenaar bestaan, die hiervan zoo de geheimen kende, als Rembrandt.
De veranderingen, aangebracht in het portret van een vriend, den schilder Jan Asselijn, hebben aanleiding gegeven tot eene vermakelijke vergissing.
In de verschillende musea en kunstverzamelingen bevinden zich twee soorten van afdrukken van dit portret; ook in de achttiende eeuw verhandelde men reeds exemplaren van Asselijn _met_ den ezel en exemplaren van Asselijn _zonder_ den ezel. Op dezen staat de schilder afgebeeld naast een tafeltje met boeken, op genen wordt de achtergrond gevormd door een houten schildersezel, waar een paneel of een doek op staat, dat arbeid van den kunstbeoefenaar moet voorstellen.
Er werd in de achttiende eeuw druk in deze en dergelijke etsen gehandeld. Liefhebbers waren niet tevreden, als ze een Asselijn bezaten; ze moesten er een exemplaar "Asselijn met den ezel" bij hebben; soms liepen ze alle kunsthandelaren af, om een te krijgen.
Een Duitsch prentenkoopman had al meermalen vraag gehad naar een "Asselijn met den ezel", en tot zijn verdriet steeds neen moeten verkoopen. Hij was op en top man van zaken, en als het moest, stond hij voor niets! Hij bracht een "Asselijn zonder den ezel" bij een behoeftig kopersnijder en verzocht dien, om in alle stilte eene etsplaat te maken naar het beeld van den Hollandschen schilder, maar in gezelschap van eenen ezel. Daar geen van beiden ooit een exemplaar van het veel gevraagde soort had gezien, veronderstelden ze, dat met den ezel een gelangoorde viervoeter werd bedoeld. De zaak kwam gereed. De kunstkooper bezat thans de twee soorten. En toen er weldra een Engelschman bij hem aanklopte om een "Asselijn met den ezel", drukte hij dezen voor goed geld den zonderlingen ezelhoeder in de hand. Natuurlijk kwam zijn bedrog spoedig uit, en heeft hij niet veel exemplaren kunnen slijten. Toch zou men thans bij onze overzeesche buren weer goed geld willen geven om er een te bezitten, niet omdat het _geen_ "Rembrand" is, maar ter wille van de merkwaardigbeid.
* * * * *
VROUWTJE BAS VAN 'T RIJKSMUSEUM.
Hier hebben we het portret van Elisabeth Jacobs Bas, weduwe van admiraal Swartenhont. Het heeft geene andere bedoeling dan de beeltenis te geven. Eene omgeving, waarin we beroep, ambt of bezigheden terugvinden, ontbreekt; de achtergrond is donker. De dame is zonder een of anderen schijn aan te nemen zoo maar voor den schilder gaan zitten, om zich te geven zooals ze is. Er spreekt uit de houding groote eerlijkheid, openhartigheid, die niets heeft te verbergen, die geen behoefte heeft om manieren aan te nemen. Natuurlijkweg heeft ze de handen rustig over elkaar gelegd. Over elkaar gelegde handen ziet men dikwijls op een portret, dat is dus hier het eigenaardige niet. Maar men moet, door er lang en rustig op te zien, trachten te erkennen, hoe gemakkelijk en ongedwongen deze handen op den schoot rusten. Niet alleen dat ze er op _liggen_, dit zegt nog niets, maar ze worden er door _gedragen_. Met de elleboogen is het net zoo; die vinden steun, die rusten op de leuning van den stoel. Het sterkst voelen we dit wel in de linkerhand, die over de rechter is gelegd. Let ook eens op, hoe de onderste achteloos den zakdoek vasthoudt, en hoe de bovenste in een gemakkelijken greep over de andere heen ligt. En hoe dit overeenstemt met de houding van het bovenlijf; ook dit leunt in gemakkelijken stand tegen den rug van den stoel; het helt net genoeg achterover om dit voelbaar te maken. Alles draagt er toe bij om den indruk van rustigheid, kalmte, bedaarde statigheid bij ons te wekken. In een deftig vertrek door zoo'n dame ontvangen te worden, die in deze houding een verzoek aanhoort, doet weldadig aan en zet ons onmiddellijk op ons gemak. Het geeft de gewaarwording, dat ze in haar dagelijksche doen veelvuldig menschen heeft moeten ontvangen en heeft moeten aanhooren. Het rustige liggen der handen duidt eerder zulk een werkkring aan, dan beslommering van handenarbeid. En de gelaatsuitdrukking bevestigt die opvatting. Ook hierin dat rustige, onverstoorbare. Om den mond geen lach en geen trek van norschheid, geen zwakheid en geen hardheid van karakter, maar juist genoeg zachtheid om niet af te schrikken.
Elisabeth Bas komt reeds op leeftijd: de mond begint in te vallen, wel niet veel, maar genoeg om de kin iets vooruit te doen springen. De diepe plooien, van de neusvleugels af naar beneden, duiden het ook aan. De vleezigheid van de wangen doet in die plooien weer kleinere ontstaan. Als vrouwen zestig jaar zijn, begint dat langzamerhand te komen. Bij dezen leeftijd behoort de blozende gelaatskleur, en behooren verder de twee uitgezakte rondingen links en rechts van de kin, de vierkante vorm van het gezicht, de golvende lijn, die den omtrek van de rechterwang aanduidt en het hooge voorhoofd. Deze ouderdomskenmerken voegen zich heel gemakkelijk bijeen. Van geen enkel krijgen we het idee, dat het in dit gezicht niet past. Als de schilder er ook maar één overdreven had voorgesteld, zouden we dat terstond als eene fout hebben opgemerkt. De plooien aan de mondhoeken zijn in een of ander gezicht soms wel dieper, de kin vooruitstekender, de mond meer ingevallen, maar in dit portret gaat alles tot zoo'n graad, dat er volmaakte eenheid blijft bestaan. Geen enkele eigenschap springt uit den band. Alles is om zoo te zeggen op een goudschaaltje afgewogen.
Wel moet de schilder het model dus door en door hebben begrepen, als hij in zijn hand en in zijn penseel voelde, hoe diep hij een plooitje moest zetten, om bij al het overige te passen. Waar een groefje van den rechtermondhoek schuin naar beneden zakte, vond hij in de omtrekslijn van de wang een bochtje, dat daaraan beantwoordde. En hij zette het een niet, zonder het ander in 't oog te houden.
Neus en oogen zijn volmaakt in overeenstemming met de rest. Op den leeftijd van juffrouw Bas is de rug van den neus niet meer smal en kantig, maar breed en naar beide zijden rond afloopend. Alleen de punt en de vleugels zijn nog scherp geteekend. Onder de oogen vormen zich zware plooien; ook zakt er een van de wenkbrauwen schuin naar den buitenhoek van het oog. Hieronder komt het vleezige bovenste ooglid te voorschijn.
Deze bijzonderheden hebben alle denzelfden leeftijd; de eene toont niet ouder dan de andere. Nergens een trekje dat te donker, te licht, te diep of te oppervlakkig, te ouwelijk of te jeugdig is. Al deze geschilderde zaken zitten rustig bij elkaar, zonder dat het een het ander overschreeuwt.
Rustig kijkt het gezicht ook uit de oogen. De blik heeft wat bijzonders, zooals we dat bij sommige menschen wel opmerken: hij houdt het midden tusschen glimlach en ernst. We weifelen tusschen deze twee. En om den mond speelt een trekje, dat ons ook in het onzekere laat. Niet doordat Rembrandt onvast schilderde, maar het gelaat zelf droeg een plooi van gemengde aandoeningen.
De hoofdindruk is die van ernst en wijsheid en van vertrouwen, dat ze inboezemt. De wijsheid is het inzicht van een persoon, die in haar leven veel heeft moeten regeeren en leiden, die veel aan beraadslagingen deelgenomen heeft; men ziet haar de eigenschappen aan, om weeshuizen te besturen, om oneenigheden tusschen regenten te beslechten, om beide partijen aan te hooren, een ieder aan te moedigen om te zeggen, wat op het hart ligt, maar daarna wekt zij ook de verwachting, dat met gestrengheid uitspraak zal worden gedaan, gestrengheid echter, die vrij van hardvochtigheid is. We zien dit gelaat gaarne voor ons, niet zooals we misschien behagen vinden in lieve engelenkopjes, maar omdat we Elisabeth Jacobs Bas eene lieve vrouw vinden. Wel ook eene verstandige, maar vooral eene lieve vrouw.
Terwijl Rembrandt op het gelaat, dat voor hem zat, deze roerselen van karaktergeheimnissen las, wist hij er zich bovendien zoo juist rekenschap van te geven, dat zijn penseel ze in lijn en kleur kon vastleggen. Hij was menschenkenner zoowel als kunstenaar. Houdingen, vormen, gebaren en trekken nam hij nauwkeurig waar. Maar de menschelijke natuur, die daarachter schuilt, niet minder. Zooals iemand in een stoel gaat zitten en de handen over elkaar legt, zoo is ook zijn levenstaak en zijn karakter; dat had de omgang met menschen hem geleerd. Met wat een aandacht moet hij de personen uit zijne omgeving hebben bestudeerd! Wij, die in een tijd van veel drukker verkeer leven, als wij in eenen spoortrein zitten, en iemand komt de coupé binnen, kunnen wij maar amper aan zijn manier van plaats nemen zien, of hij veel heeft gereisd dan of reizen iets ongewoons voor hem is. En wat is dit aan de oppervlakte, vergeleken bij de karakterhoedanigheden, welke Rembrandt zag in de personen, die tegenover hem gingen zitten. Hoe veel en hoe ernstig moet hij zich met menschen hebben beziggehouden, om hun innerlijk leven zoo op het uiterlijk af te lezen.
En toch heeft men willen beweren, dat hij in zichzelven gekeerd, teruggetrokken, bijna eenzelvig leefde, geen menschen zag, geen omgang had en weinig van menschen hield. Dit ééne portret bewijst voor het tegendeel genoeg. Wie dit kan maken, kent den mensch, bestudeert hem, zoekt hem en voelt zich tot hem aangetrokken.