Maximes

Part 7

Chapter 72,825 wordsPublic domain

Na te hebben gesproken van de valschheid van zoo vele schijnbare deugden is het billijk eenige woorden te zeggen over de valschheid van de doodsverachting. Ik meen die doodsverachting welke de heidenen met trotsch aan eigen krachten toeschrijven, zonder de hoop op een beter leven. Er is een onderscheid tusschen het onverschrokken ondergaan van den dood en hem te minachten. Het eerste is vrij gewoon, maar ik houd het andere nooit voor oprecht. Niettemin heeft men alles geschreven om met nadruk te overtuigen, dat de dood geen kwaad is, en de zwakste menschen, zoo wel als de helden, hebben duizend beroemde voorbeelden gegeven om die zienswijze te vestigen. Toch betwijfel ik of ooit iemand met gezond verstand er aan heeft geloofd, en de moeite, die men zich geeft om zich zelf en anderen te overtuigen, bewijst vrij duidelijk dat deze onderneming niet gemakkelijk is. Men kan verschillende redenen tot afkeer van het leven hebben, maar men heeft nimmer oorzaak tot het minachten van den dood; zelfs zij, die zich hem vrijwillig geven, tellen hem niet zoo gering, en zij ontstellen er over en verwerpen hem, even als de anderen, indien hij langs een anderen dan den door hen gekozen weg komt. De ongelijkheid, die men in den moed van een oneindig aantal dappere menschen bespeurt, komt daar van daan, dat de dood zich op verschillende wijze aan hun verbeelding voor doet en den eenen tijd dichter bij schijnt dan den anderen: zoodoende komt het dat zij, na geminacht te hebben wat zij niet kennen, ten slotte vreezen wat zij kennen. Men moet vermijden hem in alle bijzonderheden in het aangezicht te zien, wil men niet gelooven, dat hij het grootste van alle euvels is. De handigsten en dappersten zijn zij, die de meest gepaste voorwendselen zoeken om hem niet in het aangezicht te zien. Maar elk mensch, die hem weet te zien zoo als hij is, acht hem iets verschrikkelijks. De noodzaak te sterven maakte de kracht der philosophen uit. Zij meenden goedsmoeds daarheen te moeten gaan, waarheen men niet weerhouden kan te gaan; en niet in staat hun leven te vereeuwigen, verzuimden zij niets om hun naam te vereeuwigen en uit de schipbreuk te redden wat er uit kon worden gered. Stellen wij er ons mede tevreden, ten einde ons leed achter een vroolijk gelaat te verbergen, met niet aan ons zelf te zeggen al wat wij er van denken, en laat ons meer verwachten van onze natuurlijke geaardheid dan van die zwakke redeneringen, die ons moeten doen gelooven dat wij den dood met onverschilligheid te gemoet kunnen treden. De roem met moed te sterven, de hoop betreurd te worden, de begeerte een mooien naam achter te laten, de zekerheid bevrijd te worden van de ellende der wereld, en niet meer aftehangen van de nukken der fortuin, zijn hulpmiddelen, die men niet moet verwerpen. Men moet ze evenwel niet onfeilbaar achten. Zij zijn, om ons gerust te stellen, wat een heg dikwijls in den oorlog doet, om hen te beveiligen, die een plaats moeten naderen van waar men schiet: is men ver af dan vermeent men dat zij volkomen kan dekken; raar komt men nader bij, dan ziet men dat zij een zwak hulpmiddel is. Wij vleien ons wanneer wij gelooven dat de dood ons van nabij toeschijnt wat wij er op een afstand van hadden gedacht, en dat onze gevoelens, die slechts zwakheid zijn, zoo sterk zouden zijn, dat wij niet zouden lijden bij het ondergaan van de ruwste aller beproevingen. Men kent ook de uitwerking der eigenliefde slecht door te denken dat zij ons zou kunnen helpen om als niets te achten wat haar noodzakelijk moet vernietigen; en het verstand, waarin men zoo veel hulpbronnen meent te vinden, is te zwak om in dit geval ons de gewenschte overtuiging te verschaffen. Integendeel is het de rede, die ons het vaakst bedriegt, en die, in plaats van ons minachting voor den dood in te boezemen, ons helpt ontdekken wat al akeligs en vreeselijks er in is. Alles, wat de rede voor ons kan doen, is ons aanteraden de oogen aftewenden en naar andere dingen te kijken. Cato en Brutus kozen beroemde. Een lakei vergenoegde zich eenigen tijd geleden, op het schavot, waarop hij zou worden geradbraakt, te dansen. Dus, hoewel de drijfveeren verschillen, zij hebben vaak de zelfde uitwerkingen. Daarom is het waar, dat, hoe groot het verschil tusschen groote menschen en gewone stervelingen moge zijn, men duizend maal gezien heeft hoe de eenen even goed als de anderen, met hetzelfde gelaat den dood ingingen; maar altijd met dit verschil, dat in de doodsverachting der groote mannen het de zucht naar roem is, die hen verblindt, terwijl het bij de gewone menschen slechts een uitwerking van gebrek aan inzicht is, dat hen belette den omvang van hun ongeluk te erkennen, en hun vrijheid liet aan iets anders te denken.

PORTRET van la Rochefoucauld door hemzelf. 1658.

Ik ben van middelbare lengte, gemakkelijk in mijne bewegingen en goed geëvenredigd. Ik heb een bruine gelaatskleur, maar vrij gelijkmatig; een hoog en redelijk breed voorhoofd; zwarte, kleine, diepliggende oogen, zwarte en dikke, goed geteekende wenkbrauwen. Ik zou moeilijk kunnen zeggen welk soort neus ik heb want zij is noch stomp, noch dik, noch spits, noch arendsneus, ten minste naar ik meen; al wat ik weet is dat zij eerder groot dan klein is en dat zij een weinig te laag zit. Ik heb een grooten mond en gewoonlijk vrij roode, noch goed, noch slecht gevormde lippen. Mijn tanden zijn wit en vrij goed geplaatst. Vroeger heeft men mij gezegd, dat ik een weinig te veel kin had: ik heb mij eens betast en in den spiegel gekeken om te weten hoe het er mede staat, en ik kan er niet goed over oordeelen. De vorm van mijn gelaat is vierkant of ovaal: het zou mij zeer moeilijk vallen tusschen die twee te kiezen. Mijn haar is zwart, van nature gekruld en daarbij dik en lang genoeg om van een mooien kop te mogen spreken.

Ik heb iets droevigs en hooghartigs in mijn blik: dat doet de meeste menschen gelooven, dat ik minachtend ben, hetgeen volstrekt het geval niet is. Ik beweeg mij gemakkelijk, zelfs een weinig te veel, waardoor ik bij het spreken veel gebaren maak. Ziehier ronduit hoe ik meen dat ik ben, wat het uiterlijk betreft en men zal, geloof ik, vinden, dat hetgeen ik dienaangaande denk, niet ver van de waarheid is. Met dezelfde getrouwheid zal ik te werk gaan bij hetgeen nog aan mijn portret ontbreekt, en mij zal het noch aan vrijmoedigheid ontbreken om ronduit te spreken van mijne goede eigenschappen, noch aan oprechtheid om rondborstig te erkennen welke gebreken mij aankleven.

Ten eerste, om van mijn humeur te spreken: ik ben zwaarmoedig, en ik ben het in zulke mate, dat men mij sedert drie of vier jaar nauwelijks drie of vier maal heeft zien lachen. Toch zou ik, naar ik geloof, een vrij dragelijke en milde zwaarmoedigheid bezitten, indien ik slechts die had, welke uit mijn gestel voortkomt; maar ik krijg er zoo veel van andere zijde, en wat ik krijg is van zulke hoedanigheid, vervult dusdanig mijn verbeelding en houdt mijn geest zoo zeer bezig, dat ik den meesten tijd hetzij droom zonder een woord te uiten of bijna geen aandeel neem aan hetgeen ik zeg. Ik ben zeer kortaf met degenen, die ik niet ken en zelfs met de meesten van hen, die ik wèl ken, ben ik niet zeer rondborstig. Dat is een gebrek, ik weet het wel, en ik zal niets nalaten om mij in dit opzicht te verbeteren; maar omdat een zekere sombere uitdrukking in mijn gezicht mij nog terughoudender doet lijken dan ik ben, en het niet in onze macht staat ons te ontdoen van een booze uitdrukking, die het gevolg is van het natuurlijke beloop der gelaatstrekken, geloof ik, dat, wanneer ik mij inwendig zal hebben verbeterd, ik, door mijn uiterlijk, altijd slecht zal blijven staan aangeschreven.

Ik heb geest, en ik aarzel niet het te zeggen: waartoe daaromtrent plichtplegingen te maken? Het gebruiken van zoo veel omwegen en het toepassen van verzachting, wanneer het geldt te spreken van zijne goede hoedanigheden, komt mij voor als het verbergen van een weinig ijdelheid onder een schijn van bescheidenheid, en het zich bedienen van een zeer handig middel om van zich veel meer te doen gelooven dan men zegt. Wat mij aangaat, ik ben tevreden wanneer men mij noch voor mooier houdt dan ik mij voordoe, noch beter geluimd dan ik mij afschilder, noch geestiger of verstandiger dan ik ben. Nogmaals, ik heb vernuft, maar een vernuft, bedorven door zwaarmoedigheid: want, ofschoon ik vrij goed mijn taal meester ben, een goed geheugen bezit, en ik niet verward denk, ben ik dusdanig onder den druk van mijn verdriet, dat ik vaak vrij slecht uitdruk wat ik wil zeggen.

Het gesprek met beschaafde menschen is een der genoegens, die mij het meest aantrekken. Ik heb gaarne dat zulk een gesprek ernstig zij en dat zedekunde er het leeuwenaandeel in heeft. Maar ik weet het ook te waardeeren wanneer het vroolijk is; en al vertel ik weinig grapjes om te lachen, dan is dit niet omdat ik niet zou weten hoe kostbaar een goed vertelde beuzeling is, of omdat ik deze wijze van schertsen, waarin zekere slagvaardige en gevatte geesten zoo zeer uitmunten, niet vermakelijk zou vinden.

Ik schrijf een goed proza en ik dicht met goed gevolg; mijn gedichten zijn niet slecht; en hunkerde ik naar den roem die op dat gebied te behalen is, dan acht ik mij met weinig arbeid in staat een goeden naam te verwerven.

Ik houd van lezen, in het algemeen; het meest van die boeken, waarin iets te vinden is, dat den geest kan vormen en de ziel kan versterken. Bovenal is het voor mij een groote voldoening te lezen met iemand van verstand: want op die wijze denkt men voortdurend na over hetgeen men leest; en uit de gemaakte opmerkingen vormt zich een bij uitstek aangenaam en nuttig gesprek.

Ik heb een vrij goed oordeel over de dichtwerken, die men mij toont, maar ik zeg mijn gevoelen misschien wat al te openhartig. Wat bovendien verkeerd in mij genoemd mag worden is, dat ik soms te pijnlijk-kieschkeurig en een te streng beoordeelaar ben. Ik heb geen afkeer van te hooren redetwisten, en dikwijls meng ik mij vrij gaarne in het geschil; maar ik verdedig gewoonlijk mijn gevoelen met te veel warmte; en wanneer men tegen mij een onrechtvaardige zaak verdedigt, word ik door mijn hartstocht voor het goed recht wel eens alles behalve redelijk.

Ik gevoel voor deugd en ben geneigd tot het schoone en heb een zoo sterke begeerte om een door en door eerlijk man te zijn, dat mijne vrienden mij geen grooter genoegen kunnen doen dan mij ernstig op mijn gebreken te wijzen. Zij, die mij eenigszins van nabij kennen, en die de goedheid hebben gehad mij soms in dit opzicht raad te geven, weten dat ik hen altijd met alle denkbare vreugde en gewenschte onderworpenheid van den geest heb ontvangen.

Alle mijne hartstochten zijn vrij gematigd en beperkt; bijna nooit zag men mij in woede ontsteken, en gehaat heb ik niemand. Niettemin ben ik wel in staat mij te wreken indien men mij had beleedigd, en wanneer mijn eer betrokken was bij de beleediging, mij aangedaan. In tegendeel, ik ben er zeker van dat het plichtsgevoel in mij zoo goed de rol van haat zou vervullen, dat ik mijn wraakneming nog feller zou ten uitvoer brengen dan een ander.

Eerzucht achtervolgt mij niet. Voor weinig dingen ben ik bang, en in het geheel niet voor den dood. Ik ben weinig toegankelijk voor medelijden, en ik wenschte wel er geheel vrij van te zijn. Toch is er niets dat ik zou verzuimen om de smart van een lijder te verminderen; en ik geloof werkelijk dat men alles behoort te doen, zelfs veel medelijden te betuigen, want de ongelukkigen zijn zoo dwaas, dat dit hun meer goed doet dan wat ook ter wereld. Maar ik hecht er ook aan mij tevreden te stellen met het te betuigen, en er streng op te passen het niet te bezitten. Het is een hartstocht, die in een goed gevormde ziel nergens toe dient; die slechts het hart verzwakt, en die men moet overlaten aan de groote menigte, die, nimmer iets doende, geleid door verstand, hartstochten noodig heeft om tot daden te geraken.

Ik heb mijn vrienden lief, en ik heb hen dusdanig lief, dat ik geen oogenblik zou aarzelen mijne eigen belangen ten hunnen bate op te offeren. Ik ben inschikkelijk tegenover hen; ik verdraag geduldig hun slecht humeur; alleen streel ik hen niet vaak en hun afwezigheid maakt mij niet zeer ongerust.

Van nature ben ik uiterst weinig nieuwsgierig ten opzichte van het meeste dat andere lieden zoo zeer bezig houdt. Ik ben zeer gesloten en ik heb minder moeite, dan wie ook, om wat men mij in vertrouwen heeft gezegd, vóór mij te houden. Ik ben bij uitstek stipt op het houden van mijn woord; ik breek het nooit, welke gevolgen het door mij beloofde ook voor mij moge hebben, en ik heb dit mijn geheele leven als een volstrekt noodzakelijke wet beschouwd.

Tegenover vrouwen neem ik een zeer stipte hoffelijkheid in acht; en ik geloof in hun tegenwoordigheid nimmer iets te hebben gezegd wat haar pijnlijk had kunnen treffen. Wanneer zij een goed verstand hebben geef ik aan een gesprek met haar de voorkeur boven een met mannen; men vindt er zekere zachtheid in, die bij ons niet te vinden is; en het schijnt mij bovendien, dat zij zich zuiverder uitdrukken en een aangenamer tint geven aan de dingen, die zij zeggen. Galant ben ik vroeger wel een weinig geweest; tegenwoordig ben ik het niet meer, hoe jong ik mij ook gevoel. Van hofmakerij heb ik afgezien; en ik ben alleen verbaasd, dat er nog zoo veel beschaafde mannen zijn, die er zich wel mede bezighouden.

Ik juich levendig de schoone hartstochten toe; zij zijn het bewijs van zielegrootheid; en ofschoon er in de onrust, die zij veroorzaken, iets gelegen is, tegenstrijdig met ware wijsheid, verdragen zij zich zóó goed met de strengste deugd, dat men hen, naar mijne meening, met recht niet zou kunnen veroordeelen. Wanneer ik, die alles ken wat er teeders en krachtigs in de groote aandoeningen der liefde is, eens zal beminnen, dan zal het zeker op die wijze zijn; maar zooals ik geaard ben, geloof ik niet dat al die kennis, die ik bezit, ooit van mijn verstand naar mijn hart zal verhuizen.

PORTRET van la Rochefoucauld door den Kardinaal de Retz.

In de geheele figuur van la Rochefoucauld is altijd iets, ik weet niet wat, geweest: hij heeft zich van kindsbeen af, in intriges willen mengen en toen hij de kleine belangen niet opmerkte, die nooit zijn zwak zijn geweest, en de groote niet kende, die, aan den anderen kant, nimmer zijne sterke zijde waren; hij is nimmer voor eenige onderneming geschikt geweest, en ik weet niet waarom, want hij had eigenschappen, die, bij ieder ander diegene, welke hij miste, zouden hebben kunnen vervangen. Zijn blik was niet vèrziende genoeg, en hij zag zelfs niet gelijktijdig alles, wat binnen zijn bereik lag; maar zijn gezond verstand en degelijk overpeinzen, gevoegd bij zijn zachte manieren, zijn overredingskracht, en zijn gemakkelijk optreden, dat bewonderingswaardig was, moesten, meer dan het geval was, opwegen tegen de zwakte van zijn diep inzicht. Hij had altijd een doorloopende besluiteloosheid, maar ik weet zelfs niet waaraan die is toe te schrijven: zij kan niet in hem gekomen zijn door de vruchtbaarheid zijner verbeelding, die alles behalve levendig is; ik kan haar niet wijten aan de onvruchtbaarheid van zijn oordeel, want, al beschikt hij er niet over bij zijn handelend optreden, hij bezit een goeden voorraad verstand: wij zien de gevolgen dezer besluiteloosheid zonder er de oorzaak van te kennen. Hij is nimmer krijgsman geweest, ofschoon hij een echt soldaat was; uit zich zelf was hij nooit een goed hoveling, ofschoon hij steeds de beste voornemens heeft gehad het te zijn; hij was nimmer een goed lid eener partij, niettegenstaande hij er zijn geheele leven bij betrokken was. Die bedeesdheid en verlegenheid in zijn gezicht, dat gij van hem in het burgerlijke leven kent, heeft zich in zaken in een soort van zelfverdediging omgezet; hij meende er steeds behoefte aan te hebben: hetgeen, gevoegd bij zijne Maximes, die niet voldoende deugd en geloof ademen, en aan zijn gewoonte om zich altijd uit een zaak met evenveel ongeduld terug te trekken, als hij er zich in had begeven, mij tot de overtuiging brengt, dat hij veel beter zou hebben gedaan met zich zelf te kennen en zich tevreden te stellen met, zooals hij gekund had, door te gaan voor den beleefdsten hoveling van zijn eeuw.

REGISTER

OP DE ONDERWERPEN DER MAXIMES

De getallen verwijzen naar de nummers der maximes.

_Aantrekken_, _155_, _274_, _426_.

_Aard_, _142_.

_Afgunst_, _27_, _28_, _328_, _376_, _433_, _476_, _486_.

_Afkeer_, _427_.

_Afwezigheid_, _276_.

_Afstooten_, _155_.

_Ambt_, _164_.

_Armoede_, _54_.

_Bedeesdheid_, _11_, _169_.

_Bedriegen_, _115_, _118_, _127_, _335_, _395_, _434_.

_Behaagzucht_, _241_, _332_, _334_, _349_, _376_.

_Beheerschen_, _151_.

_Beklagen_, _475_.

_Bekrompenheid_, _265_.

_Bekwaamheid_, _199_.

_Belachelijk_, _311_, _326_, _408_, _422_.

_Belang_, _30_, _253_, _390_.

_Beleefdheid_, _260_.

_Beloonen_, _14_.

_Beloven_, _38_.

_Beminnen_, _81_, _85_, _111_, _259_, _277_, _286_, _294_, _330_, _331_, _348_, _351_, _369_, _371_, _374_, _471_.

_Beoordeelen_, _212_.

_Berouw_, _180_.

_Bestendigheid_, _177_.

_Betreuren_, _355_.

_Bevalligheid_, _67_, _240_.

_Bevredigen_, _385_.

_Bewonderen_, _475_.

_Breken_, _351_.

_Burgerlijkheid_, _393_.

_Copie_, _133_.

_Coquetterie_, _107_, _241_, _406_, _418_.

_Daden_, _7_, _57_, _58_, _160_, _161_, _163_, _382_, _409_, _432_.

_Dankbaarheid_, _223_, _224_, _225_, _279_, _298_, _299_, _438_.

_Dapperheid_, _1_, _214_, _216_, _220_.

_Deemoed_, _358_.

_Deugden_, _1_, _171_, _183_, _186_, _187_, _189_, _200_, _218_, _220_, _354_, _388_, _489_.

_Diensten_, _299_.

_Dood_, _23_, _26_, _221_.

_Doorzettingskracht_, _243_.

_Droefheid_, _232_, _233_.

_Drijfveeren_, _409_.

_Dwaasheid_, _156_, _207_, _209_, _231_, _300_, _318_, _415_.

_Dwarse koppen_, _318_.

_Dwazen_, _140_, _309_, _310_, _387_, _414_, _444_.

_Edelmoedigheid_, _246_.

_Eenvoud_, _289_.

_Eer_, _12_, _219_, _270_.

_Eerlijk_, _170_, _202_, _448_.

_Eerzucht_, _7_, _24_, _63_, _91_, _246_, _266_, _490_.

_Eigenaardigheden_, _134_.

_Eigenbelang_, _9_, _39_, _40_, _46_, _187_, _305_, _494_.

_Eigenliefde_, _2_, _3_, _4_, _13_, _88_, _228_, _236_, _247_, _261_, _262_, _339_.

_Eigenschappen_, _90_, _176_, _251_, _284_, _337_, _344_, _365_, _433_, _468_, _498_.

_Fatsoenlijk_, _368_.

_Fortuin_, _1_, _17_, _45_, _47_, _60_, _61_, _153_, _154_, _227_, _323_, _380_, _391_, _392_, _399_, _403_, _435_, _449_.

_Fouten_, _184_, _196_, _422_, _426_, _442_, _494_.

_Fijnheid_, _128_.

_Galanterie_, _131_, _402_, _499_.

_Gebeurtenis_, _59_.

_Geboorteland_, _342_.

_Gebreken_, _31_, _90_, _190_, _194_, _251_, _299_, _327_, _354_, _365_, _397_, _398_, _403_, _411_, _424_, _428_, _493_, _498_.

_Geest_, _44_, _67_, _99_, _100_, _101_, _287_, _340_, _357_, _375_, _456_, _482_, _502_.

_Geestigheid_, _413_, _451_.

_Geestkracht_, _18_.

_Geheugen_, _89_, _313_.

_Geld en goed_, _301_.

_Gelieven_, _312_.

_Geluk_, _18_, _48_, _49_, _53_, _61_, _339_.

_Gemakzucht_, _16_.

_Gematigdheid_, _17_, _18_, _293_, _308_.

_Gemoed_, _290_, _488_.

_Gemoedsstemmingen_, _292_.

_Genadigheid_, _15_, _16_.

_Genegenheid_, _279_.

_Genezing_, _193_.

_Gepast_, _307_.

_Geschillen_, _496_.

_Gesprekken_, _139_.

_Gesternte_, _58_.

_Geven_, _301_.

_Gewaarwordingen_, _255_.

_Geweld_, _363_, _369_.

_Gewichtigheid_, _257_.

_Gezichtspunt_, _104_.

_Gezond verstand_, _67_.

_Gierigheid_, _11_, _167_, _491_, _492_.

_Goede_, _121_, _229_, _303_, _464_.

_Goede wil_, _30_.

_Goedhartigheid_, _236_, _237_, _238_, _275_, _463_, _481_.

_Grofheid_, _129_.

_Grootheid_, _400_.

_Groot man_, _343_.

_Grootmoedigheid_, _248_, _285_.

_Grijsaard_, _93_.

_Gunsteling_, _55_.

_Haast_, _226_.

_Haat_, _55_, _72_, _111_, _328_, _338_.

_Handigheid_, _4_, _170_, _245_, _264_.

_Hart_, _10_, _43_, _98_, _102_, _103_, _108_, _346_, _484_.

_Hartstochten_, _4_, _6_, _7_, _8_, _9_, _10_, _11_, _12_, _27_, _122_, _188_, _262_, _266_, _276_, _334_, _341_, _404_, _422_, _443_, _460_, _466_, _471_, _484_, _485_.

_Helden_, _53_, _185_.

_Hoedanigheden_, _29_, _159_, _162_, _470_.

_Hooge wereld_, _56_, _280_.

_Hoogmoed_, _33_, _36_, _37_, _228_, _234_, _239_, _254_, _267_, _281_, _358_, _450_, _462_, _463_, _472_.

_Hoop_, _38_, _168_.

_Houding_, _249_.

_Huichelarij_, _218_, _233_.

_Humeur_, _7_, _45_, _47_.

_Huwelijk_, _113_.

_Ingenomenheid_, _51_.

_Jaloezie_, _7_, _28_, _32_, _324_, _336_, _361_, _406_, _446_, _472_, _503_.

_Jeugd_, _109_, _261_, _341_, _495_.

_Jong_, _495_, _497_.

_Kansen_, _453_.

_Karaktervastheid_, _477_, _479_.

_Kennissen_, _178_.

_Kieschheid_, _128_.

_Kleinigheden_, _41_.

_Kracht_, _30_, _42_, _44_, _122_.

_Kuischheid_, _1_.

_Kwaad_, _131_.

_Kwaadspreken_, _138_, _148_, _454_, _483_.

_Kwaadwilligheid_, _483_.

_Lafheid_, _215_, _370_.

_Lastig_, _242_.

_Leeftijd_, _207_, _210_, _222_.

_Leiden_, _43_.

_Leven_, _46_, _430_, _435_.

_Levenstijdperk_, _405_.

_Liefde_, _68_, _69_, _70_, _71_, _72_, _73_, _74_, _75_, _76_, _77_, _78_, _111_, _136_, _175_, _176_, _259_, _262_, _266_, _274_, _336_, _349_, _353_, _361_, _362_, _369_, _374_, _376_, _381_, _385_, _395_, _402_, _417_, _418_, _422_, _430_, _440_, _441_, _459_, _466_, _471_, _473_, _477_, _490_, _500_, _501_.

_Liefhebben_, _296_, _321_.

_Liegen_, _63_.

_Lof_, _65_, _144_, _145_, _146_, _147_, _148_, _149_, _150_, _272_.

_Lot_, _52_.

_Luiheid_, _169_, _266_, _398_, _482_, _487_.

_Luim_, _435_.

_Medelijden_, _264_.

_Meening_, _13_.

_Middelmatig_, _375_.

_Mindere_, _452_.

_Minnaar_, _396_, _406_.

_Misdaad_, _465_.

_Moed_, _213_, _397_.

_Mom_, _254_.

_Mooi_, _497_.

_Naam_, (_Groote_), _94_.

_Natuur_, _36_, _63_, _153_, _189_, _404_.

_Natuurlijk_, _372_, _431_.

_Nederigheid_, _254_.

_Nieuwe_, _274_.

_Nieuwsgierigheid_, _173_.

_Omstandigheden_, _215_, _345_, _470_.

_Onaandoenlijkheid_, _20_, _21_.

_Onbestendigheid_, _181_.

_Ondankbaarheid_, _96_, _226_, _299_, _306_, _317_.

_Onderhandelen_, _278_.

_Ondeugden_, _182_, _186_, _187_, _189_, _191_, _192_, _195_, _273_.

_Oneerlijk_, _317_.

_Ongeluk_, _61_, _339_, _386_, _395_, _420_, _496_.

_Onnoozelheid_, _208_.

_Onrecht_, _14_.

_Onschuld_, _465_.

_Ontrouw_, _359_, _360_.

_Onverschrokkenheid_, _217_.

_Onverstandigen_, _59_.

_Onwaarheden_, _282_.

_Oordeel_, _97_, _458_.

_Oorlog_, _219_.

_Openhartigheid_, _184_.

_Oprechtheid_, _62_, _116_, _170_, _366_.

_Opvoeding_, _261_.

_Ouderdom_, _109_, _341_, _408_, _416_, _418_, _423_, _444_, _461_.

_Oud worden_, _423_.

_Philosophen_, _46_, _54_.

_Philosophie_, _22_.

_Prijzen_, _144_, _145_, _146_, _320_, _356_.

_Raad_, _110_, _116_, _283_, _378_.

_Ramp_, _19_, _22_.

_Rechters_, _268_.

_Rechtschapenheid_, _170_, _206_.

_Rein_, _170_.

_Roem_, _157_, _198_, _213_, _221_.

_Rijkdom_, _54_.

_Sappen_, _297_.

_Schamen_, _409_.

_Schande_, _213_, _412_.

_Scherpzinnigheid_, _377_, _425_.

_Schijn_, _302_.

_Schijnen_, _457_.

_Schoonheid_, _474_.

_Schranderheid_, _244_, _269_, _288_.

_Slachtoffer_, _87_.

_Slim_, _236_, _350_, _394_, _407_.

_Slimmerds_, _221_.

_Slimmigheden_, _117_, _124_, _125_.

_Smaak_, _13_, _252_, _258_, _379_, _413_, _467_.

_Spreken_, _142_, _315_, _319_, _383_.

_Standen_, _256_.

_Standvastig_, _11_, _175_, _176_, _177_, _420_.

_Sterven_, _23_.

_Talenten_, _404_, _468_.

_Tegenspoed_, _24_, _25_, _235_.

_Tegenspraak_, _135_.

_Tegenstrijdigheden_, _478_.

_Toeval_, _57_.

_Tranen_, _373_.

_Trots_, _34_, _35_.

_Trouw_, _247_, _381_.

_Vaardigheid_, _404_.

_Vastberadenheid_, _23_.

_Verachtelijk_, _322_.

_Verachting van den dood_, _21_, _504_.

_Verbeelding_, _478_.

_Verbeteren_, _227_.

_Verdienste_, _92_, _95_, _153_, _155_, _156_, _165_, _166_, _273_, _291_, _400_, _419_, _437_, _455_, _474_.

_Verdienstelijk_, _50_, _379_.

_Vergeven_, _330_, _428_, _429_.