Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Part 7
Havelaar was een man van vyf-en-dertig jaren. Hy was slank, en vlug in zyn bewegingen. Buiten zyn korte en bewegelyke bovenlip, en zyn groote flauw-blauwe oogen die, als hy in kalme stemming was, iets droomerigs hadden, maar vuur schoten als een groot denkbeeld hem beheerschte, viel er in zyn voorkomen niets byzonders optemerken. Zyn blonde haren hingen sluik langs de slapen, en ik begryp zeer goed dat weinigen, hem voor 't eerst ziende, op het denkbeeld komen zouden iemand voor zich te hebben, die wat hoofd en hart beide aangaat tot de zeldzaamheden behoorde. Hy was een "vat vol tegenstrydigheids." Scherp als een vlym, en zacht als een meisje, voelde hyzelf altyd het eerst de wonde die zyn bittere woorden geslagen hadden, en hy leed daaronder meer dan de gekwetste. Hy was vlug van begrip, vatte terstond het hoogste, het ingewikkeldste, speelde gaarne met de oplossing van moeielyke vragen, had daarvoor alle moeite, alle studie, alle inspanning veil ... en dikwyls toch begreep hy de eenvoudigste zaak niet, die een kind hem had kunnen uitleggen. Vol liefde voor waarheid en recht, verwaarloosde hy menigmaal zyn eenvoudigste naastbyliggende verplichtingen, om een onrecht te herstellen dat hooger of verder of dieper lag, en dat door de vermoedelyk grootere inspanning van den stryd hem meer aanlokte. Hy was ridderlyk en moedig, maar verspilde, als die andere Don Quichot, zyn dapperheid dikwyls op een windmolen. Hy gloeide van onverzadelyke eerzucht die hem alle gewone onderscheiding in 't maatschappelyk leven, als nietig deed voorkomen, en toch stelde hy zyn grootst geluk in een kalm huiselyk vergeten leven. Dichter in den hoogsten zin van 't woord, droomde hy zich zonnestelsels by een vonk, bevolkte die met schepsels van zyn maaksel, voelde zich heer van een wereld die hyzelf had in 't leven geroepen ... en kon toch zeer goed terstond daarop zonder de minste droomery een gesprek voeren over den prys van de ryst, de regels der taal, of de oekonomische voordeelen eener egyptische hoenderbroeiery. Geen wetenschap was hem geheel vreemd. Hem _ahnde_ wat hy niet wist, en hy bezat in hooge mate de gaaf om 't weinige dat hy wist--ieder weet weinig, en hy, misschien meer wetende dan sommige anderen, maakte op dezen regel geen uitzondering--om dat weinige aantewenden op een wys die de maat zyner kennis vermenigvuldigde. Hy was stipt en ordelyk, en daarby buitengewoon geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem moeielyk vielen, daar zyn geest iets wilds had. Hy was langzaam en omzichtig in 't beoordeelen van zaken, hoewel dit niet zoo scheen aan wie hem zoo haastig zyn slotsommen hoorden uiten. Zyn indrukken waren te levendig, dan dat men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hy dikwyls dat ze duurzaam waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem aan, en tegelyker-tyd was hy onnoozel en naïf als een kind. Hy was eerlyk, vooral waar eerlykheid in 't grootmoedige overging, en zou honderden die hy schuldig was, onbetaald laten omdat hy duizenden had weggeschonken. Hy was geestig en onderhoudend wanneer hy gevoelde dat zyn geest begrepen werd, maar anders stug en teruggetrokken. Hartelyk voor zyn vrienden, maakte hy--wat te snel soms--zyn vriend van al wat leed. Hy was gevoelig voor liefde en aanhankelykheid ... trouw aan zyn gegeven woord ... zwak in kleinigheden, maar standvastig tot hoofdigheid toe, waar 't hem de moeite waard scheen karakter te toonen ... nederig en welwillend voor wie zyn geestelyk overwicht erkenden, doch lastig wanneer men poogde zich daartegen te verzetten ... rondborstig uit trots, en by vlagen achterhoudend, waar hy vreesde dat men zyn oprechtheid zou aanzien voor onverstand ... evenzeer vatbaar voor zinnelyk als voor geestelyk genot ... beschroomd en slecht bespraakt waar hy meende niet begrepen te worden, maar welsprekend als hy gevoelde dat zyn woorden op willigen bodem vielen ... traag als hy niet werd aangespoord door eenigen prikkel die voortkwam uit zyn eigen ziel, maar yverig, vurig, en doortastend waar dit wel het geval was ... voorts, vriendelyk, beschaafd in zyn manieren, en onberispelyk van gedrag: ziedaar nagenoeg Havelaar!
Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen moeyelyk zyn, geldt dit vooral van de beschryving van een persoon die zeer ver van den dagelykschen grondvorm afwykt. Het zal dan ook wel hierom wezen, dat romandichters hun helden gewoonlyk tot duivels of engelen maken. Zwart of wit laat zich gemakkelyk schilderen, maar moeielyker is 't juist weergeven van schakeeringen die daartusschen liggen, wanneer men aan waarheid gebonden is en dus noch te donker noch te licht mag kleuren. Ik gevoel dat de schets die ik van Havelaar trachtte te geven, hoogst onvolkomen is. De bouwstoffen die voor me liggen, zyn van zoo uiteenloopenden aard, dat ze my door overmaat van rykdom in myn oordeel belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het ontwikkelen der gebeurtenissen die ik wensch meetedeelen, ter-aanvulling terugkomen. Dit is zeker, hy was een ongewoon mensch, en wel de moeite van 't bestudeeren waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een zyner hoofdtrekken optegeven, dat hy de belachelyke en de ernstige zyde der dingen met dezelfde snelheid en te-gelykertyd opvatte, aan welke eigenschap zyn wyze van spreken, zonder dat hyzelf dit wist, een soort van _humor_ ontleende, die zyn toehoorders gedurig in twyfel bracht, of ze getroffen waren door 't diep gevoel dat in zyn woorden heerschte, of dat ze te lachen hadden over de koddigheid die op-eenmaal den ernst daarvan afbrak.
Opmerkelyk was 't dat zyn voorkomen, en zelfs zyn aandoeningen, zoo weinig sporen droegen van zyn doorgebracht leven. Het roemen op ondervinding is een belachelyke gemeenplaats geworden. Er zyn lieden die vyftig of zestig jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze beweren te zwemmen, en die van al dien tyd weinig anders zouden kunnen verhalen dan dat ze verhuisd zyn van de A-gracht naar de B-straat. Niets is gewoner dan op ervaring te hooren bogen, juist door hen die hun gryze haren zoo gemakkelyk verkregen. Anderen weer meenen hun aanspraken op ondervinding te mogen gronden op werkelyk ondergane lotwisseling, zonder dat echter uit iets blykt dat ze door die veranderingen werden aangegrepen in hun zieleleven. Ik kan me voorstellen dat het bywonen, of ondergaan zelfs, van gewichtige gebeurtenissen weinig of geen invloed heeft op zeker soort van gemoederen, die niet zyn toegerust met de vatbaarheid om indrukken optevangen en te verwerken. Wie hieraan twyfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen toekennen aan al de bewoners van Frankryk, die veertig of vyftig jaren oud waren in 1815? En zy allen waren toch personen die 't belangryk drama dat in 1789 aanving, hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer of min gewichtige rol, dat drama hadden meegespeeld.
En, omgekeerd, hoe velen ondergaan een reeks van aandoeningen, zonder dat de uiterlyke omstandigheden hiertoe schenen aanleiding te geven. Men denke aan de Crusoë-romans, aan Silvio Pellico's gevangenschap, aan 't allerliefste _Picciola_ van Saintine, aan den stryd in de borst eener "oude vryster" die haar geheel leven door, één liefde koesterde, zonder ooit door een enkel woord te verraden wat er omging in haar hart, aan de aandoeningen van den menschenvriend die, zonder uiterlyk in den loop der gebeurtenissen betrokken te zyn, vurig belang stelt in 't welzyn van medeburger of medemensch. Men stelle zich voor, hoe hy beurtelings hoopt en vreest, hoe hy elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een schoon denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging, als hy het ziet wegdringen en vertrappen door de velen die, voor een oogenblik althans, sterker waren dan schoone denkbeelden. Men denke aan den wysgeer die van uit zyn cel aan 't volk tracht te leeren wat waarheid is, als hy bemerken moet dat zyn stem overschreeuwd wordt door piëtistische huichelary of gewinzoekende kwakzalvers. Men stelle zich Sokrates voor--niet als hy den gifbeker ledigt, want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en niet die welke rechtstreeks door uiterlyke omstandigheden veroorzaakt wordt--hoe bitter bedroefd zyn ziel moet geweest zyn, toen hy die 't goede en ware zocht, zich hoorde noemen "een bederver der jeugd en een verachter der goden."
Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hy zoo treurig staart op Jeruzalem, en zich beklaagt "dat het niet gewild heeft."
Zulk een kreet van smart--vóór gifbeker of kruishout--vloeit niet uit een ongedeerd hart. Dáár moet geleden zyn, veel geleden, daar is _ondervonden_!
Deze tirade is me ontsnapt ... ze staat er nu eenmaal, en blyve. Havelaar had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt tegen de verhuizing van de A-gracht! Hy had schipbreuk geleden, meer dan eens. Hy had brand, oproer, sluikmoord, oorlog, duëllen, weelde, armoede, honger, cholera, liefde en "liefden" in zyn dagboek staan. Hy had vele landen bezocht, en omgang gehad met lieden van allerlei ras en stand, zeden, vooroordelen, godsdienst en gelaatskleur.
Wat dus de levensomstandigheden aangaat, _kon_ hy veel ondervonden hebben. En dat hy werkelyk veel ondervonden hàd, dat hy 't leven niet was doorgegaan zonder de indrukken _optevangen_ die 't hem zoo ruimschoots aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zyn geest borg wezen, en de ontvankelykheid van zyn gemoed.
Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen konden hoeveel hy had bygewoond en geleden, dat hiervan zoo weinig op zyn gelaat te lezen was. Wel sprak er uit zyn trekken iets als vermoeienis, doch dit deed eer denken aan vroegrype jeugd dan aan naderenden ouderdom. En naderende ouderdom had het toch moeten zyn, want in Indiën is de man van vyfendertig jaar niet jong meer.
Ook zyn aandoeningen, zeide ik, waren jong gebleven. Hy kon spelen met een kind, en als een kind, en meermalen klaagde hy dat "kleine Max" nog te jong was om vliegers optelaten, omdat hy "de groote Max" daarvan zoveel hield. Met jongens sprong hy "haasjen-over" en hy teekende heel gaarne een patroon voor 't borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hy dezen meermalen de naald uit de hand, en vermaakte zich met dat werk, ofschoon hy dikwyls zei dat ze wel wat beters konden dan dat "machinale steken tellen." By jongelieden van achttien jaren was hy een jong student, die gaarne zyn _Patriam canimus_ zong, of _Gaudeamus igitur_ ... ja, ik ben niet geheel zeker, dat hy niet nog zeer kort geleden, toen hy met verlof te Amsterdam was, een uithangbord heeft afgebroken, dat hem niet behaagde omdat er een neger op geschilderd was, geboeid aan de voeten van een Europeaan met een lange pyp in den mond, en waaronder natuurlyk te lezen stond: _de rookende jonge koopman_.
De _baboe_ die hy uit den wagen had geholpen, geleek op alle baboes in Indie, als ze oud zyn. Wanneer ge deze soort van bedienden kent, behoef ik u niet te zeggen hoe zy er uitzag. En als gy ze niet kent, kan ik het u niet zeggen. Dit alleen onderscheidde haar van andere kindermeiden in Indie, dat ze zeer weinig te doen had. Want mevrouw Havelaar was een voorbeeld van zorg voor haar kind, en wat er voor of met de kleine Max te doen viel, deed zyzelf, tot groote verwondering van veel andere dames, die niet goedkeurden dat men zich maakte tot "slavin van zyn kinderen."
ZEVENDE HOOFDSTUK
De resident van _Bantam_ stelde den Regent en den kontroleur aan den nieuwen adsistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten hoffelyk. Den kontroleur--er is altyd iets pynlyks in de ontmoeting van een nieuwen chef--zette hy door eenige vriendelyke woorden op zyn gemak, als wilde hy terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die 't verkeer zou gemakkelyk maken. Met den Regent was zyn ontmoeting zooals dit behoorde met een persoon die den gouden _pajong_ voert[34] maar die te-gelykertyd zyn "jonger broeder" wezen zou. Met deftige minzaamheid berispte hy hem over zyn te vurigen dienstyver, die in zùlk een weder hem tot aan de grenzen zyner afdeeling gevoerd had, 'tgeen dan ook de Regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had behoeven te doen.
--Waarlyk, mynheer de _Adhipatti_, ik ben boos op u dat ge u zooveel moeite gegeven hebt om-mynentwil! Ik dacht u eerst te _Rangkas-Betoeng_ aantetreffen.
--Ik wenschte den heer adsistent-resident zoo spoedig mogelyk te zien om vriendschap te sluiten, zei de _Adhipatti_.
--Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te-paard nogal!
--Ja, mynheer de adsistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog altyd vlug en sterk.
--Dit is te veel van uzelf gevergd! Niet waar, resident?
--De heer _Adhipatti_. Is. Zeer.
--Goed, maar er is een grens.
--Yverig, sleepte de resident achterna.
--Goed, maar er is een grens, moest Havelaar nogeens zeggen, als om 't vorige terugteslikken. Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats in den wagen maken. De _baboe_ kan hier blyven, we zullen haar een _tandoe_[35] zenden van _Rangkas-Betoeng_. Myn vrouw neemt Max op den schoot ... niet waar, Tine? En dan is er plaats genoeg.
--Het. Is. My.
--Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in ...
--Wèl! zei de resident.
--Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te-paard door den modder zoudt klepperen ... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan met-een terstond kennis maken. Niet waar, Tine, we zullen ons wel schikken? Hier, Max ... kyk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig kereltje? Dat is myn kleine jongen ... dat is Max!
De resident had met den _Adhipatti_ in de _pendoppo_ plaats genomen. Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wien die schimmel behoorde met roode schabrak? En toen Verbrugge naar den ingang van de _pendoppo_ trad, om te zien welk paard hy bedoelde, legde hy dezen de hand op den schouder, en vroeg:
--Is de Regent altyd zoo dienstyverig?
--'t Is een kras man voor zyn jaren, m'nheer Havelaar, en u begrypt dat hy gaarne een goeden indruk op u maken zou.
--Ja, dat begryp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord ... hy is beschaafd, niet waar?
--O ja ... En hy heeft een groote familie?
Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hy dezen overgang niet. Dit was dan ook, voor wie hem niet kende, dikwyls moeielyk. De vlugheid van zyn geest deed hem in gesprekken meermalen eenige schakels der redeneering overslaan, en hoe geleidelyk ook deze overgang plaats vond in _zyn_ gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan zyn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men by zulk een gelegenheid hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: ben je gek ... of hoe is het?
Zoo-iets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest de vraag herhalen, vóór hy antwoordde:
--Ja, hy heeft een zeer uitgebreide familie.
--En zyn er _Medjiets_ in aanbouw in de afdeeling? ging Havelaar voort, alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf, scheen aanteduiden dat er verband bestond tusschen die _moskeën_ en de "groote familie" van den Regent.
Verbrugge antwoordde dat er werkelyk veel aan moskeën gearbeid werd.
--Ja, ja, dat wist ik wel! riep Havelaar. En zeg me nu eens, of er veel achterstand is in de betaling van de landrenten?
--Ja, dat kon wel beter zyn ...
--Juist, en vooral in het distrikt _Parang-Koedjang_, zei Havelaar, als vond hy 't makkelyker zelf te antwoorden. Hoe hoog is de aanslag van dit jaar? ging hy voort, en bemerkende dat Verbrugge eenigszins weifelde, als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in één adem aldus vervolgde:
--Goed, goed, ik weet het al ... zes-en-tachtig duizend en eenige honderden ... vyftien duizend meer dan in 't vorige jaar ... doch maar zesduizend boven '45. We zyn sedert '43 maar achtduizend vooruit gegaan ... en ook de bevolking is zeer schraal ... nu ja, Malthus! In twaalf jaar zyn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag, want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig ... en nog! Van '50 op '51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit ... dat is een slecht teeken, Verbrugge![36] Wat drommel, zie dat paard eens springen, ik geloof dat het koldert ... kom eens kyken, Max!
Verbrugge bemerkte dat hy den nieuwen adsistent-resident weinig zou te leeren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door "lokale ancienneteit" wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.
--Maar 't is natuurlyk, ging Havelaar voort, terwyl hy Max op den arm nam. In het _Tjikandische_ en _Bolangsche_ zyn ze er heel bly om ... en de opstandelingen in de _Lampongs_ ook.[37] Ik beveel me zeer aan voor uw medewerking, m'nheer Verbrugge! De Regent is een man van jaren, en dus moeten we ... zeg eens, is zyn schoonzoon nog altyd distriktshoofd? Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelykheid verdient ... de Regent, meen ik. Ik ben zeer bly dat hier alles zoo achterlyk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blyven.
Hierop reikte hy aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkeerende naar de tafel waar de resident, de _Adhipatti_ en mevrouw Havelaar gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vyf minuten vroeger, dat "die Havelaar zoo gek niet was" als de kommandant meende. Verbrugge was volstrekt niet misdeeld van verstand, en hy die de afdeeling _Lebak_ kende, nagenoeg zoo goed als een zoo groote landstreek, waar niets gedrukt wordt, door één persoon gekend worden kàn, begon intezien dat er toch verband was tusschen de schynbaar niet samenhangende vragen van Havelaar, en tevens dat de nieuwe adsistent-resident, hoezeer hy nooit de afdeeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hy nog altyd die vreugde niet over de armoede in _Lebak_, maar hy drong zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel, toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zeide, zag hy in hoeveel groots en edels er was in die vreugde.
Havelaar en Verbrugge namen plaats by de tafel, en onder 't gebruiken van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso den resident kwam berichten dat de versche paarden waren voorgespannen. Men pakte zich zoo goed mogelyk in den wagen, en reed heen. Door 't hotsen en stooten viel 't spreken moeielyk. Kleine Max werd rustig gehouden met _pisang_[38] en zyn moeder die hem op den schoot had, wilde volstrekt niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van den zwaren jongen te ontlasten. In een oogenblik van gedwongen rust in een moddergat, vroeg Verbrugge den resident, of hy met den nieuwen adsistent-resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering?
--M'nheer. Havelaar. Heeft. Gezegd.
--Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan by ons blyven. Ik zou niet gaarne ...
--Dat. Het. Goed. Was. sleepte de resident er met veel moeite by.
--Ik zou niet gaarne myn huis ontzeggen aan een dame in háár omstandigheden! Zoo-iets spreekt vanzelf ... niet waar, Tine?
Ook Tine meende dat het vanzelf sprak.
--U heeft twee huizen te _Rangkas-Betoeng_, zei Verbrugge. Er is ruimte in overvloed voor twee familien.
--Maar, al was dit zoo niet.
--Ik. Durfde. Het. Haar.
--Wel, resident, riep mevrouw Havelaar, er is geen twyfel aan!
--Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.
--Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen by ons.
--Een. Groote. Last. En. Zy. Is.
--Maar het reizen in haar pozitie is onmogelyk, resident!
Een hevige schok van den wagen die ontmodderd werd, zette een uitroepingsteeken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelyk was voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelyke _hè_! geroepen, dat op zulk een stoot volgt, Max had in den schoot zyner moeder de _pisang_ weergevonden, die hy door den schok verloor, en reeds was men een heel eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident besluiten kon zyn zinsnede te voleinden, door er bytevoegen:
--Een. Inlandsche. Vrouw.
--O, dit is volkomen hetzelfde, trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar te maken. De resident knikte, als vond hy het goed dat die zaak dus geregeld was, en daar het spreken zoo moeielyk viel, brak men 't gesprek af.
Die Mevrouw Slotering was de weduw van Havelaars voorganger die twee maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorloopig belast met het ambt van adsistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende dien tyd de ruime woning te betrekken, die te _Rangkas-Betoeng_, zooals in elke afdeeling, van-landswege voor 't hoofd van het gewestelyk bestuur is opgericht. Hy had dit echter niet gedaan, gedeeltelyk misschien uit vrees dat hy te spoedig op-nieuw zou moeten verhuizen, gedeeltelyk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen overtelaten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vry groote adsistent-residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde "erf" nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in-weerwil van den eenigszins bouwvalligen staat, nog altyd zeer geschikt was ter bewoning.
Mevrouw Slotering had den resident verzocht haar voorspraak te zyn by den opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te bewonen tot na haar verlossing, die zy over eenige maanden te-gemoet zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zyn vrouw zoo gereedelyk was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvry en hulpvaardig waren zy in de hoogste mate.
We hoorden den resident zeggen dat mevrouw Slotering een "inlandsche vrouw" was. Dit vereischt voor niet-indische lezers eenige opheldering, daar men al licht tot de onjuiste meening geraken zou hier met een eigenlyk-javaansche te doen te hebben.
De europesche maatschappy in Nederlandsch Indiën is vry scherp in twee deelen gesplitst: de eigenlyke Europeanen, en dezulken die--hoezeer wettelyk in geheel denzelfden rechtstoestand verkeerende--niet in Europa geboren zyn, en min of meer inlandsch bloed in de aderen hebben. Ter-eere der begrippen van menschelykheid in Indie, haast ik me hier bytevoegen dat, hoe scherp ook de lyn zy, die in 't maatschappelyk verkeer wordt getrokken tusschen de twee soorten van individuën, welke tegenover den inlander gelykelyk den naam van _Hollander_[39] dragen, deze afscheiding evenwel geenszins 't barbaarsch karakter vertoont, dat in Amerika by de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er nog altyd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blyft bestaan, en dat het woord _liplap_ my meermalen in de ooren klonk als een bewys hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving verwyderd is. Het is waar dat de liplap niet dan by-uitzondering in gezelschappen wordt toegelaten, en dat hy gewoonlyk, als ik me hier van een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: "niet voor vol wordt aangezien" maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting hooren voorstellen en verdedigen als een _grondbeginsel_. Het staat natuurlyk ieder vry, zyn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men mag het den eigenlyken Europeaan niet euvel duiden, wanneer hy den omgang met lieden van zyn landaard voortrekt boven 't verkeer met personen die--hun meer of minder zedelyke en verstandelyke waarde in 't midden gelaten--zyn indrukken en denkbeelden niet deelen, of--en dit is misschien by vermeend verschil van _beschaving_, zeer dikwyls de hoofdzaak--wier _vooroordeelen een andere richting hebben genomen_ dan de zyne.[40]