Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 5

Chapter 5 3,557 words Public domain Markdown

Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de _Ryks-, Mark-, Gau-_, en _Burggraven_ van het duitsche Ryk evenzoo door den Keizer aangesteld, en meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over den oorsprong des adels, die geheel in de natuur ligt, wensch ik toch plaats te geven aan de opmerking hoe in òns werelddeel en ginds in 't verre Indie, dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verren afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten noodig, die 't centraaal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de _Praefecten_, in den aanvang gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: _provincien_, dat is: _win_gewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitschen Ryks behoefte voelde, eenig ver gelegen volk aan zich te binden op andere wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zoodra een verwyderde streek werd beschouwd als door gelykheid in afkomst, taal en gewoonten tot het Ryk te behooren, deed zich de noodzakelykheid gevoelen, iemand met de leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers, gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger ten-laste der algemeene staatskas, of, zooals meestal geschiedde, ten-laste van de gewesten zelf, die door zoodanig leger moesten bewaakt worden. Zoo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands, en strikt genomen is dus 't woord _graaf_ geen adellyke titel, doch slechts de benaming van een met zeker _ambt_ belasten persoon. Ik geloof dan ook dat in de middeleeuwen de meening gold, dat de duitsche Keizer wel 't recht had, graven, d.i. _landschapsbestuurders_, en hertogen, d.i. _heiraanvoerders_, te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat hun geboorte aangaat, aan den Keizer gelyk te zyn en alleen van God aftehangen, behoudens de verplichting den Keizer te dienen, voor-zoo-ver deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf bekleedde een _ambt_ waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron beschouwde zich als baron "_door de genade Gods_." De graven vertegenwoordigden den Keizer, en voerden als zoodanig _diens_ banier, d.i. den Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder zyn eigen vaan, als _baanderheer_.

De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in de schaal legden by den invloed dien zy aan hun geboorte ontleenden, en hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelykheid dezer betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, dien deze titels hadden boven dien van baron. Nog heden-ten-dage zou menige vryheerlyke familie--zonder keizerlyk of koninklyk patent, dat is een zoodanige familie, die haren adel afleidt van het ontstaan des lands, die _altyd_ van adel was _omdat_ ze van adel was--_autochthoon_--een verheffing tot den gravenstand, als derogeerend afwyzen. Er zyn voorbeelden van.

De personen die met het bestuur van zoodanig graafschap belast waren, trachtten natuurlyk van den Keizer te verkrygen dat hun zoons, of, by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat ooit het recht op deze opvolging _organisch_ is erkend geworden, althans wat deze beambten in de _Nederlanden_ aangaat, by-voorbeeld, de graven van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant, Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte, en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet.

Nagenoeg op gelyke wyze--wat de keus der personen aangaat, daar hier geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht zekere overeenstemming in 't oog valt--staat aan het hoofd eener afdeeling op Java, een inlandsch beambte die den hem door het gouvernement gegeven rang met zijn _autochthoonen_ invloed verbindt, om aan den europeschen ambtenaar die 't _nederlandsch_ gezag vertegenwoordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de erfelykheid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte geworden. Reeds by het leven van den Regent is deze zaak meestal geregeld, en 't geldt als een belooning voor dienstyver en trouw, indien men hem de toezegging geeft dat hy in zijn betrekking door zyn zoon zal worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige redenen bestaan, voor er van dezen regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht, kiest men toch gewoonlyk den opvolger uit de leden van dezelfde familie.

De verhouding tusschen europesche ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste javaansche grooten, is van zeer kieschen aard. De adsistent-resident eener afdeeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktien, en wordt verondersteld het hoofd der afdeeling te zyn. Dit belet echter niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboorte, door invloed op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hiermede overeenstemmende levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als vertegenwoordiger van 't _javaansch element_ eener landstreek, en verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer duizend zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de oogen van 't Gouvernement een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige _europesche_ beambte, wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem vele anderen in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand.

Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlyk de _mindere_ den _meerdere_ beveelt. De adsistent-resident gelast den Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen. Hy roept hem op, zitting te nemen in den landraad, waarin hy adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelyk gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch hartelykheid, noch, waar 't noodig blyken mocht, strengheid behoeven uittesluiten en ik geloof dat de toon die in deze verhouding heerschen moet, vry wel wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaangaande: de _europesche_ ambtenaar hebbe den _inlandschen_ beambte die hem ter-zyde staat, te behandelen als zyn _jonger broeder_.

Maar hy vergete niet dat deze _jonger broeder_ by de ouders zeer bemind --of gevreesd--is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meerdere jaren zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen dat hy zyn _jonger broeder_ niet met meer inschikkelykheid of takt behandelde.

De aangeboren hoffelykheid van den javaanschen groote--zelfs de geringe Javaan is veel beleefder dan zyn europesche standgenoot--maakt evenwel deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou.

De Europeaan zy wel-opgevoed en kiesch, hy gedrage zich met vriendelyke waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte, rykdom, wordt uitgewischt door den Regent zelf, die den Europeaan, als vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en ten-slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer.

Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom den voorrang hadden boven den europeschen ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Europeaan, als hy geroepen wordt tot het besturen eener provincie die in oppervlakte met vele duitsche hertogdommen gelyk staat, is gewoonlyk iemand van middelbaren of meer dan middelbaren leeftyd, gehuwd en vader. Hy bekleedt een ambt _om den broode_. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en zelfs vaak _niet_ voldoende, om aan de zynen het noodige te verschaffen. De Regent is: _Tommongong, Adhipatti_, ja zelfs _Pangerang_, d.i. javaansch prins. De vraag is voor hem niet dat hy leve, hy moet zóó leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de _Europeaan_ een huis bewoont, is dikwyls _zyn_ verblyf een _Kratoon_, met vele huizen en dorpen daarin. Waar de _Europeaan_ ééne vrouw heeft met drie, vier kinderen, onderhoudt _hy_ een tal van vrouwen met wat daarby behoort. Waar de _Europeaan_ uitrydt, gevolgd door eenige beambten, niet meer dan er by zyn inspektiereis noodig zyn tot het geven van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden die tot het gevolg behooren, dat in de oogen des volks onafscheidelyk is van zyn hoogen rang. De _Europeaan_ leeft burgerlyk, de Regent leeft --of wordt verondersteld te leven--als een vorst.

Doch dit alles moet _betaald_ worden. Het nederlandsch bestuur dat zich op den invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte die den _niet_-Indier overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van zoodanig inlandsch Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten die twee-ja driemaal honderd duizend gulden 's jaars inkomen hebben, in geldverlegenheid te zien verkeeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't ware vorstelyke, onverschiligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen, hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en _vooral_ het misbruik--dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt door Europeanen.

De inkomsten der javaansche Hoofden zou men in vier deelen kunnen splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't nederlandsch bestuur. Ten-derde, een belooning in evenredigheid met de hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffi, suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de willekeurige beschikking over den arbeid en de eigendommen hunner onderhoorigen.

De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen eenige opheldering. De Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden zyner _sawah's_ en _gagah's_ en _tipar's_[15] vergezelt reeds op zeer jeugdigen leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent den tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis onder de makkers die met hem _padie_ sneden[16] hy zoekt zyn vrouw onder de meisjes der _dessah_[17] die 's avends onder vroolyk gezang de ryst stampen om ze te ontdoen van den bolster ... het bezit van een paar buffels die zyn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht ... kortom, de rystbouw is voor den Javaan, wat in de Rynstreken en in het zuiden van Frankryk, de wynoogst is.

Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen op de markten van _Europa_. Om den geringen man hiertoe te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde noodig. Hy gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door hun een gedeelte van de winst toetezeggen, en ... het gelukte volkomen.

Als men let op de ontzettende massa javasche produkten die in Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen of de landbouwer zelf eene met deze uitkomst evenredige belooning geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regeering verplicht hem op _zyn_ grond aantekweeken wat _haar_ behaagt, ze straft hem wanneer hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy buiten háár, en _zyzelf_ bepaalt den prys dien ze hem daarvoor uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van een bevoorrecht handelslichaam, _zyn_ hoog. De aan de Hoofden toegelegde aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen den inkoopprys, en ... daar toch ten-slotte de geheele zaak winst afwerpen _moet_, kan deze winst niet anders worden gevonden dan door juist zóóveel aan den javaan uittebetalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende kracht der natie verminderen zou.

Ook aan de europesche beambten wordt een belooning uitbetaald in evenredigheid met de opbrengst.[18]

Wel wordt dus de arme Javaan voorgezweept door dubbel gezag, wel wordt hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak 't gevolg van deze maatregelen, doch ... vroolyk wapperen te Batavia, te Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken.

_Hongersnood_? Op het ryke vruchtbare gezegende Java, _hongersnood_? Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van honger.[19] Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders hebben hun kinderen gegeten ...

Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding der dusgenaamde _europesche-marktprodukten_ voortaan niet weder zou voortzetten tot hongersnood toe ...

Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke zaken kon neerschryven _zonder_ bitterheid?

My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der inkomsten van inlandsche hoofden: het willekeurig beschikken over personen en eigendommen hunner onderhoorigen.

Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azie, behoort de onderdaan met al wat hy bezit, aan den vorst. Dit is ook op Java het geval, en de afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar _Tommongong_ of _Adhipatti_ of _Pangerang_ thans een _bezoldigd ambtenaar_ is die zyn eigen en hare rechten voor een bepaald inkomen verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door de heeren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus gewoner dan dat honderde huisgezinnen van verren afstand worden opgeroepen om _zonder betaling_ velden te bewerken, die den Regent toebehooren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van levensmiddelen ten-behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men 't ongehoord vinden, als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde.

Er zyn Regenten, die van zoodanige willekeurige beschikkingen een matig gebruik maken, en niet meer van den geringen man vorderen, dan tot het ophouden van hun rang volstrekt noodig is. Anderen gaan iets verder, en geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk ja onmogelyk, zoodanig misbruik _geheel_ uitteroeien, daar het diep geworteld is in den aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid aan zyn Hoofd, aan den afstammeling van hen wien zyn vaderen gehoorzaamden. Ja, hy zou meenen te-kort te doen aan den eerbied dien hy aan zyn erfelyken heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens _kratoon_ betrad. Zulke geschenken zyn dan ook dikwyls van zoo weinig waarde, dat het afwyzen iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzoo deze gewoonte eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot den vader tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan optevatten als schatting aan dwingelandsche willekeur.

Maar ... aldus wordt door een _lief gebruik_, de afschaffing van _misbruik_ belemmerd. Indien de _aloen-aloen_[20] voor de woning van den Regent in verwilderden staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover beschaamd wezen, en er ware veel gezags noodig om haar te _beletten_ dat plein van onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met den rang des Regents overeenstemt. Hiervoor eenige betaling te geven, zou algemeen als een beleediging worden aangemerkt. Maar naast dien _aloen-aloen_, of elders, liggen _Sawah's_ die op den ploeg wachten, of op een leiding die het water daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver ... deze _Sawah's_ behooren den Regent. Hy roept, om _zyn_ velden te bewerken of te besproeien, de bevolking van gansche dorpen op, wier eigen _Sawah's_ evenzeer behoefte hebben aan bearbeiding ... ziedaar het _misbruik_.

Dit is aan de Regeering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de wetten, instruktien en handleidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht de menschlievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben voorgezeten. Alom wordt den Europeaan, met gezag in de binnenlanden bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en de hebzucht der Hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting voorteschryven _in 't algemeen_, er wordt nog van de _adsistent-residenten_, by de aanvaarding van 't bestuur eener afdeeling, een _afzonderlyke eed_ gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen als een eersten plicht.

Dit is voorzeker een schoone roeping. Rechtvaardigheid voortestaan, den geringe te beschermen tegen den machtige, den zwakke te beschutten tegen de overmacht van den sterke, het ooilam van den arme terug te vorderen uit de stallen des vorstelyken roovers ... zie, 't is om 't hart te doen gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zóó schoons! En wie in de javasche binnenlanden soms ontevreden moge zyn met standplaats of belooning, hy sla het oog op den verheven plicht die op hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de vervulling van _zulk_ een plicht met zich brengt, en hy zal geen andere belooning begeeren.

Maar ... gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te beoordeelen, waar het _gebruik_ heeft opgehouden om voor _misbruik_ plaats te maken? En ... waar het misbruik _bestaat_, waar inderdaad roof of willekeur gepleegd _is_, zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees, hetzy uit wantrouwen op den wil of de macht der persoon die hen beschermen moet. Ieder weet dat de _europesche_ beambte elk oogenblik kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de _Regent, de machtige Regent_, dáár blyft. Voorts zyn er zoo véél manieren om zich het eigendom van een arm onnoozel mensch toeteëigenen! Als een _mantrie_[21] hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van den Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen was--o, zeker!--daarvoor een hoogen prys te betalen ... te-eeniger-tyd. Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd, zonder daarvoor betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet geschieden ten _zynen_ behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun den oogst overtelaten uit de menschlievende berekening dat zyn grond beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder beloonen zou?

Bovendien, vanwaar haalt de europesche beambte de getuigen die den moed hebben een verklaring te doen tegen hun heer, den gevreesden Regent? En, waagde hy een beschuldiging, _zonder die te kunnen bewyzen_, waar blyft dan de verhouding van _ouder broeder_, die in zulk geval zyn _jongeren broeder_ zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de gunst van de Regeering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat brood opzegt, hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hy een zoo hooggeplaatst persoon als een _Tommongong, Adhipatti_ of _Pangerang_ had verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid?

Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat de neiging der inlandsche Hoofden om de grens van 't geoorloofd beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhoorigen te overschryden, overal volmondig erkend wordt ... dat alle adsistent-residenten den eed doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en ... dat toch slechts _zeer_ zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik van gezag.

Er schynt dus wel een byna-onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om gevolg te geven aan den eed: "_de inlandsche bevolking te beschermen tegen uitzuiging, en knevelary_."

ZESDE HOOFDSTUK

De kontroleur Verbrugge was een goed mensch. Als men hem daar zag zitten in zyn blauw-lakenschen frak, met geborduurde eiken- en oranjetakken op kraag en mouw-opslagen, was 't moeielyk in hem den type te miskennen die voorheerscht onder de Hollanders in Indie ... een menschensoort, in 't voorbygaan gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in Holland. Traag zoolang er niets te doen viel, en ver van de beredderingzucht die in Europa voor yver geldt, maar yverig waar bezigheid noodig was ... eenvoudig maar hartelyk voor wie tot zyn omgeving behoorden ... mededeelzaam, hulpvaardig en gastvry ... welgemanierd zonder styfheid ... vatbaar voor goede indrukken ... eerlyk en oprecht, zonder evenwel lust te voelen de martelaar van deze hoedanigheden te worden ... in 't kort, hy was een man die, zooals men 't noemt, overal op zyn plaats zou wezen, zonder dat men echter op 't denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen, wat hy dan ook niet begeerde.

Hy zat in 't midden van de _pendoppo_ by de tafel die met een wit kleed bedekt, en met spyzen beladen was. Wel eenigszins ongeduldig vroeg hy van-tyd tot-tyd, met de woorden der zuster van mevrouw Blauwbaard, aan den _mandoor_-oppasser, dat is het hoofd van de policie- en bureaudienaren der adsistent-residentie, of er niets in aantocht was? Dan stond hy eens op, beproefde vergeefs zyn sporen te doen kletteren op den gestampten kleivloer van de _pendoppo_, stak voor de twintigste maal zyn sigaar aan, en ging, als te-leurgesteld, weer zitten. Hy sprak weinig.

En toch had hy kùnnen spreken, want hy was niet alleen. Ik bedoel hiermee nu juist niet dat hy vergezeld was van de twintig of dertig Javanen, bedienden, _mantries_ en oppassers die op den grond gehurkt in en buiten de _pendoppo_ zaten, noch van de velen die aanhoudend uit-en inliepen, noch van 't groot aantal inlanders van verschillenden rang, dat daar buiten de paarden vasthield, of te-paard rondreed ... neen, de Regent zelf van Lebak, _Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara_, zat tegenover hem.