Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 33

Chapter 33 1,805 words Public domain Markdown

177. In de derde alinea van dezen brief wordt my 't vervullen van myn voorgeschreven plicht tot verwyt gemaakt door den man die in de eerste plaats geroepen was my te berispen en zelfs te straffen indien ik dien plicht had verzuimd. Wat vervolgens z'n ontevredenheid aangaat over de door my "_aangenomen houding tegenover den Resident van Bantam_" ze was geheel ongegrond, en de heer B.v.K. zelf betuigde my later, niet te begrypen wat daarmee kon bedoeld zyn. De bewering dat er omtrent den Regent "_steeds gunstige getuigenissen waren afgelegd_" was een onwaarheid. Herhaaldelyk was er in de conduite-staten over dat Hoofd geklaagd. De opmerking dat ik myn beschuldiging niet door "_feiten, veel minder bewyzen_" gestaafd had, klinkt zonderling in den mond van den man die geen gehoor verkoos te geven aan myn dringende bede, my in de gelegenheid te stellen myn beschuldigingen door "feiten en bewyzen te staven." Onwaar is 't dat ik geweigerd hebben zou "_volle opening te geven van wat mij omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur te Lebak bekend was_." Juist om tot die "volle opening" te kunnen overgaan, drong ik op 'n _vry en openlyk_ onderzoek aan. Maar ik wilde voorkomen dat het weder zou uitloopen op 'n vruchteloos "aboucheeren" gelyk onder myn voorganger zoo dikwyls geschied was zonder ander gevolg dan dat de _klagers_ officieel gestraft of in 't geheim mishandeld werden. "_Ongeschiktheid voor 't bekleeden eener betrekking by het Binnenlandsch Bestuur_" moest wel beteekenen dat ik niet kon werken in den "geest des Gouvernements" niet in den geest der Slymeringen, niet in den geest van den verheven Duymaer van Twist. De Natie had behooren te eischen dat al die varieteiten van plichtverzakende deugnieten zich geschikt maakten om te werken "in den geest" van Havelaar. Hoe rymt vervolgens de erkentenis dat ik by de Regeering gunstig stond aangeschreven, met de laaghartige insinuatie in de Tweede-Kamer, dat hy "_over den schryver van dat boek, zooveel_--kwaads alzoo?--_zou kunnen zeggen?_" Wat de plaatsing te _Ngawi_ aangaat, er bestonden nog meer redenen dan. ik op blz. 326 opgaf, (zie de alinea die begint met "--G...........", M.D.) om die aanstelling van de hand te wyzen. Maar de in alle inlandsche zaken zoo grondig onwetende Van Twist kende die niet. Hy liep in 't kiezen voor my van die betrekking, alweer aan de leiband van de buitenzorgsche kommiezery, die er waarachtig groot belang by had dat ik niet aan 't woord kwam. Het was 'n uitgemaakte zaak dat ik te Ngawi moest "vallen." Het openbaren der kuiperytjes die hiertoe in 't werk werden gesteld, zou zeer pikant wezen, maar ik onthoud me nu daarvan omdat ik geen vryheid heb m'n bronnen te noemen. Misschien wordt dit bezwaar eenmaal opgeheven. De laatste alinea van den heerlyken kabinetsbrief beteekent alweer dat er zou moeten blyken of Havelaar bekwaam en genegen was dienst te nemen onder de vereerders van den "_geest des qouvernements_". En dit zou moeten getuigd worden door dezen of genen hoofdambtenaar van 't allooi der Slymeringen! Ieder ziet dat de onbekwaamheid van Van Twist zich niet tot inlandsche Zaken bepaalde, en dat de man, ook in "_the proper study of men_" 'n brekebeen was. Men bedenke dat hy Havelaar's brieven onder de oogen had, brieven die geschreven waren met de voorbedachte strekking den man wakker te schudden. Nederlanders, welk soort van wezens toch laat gy u opdringen als Landvoogden van Insulinde?

178. _Dat in de buurt is_. Ook hier alweder is van toepassing wat ik op blz. 198 zeide over 't leeren kennen van den toestand eener landstreek door 't verblyf in een nabygelegen provincie. (Zie de alinea die begint met: "Op-eenmaal verspreidde zich", M.D.)

179. Die opvolger was de heer Pahud, 'n pronkjuweel alweer van onbeduidendheid, en dus 'n man naar 't hart van de Natie die hem vyf jaar als _Minister_, vyf jaar ook als _Gouverneur-generaal_ heeft kunnen gebruiken. Gelyk er in den tekst van _deze_ uitgaaf uitdrukkelyk staat, wist ik in '56--wat thans m'n drie millioen landgenooten, wel met my eens zullen wezen--"_dat er van dien man niets te wachten viel_." Zóó is dan ook de lezing in 't Hs. van den _Havelaar_. Maar òf de heer Van Lennep zelf, òf de zetter, òf deze of gene korrektor--weet ik 't?--een van allen dan, heeft goedgevonden dien tekst te vervalschen. Men leest in vorige uitgaven: _zyn opvolger_--den opvolger namelyk van Van Twist--_ken ik niet, en ik weet niet of er van hem iets te verwachten valt_. Wat de strekking was van deze blykbaar opzettelyke verandering--'n drukfout kan 't niet zyn--weet ik niet, maar ze komt my oneerlyk voor.

180. Een Javaannutter in Friesland--ik meen te Bolsward--onthaalde z'n Publiek op de mededeeling dat: _die Havelaar_ beneden alles, en op 'n onaangename wys uit den dienst geraakt was." Ik heb niet vernomen dat men den man de deur uitwierp. Welk _nut_ het voor den Javaan heeft, dat men den man lastert die voor hem weggaf al wat-i offeren kòn, begryp ik niet. Zie daarover--in den bundel _Verspreide Stukken_--m'n brief aan die kostelyke maatschappy.

181. By 't lezen van dezen brief aan den kontroleur gelieve men in 't oog te houden dat-i geschreven werd aan den man die van al 't voorgevallene te _Lebak_ getuige, en daarin ambtelyk betrokken was geweest. Ook vooral met het oog op de mededeeling die in de laatste alinea's voorkomt, geloof ik niet dat er bondiger bewys voor de waarheid der geheele strekking van m'n boek denkbaar is dan in dit dokument geleverd wordt.

182. In 'n bataviasche courant werd me verweten dat ik by den heer Brest van Kempen afstapte. Wel, ik deed dit op _zyn_ uitdrukkelyk verzoek, en 't was van myn kant 'n edelmoedigheid. De man vreesde voor oproer, waartoe inderdaad reden was. Reeds te _Lebak_ had ik al m'n invloed noodig om de bevolking in rust te houden, waarop dan ook in m'n laatsten brief aan den kontroleur gedoeld wordt. Het zou 'n verkeerden indruk hebben gemaakt, indien ik by 't verlaten van _Bantam_ blyk had gegeven in onmin met den Resident te zyn, wat dan ook werkelyk het geval niet was. Maar zeker zou dit wèl 't geval geweest zyn, indien ik toen _al de motieven_ had gekend die hem bewogen moordenaars en dieven de hand boven 't hoofd te houden. Gelyk uit den _Havelaar_ blykt, dacht ik slechts aan een _door gewoonte verwrongen plichtbesef_ van de soort als ik sedert jaren overal ontmoet had. Later evenwel ontdekte ik dat het ontzien van den "geest des gouvernements" in dit byzonder geval samenhing met 'n indruk van nog lager soort, van ... de allerlaagste soort! Het lust me niet, my daarover op dit oogenblik uittelaten. Misschien is de gewezen minister van kolonien Hasselman genegen den belangstellenden onderzoeker nauwkeuriger intelichten. Ook kan deze staatsdienaar--een myner voorgangers te _Lebak_--getuigen of ik de beschuldiging van "overdryving" in 't schetsen van den toestand dier provincie verdien? Hy zal erkennen dat ik _beneden_ de waarheid bleef.

183. Dit zeg ik Van Twist zelf in den "_Brief aan den Gouverneur- generaal in-ruste_." Dat men hem bedrogen had, blyft waar. Maar _niet_ gegrond bleek m'n goedige meening dat-i eerlyk man wezen zou. Een eerlyk man tracht te _herstellen_ wat door zyn schuld bedorven werd, en nooit gaf V.T. het geringste blyk dat-i hieraan wilde meewerken. Integendeel! Juist van hèm ging de helsche wenk uit, dat men onder voorwendsel myner mooischryvery--bah!--m'n aanklacht smoren kon.

184. Dit heeft hy niet gedaan. My dunkt dat we, na vyftien jaar wachtens, myn tekst voor den juisten mogen houden.

185. Toch Specialiteit voor _indische zaken_! Toch Liberaal! Toch Lid van de Eerste-Kamer! Toch eere-voorzitter van _Mettray_! Toch "byzonder geacht" in 't hoogzedelyk en godvruchtig Nederland! Telkens vraagt men my 'n "program" van Regeeringsvorm, en sommigen meenen zekeren grond tot ontevredenheid te hebben, omdat ik, bittere opmerkingen makende, zoodanig program tot-nog-toe niet meedeelde. Eilieve, welk ander program is _in toestanden als de onze_ mogelyk dan de wenk dien ik gaf in de laatste bladzyden van _"Pruisen en Nederland?"_ Wetten en bepalingen baten _niets_, zoo lang men de uitvoering daarvan en het toezicht daarover, opdraagt aan schelmen. Ook hier is de leer toepasselyk die er te halen valt uit het voorval op 'n audientie by den Keizer van Rusland, dat ik aanhaalde in m'n eerste brochure over _Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.

186. Vgl. blzz. 345 en 346. (Zie de alinea die begint met: "Toch zal de katastroof" tot en met de alinea die eindigt met: "een bedorven Nederlandsch Bestuur", M.D.) Ook de Noot op 't woord _amokh_ op blz. 388. (Noot 141, M.D.) Moeten dan volstrekt de gruwelen van _Cawnpore_ in ons lief Insulinde herhaald worden? En wat anders dan woest uitbersten zal ten-laatste den lang getrapten--en daardoor gedemoralizeerden--Javaan overblyven? Op welke Buitenplaats zullen dan de Van Twisten zitten, zy die de schuld dragen aan 'n woede zooals voorspeld wordt in _Sentots_ vloekzang?

187. _Ministers in bezigheid_. Daaronder waren er die hun verheffing te danken hadden aan de door den _Havelaar_ teweeggebrachte "rilling". Kort na de verschyning van dat werk benoemde men een indischen rykworder tot Minister van Kolonien. _Hy_ zou zorgen dat "_geschiedenissen als van Saïdjah voortaan tot de onmogelykheden behooren zouden!_" Wat hy gedaan heeft om dien vromen wensch te bereiken weet ik niet. En dat weet niemand. In-plaats daarvan heeft hy de Natie met den liefelyken oorlog op den Sumatraschen noordhoek begiftigd.

188. Deze laatste beide volzinnen zyn later bygevoegd. Ik erken, in 1859 niet voorzien te hebben dat het hier bedoelde volkje my zou toejuichen. Toch had ik 't kunnen weten. 't Ligt in den aard der zaak dat schelmen 't luidst meeschreeuwen als er "houdt den dief" wordt geroepen.

189. Dat weerleggen is dan ook niet beproefd. Op één uitzondering na die welke ik behandelde in Noot 151--heeft men nooit _openlyk_ eenig in den _Havelaar_ vermeld feit in twyfel durven trekken.

190. Nu niet meer, kiezers! Ik zou me waarlyk zeer misplaatst voelen in _uwe_ Kamer, tegenover _uw_ ministers! Ook daaromtrent beroep ik my op m'n werkjen over _Specialiteiten_.

191. Van Twist gaat by z'n medegrondbezitters--onverschillig van welke z.g.n. staatkundige kleur--nog altyd voor byzonder achtenswaardig door. Hy spreekt mee over indische zaken, niet alleen alsof er niets op hem viel aantemerken, maar zelfs op den toon van 'n deskundige en bevoegde by uitnemendheid. En de Natie neemt er genoegen mee!

192. Nederlanders, _dit is geschied!_ Tot schande van Uw Regeering in Indie, werd die vuistslag in 't aangezicht uwer Marine gegeven, en de eer der uitvinding van deze laagheid komt weer den verheven Landvoogd toe, die geen tyd had om Havelaar te hooren.

193. Ziehier eindelyk den regel die den titel van 't boek stempelt tot epigram. 't Is verdrietig schryven voor lezers die men _alles_ moet uitleggen.

194. Op de beide vragen die 't boek besluiten, ontving ik nog altyd geen antwoord. Waarschynlyk houdt de koning zich bezig met belangryker zaken dan rechtdoen en 't behouden van Insulinde voor Nederland. Ik zal Z.M. 'n exemplaar van deze nieuwe uitgaaf aanbieden, en in afwachting van beter succes--evenals m'n vriend Chresos uit de _Minnebrieven_, doch altyd _onder protest_--vertellinkjes dichten voor 'n Publiek dat niet lezen kan. Immers, indien dit niet het geval was, zou de Natie hebben aangedrongen op recht in de Havelaarszaak!

* * * * *