# Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

## Part 32

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/max-havelaar-of-de-koffiveilingen-der-nederlandsche-handelsmaat-8cc93d96/index.md

_Sawah_: door kunstmatige bewatering toebereid rystveld, in tegenstelling van _gagah's_ en _tipars_, rystaanplantingen die wat de bevochtiging aangaat, rechtstreeks van den regen af hangen.

_Klamboe_-haken. _Klamboe_ is gordyn. In de platte, zeer breede haken waarmee ze worden opgehouden, heerscht eenige weelde. Ook by den minstwelvarende zyn ze toch gewoonlyk van messing.

_Patjol_: 't werktuig dat de Javaan als spade gebruikt. Het blad zit, als 't yzer van 'n houweel, loodrecht op den houten steel. Er wordt dus mee _gehouwen_, niet _gespit_, 'n eigenaardigheid die misschien hieruit voortvloeit, dat de inlander blootvoets gaat.

_Oeser-oeseran_. 't Woord wordt in den tekst verklaard. Vermeende byzonderheden in den loop van zulke haarkringen, vooral wanneer ze zich vertoonen op den kruin van 'n kind, leveren stof tot allerlei voorspellingen. Zie, byv. blz. 121. (Zie alinea die begint met: "De Adhipatti bezag het hoofd", M.D.)

_Penghoeloe_: priester.

_Ontong_: geluk, voordeel.

_Galangans_: smalle dykjes die 't water op de _sawahs_ houden.

_Allang-allang_: riet, reuzen- of _prairie_-gras. Het is vaak zoo hoog dat 'n man te paard er zich in verbergen kan. De benaming op _Sumatra_ is _riemboe_, wat daar ook _wildernis in 't algemeen_ beteekent.

_Sarong. Batik. Kapala_. De _sarong_ is 't eigenaardig kleedingstuk der Javanen, mannen en vrouwen beide. Het is een van _kapok_ geweven lap, welks einden aan elkander genaaid worden. Het gebruik van zyde is uitzondering. Een dezer einden heet _kapala_, d.i. _hoofd_, en is beschilderd met 'n breeden rand, gemeenlyk uit tegen elkander inloopende driehoeken bestaande. Dit "schilderen" heet _batik_, en geschiedt uit de hand. Het weefsel wordt te-dien-einde op 'n raam gespannen, en de verf is in 'n werktuigje van blik dat--zeer verkleind --den vorm heeft van 'n trekpot of antiek lampje. _Sarongs_ zonder _kapala_, en welker einden niet aan-eengenaaid zyn, heeten _slendangs_. Men draagt deze kleedingstukken om de heupen, en de mannen schorten ze meer of min, ja soms geheel-en-al, op. Ook wordt de _slendang_ dikwyls geheel tot gordel saamgerold, in welk geval de mannen een broek dragen, zeer tegen de eigenlyke javaansche gewoonte, 'twelk meer en meer de overhand neemt by de Javanen die veel met Europeërs in aanraking komen. Als 'n byzonderheid mag opgemerkt worden, dat het gebruik van broeken onder de _sarong_, door _vrouwen_, alleen in den Noordhoek van Sumatra voorkomt. Ik althans heb deze gewoonte slechts daar aangetroffen. Ze is van atjineschen oorsprong, waarom dan ook die kleedingstukken den naam dragen van _serewah atjeh_: atjinesche broek. Het vervaardigen daarvan is een der voornaamste industrien in de rykjes waarmee we nu in oorlog zyn.

Wat overigens de _sarongs_ en _slendangs_ aangaat, sedert 'n dertigtal jaren leggen zich europesche fabrikanten toe op 't namaken van 't javaansche _batik_, en er worden dan ook jaarlyks voor millioenen in dat artikel omgezet. Toch wordt het dragen van 'n _gedrukten kain_ (_kahin_: kleed, de generische naam voor al zulke kleedingstukken) steeds voor 'n blyk van armoed of althans van geringer welvaart gehouden.

_Mata-glap. Amokh_. 't Woord (_matah-glap_ = verdonkerd oog) duidt den toestand aan van iemand die in razerny alles wat hy ontmoet neervelt, tot hyzelf verslagen wordt. Ik noemde 't ergens 'n "zelfmoord in gezelschap" en weet er nog altyd geen beter naam voor. De ongelukkige die door deze woede wordt aangetast, kent vriend noch vyand. Oorzaken zyn gewoonlyk òf minnenyd, òf lang opgekropte wrevel over mishandeling. De Javaan is, als de meeste andere Inlanders, uit den aard zachtmoedig en inschikkelyk. Al te diep gegriefd, of _te_ lang verongelykt, berst z'n woede in _amokh_ uit. Dat evenwel ook de _amfioen_ (opium) hierby 'n rol speelt--'tzy als oorzaak der kwaal, 'tzy als opwekkend hulpmiddel tot het botvieren van de woede--spreekt vanzelf.

_Atap_: 'n soort van waterpalm welks bladen tot dekking van geringe huizen gebruikt worden.

_Bendie_: chais, tilbury.

_Djati. Ketapan_. Twee soorten van groote boomen. De eerste levert 'n zeer duurzaam hout. Waarom botanici hem den naam van _quercus indica_ gegeven hebben weet ik niet, daar hy geenszins met onzen eik overeenkomt. "_Kajatenhout_" is pleonastische verbastering van _kajoe-djati_ = _djatihout_.

_Melati_. Een klein wit bloempje met sterken jasmyngeur. Het speelt, als by ons de roos, 'n groote rol in balladen, sagen en legenden.

_Rystblok_. Zware houten trog waarin de _padie_ door stampen ontdaan wordt van den bolster. Dat stampen heet--klanknabootsing alweer! --_toembokh_.

_Toedoeng_, zie Noot 31. De bepaling van 't uur, naar den schaduw die _Saïdjah's toedoeng_ teekende op zyn gelaat, is 'n indiïsmus.

_Lalayang_: vlieger. Op Java vermaken zich niet uitsluitend kinderen met dit speeltuig. Het heeft geen staart, en beschryft allerlei slingeringen die door vieren, inhalen en rukken eenigszins bestuurd worden door de persoon die de koord houdt. Het doel van 't spel is, de koord van den vlieger der tegenspelers in de lucht te ontmoeten en aftesnyden. Uit de pogingen die hiertoe worden aangewend, ontstaat als 't ware een gevecht dat zeer vermakelyk is om aantezien, en de toeschouwers opwekt tot levendige deelneming. De door Saïdjah veronderstelde mogelykheid dat "de kleine Djamien", zou getricheerd hebben, is, wat de daartoe vereischte handigheid in 't werpen aangaat, 'n indiïsmus.

_Zout maken aan de zuidkust_. Zie Noot 71.

_Grooten mond hebben_, en: _vuur dooden_, zyn malayismen.

_Klaagvrouwen_. By 't sterven van 'n Javaan wordt vreeselyk misbaar gemaakt, niet--zooals vroeger ten-onzent--door bezoldigde _huilebalgen_, maar door verwanten, kennissen en buren.

_Spaansche matten_: zuid-amerikaansche _dollars_, waarschynlyk dusgenoemd omdat in vroeger tyd het zeer omslachtige spaansche wapen aan matwerk deed denken. Die waarop twee kolommen staan, de zoogenaamde _pilaarmatten_, worden voor de besten gehouden, en gelden zooveel als onze oude _zeeuwsche_ ryksdaalders, die misschien, wat gewicht en gehalte aangaat, aanvankelyk naar spaansch model geslagen werden. De "spaansche mat"--nu veelal van mexikaanschen muntslag--heet in ons Indie "_ringgit_" en blyft nog steeds 'n zeer gewild betaalmiddel, omdat de chinezen, die veel munt uitvoeren en in China versmelten, het zilvergehalte op hoogen prys stellen.

_Kamoening_: fyn geel gevlamd hout, dat slechts door den wortel van 't aldus genaamde kleine boompje geleverd wordt, en dus nooit groot van stuk wezen kan. Het is zeer duur.

_Ikat-pendieng_. _Pendieng_ is de buikband zelf. _Ikat_: gemeenzame verkorting in slecht maleisch van _pengikatan_, de agraaf daarvan.

_Pagger_ (ten-rechte _pagar_) beteekent _heg_. _Pagger_ is een van de vele maleische woorden, die--evenals _pikelen_: dragen, _mandiën_: baden, _soemah_: moeite, verdriet--burgerrecht verkregen in 't hollandsch der Europeanen in Indie.

_Soesoehoenan van Solo_: de Keizer van _Soerakarta_. Hy geeft in z'n officieele korrespondentie, aan den gouverneur-generaal, o.a. den titel van "grootvader."

_Kondeh ... gevangen in eigen strik_. Zie hierover noot 33. In de engelsche vertaling van den _Havelaar_, heeft m'n beste Nahuys, zonder erg gemeend in deze beschryving iets te mogen veranderen. Hy laat Adinda's haren samenhouden door 'n lint, wat zeer onjavaansch is. Deze blunder heeft my in den edinburgschen _Scotsman_ 'n vinnige berisping op den hals gehaald van 'n hollandschen korrespondent--toevallig 'n gewezen theekontraktanttokohouder en ... rystopkooper, dat is: woekeraar van de ergste soort, 'n ware javanenbloedzuiger--die daaruit betoogt dat ik niet het minste verstand heb van indische politiek en dat de inlander 't heel goed heeft.

_Pontianak_: spook dat zich in boomen ophoudt, en zeer gebeten is op vrouwen, vooral zwangere. Ik weet niet of er verband bestaat tusschen deze beteekenis van 't woord, en de naam der nederlandsche vestiging op Borneo's Westkust.

_Oog van den dag_ voor zon: malayismus.

_Pelitah_: lampje.

_Rottan_ of _Rotan_: spaansch riet, rotting.

_Badjing_: javasche eekhorn. Dit beestje kwam me altyd kleiner voor dan z'n europesche soortgenoot. Het laat zich gemakkelyk tam maken.

_Buikje_ voor maag: malayismus.

_Rottingstraf_. Onder den indruk van den _Havelaar_ is deze straf afgeschaft, wat ik als 'n fout beschouw. Ook hier bevond men zich, als gewoonlijk, _à côté de la question_. Indien er voor kleine delikten gestraft worden _moet_, is rottingstraf doeltreffender, zedelyker, en vooral ... _menschlievender_, dan 't opsluiten in 'n gevangenis of de ten-arbeidstelling aan publieke werken. Zie over dit laatste, blz.[xxx] (zie alinea met: "Het gering aantal lieden ...", M.D.). Het doet me leed, hier geen ruimte te hebben deze zaak breeder te behandelen, gelyk eerst myn voornemen was. Ik bepaal me tot de verklaring dat de afschaffing der rottingstraf naar aanleiding van den _Havelaar_, in-verband met het _opzettelyk verwaarloozen der hoofdstrekking van dat werk_, een escobarsche huichelary is. De Natie heeft zich alweer dat zand in de oogen laten strooien. Het weder invoeren van de rottingstraf in Indiën is _in 't belang van den Javaan_ dringend noodzakelyk.

_Boaja_: kaaiman, 'n krokodillensoort. Dat offeren geschiedt door 's avends wat ryst en andere spys in een bamboezen korfjen of bakje dat van 'n lichtje voorzien is, met den stroom te laten afdryven. Als er wat veel op de rivieren geofferd wordt, leveren die zachtkens voort- schuivende vuurpunten 'n aardig gezicht op.

142. Ik verneem dat men thans bezig is, ook elders dan in _Bantam_ "persoonlyk grondeigendom" intevoeren. De zaak is van hoog belang, doch zal waarschynlyk schipbreuk lyden op de moeielykheid om de _gemeenschappelyke_ bewatering van rystvelden te regelen. Ik erken op dit oogenblik niet te weten hoe dit in 't Bantamsche geschiedt. Behalve deze zaak, die voor Java levenskwestie is, zullen er maatregelen dienen genomen te worden om den _onmondigen Javaan_ te beschermen tegen den "handelsgeest" van zekere industrieelen. Wanneer bedoelde maatregel de strekking heeft om den inlander z'n grond te laten afkwanselen door den eersten den besten fortuinzoeker, ben ik er _tegen_!

143. In 't handschrift had ik de fout begaan, hier uitdrukkelyk te verzekeren dat het nu volgend voorbeeld van trouw eens buffels aan z'n jongen meester "niet verdicht" was. De heer Veth maakte daarop in den _Gids_ van Augustus 1860 'n aanmerking die volkomen gegrond was, en daarom laat ik nu die verzekering _in den tekst_ weg. Doch 't zy me vergund haar in deze _Noten_ te herhalen. Ik bezit het _Tydschrift van Nederl. Indie_ niet, maar beroep my op zeker daarin opgenomen _officieel_ relaas van de zaak. Wie lust heeft het optezoeken, wordt naar zeer oude nummers verwezen, _ik meen_ zelfs uit de dagen toen dat tydschrift nog te Batavia uitkwam, dus vóór '48.

144. Er worden inderdaad te _Tangerang_ zeer fyne stroohoeden gevlochten, die aan de _manilla_-hoeden in buigzaamheid en sterkte weinig toegeven. Waarom wordt die industrie niet 'n beetjen aangemoedigd? Wie bewerken kon dat het te Parys _mode_ werd _un chapeau Tangerang_ te dragen, zou groote sommen gelds naar Java lokken. Doch er zyn _zeer veel_ artikelen van die soort in Indie, en daaronder van veel grooter belang, waarvoor de europesche markt gesloten blyft omdat de Regeering op alle krachten beslag legt ten- behoeve van z'n kruieniers-affaire. Even als die andere Droogstoppel kent en waardeert ze niets dan z'n koffi. En ... suiker, 't is waar ook!

145. Zie over dit lied van Saïdjah, 't begin van Noot 6. Onder de korrektie (1875) vernam ik dat de heer Wiersma, zendeling in de _Minahassa_, de _Saïdjah_-epizode in 't maleisch heeft overgezet. Het doet me leed nooit 'n exemplaar van die vertaling onder de oogen gekregen te hebben. Zeer in 't byzonder had ik zoo gaarne _dat_ lied in 't maleisch weergezien. Het myne begon: _liatlah badjing tjari penghidoepan_, enz. Dit herinner ik my, maar van 't vervolg niet veel meer.

146. _En "dus" in brand stond_. Om deze uitdrukking te rechtvaardigen, beroep ik me op de toelichtingen in _Ideen_ 304 en 1066.

147. De aangehaalde regels zyn van Tollens. Hy sluit daarmee z'n tamelyk apokriefe vertelling: _Dirk Willemsz van Asperen_.

148. Met verwyzing naar Noot 104, vraag ik alweder of de beschuldiging van "overdryving" tegen my mag worden ingebracht? Indien _hierin_ m'n fout lag, zou ze, dunkt me, by-voorkeur zich geopenbaard hebben in 't slot der geschiedenis van Saïdjah. De stof ontbrak waarlyk niet!

149. Nooit gaf iemand blyk van begeerte om bewysstukken als de hier bedoelde intezien.

150. De minister Fransen van de Putte heeft in de Kamer beloofd "_dat geschiedenissen als die van_ Saïdjah _niet meer zouden plaats hebben_." Maar nooit bleek er dat er iets _gedaan_ werd om dit doel te bereiken. Integendeel, hy, waarlyk niet minder dan z'n vele voorgangers en opvolgers, stond altyd alle verbetering in den weg door de Natie bezig te houden met byzaken.

151. Ik meen te kunnen _bewyzen_ dat het aantal vergiftigingen--ook in Europa--schrikbarend groot is, doch bewaar dit treurig betoog voor 'n andere plaats. Wat het in den tekst behandeld voorval aangaat, de officier van gezondheid Bensen heeft kort na 't verschynen van den _Havelaar_, in de N. Rotterdamsche Courant meegedeeld dat de heer Carolus na z'n tehuiskomst van _Parang-koedjang_ niet "weinige uren" had geleefd, maar nog--ik meen--_twee dagen_. Ik neem deze getuigenis van den heer Bensen, dien ik voor 'n achtenswaardig man houd, onvoorwaardelyk aan, en erken alzoo dat òf de weduwe zich vergist heeft, òf dat ik haar verkeerd had verstaan, òf dat in 1859 toen ik den _Havelaar_ schreef, m'n geheugen my bedroog. De terechtwyzing van den heer Bensen is my te meer welkom:

1° omdat hy, _deze_ aanmerking makende op 'n zaak van ondergeschikt belang, stilzwygend de juistheid staaft van m'n opgaven omtrent de _hoofdzaken in 't algemeen_.

2° omdat hy, in 'n stuk dat blykbaar bestemd is de door my behandelde voorvallen aan de stipte waarheid te toetsen, niet terugkomt op 't leverabcès _in 't byzonder_.

Indien ooit 'n démenti op z'n plaats ware, zou 't _hier_ geweest zyn!

152. Het is my onbekend of 't lyk myns voorgangers is opgegraven tydens het in 1860 door den G.G. Pahud ingesteld onderzoek. Wel weet ik dat by die gelegenheid het Distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ ontslagen werd. De Regent werd gestraft met kwytschelding van genoten voorschot en--naar my werd meegedeeld, doch zeker ben ik hiervan niet--met traktementsverhooging.

153. Ik had alzoo my bezig gehouden met het nakomen der verplichting die my door eed en instruktie uitdrukkelyk waren voorgeschreven.

154. _Pantjens_ en _Kemits_: onbezoldigd wacht- en dienstvolk. _Poendoetan_: levensmiddelen en andere artikelen die geheven worden zonder betaling. Dit is 'n ware indische kanker, en Tamerlan (blz. 212) (Zie alinea die begint met: "Het gering getal lieden nu", M.D.) schynt het geweten te hebben. Maar onze Regeering weet het nog altyd niet! Wat, byv. een zoogenaamde inspektiereis van 'n Gouverneur-generaal kost--_zoogenaamd_, want de man wordt by den neus geleid!--loopt in 't ongelooflyke. Juist dezer dagen gewerd my uit Engeland 'n courant waarin dit ontwerp behandeld wordt naar aanleiding der voorgenomen reis van den Prins van Wales naar Bengalen. Daar my de ruimte ontbreekt om dat artikel overtenemen, zend ik 't aan de Samarangsche _Locomotief_, in welk blad het door den belangstellenden lezer kan worden opgezocht.

155. Zie § 11 der "Vraagpunten aan den kontroleur" in de _Minnebrieven_.

156. _Poessing_: duizelig, verward, radeloos. Den hier bedoelden getuige kan ik nog altyd produceeren.

157. Zie over 't woord _kaka-toea_ de Noot by _Idee_ 438.

158. De op inlandsche Hoofden uitgeoefende moreele dwang om by 't vertrek van 'n hoofdambtenaar, fabelachtig hooge pryzen te besteden voor sommige stukken uit z'n inboedel, is ergerlyk. En ... ze moeten wel! Zou anders de vervanger niet meenen dat ze niets over hadden voor hun Resident? Dat ten-slotte die vrygevigheid alweer betaald wordt door den geringen man, spreekt vanzelf. Tot m'n groote verbazing heb ik onlangs 't hoog bedrag dat er besteed was voor den inboedel van den heer Loudon, zien aanvoeren als 'n bewys van z'n verdiensten. Me dunkt dat hy, die dan toch moet geweten hebben hoe zulk "opjagen" in z'n werk gaat, verplicht ware geweest dat misbruik door 'n uitdrukkelyke waarschuwing te voorkomen. Dit heb _ik_ gedaan, doodarm toch, toen ik _Lebak_ verliet, gelyk ik nog altyd door getuigen staven kan.

159. Ik zeide in Noot 50 dat sommigen zekere uitdrukkingen in dit werk beter begrepen dan de gewone lezer, en dat zich onder dezulken de vinnigste vervolgers van Havelaar bevonden. Dit is van volkomen toepassing op dezen kleinen trek in den tekst, waar ik den vinger schyn gelegd te hebben op de ... zonderlinge verlenging der theekontrakten in 1845. Dat de hier bedoelde persoon 't Nederlandsche Volk te reprezenteeren kreeg, spreekt alweer vanzelf. Onze theeman--tevens rystopkooper, enz. (zie de Noot by 't woord _Kondeh_, op blz. 389) praatte in de Kamer heel aardig mee over Staathuishoudkunde, Volksbelang, Menschenrecht, Indische toestanden, enz. enz.

160. Vgl. blz. 87 onderaan. (Zie de alinea die begint met: "--Is de Regent altyd zoo dienstyverig?", M.D.)

161. Zie § 11 van de "Vraagpunten aan den kontroleur" in de _Minnebrieven_.

162. Als boven § 18.

163. Het vergiftigen van den heer Carolus.

164. Term van den ambtsteed.

165. "En--had ik er by kunnen zeggen--ook _my_ te vermoorden." De vrees overigens dat de _Resident zelf_ den _Adhipatti_ 'n wenk geven zou "om zich te dekken" teekent de pozitie. En de Resident voelde zich niet opgewekt, tegen die vrees, als tegen 'n lasterlyke veronderstelling, te protesteeren. In-plaats hiervan bewees hy door z'n handelingen (bladzz. 312 en 319) (zie de alinea's: "De bede om de schuldigen" en "Het was zeer treffend", M.D.) dat Havelaar maar al te juist had ingezien wat hem te wachten stond van 'n chef die toch even als hy gezworen had den inlander tegen de hebzucht zyner Hoofden te beschermen.

166. Opmerkelyk alweer dat de resident Brest van Kempen al zulke uitdrukkingen liet voorbygaan zonder _protest_, en zelfs zonder _verzoek om toelichting_. Uit z'n zwygen blykt dat-i de assertien van Havelaar volkomen begreep, 't geen bewyst dat ik den algemeenen toestand naar waarheid geschetst heb. Had niet ook hier, byv. de resident moeten vragen: _wat bedoelt ge met dien_ "geest" _der Oost- Indische ambtenaren?_

167. Opmerking als in Noot 165.

168. "Lichtvaardigheid" en "voorbarigheid" zyn voorzeker aftekeuren en strafbaar, vooral in zulke gewichtige omstandigheden. In-zoo-verre is er dus op _Havelaars_ loyaal aanbod geen aanmerking te maken. Wanneer men evenwel daarin de stelling mocht zoeken, dat 'n ambtenaar die _krachtens z'n instruktie_ aanklaagt van misdryf, terstond persoonlyk aansprakelyk zou wezen voor de _gegrondheid zyner beschuldiging_, moeten we erkennen dat _Havelaar_ hier meer heeft toegegeven dan-i verplicht was. Welk Officier van Justitie zou op zùlke voorwaarden 't publiek ministerie willen waarnemen? Doch _Havelaar_ was te zeker van z'n zaak om de minste achterdeur open te houden.

169. "Onderzoek, rapport en voorstel." Wel te verstaan: alles binnen den grens myner instruktie, en _uit kracht van_ die instruktie.

170. Eerst jaren daarna is dat onderzoek werkelyk geschied, en de Regeering was genoodzaakt te erkennen dat _Havelaar_ de waarheid had gezegd. Zie den _Gids_ van Augustus 1860, waar de hoogleeraar Veth, na uitvoerige behandeling der Havelaarszaak, het volgende zegt:

_Sedert heeft_ Havelaar _met de zijnen gebrek geleden, hij is het voorwerp geworden van den smaad der Droogstoppels--want de Droogstoppels in Nederland maken altijd gemeene zaak met de Slijmeringen in Indie--hij is geworden_ Multatuli, _niet alleen in aangenomen naam, maar inderdaad_.

_En wat bewijst nu het feit, dat, na zijn ontslag, werkelijk een onderzoek in het Regentschap Lebak plaats had, dat de Regent eene scherpe vermaning ontving, en eenige mindere Hoofden werden afgezet?_

Primo: _de waarheid van het spreekwoord dat de kleine dieven gehangen worden, terwijl men de groote laat loopen_.

Secundo: _dat de zaak te veel ruchtbaarheid had verkregen, om nu nog gesmoord te worden_.

Tertio: _dat de knevelarij in Lebak al zeer erg moet geweest zijn, wanneer zelfs een Resident die zoo gaarne schipperde, en zoo ongaarne een Inlandsch Hoofd vervolgde, constateeren moest dat er werkelijk reden tot klagen bestond, en bij gevolg_:

Quarto: _dat_ Havelaar _volkomen gelijk had."_

Aldus Professor Veth. Niemand evenwel schynt op de gedachte gekomen te zyn dat men dan ook dien Havelaar eenige voldoening schuldig was. Ook niet dat de hem ten-deel gevallen rechtsweigering allernadeeligst werken moest op den toestand der inlandsche bevolking. Van welk besturend ambtenaar in de binnenlanden is plichtsvervulling te verwachten, nadat er zoo duidelyk bleek dat de Natie evenzeer als de Regeering party trekt voor de ellendelingen die 't mishandelen van den Javaan oogluikend toelaten?

171. Zie blz. 319. (Zie de alinea die begint met: "En toen verhaalde Verbrugge", M.D.)

172. Het had aan my gestaan de Bevolking opteruien. In-plaats daarvan handhaafde ik de eer van de nederlandsche regeering zoo goed ik kon, en de resident vertrouwde hierop.

173. Dat m'n voorganger vergiftigd is geworden, werd door niemand in _Lebak_ betwyfeld. Waarom liet de heer Pahud zyn lyk niet opgraven?

174. Ik bezit die verklaring nog. Niemand vond het ooit de moeite waard daarvan inzage te verzoeken.

175. _Tontong (tomtom, tamtam)_ is 'n groot hangend uitgehold houten blok waarop men de uren slaat. De naam is alweer 'n _onomatopee_.

176. Deze brief van den _Adhipatti_ is nog in myn bezit, en wel--nogal karakteristiek!--saamgeknepen en in stukken gescheurd, maar nog altyd volkomen leesbaar. De toeleg van dat schryven was, my in z'n knevelary te betrekken, 'tgeen gelukt zou wezen indien ik z'n voorstellen had goedgekeurd, of argeloos daarover in korrespondentie was getreden.

