# Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

## Part 30

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/max-havelaar-of-de-koffiveilingen-der-nederlandsche-handelsmaat-8cc93d96/index.md

Om te beoordeelen in hoever ik by 't benaderend in druk geven van die ongeschreven toespraak kan afgeweken zyn van _stipt-letterlyke waarheid_, is 't misschien niet onbelangryk toon en inhoud daarvan te vergelyken met zeker stuk van eenige jaren tevoren. Ik bedoel de Publikatie aan de Inl. Hoofden der Minahassa van 1 April 1851, waarin naar ik meen dezelfde geest heerscht. Het Weekblad "_Oost en West_" en daarna de _Spectator_ (26 Juli 1879), namen 't over uit de indische couranten die dat dokument de moeite der reproduktie hadden waard gekeurd, misschien wel om de velen terecht te wyzen die voorgeven den _Havelaar_ te ontkrachten door 't boek voor 'n _fiktie_ uittemaken. Bedoelde Publikatie is 'n _officieel stuk_ en heeft niets te maken met romanschryvery. Ik noodig den lezer uit, het aangehaalde nummer van den _Spectator_ intezien, en zich de vraag voorteleggen of 't billyk is dat ik ruim dertig jaar na 't schryven van de daarin meegedeelde Publikatie, nog telkens door den eersten den besten kwajongen straffeloos word uitgescholden? (_Zie voorts over dit onderwerp de Noten 101 en 115._)

66. _Mintah ampong_: ik vraag verschooning.

67. _Sienjo_, dikwyls verkort tot _njo_: jongeheer. Velen meenen dat dit woord van portugeschen oorsprong is, vooral ook omdat de afstammelingen van Portugezen, die nog altyd te Batavia 'n eigenaardige kaste uitmaken, in de wandeling _Sienjo_'s genoemd worden. Toch is deze etymologie twyfelachtig.

68. _Verbrugge wist het!_ Nog altyd ben ik in 't bezit van een briefje dat hy my deed toereiken op 'n oogenblik dat ik met den Regent in gesprek was, en waarin hy my--onder uitdrukkelyk verzoek hèm niet te noemen--uitnoodigde dat Inlandsch Hoofd eens onder handen te nemen over de "misbruiken." Het overbodige van dit verzoek laat ik nu daar. Er blykt uit:

1) dat myn bezwaren geen gevolg waren van persoonlyke zwartgallige opvatting.

2) dat myn onderzoekingen zeer omzichtig plaats hadden, zóó zelfs dat de vreesachtige Verbrugge meende grond te hebben my aantezetten tot wat yver.

Belangstellenden--zyn er die?--kunnen 't bedoelde briefje van den kontroleur ter inzage krygen.

69. _Tjiandjoer_. Iets later spel ik dezen naam van de hoofdplaats der Preanger-regentschappen eenvoudig: _Tjanjor_, zooals 't woord in dagelyksch spraakgebruik luidt. Ook elders achtte ik my ontslagen van de poging om by 't spellen van inlandsche namen, het _geschreven_ javaansch of maleisch in onze karakters natebootsen. Ik schryf alzoo voor: _aoerang, orang_. Voor: _prahoe, prauw_. Voor: _kahin, kain_, enz. We hebben immers hier niet te doen met puristische _spelling_? De eisch is 't weergeven--by benadering altyd--van den _klank_ zooals die onder Europeanen in Indie gebruikelyk is.

70. _Djimats_ zyn briefjes of andere voorwerpen die uit den hemel vielen om geestdryvers en boerenbedriegers aan 'n geloofsbrief te helpen. _Tout comme chez nous!_ 't Getal der leveranciers van Goddelyke Openbaringen is zeer groot, en apostelen en profeten van deze soort zyn in geheel Azie nog altyd aan de orde van den dag. 't Verschil by vroeger eeuwen is maar dat ze tegenwoordig wegens landloopery worden gestraft, en wel door dezelfde menschen die hun voorgangers in vagabondage als Heiligen vereeren. Ziedaar nu 'n stuitend gebrek aan rym in _myn_ oog!

71. _Garem glap_: smokkelzout. Het maken en verkoopen van zout is in Indie _regie_. Er werd inderdaad aan de zuidkust van _Lebak_ veel zout gemaakt, en 't was die arme menschen niet zeer kwalyk te nemen, als men bedacht dat ze soms vele mylen te loopen hadden om 'n Gouvernements debietplaats te bereiken, waar ze hoogen prys moesten betalen. My komt het monopolizeeren van den zoutaanmaak onredelyk voor, en vooral wreed jegens strandbewoners wien 't zeezout in huis spoelt.

72. Ook de hier bedoelde nota's van m'n vermoorden voorganger zyn nog altyd in m'n bezit. Nooit vroeg iemand my, die te mogen zien. Me dunkt toch dat ze, vooral met het oog op z'n dood, zeer treffend zyn. Zou niet die zaak in elk ander land voor 'n _cause célèbre_ gegolden hebben?

73. Ook de hier bedoelde brieven bezit ik nog, doch slechts in afschrift, dat evenwel door den toenmaligen klerk te _Lebak_ "_als eensluidend met het origineel_" gewaarmerkt is.'t Was nooit iemand de moeite waard er naar te vragen.

74. _Voornemen den Regent z'n voorschot kwytteschelden_. Dit is, na het door den Gouv. Gen. Pahud ingesteld onderzoek werkelyk geschied. Ook meen ik dat by die gelegenheid z'n traktement verhoogd is. Men moet erkennen dat hierin een zonderlinge wys van rechtdoen omtrent _my_ gelegen was! De gebleken gegrondheid myner aanklacht moest niet my ten-goede komen, maar den persoon die door my was aangeklaagd.

75. _Abraham Blankaart te hollandsch voor 'n Duitscher_. En ... voor het tegenwoordig geslacht van Hollanders misschien ook. Hoevelen myner lezers kennen die aardige figuur uit _Sara Burgerhart_?

76. Deze boutade tegen de orthodoxen mag, dunkt me, aanleiding geven tot de opmerking dat de modernen, de liberalen, de ... meer verlichten--en zelfs de _ware_ vrydenkers--wel 'n voorbeeld mochten nemen aan zekere oprechtheid van geloof, die zich by hun tegenstanders in _daden_ openbaart. Indien er door sommigen even gul werd bygedragen tot het verspreiden van licht, als door anderen tot het verdikken van duisternis, zouden we sedert lang 'n groote schrede verder zyn. Zouden de _geloovers_ my hebben laten zwerven en derven zooals 't geval geweest is, indien ik _hun_ denkbeelden had aangehangen en verkondigd? Immers neen. Hoera voor de oprechte geloovers!

77. _Ketimon_. Augurken, komkommers.

78. _Die geleerden!_ Een der nieuwste snufjes op 't gebied der chemische voedingsleer, is van professor _Virchow_. Die scheikundige beweert nu dat er niet de minste voedingskracht in bouillon zit. Ik stel voor, hem op 'n diëet van uitgekookt vleesch te zetten, waarmee hy zeer geleerdelyk tevreden wezen moet.

79. _Molière_. Ik stel dezen auteur thans veel minder hoog dan vroeger, doch bewaar m'n opmerkingen dienaangaande voor 'n monografie over dramatische litteratuur, waarvoor in deze _Noten_ geen plaats is.

80. _Miss Mata-apie_: juffer vuur-oog.

81. _Fotheringhay_. In sommige vorige drukken staat herhaaldelyk _Fothineray_, 'n lapsus van den heer Van Lennep. In 't handschrift stond noch 't een noch 't ander, maar: _Tower_. Dat was 'n lapsus van _my_.

82. _Arles_ wordt gehouden voor 'n binnenlandsche kolonie van de Massiliers, en _Massilla (Marseille)_ was door Phoeniciërs gesticht. Dat de waarlyk typische schoonheid der vrouwen te _Arles_, daar beter dan te _Marseille_ bewaard bleef, kan liggen aan de mindere vermenging met vreemden. Op strandplaatsen als _Marseille_ verbasteren de rassen zeer snel. Of de vrouwen te _Nîmes_--óók 'n marseillaansche faktory --even schoon zyn als te _Arles_, is my onbekend.

83. _Datoe_: inlandsch Hoofd.

84. _Prahoe_: prauw, schuit, vaartuig, scheepje.

85. De oordeelvellingen over de hoedanigheden der verschillende rassen die Insulinde bewonen, loopen zeer uit-een. Bevolking en Hoofden op Sumatra zyn minder gedwee dan de Javaan, doch men vindt daar mannelyker karakters. Zeker is 't, dat de Javaan niet geacht is op Sumatra, en dat de echte Maleier die hem verachtelyk: _toekan makan toekoe_ noemt--vraag de vertaling aan 'n neef uit de Oost--zich ver boven hem stelt. 't Was 'n fout van den generaal Van Swieten, 'n Javaan te gebruiken als onderhandelaar met de Atjinezen. Dat de onverschrokken _Radhen_ die zich hiertoe leende, 't offer worden zou van z'n bereidwilligheid en trouw, was te voorzien. Het doet me leed dat z'n naam my ontgaan is.

86. De meeste Europeërs in Indie dragen weinig kennis van taal en zeden der streken die ze niet bezocht hebben. De uitdrukking _Si Oepi Keteh_--zooveel als: kleine jonge-juffer--werd door Duclari niet verstaan. Men vergist zich gewoonlijk in Holland, door aan ieder "die in de-n-Oost geweest is" algemeene kennis van indische zaken toeteschryven.

87. _Ophir_. We vinden dezen naam op de meeste landkaarten, en--waarschynlyk omdat de berg die er mee bedoeld wordt, ver uit zee te zien is--op alle zeekaarten. Maar 't woord _Ophir_ is by de inlanders onbekend. Ze noemen den berg die ongeveer in 't midden der breedte aan 't land, even benoorden de linie ligt: _Goenoeng Passaman_. Hoe dus de kartografen, die elkaar blykbaar hebben nageschreven, de benaming _Ophir_ kunnen verantwoorden, begryp ik niet. Een andere vraag is, of er verband mag gebracht worden tusschen dezen berg, en de streken vanwaar de tyrische koning Hiram, ten-behoeve van Salomo's tempelbouw, goud, ebbenhout en edelgesteente halen liet? (I Kon. IX, 28. X, 11.) Het is zeer gewaagd dit op grond van 'n enkel woord aantenemen. En bovendien, waar komt het woord _Ophir_ vandaan? Wie heeft het eerst den _G. Passaman_ aldus genoemd? De f-klank doet aan Arabieren denken. In de "_arabische vertellingen_" wordt Sumatra door Sindbad den zeeman bezocht.

88. _Kiskassen_. Of dit woord uitsluitend te Amsterdam gebruikt wordt, weet ik niet. In die stad beteekent het de eigenaardige huppelende beweging die 'n zeer plat steentje, behendig geworpen, op de oppervlakte van 't water maakt. Het beschryft, telkens even op 't water rustende, al voortspringend een reeks van allengs korter wordende bogen, en zinkt niet voor de kracht van den horizontalen worp uitgeput is. De manier waarop sommige zeevogels, na op de golven gerust te hebben, over 't water schuiven om vlucht te nemen, komt met dat "kiskassen" overeen. Ook vliegende visschen scheren de oppervlakte voor ze zich verheffen.

89. _Toewan kommandeur_. Op die plaatsen van Sumatra waar vroeger engelsche vestigingen bestonden, worden de gezagvoerende beambten nog altyd kommandeurs--_commodore_--genoemd. _Natal_ ging in den "engelschen tyd" voor 'n punt van groot belang door, getuige het fort dat veel te groot was voor de weinige manschap die 't in myn tyd--1842 --heette te bezetten.

90. _Krandjang_. Korf van _bamboe_, waarin de voor Nederland bestemde suiker verscheept wordt. Tot ver in 't binnenland van Europa, ziet men tegenwoordig het bamboezen vlechtwerk van die _krandjangs_--meestal gekoolteerd--gebruikt tot heggen en dergelyke afsluiting.

91. _Pedatti_: javaansche kar. De eigenaardigheid van dit voertuig was, dat het niet op raderen, maar, en wel op meewentelenden as, op schyven rolde, die om de onpraktische primitiviteit te volmaken, gewoonlyk den vorm hadden van 'n zeer onregelmatigen veelhoek. De "chinesche kerk" te Batavia (_zie Noot 98_) hield den heer W.R. van Hoevell voor den bekwamen schryver die zich onder den naam _Jeronimus_ niet verborg. Wel jammer dat deze publicist, gedeeltelyk uit gebrek aan kennis van indische toestanden--by was volbloed Bataviaan--meer nog misschien uit persoonlyke behoefte aan 'n schelle leus, zich door den klank van 't woordje: _vry_, verlokken liet tot het ophemelen van den zoogenaamd-_vryen_ Arbeid. Het wawelen over deze opgedrongen _topic_ heeft, jaren lang de aandacht afgetrokken van hoofdzaken als die welke in den _Havelaar_ behandeld worden en nog altyd aan de orde blyven. Men zie hierover m'n beide brochures over _Vryen-arbeid_.

92. Zie noot 23.

93. _Onafhankelyke Rykjes in den Noordhoek_. Het aantal meer of min onafhankelyke kleine vorsten in die streken is _legio_. Twee hunner heb ik persoonlyk gekend, de _Toeankoe's_ of _Radjah's_ van _Troemon_ en van _Analaboe_, die me soms te _Natal_ bezochten, en wel tot groote ergernis van den _Toeankoe_ dezer afdeeling. Een van die Hoofden namelyk--'t is me ontgaan, wie van de twee--veroorloofde zich 'n zyden doek om de lenden te slaan op 'n wyze die volgens de natalsche heraldiek, 't distinktief was van meer hoogheid dan hem toekwam. Uit deze en dergelyke kwestien over etikette en voorzitting vloeiden twisten en vechtpartyen voort, die me soms veel hoofdbreken berokkenden, daar de volgelingen van 't atjinsche Hoofd redelyk strydbaar waren, en de Natalezen zeer prikkelbaar zoodra 't den rang van hun _Toeankoe_ gold.

Over 't geheel werd _Natal_ zeer druk door Atjinezen bezocht, en ik was ruimschoots in de gelegenheid eenige kennis van hunnen aard optedoen, te-meer omdat de naïve _Si Oepi keteh_--een myner menigvuldige eerste liefden--'n _Atjinesche_ was. Toch bezit ik geen bouwstoffen voor 'n volledige karakterbeschryving, en ik durf alleen --in tegenspraak met de velen die heden-ten-dage over Atjinezen meespreken zonder ooit 'n Atjinees gezien te hebben--beweren dat zy over 't geheel genomen _zeer veel goede hoedanigheden_ bezitten. Ongetwyfeld namelyk zyn ze hooghartig en dapper. Dat, by gelegenheid der oorlogsverklaring, 'n minister in de Kamer de Atjinezen heeft durven afschilderen als schuldig aan _zeeroof_, bewyst slechts voor de duizendste keer dat sommige sprekers geen laster te plomp keuren om by dat kollegie hun doel te bereiken. Is de zeeroof in den indischen Archipel afgenomen, sedert de atjinsche havens geblokkeerd zyn? Immers neen. Indien ons gouvernement zeeroovers bevechten wil, laat het dan den oorlog verklaren aan den Sultan der _Soeloe_-eilanden, aan de _Illanezen_ op _Magindanao_, en eigenlyk aan àlle vorsten en volken opdat groote eiland. Uit _die_ streken zwermen de vloten uit, die sedert eeuwen de bezittingen der atjinsche Sultans, niet minder dan de onze, op 'n brandschatting stellen, weinig minder schandelyk voor wie ze betaalt dan voor den heffer. Dáár zou iets deugdelyks te doen vallen voor onze Marine, of liever voor onze Landmacht, want het beschieten van bamboezen gebouwtjes aan 't strand beteekent niet veel.

Maar de beschuldiging van zeeroof was onze edele staatslieden niet voldoende. Om den zoo fyn zedelyken Nederlander te bewegen tot de vereischte oorlogswoede--en fondsen-bewilliging!--werd hem in diezelfde Tweede-Kamer de Atjinees voorgesteld als zoo heel in 't byzonder overgegeven aan ... onnatuurlyken wellust! My, die veel met Atjinezen heb omgegaan, was daarvan nooit iets gebleken, misschien wel omdat ik nooit in 't belang van carrière of pozitie vuile voorwendsels noodig had om oorlog te maken. Aan hen die op dit punt zich zooveel volkenkundiger toonen, vraag ik welke "reden van wetenschap" ze voor hun liefelyke beschuldiging kunnen aanvoeren? In-allen-geval komt me zoo'n aantyging tegen 'n vyand die doorslaande blyken geeft van mannelykheid, nietzeer ... mannelyk voor, en even onsmakelyk als 't bedoeld delikt zelf. Wat te zeggen van 'n Vertegenwoordiging die millioenen voteert op voorstellen van ministers wien zùlke middeltjes tot ophitsing niet te verachtelyk zyn? Dat overigens het nederlandsche Staatsbestuur--een tot in 't merg verrot organismus!--de wapens zou aangorden _in 't belang der zedelykheid_, is 'n koddig denkbeeld.

Wat eindelyk den tegenwoordigen oorlog aangaat, ik herhaal wat ik elders zeide: _van Atjeh beging de nederlaag_. De toelichting van deze stelling ligt _nu_ buiten m'n bestek. Ook lust het me niet, by voortduring onbeloond les te geven aan de haagsche politici. _Zy_ worden door de Natie betaald om iets van de zaken te weten. Dat nu die Natie by voortduring genoegen neemt met individuën die aan dezen eisch niet voldoen, is myn schuld niet. Zéker is 't, dat nog geen enkele maal de _onvermydelyke gevolgen_ der intrekking van 't geheim artikel in het traktaat van 1824, ter-sprake gebracht zyn, noch in de talryke brochures over deze zaak, noch in de tallooze dagbladartikelen die haar behandelen, noch in de redevoeringen van ministers en "geachte leden." Al die schryvers en sprekers bleven òf uit onbekendheid met de toestanden òf om redenen van nog lager soort, voortdurend _à côté de la question_. O. d. e. t. u. o. s. i. v. m. d. p. o. o. d. o. z. w. v. m. a. o. f. d. z. t. m. d. k. v. s. t. g. h. d. z. d. d. o. v. a. i. v. v. d. n. j. z. o. Mocht de lezer klagen dat ik hier in raadsels spreek, hy bedenke dat m'n _Brief aan den Koning_ van September 1872 _niet_ raadselachtig was, en dat er van dat zeer duidelyk stuk geen notitie is genomen. Als de minister van Kolonien my zeer beleefd vraagt wat er ten-gevolge der zotte atjinsche kampagne te voorzien is, zal ik hem voldoende inlichting geven, onder protest evenwel tegen de onrechtvaardigheid dat _hy_ en niet _ik_ betaald wordt voor de zorg om Insulinde voor Nederland te bewaren.

94. _Baleh-baleh_: bamboezen rustbank, brits. _Klamboe_: gordyn.

95. _Pajong_: Zonnescherm, distinktief van rang.

96. _Madame Geoffrin_. In 't handschrift stond: _Madame Scarron_, en 't komt me voor, dat de heer Van Lennep hier ten-onrechte iets veranderd heeft. _Madame Geoffrin_, zeer ryk zynde, had niet noodig de schraalte van haar disch aantevullen door vertellingen. Bovendien weet ik zeker dat sommige schryvers de bekende anekdote op rekening van _Madame Scarron_ stellen.

97. _Traoessa_: 't hoeft niet!

98. _Chinesche kerk_: het "_tout Paris_" der hoofdplaatsen in Indie. De oorsprong dezer zegwys schynt te liggen in de _commérages_ die oudtyds gehouden werden by 't uitgaan der protestantsche kerk in of by de chinesche kamp te Batavia.

99. "_Wie sommige gebeurtenissen van naby gesien had_." In 1843 liet de generaal Michiels op in 't oog vallend vexatoire wys de wegen in den omtrek van Padang verbreeden. Voor niemand was het doel twyfelachtig: hy had behoefte aan wat krygsroem om zich staande te houden als civiel Gouverneur. De uitgelokte ontevredenheid openbaarde zich 't eerst te Pau, in de nabyheid der hoofdplaats. Daar hadden, naar weldra publiek bekend was, de samenscholingen plaats, waaruit de door ieder voorziene oproerige bewegingen zouden--en moesten!--voortkomen. Ze werden niet terstond tegengegaan: de vrucht moest rypen. Op zekeren nacht werd ik gewekt door een bediende van den kapitein der artillerie J.J.M. de Chateleux. Hy liet my roepen omdat zyn en myn vriend, de kapitein der infanterie Beyerman, by hem gekomen was om van hem en my afscheid te nemen. Ik ging, en vond B. in hoogst ernstige stemming. Geheel onverwacht had hy bevel gekregen naar Pau opterukken: "om me daar te laten vermoorden" zeide hy. Hy _is_ er vermoord, dienzelfden nacht nog. Toen daarvan den volgenden morgen bericht kwam, rukte de generaal aan 't hoofd van meer dan voldoende krygsmacht uit. In 'n ommezien behaalde hy de lauweren en 't certifikaat van onmisbaarheid waarom hy zoo dringend verlegen was. Arme Beyerman!

Zulk _en scène_ zetten van krygsbedryven door 't vooruitzenden van een aan den dood gewyde kleine schaar behoorde onder de lyfkunstjes van Michiels, doch eenig was hy niet in die misdadige kwakzalvery. Ze speelt in veel veldtochten haar rol, en dit zal wel zoo blyven tot de _kunst van lezen_ meer algemeen wordt. De koddigheid der advertentien van goedkoope boeken en allesgenezende pillen zinkt in 't niet, by de hansworstige leugens waarop sedert eeuwen sommige krygsoversten gewoon zyn hun betalende kommittenten te onthalen. Terstond zyn er altyd verzenmakers en geschiedschryvers by de hand om die zotte praatjes met hun visa, "gezien en opgehemeld" te stempelen, en 'n reeks van geslachten bauwen den aldus smakelyk gemaakten onzin na. Zie, als 'n enkel staaltje--ik heb ze voor 't grypen!--m'n opmerkingen over de hyperkrygskunstige slimmighedens van den prillen prins van Oranje by _Quatre-Bras_. (IDEE 747, vlgg.)

100. Hier ben ik profeet geweest, helaas! Het grofste, 't onmogelykste is niet te grof en niet te onmogelyk, zoodra 't dienen kan om iemand die "uitsteekt" van de baan te dringen. In deze taktiek ontmoeten zich de middelmatigheden van alle partyen. Er blykt uit den tekst dat ik hiervan iets wist toen ik den _Havelaar_ schreef, maar toch was ik niet profeet genoeg om te voorzien dat men de karakterschets van Publiek, die ik slechts als _boutade_ gaf, maken zou tot _letterlyke_ waarheid. Wanneer ook hier Duclari my in de rede was gevallen met 'n: "neen, dat is àl te sterk!" zou ik zeker de fout begaan hebben iets te laten afdingen van m'n bittere opmerking, al bewees dan later de uitkomst dat ik niet te veel gezegd had.

101. Het was in die dagen (1843) dat ik de "_Bruid daarboven_" schreef. Dit stuk werd nog onlangs in den Haag, te Rotterdam, en elders opgevoerd. Een van die voorstellingen woonde ik by, en m'n aandoeningen waren zeer gemengd. Het wederzien van dien arbeid uit m'n jeugd, van nu byna veertig jaar geleden, wekte meer herinneringen in my op dan m'n gemoed verslikken kon. En dan 't nagaan van alles wat er in en om my voorviel gedurende dat lange tydvak van m'n gevuld leven! Doch dit gaat den lezer niet aan. Met het oog evenwel op den ouderdom van dat stuk heb ik 'n vraag te doen die, meen ik, sommige lezers wèl aangaat. Is de _toon_ dien heden-ten-dage zekere publicisten tegen my aanslaan, wel in overeenstemming met den eerbied dien we gewoon zyn toetekennen aan ancienneteit in rang? Vindt men 't getal letter- vruchten die in onzen stoomtyd meer dan het derde deel eener eeuw beleven, zóó groot dat elk rekruut my mag toespreken _comme le premier venu_? Hoe ikzelf over die "_Bruid_" oordeel, is bekend, maar 't stuk is toch minstens even goed als de _Emilia Galotti_, als de _Kabale und Liebe_, als de _Minna van Barnhelm_ als de larmoyante komedies en _Lustspiele_ van Kotzebue, die nog altyd op 't repertoire staan. In-allen-gevalle blykt er uit, hoe ik m'n tyd doorbracht in de dagen toen 'n groot deel van hen die me tegenwoordig als hun gelyke meenen te mogen behandelen, nog--en misschien niet eens nog!--op de schoolbanken zaten. _Suum cuique_, heeren! (_Zie hierover de noten 65 en 115_.)

102. Die redakteur heeft later als minister 't zyne bygebracht om den toestand in Indiën onhoudbaar te maken. Van al de duitenplateryen waarmee hy Kamers en Natie eenige jaren aan de praat hield, noem ik nu alleen de fameuze komptabiliteitswet, 'n monument van bureaukratische onbruikbaarheid, en als zoodanig de getrouwe afspiegeling van den man zelf. Hy was 't ook die zoo byzonder veel bydroeg tot de verlamming van 't gezag in de binnenlanden, door de splitsing van rechterlyke en besturende macht. (_zie Noot 13_) Die uitverkorene van de Natie heet E. de Waal, en bekleedt natuurlyk 'n aangenaam plaatsjen op den pensioenstaat.

103. De toenmalige Algemeene Sekretaris der indische Regeering, Mr C. Visscher.

104. Ik meen hier blyken te geven dat de eischen der kunst ten-aanzien van de _maat_ der optewekken aandoeningen, of liever van de daartoe strekkende middelen, my eenigszins bekend waren. Ook beweer ik in den _Havelaar_ zelf (zie, byv. blz. 288)(zie alinea met: "Ik heb 't slot der geschiedenis van _Saïdjah_ ...", M.D.) my aan die eischen te hebben gehouden. Juist omdat ik _minder_ akeligheid schilder dan uit de geschetste omstandigheden blykt voorttevloeien, is de indruk der _Saïdjah_-epizode zoo algemeen en zoo diep geweest, en alzoo is de beschuldiging van "overdryving" een fout op 't gebied der kritiek. Dit wat _kunstbesef_ aangaat. En wat de _feiten_ betreft die in den _Havelaar_ vermeld worden, ook daarin blyf ik _beneden_ de waarheid. Ik roerde niets aan dan wat ik--thans nog!--_bewyzen_ kan, en dus volstrekt nog 't ergste niet. Wie nu, om den indruk van m'n pleidooi te ontzenuwen, z'n toevlucht neemt tot de afgezaagde en goedkoope beschuldiging dat ik "overdreven" heb--in den grond eigenlyk slechts 'n oneerlyk-vermomd erkennen van de waarheid!--gelieve te zeggen: _wat, waarin, hoe, in-hoe-ver?_ Hiertoe dan ook sommeerde ik herhaaldelyk Duymaer van Twist, den man die beter dan iemand by-machte wezen moest my tegentespreken, _indien_ er iets op myn beweringen viel aftedingen. Hy evenwel durfde niet eens van "overdryving" spreken, en bepaalde zich tot het verwyt dat ik zooveel talent had--in zyn oog 'n fout zeker--en dat-i zwygen zou uit vrees voor den schyn van partydigheid. En met zulke jongensachtige uitvluchten namen Kamer en Natie genoegen! Is dit _Recht_, Nederlanders?

105._ Boekten van den Tjioedjoeng_. Deze rivier draagt naar die vele bochten z'n naam. _Tji_: water. _Oedjong_: hoek. 't Woord _Rangkas_ beteekent een door zulke bochten omarmde streek lands. _Betoeng_ is 'n bamboesoort.

