Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Part 28
5. Welk gedicht kan hier bedoeld zyn? De chronologische volgorde verbiedt ons hier te denken aan: "_de laatste dag der Hollanders op Java_", door Sentot, want dat stuk is nà den _Havelaar_ geschreven, en misschien wel onder den indruk van den _Havelaar_. Daar ik Sjaalmans pak niet by de hand heb, en toch gaarne den lezer in staat stellen wil zich 'n denkbeeld te vormen van Droogstoppels verontwaardiging, neem ik verlof dien arbeid van Sentot aan de Natie voor oogen te leggen. Het zal den toekomstigen geschiedschryver aangenaam zyn te kunnen bewyzen dat het niet aan waarschuwingen ontbroken heeft.
Er zyn er die beweren dat myn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga om 't vervaardigen van dit stuk uit Indie verbannen is. De heer Van der Wyck, Raad van Indie en als zoodanig een der voorstanders van die uitzetting, heeft dit ontkend. Ook andere regeeringsmannen loochenen het verband tusschen _Sentots_ profetengaaf en _Roorda's_ verdrietig en onverdiend omzwerven. Sommige waren van gedachte dat deze duisterheid zou opgehelderd worden by de behandeling van Roorda's zaak in de Tweede Kamer, waar overlegging kon verwacht worden en _geëischt_, want het Regeerings-Reglement schryft dat overleggen voor van 't besluit waarby de gezagsdaad was uitgevoerd. Maar de Minister Fransen v.d. Putte meende te kunnen volstaan met de aanbieding van een _extrakt_ uit die beschikking, en de leden der Kamer berustten alweer in die onwettigheid. Vrage: wat stond er in 't achtergehouden deel van dat dokument? Iets over _Sentot's_ Vloekzang? Misschien die Vloekzang zelf? Bestond er wellicht zeker schuldbesef dat angstig maakte voor de openbaring van dat stuk? In dit geval is de toeleg niet gelukt, want--al zy 't dan dat R.V.E. zelf nooit de hand leende tot de publikatie--het verscheen herhaaldelyk in druk, en ikzelf vond het meer dan eens opgenomen in provinciale blaadjes. Zoowel om de edele verontwaardiging die er in schittert, als om de letterkundige verdiensten, vinde het hier een blyvende plaats. Reeds elders maakte ik de opmerking dat het in gloed en in kracht van uitdrukking zegevierend de vergelyking kan doorstaan met de beroemde imprekatie van Camille.
"DE LAATSTE DAG DER HOLLANDERS OP JAVA
DOOR SENTOT
Zult gy nog langer ons vertrappen. Uw hart vereelten door het geld, En, doof voor de eisch van recht en rede, De zachtheid tergen tot geweld?
Dan zy de buffel ons ten voorbeeld, Die sarrens moê, de hoornen wet, Den wreeden dryver in de lucht werpt En met zyn lompen poot verplet.
Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden, Dan roll' de wraak langs berg en dal, Dan styg' de rook uit uw paleizen, Dan trill' de lucht van 't moordgeschal.
Dan zullen wy onze ooren streelen Aan uwer vrouwen klaaggeschrei En staan, als juichende getuigen, om 't doodsbed van uw dwinglandy.
Dan zullen wy uw kindren slachten En de onzen drenken met hun bloed Opdat der eeuwen schuld met rente, Met woekerwinste word' vergoed.
En als de zon in 't Westen neerdaalt, Beneveld door den damp van 't bloed, Ontvangt zy in het doodsgerochel De laatste Hollandsche afscheidsgroet.
En als de nachtelyke sluier De rookende aard heeft overdekt, De jakhals de nog lauwe lyken Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt...
Dan voeren wy uw dochters henen, En elke maagd wordt ons een boel, Dan rusten we aan haar blanke boezems Van moordgetier en krygsgewoel.
En als haar schand zal zyn voltrokken, Als wy ons hebben moê gekust, Als elk tot walgens toe verzadigd, Het hart van wraak, het lyf van lust...
Dan tygen wy aan 't banketteeren, En de eerste toast is: "'t Batig Slot!" De tweede toast: "aan Jezus Christus!" De laatste dronk: "aan Neêrlands God!"
En als de zon in 't Oosten opdaagt, Knielt elk Javaan voor Mahomed, Wyl hy het zachtste volk der aarde Van Christenhonden heeft gered."
De opmerkzame lezer ziet dat de brave Droogstoppel ongelyk had in z'n verontwaardiging over dit--of 'n dergelyk--stuk. Ook had Fransen van de Putte het besluit der Regeering, waarby de heer R.v.E. verbannen werd, in alle gerustheid integraal kunnen overleggen. _Sentot_ zegt immers niet dat dit alles zoo wezen zàl. Hy waarschuwt slechts dat het geschieden _zou_, indien de Hollanders voortgingen hun "_hart te laten vereelten door 't geld, en den Javaan te vertrappen_." Daar nu dit geval --vooral na de oprichting der Javaannutmaatschappy en al 't geredekavel in de Kamer--ondenkbaar is, zal de zaak veel beter afloopen dan Sentot in 'n wanhopig oogenblik meende.
Voor wien 't niet weet, hier de mededeeling dat de pseudoniem _Sentot_ niet byzonder ongepast de herinnering in 't leven roept aan den javaschen oorlog. _Sentot_ namelyk was in zeer letterlyken zin de _nom de guerre_ van Alibassa Prawiro Dirdjo, 't uitstekendst legerhoofd van de "muitelingen" zooals de party van Diepo Negoro in chauvinistisch hollandsch genoemd werd, een vertalingsfout waaraan zich ook de Spanjaarden schuldig maakten jegens de Nederlanders, toen _dezen_ zich van indelikate vreemdelingen trachtten te ontslaan. De meer of mindere juistheid van zoodanige uitdrukkingen hangt dikwyls af van geografische ligging, dagteekening, huidskleur, geloof, en behoefte aan batige saldo's. De muiters van gister zyn dikwyls de helden en martelaren van vandaag.(*)
(*) De moedige Atjineezen die hun land verdedigen, heetten tegenwoordig "kwaadwilligen."
Wat overigens die Sentot betreft, men heeft hem na afloop van den Javaschen oorlog te vriend gehouden. Hy heeft z'n laatste levensjaren gesleten als gepensionneerde van den nederlandschen Staat, en z'n krygslieden werden by 't ned. ind. leger ingelyfd, doch niet _en corps_ ... wat zyn goede reden had. Nog in myn tyd--die wat Indie aangaat, een aanvang nam in Januari 1839--onderscheidden zich de uit Sentot's _Barissan_ (geregelde troepen) afkomstige soldaten door goed gedrag, tucht en militaire houding. Het was niet zeldzaam, by inspektien of parades, een hoofdofficier, by 't wyzen op 'n flinken kerel, te hooren zeggen: _Ienie apa lagie orangnja Sentot!_ "Dat is nog een man van _Sentot_!"
6. _Romancen in 't maleisch_. Ik laat nu daar wat Droogstoppel kan onder de oogen gehad hebben, doch zeker is 't dat ik den zang van _Saïdjah_ die in deze uitgaaf voorkomt op blz. 281, (alinea die begint met: "zie hoe de badjing", M.D.) oorspronkelyk in 't _maleisch_ geschreven heb. Waar dat stuk beland is, weet ik niet, en op dit oogenblik zie ik geen kans het in die taal te maken. Waarschynlyk ligt het in een der koffers of pakken papieren die ik na m'n vertrek van _Lebak_, op m'n verdrietige Odyssee hier-en-daar moest achterlaten, en wieromtrent ik den lezer verwys naar _Idee_ 951. Ik denk dat bedoeld stuk voor den dag zal komen na m'n dood, als ik niet meer daar wezen zal om te vragen hoe men er aan gekomen is? Dat er overigens zal gespekuleerd worden in nagemaakt-posthume artikelen, spreekt in onze eeuw van vervalsching vanzelf. En wanneer het te voorzien was dat die sofistikatie zich bepalen zou tot schryvery, kon men de zaak dragelyk vinden voor 'n doode. Maar de goocheltoeren die men aan den man brengen zal omtrent m'n leven, handelwys, karakter! Reeds nu lees en verneem ik dagelyks voorvallen die _my_ betreffen, gebeurtenissen waarin _ik_ 'n hoofdrol speel, en die myzelf grooter verrassing baren dan ze ooit kunnen teweegbrengen by ieder ander. De vertellingen die over my in omloop zyn--ook de niet boosaardige--loopen voor ieder die me _werkelyk kent_, in 't koddige ... neen, in _'t idiote_! Geenszins nu ter adstraktie hiervan, maar alleen om te doen blyken _comment on écrit l'histoire_, hier de opmerking dat zekere Bloemlezer nu reeds, slechts zeven-en-dertig jaar na m'n vertrek naar Indie, goedvindt dat vertrek 'n paar jaar te verschuiven. Vrage welke stiptheid is er te wachten in de chronologische rangschikking der chinesche dynastien, en vooral welke wetenschappelyke en moreele integriteit in karakterbeschryving? Toch is er leering te trekken uit de hier bedoelde fout. Door 't opmerken van zulke _blunders_, gewenne zich de lezer aan de vraag: "man, bloemlezer, _weet_ je wel wat je beweert ons te willen leeren? Zoo neen, waar bemoei je je mee?
7. _Voor gelykluidend met het oorspronkelyke geteekend_. Dit is werkelyk het geval met de bewysstukken die ik zoowel in den _Havelaar_ als in de _Minnebrieven_ overleg, Op gelyke wys heb ik de echtheid van meer andere stukken doen staven, in de meening dat men eenmaal daarnaar onderzoek zou doen. Maar nooit heeft iemand die moeite genomen, wat me zeer karakteristiek voorkomt. Het spreekt vanzelf dat ik nog altyd bereid ben inzage van bedoelde stukken te geven aan ieder die blyk zal geleverd hebben dat het hem om waarheid te doen is. Voorloopig bepaal ik my tot herhaling der sommatie aan _Duymaer van Twist_ om te beweren dat de door my als echt voorgestelde stukken verdicht zyn. Zoolang hy dit niet durft, blyf ik eischen _dat er op die stukken Recht worde gedaan_.
8. _Wettig eigendom van den Havelaar_. Droogstoppel voelde berouw dat-i den onnoozelen Sjaalman z'n recht op eigen werk niet ontfutseld had. Waarschynlyk kwam me by 't schetsen van den huichelenden schelm, deze trek noodig voor. En zie, ik wist niet dat ik hier--in zeer beperkten zin altoos--profeet was. Juist op de manier die Droogstoppel hier betreurt niet gevolgd te hebben, is de beschikking over 't boek _Havelaar_ in andere handen overgegaan. De my aangeboden en eigenlyk _opgedrongen_ ondersteuning die strekken zou om me zes maanden rust teverschaffen na m'n ellendig omzwerven, en _om den uitslag van m'n pleidooi aftewachten_, is gebruikt als voorwendsel om den _Havelaar_ zóó te behandelen dat het pleidooi z'n kracht verloor. En dit geschiedde _opzettelyk_. In een aan my gerichten "Brief" verklaart de heer Van Lennep: dat hy 't _populair worden van m'n arbeid wilde tegengaan_, hy die met zooveel vertoon van vurige sympatie my verzocht had de uitgaaf daarvan aan hem optedragen! Toch ben ik aan de rechtvaardigheid verplicht den lezer te waarschuwen tegen zekere vereenzelviging van den heer V.L. met den afzichtelyken Droogstoppel. Toen V.L. _begon_ zich met de Havelaarszaak intelaten, was-i oprecht. Maar gaande-weg begon hy berouw te voelen, en z'n zwakheid nam zóó de overhand dat-i weldra liever my verraadde--'t moet hem zéér gedaan hebben, want slecht was-i niet!--dan in zyn kring doortegaan voor den beschermer eener zaak die, _zeer ten onrechte_, werd uitgekreten voor iets revolutionnairs. Men zie over dit alles, blz. 17 van _Vrye-arbeid_, uitgaaf 1873, en de Noot op _Idee_ 289.
9. _Wapen van Bern_. In een aldus genoemd gebouw, staande op 't Spui te Amsterdam, werden in myn jeugd boekverkoopingen gehouden. Ik weet niet of dit nog zoo is, en zelfs niet of die inrichting nog bestond in den tyd waarvan Droogstoppel verondersteld wordt te spreken, d.i. een paar jaar na den datum der officieele stukken die in den _Havelaar_ opgenomen zyn.
10. _Pandeglang en Lebak_. Hier voor 't eerst had ik 't genoegen een paar namen voluit te schryven, die in vorige uitgaven met puntjes verminkt waren. Tot op dit oogenblik toe kende een zeer groot getal lezers den naam niet van de provincie waar de in _Havelaar_ behandelde voorvallen plaats grepen. Men moest zich vergenoegen met den klank _Leb_. En dat zoo'n storende terughouding nadeelig gewerkt heeft, zoowel op het schilderachtige der voorstelling als op 't betrouwbare van m'n beweringen, spreekt vanzelf. Dit was dan ook 't doel van dat verraderlyk kastreeren. Men zie hierover de zoo-even aangehaalde _Noot op Idee_ 289. De Engelschman Wallace--die _nota bene_ de engelsche vertaling van den _Havelaar_ niet onder de oogen gehad heeft, want dáárin staan namen en datums voluit gedrukt--ontzegt aan m'n werk alle waarde _omdat ik geen plaatsen en dagteekeningen opgeef_.
Men heeft my verzekerd--of 't waar is, weet ik niet--dat de heer Van Lennep m'n handschrift ten-geschenke heeft gegeven aan de _Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde_ te Leiden. Indien ik hierin wèl geïnformeerd ben, zou dat Genootschap in de gelegenheid zyn te onderzoeken of 't _myn_ schuld is, dat in vorige uitgaven de namen van plaatsen en personen of de dagteekeningen met lafhartige puntjes gespeld zyn?
11. _Groote weg over Java_. Deze weg loopt van _Anjer_, aan straat _Soenda_ gelegen en dus een der westelykste punten, tot aan _Banjoewangie_, dat aan 't Zuidoostelyk uiteinde des lands, tegenover _Bali_ ligt, en is 270 uur gaans lang. Het aanleggen daarvan was een reuzenwerk, en kon dan ook slechts ten-einde worden gebracht door 'n man als Daendels die aan groote wilskracht, verregaande minachting voor byzondere belangen paarde. De blyken die van z'n ruwheid worden verteld, loopen in 't ongelooflyke. Toch zyn er in zekere gevallen menschen van die soort noodig. Ik beweer dat er ook _thans_ behoefte is aan personen die moed en kracht hebben om op eigen verantwoordelykheid te breken met den sleur. Waarlyk, er zyn _heden-ten-dage_ in ons Indie dingen te verrichten, waarby die postweg kinderspel is! Of de Daendels die daartoe verwacht en gewenscht wordt, zou kunnen volstaan met de eigenschappen die 'n zeventig jaar geleden aan de eischen beantwoordden, blyft te betwyfelen. Ik spreek in den tekst van "bezwaren die z'n tegenstanders in 't Moederland hem in den weg legden." Wat is in ònzen tyd het lot van iemand die in Indiën iets verbeteren wil? Hoe zwaar Daendels taak ook moge geweest zyn, hy had _niet_ te worstelen met 'n wysneuzige Tweede Kamer en de ministerschappen die uit zoo'n Kamerregeering voortvloeien.
Wat overigens onzen "Maarschalk" aangaat--_maréchal de Hollande_, namelyk, want na de inlyving werd-i teruggezet tot generaal--ook ten zynen opzichte is het te betreuren dat wy Hollanders zoo schraal voorzien zyn van _Mémoire_-litteratuur, een fout die onze Geschiedenis dor maakt, en slechts begrypelyk voor de zoodanigen die, geen oordeel genoeg hebbende tot niet-begrypen, volkomen tevreden zyn met ongerymdheid. De levensloop van Daendels was 'n _drama_. Dit is optemaken uit het weinige dat officieel van hem bekend is, en uit de vele vertellingen die in de _Chinesche kerk_ [98] omtrent hem in omloop zyn. Een goedgeschreven levensgeschiedenis van dien man zou licht werpen op 'n belangryk tydvak onzer historie van den patriottentyd af tot de restauratie toe. Op z'n armzalig knoeien by gelegenheid der inlyving van ons landje, wees ik reeds in m'n _Idee_ 515. Wie by 't lezen van die bydrage in 't oog houdt dat onze "Maarschalk van Holland" een gewezen _patriot_ was--en een van de vurigsten!--zou verbaasd staan over 's mans verregaande karakterloosheid, indien niet zyn verbazing uitgeput ware door 't letten op de algemeenheid van die kwaal. Ook in 't zeer belangryk werk van den heer Van Lennep (_het leven van Mr. C.v.L. en Mr. D.J.v.L._(*)) vindt men kostbare maar bedroevende bydragen tot deze waarheid. Wie de Geschiedenis grondiger bestudeert dan uit officieel-goedgekeurde schoolboekjes mogelyk is, zal erkennen dat men zeer zelden in de rei der personen die zy ons te aanschouwen geeft, een _karakter_ aantreft.
Toch blyft het de vraag of men Daendels goed zou beoordeelen, indien men alleen achtsloeg op z'n lamlendig gedrag in de maand Februari 1811. Het wantrouwen waarmee eenige jaren later Willem I hem onderscheidde, schynt aantetoonen dat men hem tot iets buitengewoons in-staat achtte. Z'n benoeming tot gouverneur der Bezittingen op de Goudkust--die heele bezitting stond in belangrykheid beneden menige kontroleursafdeeling op Java!--die benoeming was 'n soort van gevangenschap. Ik weet van goederhand dat hyzelf de zaak dan ook als zoodanig beschouwde. By gelegenheid zal ik eenige staaltjes meedeelen van z'n inborst. Al verdient hy geen plaats onder _beroemde_ mannen, een _vreemde_ verschyning was-i zéker. Dit is al _iets_ in onzen tyd van jammerlyk ordinarisme!
(*)Ziedáár _Mémoires_! Toch blyft het by de onmiskenbare waarde van dat werk te betreuren dat de schryver gemeend heeft ... hoe zal ik me uitdrukken? Godbewaarme dat ik schandaal zou aanpryzen, maar de _menschkundige_ lezer voelt by 't volgen van de biografien der beide van Lennepen, dat er hier-en-daar iets moet overgeslagen zyn. Hoe dankbaar ook voor de kostbare bydragen tot de kennis der zeden van dien tyd, wordt toch het oog vermoeid van de vlekkeloosheid der twee brave Hendrikken waaraan de auteur 't aanzyn dankt. Het gekste is dat Jakob van Lennep zelf noch "brave Hendrik" was, noch lust had er voor doortegaan. Ik gis dus dat de gapingen waarop ik doel, voldoen moesten aan den smaak en de eischen van zeker soort van Publiek, aan welke invloed Mr. Jakob V.L. zich--jammer genoeg!--nooit wist te onttrekken. Juist 'n menschenvrees van zóódanigen aard belette hem de Havelaarszaak dóórtezetten zooals aanvankelyk inderdaad z'n plan was.
12. _Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_. De drie laatste woorden zyn de _naam_, de twee eersten drukken den _titel_ uit. Het spreekt vanzelf dat de juiste vertaling van zoodanigen titel moeielyk is. Toch heeft het de oude Valentyn in z'n werken over Oost-Indie beproefd. Hy spreekt van "hertogen" en "graven." Hierin ligt voor iemand die de Inlandsche Hoofden kent, iets zonderlings. Na de velerlei titels van meer of min schynbaar-onafhankelyke Vorsten is die van _Pangérang_ de hoogste. Zoo'n _Pangérang_ zou men met eenigen kans op juistheid, _Prins_ kunnen noemen, omdat deze rang ontleend is aan verwantschap met een der regeerende huizen van _Solo_ (Soerakarta) en _Djokja_ (Djokjakarta) schoon hierop, naar ik meen, uitzonderingen bestaan, waarmee we nu niet te maken hebben. De naastvolgende titel is die van _Adhipatti_, of voluit: _Radhen Adhipatti_. _Radhen_ alleen duidt 'n rang van lager orde aan, doch die nog vry hoog boven 't gemeen staat. Iets lager dan _Adhipatti_ staan de _Tommongongs_.
De adel speelt in de javasche huishouding een groote rol. Het Gouvernement heeft zich 't recht aangematigd adelyke titels toetekennen, iets dat eigenlyk met het grondbegrip van onderscheiding _door geboorte_ in stryd is. Ook in Europa evenwel zien wy 'tzelfde verschynsel. Stipt genomen kan een Regeering iemand toestaan zekeren titel te voeren, de voorrechten te genieten die aan zekeren stand verbonden zyn. maar geen macht ter-wereld kan bewerken dat iemand wiens voorouders onbekend waren, op-eenmaal de afstammeling wordt van een geslacht dat reeds eeuwen geleden in aanzien was. Wat Java aangaat, de gebeneficieerden berusten vry geduldig in 't hun toegeworpen voordeel. Men beweert echter dat er onder de minder gunstig bedeelden--en misschien ook onder de Bevolking, die voor echte stamregisters religieuzen eerbied heeft--plan bestaat om de diplomen welke de oude O.I. Kompagnie uitreikte, en die welke door de Buitenzorgsche Sekretarie verleend werden, by de eerste gelegenheid te herzien. Er zyn weinig of geen adelyke geslachten op Java--de regeerende vorsten van _Solo_ en _Djokja_ niet uitgezonderd --welker titels en officieele pozitie geen stof leveren zouden tot kontroverse en verzet. Dit wacht maar op 't breken van een der mazen van 't net waaronder de geheele javaansche huishouding gevangen ligt.
13. _Mechanismus van 't Bestuur_. Jonge lieden die den _Havelaar_ voor eerst lezen in _deze_ uitgaaf, kunnen zich geen denkbeeld maken, hoe volstrekt noodig in 1860 de schets was van de inrichting onzer heerschappy in Indie, die in de volgende bladzyden van den tekst gegeven wordt. En meer nog: op de hoofdplaatsen in Indie zelf was, kort geleden nog, 't mechanisme van ons Bestuur een gesloten boek. Van deze onkunde zou ik vreemdklinkende voorbeelden kunnen aanhalen. Tot juist begrip evenwel van de zeer kunstige--en toch eenvoudige!--wyze waarop 't machtig Insulinde door een zwakke natie onder de knie wordt gehouden, verwys ik naar m'n beide brochures over _Vryen arbeid_.(*) De fout der Nederlanders is dat ze aan 't vreemde in onze verhoudingen daarginds zoo gewoon zyn geraakt, dat ze er niets byzonders meer in zien, en meenen dat alles vanzelf zoo blyven zal.
(*)(Vooral naar de tweede: _Nog eens Vrye-arbeid_, Delft by J. Waltman Jr.)
Wat overigens de inrichting van het _Binnenl. Bestuur_ aangaat, mag ik niet onvermeld laten dat sedert eenige jaren de Residenten als Voorzitters van den Landraad vervangen zyn door z.g.n. _rechterlyke ambtenaren_. Deze splitsing van gezag--ook vooral noodlottig uit 'n politiek oogpunt--draagt ruimschoots het hare by tot den ellendigen toestand waarin 't _Inlandsch Rechtswezen_ op Java verkeert. Veiligheid van personen en goederen heeft sedert dien baarschen maatregel schrikbarend afgenomen. Het _Ketjoe_-wezen neemt by den dag in omvang toe.
14. _Nederlandsch Indie_. Sommigen rekenen de eilandengroep die misschien eenmaal Nieuw-Holland aan de vaste kust van Indie verbond, mèt dit laatste tot _Australie_. Anderen spreken van _Polynesie_ en _Melanesie_. Elders weer lezen wy van _Oceanie_. In al deze gevallen staat het aan ieders willekeur om de toepassing van zulke benamingen al dan niet uittestrekken tot de _Gezelschaps_-en _Markiezen_-eilanden. Maar die verdeelingen zyn en blyven konventionneel. Van meer gewicht is de vraag of onze bezittingen in die streken _Nederlandsch_ zyn? In politieken zin, ja. In _socialen_ zin echter even weinig als in geografische beteekenis. Niets is minder _nederlandsch_ dan de bodem, 't klimaat, de _fauna_, de _flora_, van al die eilanden. Niets ook is minder _nederlandsch_ dan de geschiedenis der bewoners, dan hun traditien, hun godsdienst, hun begrippen, hun karakter, hun zeden en ... hun belangen. Ook zonder de minste politieke nevengedachte stuitte my altyd een kwalifikatie die zulke onjuiste denkbeelden in 't leven roept, en daaraan heeft men de invoering te danken van 't woord Insulinde, waarmee de lezer nu wel eenigszins gemeenzamer wezen zal dan Droogstoppel bleek te zyn, toen hy die benaming voor 't eerst ontmoette in Sjaalmans pak. (blz. 33) (zie de alinea die begint met: "Over een konstitutie ...", M.D.)
15. _Sawah's, gagah's, tipar's_. Rystvelden, onderscheiden naar ligging en wyze van bewerking, vooral met het oog op de mogelykheid om ze al of niet van water te voorzien.
16. _Padie_. Ryst in den bolster.
17. _Dessah_. Dorp. Elders: _negrie_. Ook: _kampong_.
18. _Kultuur-emolumenten_. Deze zyn, wat de europesche ambtenaren aangaat, afgeschaft. 't Spreekt vanzelf dat ik, die op de noodlottige werking van deze perspompmekaniek gewezen had, niet genoemd werd by de beraadslagingen over dat onderwerp. Of de maatregel overigens de bedoelde verlichting voor den Javaan ten-gevolge heeft, valt te betwyfelen, daar men verzuimd heeft de vaste inkomsten der europesche ambtenaren in de binnenlanden te verhoogen. Ze zyn en blyven _genoodzaakt_ diensten en leveringen van den Javaan te vorderen, die nergens beschreven staan.
19. _Geheele distrikten uitgestorven van honger_. Waarschynlyk doelde ik hier op den hongersnood die 't Regentschap _Demak_ en _Grobogan_ ontvolkte. Na '60 evenwel--en thans vooral niet minder dan vroeger--zyn de berichten omtrent dergelyke kalamiteiten zoo menigvuldig, dat het de moeite niet loont daarvan geregelde opgave te doen. De bewering dat er op Java telkens hongersnood heerscht, is 'n _truism_ geworden. Wat _Lebak_ in 't byzonder aangaat, daar waren ze geregeld-periodisch. Hierop zal ik terugkomen.
20. _Aloen-aloen. Kraton. Kotta Radja_. De _aloen-aloen_ is 'n uitgestrekt voorplein voor de groep gebouwen die de woning van 'n Regent uitmaken. Gewoonlyk staan er op zoo'n plein twee statige _waringi_-boomen, uit welker ouderdom blykt dat niet zy op den _aloen-aloen_ geplant zyn, maar dat de regentswoning in hunne nabyheid, en waarschynlyk juist dáár om die nabyheid, is opgericht.