Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Part 27
Er zyn in den laatsten tyd schryvers opgestaan, die me verwyten dat ik niets of niet genoeg heb uitgericht, niets of niet genoeg veranderd, niets of niet genoeg tot-stand gebracht. Straks zal ik terugkomen op de bron waaruit zulke beschuldigingen voortkomen. Wat de zaak zelf aangaat ... ik erken volmondig dat er in Indie niets verbeterd is. Maar ... _veranderd_? De lieden die, eerst onmiddelyk na den _Havelaar_, en vervolgens uit kracht van ons armzalig grondwettelyk baskule-systeem, gebruik maken van de door dat boek opgewekte beweging om zich op 't kussen te zetten, hebben niets gedaan dan _veranderen_. Dit moest immers wel? Hun staatkunstenmakersmétier bracht het mee. Het gedeeltelyk onbekwame, gedeeltelyk niet zeer intègre volkje dat na '60 "_naar boven viel uit gebrek aan zwaarte_" begreep dat er iets _gedaan_ moest worden, al deden ze liever 't goede niet, dat dan ook--dit erken ik mèt hen--maar zelfmoord zou gesmaakt hebben. Recht-doen aan den mishandelden Javaan was gelyk beteekenend met Havelaars verheffing, en dit ware den meesten een vonnis.(*) Toch moest er schyn geleverd worden van werkzaamheid in nieuwe richting, en aan 't van verontwaardiging "rillend" Volk werd gedurig een been toegeworpen, niet waarlyk om den honger naar verbetering te stillen, maar om de kaken in bezigheid te houden, al ware 't dan ook maar met vermeend ekonomisch-politisch gewawel. De regeermannen wierpen aan hun kieskollegien, krantenfabrikeurs en verder koffihuispubliek successievelyk de kluifjes toe, die ik eens-voor-al doopte met den naam van _duitenplatery_. "_Vrye-arbeid_" was jaren lang--en vóór den _Havelaar_ reeds--de hoofdschotel, de _pièce de résistance_ van 't verraderlyk _menu_. Ter afwisseling dienden de heeren hun onnoozelen gasten opgeworpen kwestien over 't Indisch muntstelsel toe. Daarop volgden de kadaster-kwestie, de Preanger-kwestie, de kultuur- emolument-kwestie, de komptabiliteits- kwestie, agrarische- wetkwestie, de partikuliere-grondbezitkwestie, en nog een-en-ander van dien aard. De eene nieuwe wet volgde op de andere, en telkens wisten de mannen _en place_--behoudend of liberaal, om 't even! --aan 't Volk diets te maken dat de eenig mogelyke ontknooping van de _door allen erkende_ moeielykheid nu eigenlyk en eindelyk geheel alleen in 't allerlaatst voorgesteld heilmiddeltje lag. Heusch, _nu_ zou 't probaat wezen!
(*) Zeker! Zie de laatste bladzyden van "_Pruisen en Nederland_."
Zoo volgde na elk versleten experiment een nieuw experiment. Na elke verbruikte kwakzalvery, een nieuwe kwakzalvery. By elk nieuw ministerie een nieuw arkanum. Voor elk nieuw arkanum nieuwe ministers, bestemd gewoonlyk meer jaren den overladen pensioenstaat te bezwaren, dan ze maanden op 't kussen hadden gezeten. En de Tweede-Kamer aan 't redevoeren! En de kieskollegien aan 't opvyzelen of zwartmaken! En 't Volk aan 't luisteren! Al die nieuwigheden werden onderzocht, beproefd, toegepast, ingevoerd. In Indie maakte men de Hoofden, de europeesche ambtenaren, en vooral de Bevolking _biengoeng_ met de onophoudelyke _changements-à-vue_ ... en er zou niets _veranderd_ zyn na den _Havelaar_? Ten-gevolge van den _Havelaar_? _Allons-donc!_ Er is nà en ten-gevolge van dat boek, in Indie geschied wat er met _Jan Klaassen's_ horloge gebeurde. Men had dien wysgeer de opmerking gemaakt dat het werk vuil was en daarom verkeerd liep. Fluks wierp hy 't in de goot, en reinigde het met 'n stalbezem. Volgens andere traditien van de haagsche poppenkast zette onze politikus er den hak van z'n klomp op. Ik kan den lezer verzekeren dat er werkelyk veel _veranderd is_ in dat horloge!
* * * * *
Nederland heeft niet verkozen recht te doen in de Havelaarszaak. Zoolang tweemaal twee vier zal wezen, blyft het zeker dat dit verzuim--dat deze _misdaad_!--het punt van uitgang worden zal van 't verlies zyner indische bezittingen. Wie deze voorspelling wantrouwt omdat heden, en dus slechts twintig jaar na m'n _zeer gedwongen_ optreden, de hollandsche vlag nog altyd te Batavia waait, verraadt de nauwte van z'n politieken blik. Meent men dat omkeeringen als die welke Insulinde te-gemoet gaat, en waarmee faktisch reeds 'n aanvang gemaakt is--ziet ge dit niet, Nederlanders?--kunnen plaats grypen in 'n bestek als voldoende wezen zou voor 'n dagelyksch voorvalletjen uit het byzonder leven! In 't leven der Staten is twintig jaar minder dan 'n oogenblik.
Toch zal de katastroof een betrekkelyk snel verloop nemen. De onbesuisde oorlog met _Atjeh_ was een der laatste duitenplateryen die 'n minister noodig had om de aandacht afteleiden van z'n onbekwaamheid, en zal blyken even noodlottig te zyn van uitslag en invloed, als ze lichtvaardig en misdadig was van opzet. Het wankelend nederlandsch gezag is tegen _échecs_ als dáár door ons geleden worden, niet bestand.(*) Doch reeds vóór de openbaring der gevolgen van wyder strekking, die deze wreedaardige en dure zotterny na zich slepen _moet_, waar blyft in deze zaak de zoo hooggeroemde ministerieele verantwoordelykheid. Moet nu de Natie er maar in berusten, dat zekere _Fransen van de Putte_ goedgevonden heeft haar in 'n toestand te brengen, die--om nu niet te spreken van 't schromelyk verlies aan _prestige_ in den Indischen Archipel!--op zóóveel millioenen schats, op zóóveel menschenlevens te staan komt? Wel zeker! Ook de naam van _dien_ man bekleedt 'n plaats op den staat van pensioenen. De nederlandsche belastingschuldigen hebben geld te veel, naar 't schynt.
(*) Dat Atjeh zou _veroverd_ en de Atjinees _overwonnen_ zyn, is 'n leugen.
Wat overigens den oorlog met _Atjeh_ aangaat, ik zal straks by de aanteekeningen op den _Havelaar_ wel genoodzaakt wezen daarop nu-en-dan terug te komen. Nu reeds de opmerking echter, dat me ook in dit opzicht gebleken is, hoe slordig dat boek gelezen werd. Zelden of nooit ontving ik blyk dat men den tegenwoordigen oorlog, en myn voorspelling daarvan, in verband wist te brengen met den inhoud van 't _dertiende_ hoofdstuk. By de groote verspreiding van den _Havelaar_, is 't inderdaad vreemd dat, toen in September '72 m'n waarschuwende brief aan den Koning verscheen, en in 't volgend voorjaar de oorlog verklaard werd, zoo weinigen zich herinnerden dat ik reeds in '60 op onze gespannen verhouding met het atjinsche Ryk gedoeld, en bewys geleverd had iets meer van die zaken te weten dan onze krantenschryvers en Kamerleden. Ware dit ànders geweest, misschien zou myn welmeenende waarschuwing van September '72 beter vrucht gedragen hebben! Nog altyd maakt de oude Jupiter de Koningen en Natien die hy verderven wil, blind doof, krankzinnig en behoudend of ... liberaal. Want dat komt overeen uit. Hoofdzaak is en blyft: waarheid _zoeken, 't gewicht der waarheid_ erkennen en vooral _handelen naar de gegevens die men_, aldus te-werk gaande, _voor_ waar _houden mag_. Wat daarbuiten gaat is uit den booze, en Holland zal Indie verliezen omdat men my geen recht heeft gedaan in myn streven om den Javaan te beschermen tegen mishandeling. Er zyn er nog altyd die 't verband tusschen deze beide stellingen niet vatten, maar is dit _myn_ schuld? Het smoren van myn klachten is bescherming van _onwaarheid_, aanmoediging van _leugen_. Is 't nu zoo moeielyk te begrypen dat het _ommogelyk_ is, by-voortduring die zoo uitgestrekte bezittingen te beheeren, wanneer men omtrent Land en Bevolking geen andere dan onware berichten gelieft te ontvangen? Om iets te regelen, te besturen, te regeeren, behoort men dan toch in de eerste plaats te _weten_ in welken toestand zich de te behandelen zaken bevinden, en zoolang men de in den _Havelaar_ verstrekte gegevens ter-zyde schuift, weet men dit _niet_!
En nog iets. Er blykt uit dat boek dat de bestaande wetten niet worden gehandhaafd. Eilieve, wat baat het dan of men in den Haag en by verkiezingen zich aanstelt alsof er aan 't maken van _nieuwe_ wetten iets gelegen lag? Ik blyf er by dat de oude bepalingen _wat de hoofdzaken aangaat_ zoo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet optevolgen. Dáár ligt de kwestie!(*) Daar, en niet in 't eindeloos redeneeren over onderwerpen van vermeend of voorgewend-politisch belang, een gekibbel dat wel dienen kan om kranten-schryvers aan teksten voor hoofdartikels te helpen, om ministers een week langer op 't kussen, en de geheel overbodige talenterigheid van Kamerdebattisten bezig te houden, maar geen voetstap nader brengt aan 't eenig ware doel: _bescherming van den Javaan tegen de hebzucht zyner Hoofden in medeplichtigheid van een bedorven Nederlandsch Bestuur_.
(*) Zie ter toelichting der karakteristieke frekwentie van dusdanig misvatten, het aardig voorval op 'n audientie by den Keizer van Rusland, medegedeeld in m'n brochure over _Vryen-arbeid_, uitgaaf 1873, blz. 137.
* * * * *
Wat nu deze nieuwe uitgaaf betreft, ik stond by de Noten die straks volgen, gedurig in twyfel over de meer of mindere behoefte aan toelichting. Dit bezwaar is tweeledig, en betreft zoowel het ophelderen van 'n maleische of vreemdklinkende uitdrukking, als de _staving der feiten_ die in den _Havelaar_ worden meegedeeld. Ik weet nog altyd niet hoe diep het door de Van Twisten uitgestrooid praatje "dat ik maar 'n roman had geschreven" wortel heeft geschoten? Durft men de door my overgelegde officieele stukken voor onecht houden? Hiervan is me niets ter-oore gekomen. Dewyl men echter by-voortduring weigert my de plaats interuimen die me zou toekomen indien ze voor echt worden erkend, viel 't my moeielyk het juiste midden te vinden tusschen te veel en te weinig rechtvaardiging. Ik liep telkens gevaar het justificeeren overteslaan van iets dat in de oogen van sommige lezers bewys kon noodig hebben, en elders iets met bewyzen te staven dat alle verdere toelichting missen kon, een fout die me zou blootstellen aan de--gewoonlyk verkeerde!--toepassing van 't bekende: _qui s'excuse s'accuse_. Te _excuzeeren_ nu heb ik, die m'n plicht deed, niets. Nederland deed z'n plicht _niet_, en heeft zich te verontschuldigen dat het tegen _Havelaar_ party trekt voor schelmery. Zoo is de zaak!
De weifeling dan tusschen te veel of te weinig _justificatie_ der aangevoerde feiten, hinderde my zeer. Maar zie, tamelyk ver reeds gevorderd met het afwerken der Noten, bleek me dat ik bezig was de grenzen der my gegunde ruimte--een ruimte die ik zelf vroeger voldoende had gerekend--zeer ver te overschryden. Myn aanteekeningen, toelichtingen en ophelderingen op filologisch, land-en volkenkundig of historisch terrein, dreigden weldra den oorspronkelyken tekst in uitgebreidheid te-boven te gaan. Het hierdoor noodzakelyk geworden knotten was my een verdrietig werk, en ik ben zoo vry te gelooven dat de lezer er iets by verliest.
De vervloekte puntjes waarmee de heer Van Lennep goedvond m'n werk te bederven, zyn in deze uitgaaf natuurlyk door _leesbare woorden in letters_ vervangen. De pseudoniemen _Slymering, Verbrugge, Duclari_ en _Slotering_ heb ik onveranderd gelaten omdat die namen nu eenmaal populair zyn geworden. Myn vermoorde voorganger heette _Carolus_. De namen van den kontroleur _Verbrugge_ en den kommandant _Duclari_ waren _Van Hemert_ en _Collard_. De Resident van Bantam heette _Brest van Kempen_, en _Michiels_ was de naam van 't Napoleonnetje te _Padang_. Wat my bewoog tot verandering dezer namen in 't handschrift dat ik aan den heer V.L. toevertrouwde? Met verwyzing naar het slot van 't XIXe hoofdstuk, zy hieromtrent de opmerking voldoende, dat ik den eerlyken maar niet heldhaftigen kontroleur wilde vrywaren tegen rankune. Al steunde hy me niet in m'n streven, hy had me dan toch niet tegengewerkt en zelfs, waar ik 't verzocht, ronde verklaringen afgegeven. Dit was reeds zeer veel, en zou hem kunnen aangerekend zyn als misdaad. De benaming Slymering voorts diende my tot het typizeeren van m'n model. En 't veranderen eindelyk van de namen _Carolus_ en _Collard_ in _Slotering_ en _Duclari_ vloeiden uit de vorige substitutien voort. Geheimhouding was waarlyk m'n zoeken niet, wat trouwens uit de geheele strekking van m'n werk blykt, maar ik vond het stuitend bepaalde personen prys te geven aan het oordeel van 't _gewoon_ lezend Publiek. In de _officieele_ wereld, meende ik--en háár ging de zaak aan--zou men wel weten tot wien men zich te richten had om inlichting aangaande de zaken die ik openbaarde. Dit hééft men dan ook geweten, want na ontvangst van den _Havelaar_ in Indie, is de Gouverneur-Generaal _Pahud_ terstond naar _Lebak_ gereisd om daar eenige klachten over misbruik te onderzoeken."
Op den titel van 't boek zal ik in een later aanteekening terugkomen. Die titel is noch 'n _farce_, gelyk sommigen voorgeven te meenen, noch 'n uithangbord, _ein aushängeschild das in Holland nöthig schien um Käufer zu locken_, beweerde zeker publicist in de _Deutsche Jahrbücher für Wissenschaft, Kunst und Politik_. O, neen, die titel is 'n epigram.
Wat de spelling aangaat, even als in m'n andere werken volg ik nagenoeg de mode van den dag. "_Niet_, zooals ik zeide in 't Voorbericht by den vyfden druk myner _Ideen, omdat ik den minsten eerbied voel voor de taalkennis der personen die heden-ten-dage zoo goed als officieel belast schynen met de bearbeiding van dat veld, doch om niet het oog des lezers aftestooten door vreemdheid van spelling. De soep zou de kool niet waard zyn_." Zeker, wezenlyke _taalkunde_ is heel wat anders! Toch heb ik ook hier de leelyke i-j die door sommigen als y-klank gebruikt wordt, voor goed _congé_ gegeven. _Tant pis_ voor de Hilaridessen die er om treuren. Dezelfde soort van lettermannen zullen waarschynlyk geen vrede hebben met m'n interpunktie. Ik met de hunne niet. Welnu, evenals--ik meen--Hildebrand ergens, geef ik hun een paar mud komma's ten-geschenke, om die te plaatsen waar ze goedvinden, tot er de verlangde slymerigheid en hun voldoening op volgt, amen.
De heer Mr. C. Vosmaer maakt in z'n "_Zaaier_"de opmerking dat de _Havelaar_ blyken draagt van nog onvolkomen beheersching der taal, en van 't worstelen om vormen voor de veelvuldige stof. Ik stem dit volmondig toe. Ook my hinderde onder de korrektie herhaaldelyk iets gewrongens in den zinbouw, dat waarschynlyk tot de kritiek van den heer V heeft aanleiding gegeven. Naar m'n beste weten heb ik die fout in de tegenwoordige uitgaaf verbeterd.
* * * * *
En, alsnu terugkomende op de beschuldiging dat ik tot-nog-toe zoo weinig heb tot-stand gebracht ... dit verwyt is zoo dom niet. Men wordt _Doctor in de letteren_ door zulke wapenfeiten. Eilieve, dit heb ik dan toch bewerkt, niet waar, dat personen die bezig waren met kouvatten uit verregaande lauwerloosheid, op-eenmaal hun kalen schedel gedekt voelden met den doktershoed, alleen omdat ze de handigheid hadden gebruikt my 'n paar kwajongensachtige insolenties te zeggen? In een land waar de officieele distinkte zóó wordt te-grabbel gegooid ...
Het zy zoo! Wat ik _gedaan_ heb, heeren? Wel, ik dééd wat in den _Havelaar_ geschreven staat. Is dit niet genoeg? Wat deedt _gy_?
Wat ik _gedaan_ heb, nogeens? Ik ving, geheel alleen staande, in dreigend levensgevaar en met opoffering van allen welstand, den stryd aan tegen lieden van _uwe_ soort, d.i. tegen het _Onrecht_. Gaat heen en doet desgelyks!
Dat overigens m'n streven niet bekroond werd ... dat ik nog altyd het gemakkelyk te raken--en debiet belovend--mikpunt ben van de eerste de beste nulliteit die 't ambacht van frazenmaken eenigszins meent te verstaan--al zy 't dan ook dáármee vaak povertjes gesteld--en dat, wat meer zegt, de toestand in Indiën ellendiger is dan ooit ... mag men dit _my_ wyten? Ik deed, meen ik, wat 'n mensch in de gegeven omstandigheden doen kòn, en zeker meer dan eenig Nederlander. Het schimpen op de betrekkelyke onvruchtbaarheid van m'n pogen herinnert aan den wrevel der matrozen van Columbus in September 1492. Ook dàt gepeupel schold z'n admiraal uit. Of ze doktoren in de letteren geworden zyn, weet ik niet.
Geen vrucht alzoo van m'n werk? Het is hier de plaats niet, den invloed nategaan dien ik uitoefende op heel ander terrein dan de zaken van Indie. Ik ben zoo vry te gelooven dat m'n geschriften heilzame beweging hebben uitgewerkt op zedelyk en godsdienstig ... laat me liever zeggen op _intellektueel_ gebied. Van vele zyden ontving ik blyken dat ik menigeen tot denken heb gebracht. Wie 't betwyfelt of ontkent, gelieve het te zeggen, en noeme evenals de zeer edele heeren A.B. Cohen Stuart en Van Vloten, z'n naam er by, om behoorlyk de schande te dragen van z'n platte jalouzie.
Aan afgunst namelyk meen ik voor 'n groot deel den toon te moeten toeschryven, waarop sedert eenigen tyd sommige publicisten--of luî die 't worden willen--m'n werken en m'n persoon aanvallen. Die toon is gewoonlyk wat te laag voor 't onderwerp.
Dat ik niet de eenige ben, die by 't lezen van stukken als die van _Doctor_ Van Vloten aan jaloersheid denk, blykt o.a. uit het hartig artikel van den heer J. Versluys, in _'t Schoolblad_ van 19 Januari 1875, waar de animoziteit van dien godgeleerde in verband wordt gebracht met het stuk over _Vrye Studie_ dat in m'n IIIn bundel _Ideen_ voorkomt. Dat onderwerp namelyk was ook door Dr Van Vl. behandeld, en schynt onder zyn handen niet veel opgang gemaakt te hebben. Kan _ik_ dit helpen? Zeker is 't dat ik na 't verschynen _myner_ verhandeling sporen begon waartenemen van de hatelyke stemming die nu blykt jegens my te bestaan. Vroeger was ik 't allerliefst gekwalificeerd: "_slachtoffer van indisch wanbestuur en hollandsche lamlendigheid_." Wat ik nu ben, weet ik niet recht. Een prulschryver, denk ik, wiens werken moeten verdrongen worden om wat ruimte te verschaffen aan de hyperaesthetische produkten der pen van Dr V. Vl. Wie z'n "_Bloemlezing_" onderzoekt, zal deze gissing nog-al aannemelyk vinden. Op de blykbare oneerlykheid in dat prachtstuk van letterkundigen arbeid wyst dan ook zeer ten-rechte de heer _Versluys_. Zelfs Mr Vosmaer--gewis toch een onzer eerste dichters, als-i niet _de_ eerste is--wordt door den verheven Bloemlezer in den ban gedaan. Die auteur had zich verstout myn werk in z'n "_Zaaier_" te pryzen, en mocht dus geen bloemen leveren.
Doch ook zonder eigenlyken _broodnyd_, sedert eenigen tyd is 't schelden op my 'n _métier_ en 'n _tic_ geworden. Het aantal brochuretjes en "Overdrukjes" dat aan dusdanige spekulatie z'n aanzyn te wyten heeft, is legio, en levert een treurig blyk van armoed aan scheppingsvermogen. Wie niet in-staat is zelf iets degelyks voorttebrengen, tracht evidentie--en honorarium!--optedoen door 't knagen aan den arbeid van 'n ander. Men zou haast op 't denkbeeld komen dat ikzelf hiertoe den weg wees in m'n _Idee_ 219, wanneer men niet wist dat wespen, rupsen, en paalwormen zoo oud zyn als vruchten, loof en zeeschoejing.
Maar jammer is 't! Dat de Van Vlotens, e.d. zulke manoeuvres noodig hebben om 'n uitgever te bewegen tot het riskeeren van "Overdrukjes" uit hun niet zeer verspreide tydschriften, is begrypelyk. Ook vereert het me zeer, zóóveel opgang te maken dat daarvan nog altyd iets kan afvallen om 'n ander te helpen aan _relief_, al schikt het me niet altyd dat teeren op afval in de hand te werken door serieuze beantwoording van dergelyk geschryf. Toch verbind ik me niet tot voortdurend zwygen, maar 't zou me aangenaam zyn indien anderen de niet moeielyke taak op zich namen ... het verschil te doen in 't oog vallen tusschen wespen en ooft. _My_ wordt door zulke àl te goedkoope bewysvoering de stemming bedorven, en dit is jammer voor myzelf en den lezer. Men begrypt immers hoe ik, bezig met het schetsen van iets liefelyks, met viesheid de pen wegwerp zoodra my de gedachte overvalt dat wezens als _Van Vloten_ zich gereed maken m'n werk te bevuilen?(*) Ik meen te goed te zyn om zulk volkjen aan verkoopbare kopie te helpen, en zeker zou 't my 'n kwart-eeuw geleden, toen ik den Lebakschen stryd streed, bevreemd hebben indien iemand my voorspeld had dat er nà 't openbaren van m'n pogen en streven, aanleiding zou bestaan tot zoo'n verklaring! Het strekt waarlyk 't lezend Publiek niet tot eer, dat sommigen een toon tegen my durven aanslaan alsof _Havelaar_ een der hunnen was. Zoolang dit opgaat, beweer ik dat men--ouder gewoonte--slecht gelezen heeft. Anders toch zou men niet gedoogen dat 'n stryd die zoo ridderlyk werd aangevangen en voortgezet, ten-behoeve van zeker soort van belanghebbenden werd overgebracht op 'n mestvaalt. Hartelyk dank!
(*) Ik kan op m'n woord verzekeren dat dit in de meest letterlyken zin een der oorzaken is van de herhaalde vertraging in de _Geschiedenis van Woutertje_.
Volgens de laatste berichten uit Indiën is Lebak een woesteny. Geheele dorpen zyn uitgestorven.
NIEDER-INGELHEIM
Augustus, 1881.
* * * * *
1. De verdeeling in hoofdstukken is 'n toevoegsel van den heer Van Lennep. Ikzelf namelyk was, vooral in 1860, niet schryversachtig genoeg om zooveel reglement te brengen in m'n pleidooi, en blyf gelooven dat die indeeling, uit 'n letterkundig oogpunt zonder schade kon gemist worden. Juist in de onafgebroken opvolging der stukken van Droogstoppel en van Stern, ligt iets pikants dat door 't onverwachte van den overgang den lezer wakker houdt of ... maakt. Doch de ondervinding leerde my dat het aanhalen van zekere passages gemakkelyk wordt gemaakt door de nummering der hoofdstukken, en ik laat daarom die indeeling bestaan.
2. Het "_Poolsche koffihuis_" was, of is nog, 'n druk bezochte inrichting in de Kalverstraat te Amsterdam, en vooral 'n verzamelingspunt voor zekere klassen van beursgangers.
3. "_Dass er_--de jonge Stern--_bei uns speisen kann_." Aldus heeft zekere _Herr_ Stromer, in z'n zoogenaamde vertaling van den _Havelaar_ deze woorden overgezet. Wanneer men nu nog daarby verneemt dat die snuggere letterman blyk geeft geen verschil te kennen tusschen de woorden _pantalon_ en _pantoffel_, dat hy "witte mieren" verandert in _schweinsnieren_, enz. enz. zal men de waarde van z'n werk kunnen beoordeelen. Hy heeft bovendien omstreeks 2/5 van 't boek _mir nichts dir nichts_ doodeenvoudig weggelaten, en alzoo 't heele boek tot onzin gemaakt. Ik stel voor, hem tot beroemde buitenlandsche schryver te benoemen.
Ook de fransche vertaling van _Nieuwenhuis_ en _Crisafulli_ laat zeer veel te wenschen over, maar zóó slecht als de duitsche kon ze nu eenmaal niet worden. Onbereikbaar!
De engelsche bewerking van myn nobelen Alphons Nahuys daarentegen is goed, en wordt ook in Engeland geprezen.
4. Het is er ver vandaan dat ik alles zou afkeuren wat ik Droogstoppel in den mond leg. Hy "hield zich niet op" met versjes van de soort als hier volgt. Welnu, _ik_ ook niet! 't Verschil ligt in den grond waaruit zoodanige tegenzin voortspruit. Dat een jong vurig naar _poëzie_ dorstend hart, misleid door de biologie van opgedrongen letterkundery, misgrypt in z'n eerste pogingen tot uiting, en voor iets wezenlyks houdt wat ten-slotte blykt slechts ydele klank te zyn--"getingel en gejingel" noem ik 't in m'n _Naschrift op de Bruid daarboven_--dit is te vergeven niet alleen, maar een zeer noodzakelyk verschynsel. _Il faut passer par là!_ De eikenstam die bestemd is om gaaf droog hout te leveren moest z'n bestaan aanvangen als sappige tak. Maar de Droogstoppels hadden nooit sap te veel, en hoefden niet te veranderen om te worden wat ze zyn: dor en onbruikbaar. Ze staan niet boven maar beneden de fout van die anderen, en zouden bovendien terstond waarde gaan hechten aan "versjes en zulke dingen" wanneer die produktjes genoteerd stonden op de beurs.
Voor-zoo-ver Droogstoppel's realistische ontboezemingen dienen kunnen om _valsche poëzie_ in de gemoederen onzer jongelingschap te knotten, beveel ik z'n boutades van harte in de aandacht van ouders, opvoeders en recensenten aan. Wat _my_ aangaat, als ik kiezen moest tusschen hem en zeker soort van verzenmakers ... nu, toch koos ik hèm niet! Maar ik erken dat die rechtvaardigheid me zwaar vallen zou.