# Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/max-havelaar-of-de-koffiveilingen-der-nederlandsche-handelsmaat-8cc93d96/index.md

Het was in drie of vier en dertig, geloof ik, en in September, want er was kermis te Amsterdam. Daar myn oude luî van voornemen waren een predikant van my te maken, leerde ik latyn. Later heb ik myzelf dikwyls afgevraagd, waarom men latyn moet verstaan, om in 't hollandsch te zeggen: "God is goed?" Genoeg, ik was op de latynsche school--nu zeggen ze _gymnasium_--en daar was kermis ... in Amsterdam, meen ik. Op de Westermarkt stonden kramen, en als ge een Amsterdammer zyt, lezer, en nagenoeg van myn leeftyd, zult ge u herinneren hoe daaronder één was, die uitmuntte door de zwarte oogen en de lange vlechten van een meisje, dat als een Griekin gekleed was. Ook haar vader was een Griek, of althans hy zag er uit als een Griek. Ze verkochten allerlei reukgoed.

Ik was juist oud genoeg om het meisje mooi te vinden, zonder evenwel den moed te hebben haar aantespreken. Dit zou my ook weinig gebaat hebben, want meisjes van achttien jaren beschouwen een jongen van zestien, als een kind. En hierin hebben ze groot gelyk. Toch kwamen wy, jongens van _quarta_, altyd 's avends op de Westermarkt om dat meisje te zien.

Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om naar de Griekin te kyken. Maar hy was de _primus_ van onze klasse--want knap was hy, dit moet ik erkennen--en hy hield veel van spelen, stoeien en vechten. Dáárom was hy by ons. Terwyl we dus--we waren wel met ons tienen--vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken, werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te koopen. Maar toen was de goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou aantrekken om het meisjen aantespreken. Ieder wilde, maar niemand durfde. Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt, voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam optemerken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk ben gebleven, daar ik thans over zoo-iets nog juist dezelfde meening koester, als dien avend toen ik daar by de kraam van den Griek stond, met de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden, in de hand. Maar zie, uit valsche schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien, ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor de kraam.

Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de oogen. Ik stamelde een _aoristus primus_ van ik weet niet welk werkwoord ...

--_Plaît-il?_ zeide zy.

Ik herstelde my eenigszins, en ging voort:

--_Meenin aeide thea_, en ... dat Egypte een geschenk van den Nyl was.

Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet op dat oogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een zoo harden stoot in den rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzy van de kraam afsloot. Ik voelde een greep in myn nek ... een tweeden greep veel lager ... ik zweefde een oogenblik ... en vóór ik recht begreep hoe de zaken stonden, was ik in de kraam van den Griek, die in verstaanbaar fransch zei dat ik een _gamin_ was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en bad om genade, want ik zat vreeselyk in angst. Maar het baatte niet. De Griek hield me by den arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers--we hadden juist dien morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand in 't vuur stak, en in hun latynsche opstellen hadden ze dit zoo heel mooi gevonden--jawel! Niemand was daar gebleven om voor _my_ een hand in 't vuur te steken ...

Zóó meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn oogen flikkeren--anders zagen ze flauw--hy gaf den Griek een vuistslag, en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggeloopen. Ik heb het dus niet gezien.

Ziedaar de reden waarom zyn trekken me zoo aan reukwerk herinnerden, en hoe men in Amsterdam twist kan krygen met een Griek. Als op latere kermissen die man weer met zyn kraam op de Westermarkt stond, ging ik my altyd elders vermaken.

Daar ik veel van wysgeerige opmerkingen houd, moet ik u toch even zeggen, lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. Als de oogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze korter vlechten had gehad, of als men my niet tegen die winkelkast had aangeworpen, zoudt ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat dit zoo gebeurd is. Geloof me, alles in de wereld is goed, zóó als het is, en ontevreden menschen die altyd klagen, zyn myn vrienden niet. Daar hebt ge Busselinck & Waterman ... maar ik moet voortgaan, want myn boek moet af voor de voorjaarsveiling.

Ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--was my het weerzien van dien persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen soliede konnexie was. Hy zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was, wist hy 't niet. Dit zyn dingen, waar een mensch op let, die zoo'n twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zooveel heeft bygewoond. Ik heb al wat huizen zien vallen!

Ik meende dat hy rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie, hy ging ook links, en ik kon dus niet vermyden in gesprek te treden. Maar ik bedacht gedurig dat hy niet wist hoe laat het was, en bespeurde bovendien dat zyn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt--dat een zeer slecht merk is--zoodat ik den toon van ons onderhoud wat flauw blyven liet. Hy verhaalde my dat hy in Indie was geweest, dat hy getrouwd was, dat hy kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond er niets belangryks in. By de Kapelsteeg--ik ga anders nooit door die steeg, omdat het voor een fatsoenlyk man niet staat, vind ik--maar ditmaal wilde ik by de Kapelsteeg rechts-af-slaan. Ik wachtte tot wy dat straatje byna voorby waren, om goed te doen blyken dat zyn weg rechtuit leidde, en toen zei ik zeer beleefd ... want beleefd ben ik altyd, men kan nooit weten hoe men later iemand noodig heeft:

--Het was me byzonder aangenaam u weer te zien, m'nheer ... _r_ ... _r_! En ... èn ... èn ... ik rekommandeer me! Ik moet hierin.

Toen keek hy me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van myn jas ...

--Beste Droogstoppel, zeide hy, ik heb u iets te vragen.

Er ging my een rilling door de leden. Hy wist niet hoe laat het was, en wilde my iets vragen! Natuurlyk antwoordde ik dat ik geen tyd had, en naar de beurs moest, schoon het avend was. Maar als men zoo'n twintig jaren de beurs heeft bezocht ... en iemand wil u iets vragen, zonder te weten hoe laat het is ...

Ik maakte myn knoop los, groette heel beleefd--want beleefd ben ik altyd --en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het niet fatsoenlyk is, en fatsoen gaat my boven alles. Ik hoop dat niemand het gezien heeft.

DERDE HOOFDSTUK

Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand geweest was om my te spreken. Naar de beschryving was het de Sjaalman. Hoe hy me gevonden had ... nu ja, 't adreskaartje! Ik dacht er over, myn kinderen van school te nemen, want het is lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de Westermarkt te gaan, als er kramen staan.

Den volgenden dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal u den brief laten lezen:

_Waarde Droogstoppel!_

Ik vind dat hy wel had kunnen zeggen: _Weledele Heer Droogstoppel_, omdat ik makelaar ben.

_Ik ben gisteren ten-uwent geweest met het doel u een verzoek te doen. Ik geloof dat gy in goede omstandigheden verkeert_ ...

Dit is waar: we zyn met ons dertienen op 't kantoor.

..._en ik wenschte gebruik te maken van uw krediet, om een zaak tot-stand te brengen, die voor my van groot gewicht is_.

Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen was?

_Door velerlei omstandigheden ben ik op 't oogenblik eenigszins om geld verlegen_.

Eenigszins? Hy had geen hemd aan. Dat noemt hy _eenigszins_!

_Ik kan myn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des levens noodig is, en ook de opvoeding myner kinderen is, uit een geldelyk oog, niet zooals ik wenschen zou_.

Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hy voor zyn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zyn kinderen op een instituut doen te Genève? 't Was najaar, en vry koud ... welnu, hy woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik dien brief ontving, wist ik dit niet, maar later ben ik by hem geweest, en thans nog ben ik verstoord over den zotten toon van zyn geschryf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen dat hy arm is! Armen moeten er zyn, dit is noodig in de maatschappy, en 't is Gods wil. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb ik er volstrekt niet tegen dat hy arm is, maar die opsiering van de zaak komt niet te-pas. Luister verder:

_Daar op my de verplichting rust, in de behoeften der mynen te voorzien, heb ik besloten een talent aantewenden, dat, naar ik geloof, my gegeven is. Ik ben dichter_ ...

Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige menschen daarover denken.

... _en schryver. Sedert myn kindsheid drukte ik myn aandoeningen in verzen uit, en ook later schreef ik dagelyks neder wat er omging in myn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles eenige opstellen zyn, die waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist het moeielyke. Het publiek kent my niet, en de uitgevers beoordeelen de werken meer naar den gevestigden naam van den schryver, dan naar den inhoud_.

Juist zooals wy de koffi naar de renommee van de merken. Wel zeker! Hoe anders?

_Als ik dus mag aannemen dat myn werk niet geheel zonder verdienste is, zou dat toch eerst na de uitgave blyken, en de boekhandelaars vragen de betaling van drukloon, enz. vooruit_ ...

Daar hebben ze groot gelyk in.

... _wat my op die oogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel overtuigd ben dat myn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop myn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting van voorgisteren_....

Dat noemt hy aanmoedigen!

... _tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor my by een boekhandelaar zoudt willen borg-staan voor de kosten eener eerste uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien dat ik veel gedacht, gewerkt en bygewoond heb_ ...

Ik heb nooit gehoord dat hy zaken deed.

... _en als de gaaf van wèl zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is het gewis niet door gebrek aan_ indrukken, _dat ik niet slagen zou_.

_In afwachting van een vriendelyk antwoord, noem ik my uw ouden schoolmakker_ ...

En zyn naam stond er onder. Maar dien verzwyg ik, omdat ik er niet van houd, iemand in opspraak te brengen.

Waarde lezer, ge begrypt hoe gek ik stond te kyken, toen men my daar zoo op-eens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die Sjaalman--zoo zal ik hem maar blyven noemen--als de man me by-dag had gezien, zich met zulk een verzoek niet tot my zou gewend hebben. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avend, en ik trek het me dus niet aan.

Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zyn adres niet, en hy liet niets van zich hooren. Ik dacht dat hy ziek was, of dood, of zoo-iets.

De vorige week was er krans by de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits was voor het eerst meegegaan. Hy is zestien jaar, en ik vind het goed dat een jong mensch in de wereld komt. Anders loopt hy naar de Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en gezongen, en by 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de voorkamer scheen gebeurd te zyn, terwyl wy achter aan 't _gentsch whisten_ waren, iets waarin Frits betrokken scheen. "Ja, ja, Louise, riep Betsy Rosemeyer, geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan 't schreien gemaakt."

Myn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar den krans. Ze dacht dat hy Louise geknepen had, of zoo-iets wat niet te-pas komt, en ook ik maakte my gereed er een hartig woordje bytevoegen, toen Louise riep:

--Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hy 't nog-eens deed!

Wàt dàn? Hy had haar niet geknepen, hy had gereciteerd, daar hebt ge 't.

Natuurlyk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer--de Rosemeyers laten zich _mevrouw_ noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een schip hebben--mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien had gemaakt, ook òns vermaken zou, en vroeg een dacapo aan Frits, die zoo rood zag als een kalkoen. Ik begreep óm de wereld niet, wàt hy dan toch opgesneden had, want ik kende zyn repertoire op een haar. Dat was: de _godenbruiloft, de boeken van het Oude-Testament op rym, en een epizode uit de bruiloft van Kamacho_, dat de jongens altyd zoo aardig vinden, omdat er iets van een "brillekiek" in komt. Wat er onder dit alles wezen kon dat tranen uitlokte, was my een raadsel. 't Is waar, zoo'n meisje schreit gauw.

"Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!" Zoo ging het, en Frits begon. Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze te-huis het pak van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een neuswysheid en een sentimentaliteit geput, die me later veel last in huis gehaald hebben. Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlyk verantwoorden, want ik hecht er aan, dat men my beschouwe als iemand die de waarheid lief heeft, en die goed voor zyn zaken is. Onze firma is _Last & Co, Makelaars in koffi, Lauriergracht, N° 37_.

Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan-één hing. Neen 't hing niet aan-een. Een jong mensch schreef aan zyn moeder, dat hy verliefd was geweest, en dat zyn meisje met een ander getrouwd was--waarin ze groot gelyk had, vind ik--dat hy echter, in weerwil hiervan, altyd veel van zyn moeder hield. Zyn deze laatste drie regels duidelyk of niet? Vindt ge dat er veel omslag noodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik, meende dat hy een groot stuk had uitgevoerd, dat hy 't ding in dat pak had gevonden van den man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heeren uit, hoe dat in myn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat Frits er by was, en ook zeide ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat ik heel goed had gehandeld, me van dien man aftehelpen. Straks zult ge zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer solieden aard, en daarvan komt een-en-ander in dit boek, omdat de _Koffiveilingen van de Handelmaatschappy_ er mee in verband staan. Want ik leef voor myn vak.

Later vroeg my de uitgever of ik hier niet by voegen wilde, wat Frits gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud met zulke dingen.[4] Alles leugens en gekheid! Ik houd myn aanmerkingen terug, anders wordt myn boek te dik. Ik wil hier alleen byzeggen, dat die vertelling zoo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is, en dat dit een inferieur merk is. De koffi, meen ik.

Moeder, 'k ben wel ver van 't land Waar me 't leven werd geschonken, Waar myn eerste tranen blonken, Waar ik opwies aan uw hand... Waar uw moedertrouw der ziel Van den knaap haar zorgen wydde, En hem liefdryk stond ter-zyde, En hem ophief als hy viel... Schynbaar scheurde 't lot de banden Die ons bonden, wreed van-een.. 'k Sta hier wel aan vreemde stranden Met myzelf en God, alleen... Maar toch, moeder, wat me griefde, Wat me vreugd gaf of verdriet, Moeder, twyfel aan de liefde, Aan het hart uws zoons toch niet!

't Is nog nauwlyks twee paar jaren Toen ik 't laatst op gindschen grond Zwygend aan den oever stond Om de toekomst in te staren... Toen ik 't schoone tot my riep Dat ik van de toekomst wachtte, En het heden stout verachtte, En my paradyzen schiep... Toen, door alle stoornis heen Die zich opdeed voor myn schreên, 't Hart zich koen een uitweg baande, En zich droomend zalig waande...

Maar die tyd, sints 't laatst vaarwel Hoe gezwind ook ons onttogen, Onbevatbaar bliksemsnel, Als een schim voorbygevlogen... O, hy liet in 't voorwaarts gaan, Diepe, diepe sporen staan! 'k Proefde vreugde en smart met-één, 'k Heb gedacht en 'k heb gestreden, 'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden: 't Is me als vlogen eeuwen heen! 'k Heb naar levensheil gestreefd, 'k Heb gevonden en verloren, En, een kind nog kort te-voren, Jaren in één uur doorleefd!

Maar toch, moeder! wil 't gelooven, By den Hemel die my ziet, Moeder! wil het toch gelooven, Neen, uw kind vergat u niet!

'k Minde een meisje. Heel myn leven Scheen my door die liefde schoon. 'k Zag in haar een eerekroon, Als een eindloon van myn streven, My door God ten doel gegeven. Zalig door den reinen schat Die Zyn zorg my toegewogen, Die Zyn gunst geschonken had, Dankte ik met een traan in de oogen. Liefde was met godsdienst één... En 't gemoed dat opgetogen, Dankend opsteeg tot den Hoogen, Dankte en bad voor haar alleen!

Zorgen baarde my die liefde, Onrust kwelde my het hart, En ondraaglyk was de smart Die my 't week gemoed doorgriefde. 'k Heb slechts angst en leed gegaard, Waar ik 't hoogst genot verwachtte, En voor 't heil waarnaar ik trachtte, Was me gif en wee bewaard...

'k Vond genot in 't lydend zwygen! 'k Stond standvastig hopend daar, Onspoed deed den prys my stygen: 'k Droeg en leed zoo graag voor haar! 'k Telde ramp noch onspoedsslagen, Vreugde schiep ik in verdriet, Alles, alles wilde ik dragen... Roofde 't lot my haar slechts niet!

En dàt beeld, _my_ 't schoonste op aarde, Dat ik omdroeg in 't gemoed Als een onwaardeerbaar goed, En zoo trouw in 't hart bewaarde... _Vreemd_ was 't eenmaal aan myn zinnen! En al houdt die liefde stand Tot de laatste snik van 't leven Me in een beter vaderland Eind'lyk haar zal wedergeven... 'k Had _begonnen_ haar te minnen!

Wat is min die eens _begon_, By de liefde _mèt_ het leven 't Kind door God in 't hart gedreven Toen het nog niet staam'len kon? Toen het aan de moederborst, Nauw den moederschoot onttogen, 't Eerste vocht vond voor den dorst, 't Eerste licht in moederoogen?

Neen, geen band die vaster bindt, Vaster harten houdt omsloten, Dan de band, door God gesloten Tusschen 't moederhart en 't kind!

En een hart, dat zóó zich hechtte Aan het schoon dat even blonk, Dat me niets dan doornen schonk, En geen enkel bloempje vlechtte... Zou datzelfde hart de trouw Van het moederhart vergeten? En de liefde van de vrouw Die myn eerste kinderkreten Opving in 't bezorgd gemoed? Die my, als ik weende, suste, Traantjes van de wangen kuste, Die my voedde met haar bloed?

Moeder! wil het niet gelooven, By den hemel die my ziet, Moeder! wil het niet gelooven, Neen, uw kind vergat u niet!

'k Ben hier vèr van wat het leven Ginds ons zoets en schoons kan geven En 't genot van de eerste jeugd, Vaak geroemd en hoog geprezen, Kan wel hier myn deel niet wezen: 't Eenzaam harte kent geen vreugd. Steil en doornig zyn myn paden, Onspoed drukt me diep ter-neer, En de last my opgeladen Knelt me, en doet het hart me zeer... Laat het slechts myn tranen tuigen, Als zoo menig moed'loos uur Me in den boezem der Natuur, 't Hoofd zoo treurig neer doet buigen...

Vaak, als my de moed ontzonk, Is de zucht me schier ontvloden: "Vader! schenk me by de dooden, "Wat het leven my niet schonk! "Vader! geef me aan gene zyde, "Als de mond des doods my kust, "Vader! geef me aan gene zyde "Wat ik hier niet smaakte... _Rust_!"

Maar, bestervend op myn lippen, Steeg de beê niet tot den Heer... 'k Boog wel beî myn knieën neer, 'k Voelde wel een zucht me ontglippen, Maar het was: "_nog niet, o Heer! "Geef my eerst myn moeder weer!_"

VIERDE HOOFDSTUK

Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy _schwärmt_. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in den hollandschen styl. Ik ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor den jongen Stern, meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevischt. Een fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik_!

Den dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en zedelykheid. Welnu, den vorigen avend, juist toen ik myn eerste peer had geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben, die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat fraaie stuk van den laatsten avend voorleggen, en ik vond heel spoedig den regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt--dit kan er dóór--maar: "dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit vond ik niet goed--om daarover te _spreken_, meen ik--en myn vrouw ook niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan huis niet gesproken, ook niet van den _Volewyk_, maar zóó de zaken by den naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zoo op zedelykheid gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal "uitwendig wist" zooals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou --althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen jonge meisjes komen--en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie, daar viel myn oog op een bundel: "_Verslag over de Koffikultuur in de Residentie Menado_."

