# Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

## Part 16

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/max-havelaar-of-de-koffiveilingen-der-nederlandsche-handelsmaat-8cc93d96/index.md

Nu was de kontroleur die vóór my de afdeeling _Natal_ bestuurde, de schoonzoon van den adsistent-resident in de Battahlanden, welke ambtenaar met _Jang di Pertoean_ in onmin leefde. Later heb ik veel hooren spreken van klachten die tegen dien adsistent-resident waren ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloof-slaan aan deze beschuldigingen, omdat ze grootendeels uit den mond kwamen van _Jang di Pertoean_, en wel op een oogenblik toen deze zelf van veel zwaarder vergrypen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noopte zyn verdediging te zoeken in de fouten van zyn beschuldiger ... wat meer gebeurt. Hoe dit zy, de gezaghebber van _Natal_ omhelsde de party van zyn schoonvader tegen _Jang di Pertoean_, en dit te vuriger misschien omdat die kontroleur zeer bevriend was met zekeren _Soetan Salim_, een natalsch Hoofd dat ook zeer op den battakschen chef gebeten was. Sedert lang heerschte er een veete tusschen de familien dezer beide hoofden. Er waren huwelyksvoorstellen afgeslagen, er bestond yverzucht over invloed, trots aan den kant van _Jang di Pertoean_ die van beter geboorte was, en meer andere oorzaken nog liepen samen om _Natal_ en _Mandhéling_ tegen elkander opgezet te houden.

Op-eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in _Mandhéling_ een komplot was ontdekt, waarin _Jang di Pertoean_ zou betrokken wezen, en dat ten-doel had de heilige vaan des opstands uittesteken en alle Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te _Natal_ plaats gehad, wat natuurlyk is, daar men in nabyliggende provincien altyd beter van den stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats zelf, dewyl velen die te-huis door vrees voor een betrokken Hoofd zich laten weerhouden van de openbaring eener hun bekende omstandigheid, die vrees eenigermate overwinnen zoodra ze zich op een grondgebied bevinden waar dat Hoofd geen invloed heeft.

Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de zaken van _Lebak_, en dat ik redelyk veel wist van wat hier omgaat, voor ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't _Krawangsche_, en heb veel rondgedwaald in de _Preanger_ waar ik reeds in 1840 _Lebaksche_ uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met sommige eigenaren van partikuliere landen in 't Buitenzorgsche en in de Bataviasche ommelanden, en ik weet hoe van-oudsher die landheeren verheugd zyn over den slechten toestand dezer Afdeeling, omdat dit hun landeryen bevolkt.[110]

Zóó ook zou dan te _Natal_ de samenzwering ontdekt wezen, die--_als_ ze bestaan heeft, wat ik niet weet--_Jang di Pertoean_ deed kennen als verrader. Volgens door den kontroleur van Natal afgenomen verklaringen van getuigen, zou hy gezamenlyk met zyn broeder _Soetan Adam_ de battaksche Hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bosch waarin zy zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der "christenhonden" in _Mandhéling_ vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hy hiertoe een ingeving van den hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit by zulke gelegenheden nooit uitblyft.[111]

Of nu inderdaad dit voornemen by _Jang di Pertoean_ bestaan heeft, kan ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelyk geloof mag worden geslagen. Zéker is 't dat de man, wat zyn islamsche dweepzucht aangaat, wel tot zoo-iets kan in-staat geweest zyn. Hy was, met de geheele battaksche bevolking, eerst kort te voren door de _Padries_ overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zyn gewoonlyk fanatiek.[112]

Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat _Jang di Pertoean_ door den adsistent-resident van _Mandhéling_, werd gevangen genomen en naar _Natal_ gezonden. Hier sloot de kontroleur hem voorloopig in 't fort op, en liet hy hem met de eerste geschikte scheepsgelegenheid gevankelyk naar _Padang_, vervoeren. Het spreekt vanzelf dat men den Gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zoo bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de genomen maatregelen moesten wettigen. Onze _Jang di Pertoean_ was dus van _Mandhéling_, vertrokken als een _gevangene_. Te _Natal_ was hy _gevangen_. Aan-boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hy ook natuurlyk een _gevangene_. Hy verwachtte dus--schuldig of niet, dit doet niets tot de zaak, daar hy in wettigen vorm en door bevoegde autoriteit was beschuldigd van hoogverraad--ook te _Padang_, als een gevangene te zullen aankomen. Wèl moet hy dus zeer verwonderd hebben gestaan, by de ontscheping te vernemen dat hy _vry_ was niet alleen, maar dat de generaal, wiens rytuig hem by 't aan wal stappen opwachtte, het zich tot een eer rekenen zou hem by zich aan huis te ontvangen en te herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer verrast geworden. Kort hierop werd de adsistent-resident van _Mandhéling_, in zyn betrekking geschorst wegens allerlei vergrypen die ik hier niet beoordeel. _Jang di Pertoean_ echter, na op _Padang_, eenigen tyd ten-huize van den generaal te hebben vertoefd, en na door dezen met de meeste onderscheiding te zyn behandeld, keerde over _Natal_ naar _Mandhéling_ terug, niet met het zelfgevoel van den onschuldig- verklaarde, maar met den trots van iemand die zóó hoog staat dat hy geen verklaring van onschuld noodig heeft. Immers, _onderzocht_ was de zaak niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor valsch hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereischt, teneinde de valsche getuigen te straffen, en vooral hen die blyken zouden zoodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schynt dat de generaal zyn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaats hebben. De tegen _Jang di Pertoean_ ingebrachte aanklacht werd beschouwd als _non avenu_, en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder de oogen der Regeering te _Batavia_ gebracht zyn.

Kort na _Jang di Pertoean's_ terugkeer kwam ik te _Natal_ aan om 't bestuur van die afdeeling overtenemen. Myn voorganger verhaalde me natuurlyk wat er kort geleden in 't Mandhélingsche was voorgevallen, en gaf my de noodige inlichting over de staatkundige verhouding tusschen die landstreek en myn Afdeeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hy zich zeer beklaagde over de zyns inziens onrechtvaardige behandeling die zyn schoonvader ten-deel viel, en over de onbegrypelyke bescherming die _Jang di Pertoean_ van den generaal bleek te genieten. Noch hy noch ik wisten op dàt oogenblik dat de opzending van _Jang di Pertoean_ naar _Batavia_, een vuistslag in 't gelaat van dien generaal zou geweest zyn, en dat deze--persoonlyk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan --gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrywaren tegen een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor den generaal des te belangryker, omdat inmiddels de zoo-even bedoelde Regeeringskommissaris zelf Gouverneur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschynlyk uit zyn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't ongegrond vertrouwen op _Jang di Pertoean_, en over de hierop steunende hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de Oostkust verzet had.

"Doch, zei myn voorganger, wat ook den generaal moge bewegen al de beschuldigingen tegen myn schoonvader voetstoots aantenemen, en de veel zwaarder grieven tegen _Jang di Pertoean_ niet eens een onderzoek waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te _Padang_, zooals ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders dat niet vernietigd worden _kan_."

En hy toonde my een vonnis van den Rappat-raad te _Natal_[113] waarvan hy voorzitter was, houdende: VEROORDEELING VAN ZEKEREN _Si Pamaga_ TOT DE STRAF VAN GEESELING EN BRANDMERK, EN--ik meen--TWINTIGJARIGEN DWANGARBEID, WEGENS POGING TOT MOORD OP DEN TOEANKOE VAN NATAL.

"Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting, zei myn voorganger, en beoordeel dan of myn schoonvader niet zal geloofd worden te _Batavia_, als hy dáár _Jang di Pertoean_ aanklaagt van hoogverraad!

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en "_de bekentenis van den beklaagde_" was _Si Pamaga_ omgekocht om te _Natal_ den _Toeankoe_, diens pleegvader _Soetan Salim_ en den gezaghebbenden kontroleur te vermoorden. Hy had zich, om dit opzet uittevoeren, naar de woning van den _Toeankoe_ begeven, en daar met de bedienden die op den trap der buitengalery zaten, een gesprek aangeknoopt over een _Sewah_[114] met het doel zyn tegenwoordigheid te rekken tot hy den _Toeankoe_ zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van eenige verwanten en bedienden, vertoonde. _Pamaga_ was met zyn _Sewah_ op den _Toeankoe_ losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zyn moorddadig opzet niet kunnen volvoeren. De _Toeankoe_ was verschrikt uit het venster gesprongen, en _Pamaga_ nam de vlucht. Hy verschool zich in 't bosch, en werd eenige dagen later door de natalsche policie opgevat.

"Aan den beschuldigde gevraagd: _wat hem tot dezen aanslag en den voorgenomen moord op_ Soetan Salim _en den kontroleur van Natal had bewogen_?" antwoordt hy: "DAARTOE TE ZYN OMGEKOCHT DOOR SOETAN ADAM, UIT NAAM VAN DIENS BROEDER JANG DI PERTOEAN VAN MANDHÉLING."

"Is dit duidelyk of niet? vroeg myn voorganger. Het vonnis is na _fiat exekutie_ van den resident, ten-uitvoer gelegd wat de geeseling en 't brandmerk aangaat, en _Si Pamaga_ is op weg naar _Padang_, om vandaar als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelyk met hem komen de processtukken van de zaak te _Batavia_, en dan kan men dáár zien wie de man is, op wiens aanklacht myn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hy."

Ik nam het bestuur der natalsche afdeeling over, en myn voorganger vertrok. Na eenigen tyd ontving ik bericht dat de generaal met een oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook _Natal_ bezoeken zou. Hy stapte met veel gevolg ten-mynen huize af, en verlangde oogenblikkelyk de oorspronkelyke processtukken te zien van: "den armen man dien men zoo vreeselyk mishandeld had."

"Zyzelf hadden een geeseling en een brandmerk verdiend!" voegde hy er by.

Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van den stryd over _Jang di Pertoean_ waren my toen nog onbekend, en 't kon dus niet in myn gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en wetens een onschuldige zou veroordeeld hebben tot zóó zware straf, als dat de generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig vonnis. Ik ontving den last, _Soetan Salim_ en den _Toeankoe_ te doen gevangen nemen. Daar de jonge _Toeankoe_ by de bevolking zeer bemind was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik den generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan. Doch voor _Soetan Salim_, den byzonderen vyand van _Jang di Pertoean_, was geen genade. De bevolking was in groote spanning. De Natallers vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van mandhélingschen haat, en 't was in _die_ omstandigheden dat ik van-tyd tot-tyd iets doen kon, wat hy "kordaat" vond, vooral daar hy de weinige macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan _my_ afstond ter bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb by die gelegenheid opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor zyn eigen veiligheid, en 't is dáárom dat ik zyn roem van dapperheid niet onderschryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.

Hy vormde in groote overhaasting een Raad, dien ik _ad hoc_ zou kunnen noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de officier van Justitie of fiskaal, dien hy van _Padang_ had meegenomen, en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder myn voorganger 't proces tegen _Si Pamaga_ was gevoerd geworden. Ik moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe noodig waren. De generaal, die natuurlyk vóórzat, ondervroeg en de proces-verbalen werden geschreven door den fiskaal. Daar evenwel deze beambte weinig maleisch verstond--en volstrekt niet het maleisch dat in de Noord van Sumatra wordt gesproken--was 't dikwyls noodig hem de antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf deed. Uit de zittingen van dien Raad zyn stukken voortgekomen, die ten-duidelykste schynen te bewyzen: dat _Si Pamaga_ nooit het voornemen gekoesterd had iemand, wien het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch _Soelan Adam_, noch _Jang di Pertoean_ ooit had gezien of gekend. Dat hy _niet_ op den _Toeankoe_ van _Natal_ was toegesprongen. Dat deze _niet_ uit het venster gevlucht was ... en zoo voort! Verder: dat het vonnis tegen den ongelukkigen _Si Pamaga_ was geslagen onder de pressie van den voorzitter--myn voorganger--en van 't Raadslid _Soetan Salim_, welke personen de voorgewende misdaad van _Si Pamaga_ hadden verzonnen om aan den gesuspendeerden adsistent-resident van _Mandhéling_ een wapen ter zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun haat jegens _Jang di Pertoean_.

De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken aan de whistparty van zekeren keizer van Marokko die zyn partner toevoegde: "speel harten, of ik sny je den hals af." Ook de vertalingen, zooals hy die den fiskaal in den pen gaf, lieten veel te wenschen over.

Of nu _Soetan Salim_ en myn voorganger pressie hebben uitgeoefend op den natalschen Rechtsraad om _Si Pamaga_ schuldig te verklaren, is my onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft uitgeoefend op de verklaringen die 's mans _onschuld_ moesten bewyzen. Zonder op dat oogenblik nog de strekking daarvan te begrypen, heb ik me tegen die ... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zóó ver gegaan is dat ik heb moeten weigeren eenige verbalen mede te onderteekenen, en ziedaar nu de zaak waarin ik den generaal zoo "gekontrarieerd" had. Ge begrypt nu ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden waarin ik verzocht van alle welwillende konsideratien verschoond te blyven.

--Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren, zei Duclari.[115]

--Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is 't, dat de generaal Vandamme niet aan zoo-iets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, _berouwd_ heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou bepaald hebben tot eenvoudig protesteeren tegen de wys waarop de generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner handteekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf vastgestelden toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de generaal, overtuigd van _Si Pamaga's_ onschuld, zich liet meesleepen door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden van de gevolgen eener rechtsdwaling, voor-zoo-ver dit na de geeseling en 't brandmerk nog mogelyk was. Deze meening deed my wel in verzet komen tegen valsheid, maar ik was daarover niet zóó verontwaardigd als ik zou geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om ten-koste van de eer en 't welzyn myns voorgangers, de bewyzen te vernietigen die de politiek van den generaal in den weg stonden.

--En hoe ging 't verder met uw voorganger? vroeg Verbrugge.

--Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal te _Padang_, terugkeerde. Hy schynt zich by de Regeering te _Batavia_ te hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De resident van _Ayer Bangie_ die op 't vonnis _fiat exekutie_ verleend had, werd ...

--Gesuspendeerd?

--Natuurlyk! Ge ziet dat ik niet zoo heel onrecht had, in myn puntdicht te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.

--En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?

--O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke ambten bekleed.[116]

--En _Soetan Salim_?

--De generaal voerde hem gevankelyk mede naar _Padang_, en vandaar werd hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te _Tjanjor_ in de Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek gebracht. Weet je nog wat ik te _Tjanjor_ kwam doen, Tine?

--Neen, Max, dat is me glad ontgaan.

--Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heeren!

--Maar, vroeg Duclari, daar ge nu toch aan 't vertellen zyt, mag ik vragen of 't waar is dat ge te _Padang_ zoo dikwyls geduelleerd hebt?

--Ja, zeer dikwyls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat de gunst van den Gouverneur op zoodanigen buitenpost de maatstaf is, waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor my zeer _on_-welwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van myn kant was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de "zotterny van iemand die 't wil opnemen tegen den generaal" een toespeling op myn armoede, op myn hongerlyden, op 't slechte voedsel dat er scheen te liggen in zedelyke onafhankelykheid ... dit alles, begrypt ge, maakte my bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand die zoo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus myn gevoeligheid met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander dien ik voor verongelykt hield. Hoe dit zy, het duel was daar in dien tyd aan de orde van den dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelyks in het duel, vooral met de sabel, of "op" de sabel, zooals ze 't noemen ... ik weet niet waarom. Ge begrypt echter dat ik nu zoo-iets niet meer doen zou, ook al ware daartoe zooveel aanleiding als in die dagen ... kom eens hier, Max--neen, vang dat beestje niet--kom hier? Hoor eens, je moet nooit kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst langen tyd als rups op een boom rondgekropen, dat was geen vroolyk leven! Nu heeft het pas vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich vermaken, en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed ... kyk, is 't niet veel aardiger het daar zoo te zien rondfladderen?

Zoo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des rechtvaardigen over zyn vee, op het dieren plagen, op de _loi Grammont_, op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de republiek, en op wat niet al!

Eindelyk stond Havelaar op. Hy verontschuldigde zich by zyn gasten, wyl hy bezigheden had. Toen de kontroleur hem den volgenden morgen op zyn kantoor bezocht, wist hy niet dat de nieuwe adsistent-resident den vorigen dag na de gesprekken in de voorgalery, was uitgereden naar _Parang-Koedjang_--het distrikt der "_verregaande_ misbruiken"--en eerst dien ochtend vroeg van daar was teruggekeerd.

* * * * *

Ik verzoek den lezer te gelooven dat Havelaar te wellevend was om aan zyn eigen tafel zooveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb opgegeven, en waardoor ik op hem den schyn laad alsof hy zich meester zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarloozing der plichten van een gastheer, die voorschryven aan zyn gasten de gelegenheid te laten of te verschaffen "zich te doen uitkomen." Ik heb uit de vele bouwstoffen die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde voldoende wezen zal om eenigermate de beschryving te rechtvaardigen, die ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem en de zynen wachtten te _Rangkas-Betoeng_.

De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwyls over-dag uit, en bracht halve nachten op zyn bureau door. De verhouding tusschen hem en den kommandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook in den huiselyken omgang met den kontroleur was geen spoor te ontdekken van 't rangverschil dat anders in Indie zoo vaak het verkeer styf en vervelend maakt, terwyl bovendien Havelaars zucht om hulp te verleenen waar hy maar eenigszins kon, dikwyls den Regent te-stade kwam, die dan ook zeer met zyn "ouderen broeder" was ingenomen. En ten-slotte bracht de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de Inlandsche Hoofden. De dienstkorrespondentie met den resident te _Serang_ droeg blyken van wederzydsche welwillendheid, terwyl de bevelen van den resident, met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd.

Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de meubels van _Batavia_ aangekomen, en waren _ketimon's_ in zout gelegd, en als Max aan-tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altyd de levenswys van 't klein gezin duidelyke blyken droeg dat de voorgenomen spaarzaamheid zeer werd in acht genomen.

Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts eenige malen de thee by de familie Havelaar in de voorgalery. Ze sprak weinig, en bleef altyd een wakend oog houden op ieder die hare of Havelaars woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar _monomanie_ begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer.

Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't vergelykenderwyze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op een niet aan den grooten weg gelegen binnenpost onvermydelyk zyn. Daar er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het van _Serang_ kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te hoog. Max wist zoo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden waren om zònder betaling brood naar _Rangkas-Betoeng_ te laten brengen, maar _onbetaalde arbeid_, die Indische kanker, was hem een gruwel. Zoo was er veel te _Lebak_, dat wel door gezag te verkrygen was om-niet maar niet te-koop voor billyken prys, en onder zulke gegevens schikten zich Havelaar en zyn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht aan-boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan 't scheepsdek zonder andere beschutting tegen zonnehitte en westmoessonsbuien, dan een tafeltje tusschen welks pooten ze zich moest vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een klein rantsoen droge ryst en vuil water? En was ze niet in die en vele andere omstandigheden altyd tevreden geweest, als ze maar mocht samen wezen met haar Max?

Eén omstandigheid echter was er te _Lebak_, die haar verdriet berokkende: kleine Max kon niet in den tuin spelen omdat daar zooveel slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich by Havelaar beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prys uit voor elke slang die ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hy zóóveel aan premien dat hy zyn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zoo noodzakelyke zuinigheid, zou die betaling spoedig zyn middelen zyn te-boven gegaan. Er werd alzoo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou verlaten, en dat hy zich, om frissche lucht te scheppen, vergenoegen moest met spelen in de voorgalery. In-weerwil van deze voorzorg was Tine toch altyd angstig, en vooral 's avends, daar men weet hoe slangen dikwyls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de slaapkamers verbergen.

