Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 1

Chapter 1 3,949 words Public domain Markdown

MAX HAVELAAR

OF DE

KOFFIVEILINGEN

DER

NEDERLANDSCHE HANDELMAATSCHAPPY

DOOR

MULTATULI

AAN DE

DIEP VEREERDE NAGEDACHTENIS

VAN

EVERDINE HUBERTE BARONESSE VAN WYNBERGEN

DER

TROUWE GADE

DER

HELDHAFTIGE LIEFDEVOLLE MOEDER

DER

EDELE VROUW

"J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poëte, et sans doute, pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualité n'est de trop. Le plus rare ensemble de mérites n'est que le strict nécessaire, et ne suffit même pas toujours au commun bonheur. Voir sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, --recueiller dans ses bras et soigner ce poëte qui est votre mari, quand il vous revient meurtri par les déceptions de sa tâche;--ou bien le voir s'envoler à la poursuite de sa chimère ... voilà l'ordinaire de l'existence pour une femme de poëte. Oui, mais aussi il y a le chapître des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagnés à la sueur de son génie, et qu'il dépose pieusement aux pieds de la femme légitimement aimée, aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce monde à cet "aveugle errant;"--

Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les petits-fils d'Homère sont plus ou moins aveugles à leur façon;--ils voient ce que nous ne voyons pas; leurs regards pénètrent plus haut et plus au fond que les nôtres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trébucher et de se casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces vallées de prose où demeure la vie."

(HENRY DE PÈNE)

GERECHTSDIENAAR. Mynheer de rechter, daar is de man die _Barbertje_ vermoord heeft.

RECHTER. Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd?

GERECHTSDIENAAR. Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten.

RECHTER. Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen.

LOTHARIO. Rechter, ik heb _Barbertje_ niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n goed mensch ben, en geen moordenaar.

RECHTER. Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het past niet aan iemand die ... van iets beschuldigd is, zich voor 'n goed mensch te houden.

LOTHARIO. Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En daar ik nu beschuldigd ben van moord ...

RECHTER. Ge moet hangen! Ge hebt _Barbertje_ stukgesneden, ingezouten, en zyt ingenomen met uzelf ... drie kapitale delikten! Wie zyt ge, vrouwtje?

VROUWTJE. Ik ben _Barbertje_.

LOTHARIO. Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb!

RECHTER. Hm ... ja ... zoo! Maar het inzouten?

BARBERTJE. Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch!

LOTHARIO. Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mensch ben.

RECHTER. Hm ... het _derde_ punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer dien man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van _Lessing's_ patriarch.

_(Onuitgegeven Tooneelspel)_

EERSTE HOOFDSTUK[1]

Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, N° 37. Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen, omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag ik my af, waartoe zulke dingen dienen, en ik sta verbaasd over de onbeschaamdheid, waarmede een dichter of romanverteller u iets op de mouw durft spelden, dat nooit gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als ik in _myn_ vak--ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht N° 37--aan een principaal --een principaal is iemand die koffi verkoopt--een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam, die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman nemen. Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten. Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven doe. Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen. Ik ben drie en veertig jaren oud, bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden, als men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen! En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven was in hun jeugd.

Ik zeg: _waarheid en gezond verstand_, en hier blyf ik by. Voor de _Schrift_ maak ik natuurlyk een uitzondering. De fout begint al van Van Alphen af, en wel terstond by den eersten regel over die "_lieve wichtjes_." Wat drommel kon dien ouden heer bewegen, zich uittegeven voor een aanbidder van myn zusje Truitje die zeere oogen had, of van myn broêr Gerrit die altyd met zyn neus speelde? En toch, hy zegt: "dat hy die versjes zong, door _liefde_ gedrongen." Ik dacht dikwyls als kind: "man, ik wilde u graag eens ontmoeten, en als ge my de marmerknikkers weigerde, die ik u vragen zou, of myn naam voluit in banket--ik heet _Batavus_--dan houd ik u voor een leugenaar. Maar ik heb Van Alphen nooit gezien. Hy was al dood, geloof ik, toen hy ons vertelde dat myn vader myn beste vrind was--ik hield meer van Pauweltje Winser, die naast ons woonde in de Batavierstraat--en dat myn kleine hond zoo dankbaar was. We hielden geen honden, omdat ze zoo onzindelyk zyn.

Alles leugens! Zoo gaat dan de opvoeding voort. Het nieuwe zusjen is van de groenvrouw gekomen in een groote kool. Alle Hollanders zyn dapper en edelmoedig. De Romeinen waren bly dat de Batavieren hen lieten leven. De Bey van Tunis kreeg een kolyk als hy het wapperen hoorde van de nederlandsche vlag. De hertog van Alva was een ondier. De eb, in 1672 geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlyk, expres om Nederland te beschermen. Leugens! Nederland is _Nederland_ gebleven, omdat onze oude luî goed op hun zaken pasten, en omdat ze het ware geloof hadden. Dàt is de zaak!

En dan komen later weer andere leugens. Een meisjen is een engel. Wie dit het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid. Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde der aarde. De aarde heeft geen einden, en die liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen dat ik niet goed leef met myn vrouw--zy is een dochter van Last & Co, makelaars in koffi--niemand kan iets op ons huwelyk aanmerken. Ik ben lid van _Artis_, zy heeft een sjaallong van twee-en-negentig gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der aarde wil wonen, is toch tusschen ons nooit spraak geweest. Toen we getrouwd zyn, hebben wy een toertje naar den Haag gemaakt--ze heeft daar flanel gekocht, waarvan ik nog borstrokken draag--en verder heeft ons de liefde nooit de wereld ingejaagd. Dus: alles gekheid en leugens!

En zou _myn_ huwelyk nu minder gelukkig wezen, dan van de menschen die zich uit liefde de tering op den hals haalden, of de haren uit het hoofd? Of denkt ge dat myn huishouden iets minder wel geregeld is, dan het wezen zou als ik voor zeventien jaar myn meisjen in _verzen_ gezegd had dat ik haar trouwen wilde? Gekheid! Ik had dit toch even goed kunnen doen als ieder ander, want verzenmaken is een ambacht, zeker minder moeielyk dan ivoordraaien. Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen zoo goedkoop wezen?--Frits zegt: "_Uhlefeldjes_" ik weet niet, waarom? --En vraag eens naar den prys van een stel billardballen!

Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in gelid 't zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. "_De lucht is guur, en 't is vier uur_." Dit laat ik gelden, als het werkelijk _guur_ en _vier uur_ is. Maar als 't kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in 't gelid zet, zeggen: "_de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieën_." De verzenmaker is door de _guurheid_ van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist _een, twee_ uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. _Zeven_ en _negen_ is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.

En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens in den schouwburg, en luister dáár wat er voor leugens aan den man worden gebracht. De held van 't stuk wordt uit het water gehaald door iemand die op 't punt staat bankroet te maken. Dan geeft hy hem zyn halve vermogen. Dat kan niet waar zyn. Toen onlangs op de Prinsengracht myn hoed te-water woei--Frits zegt: _waaide_--heb ik den man die hem my terugbracht, een dubbeltje gegeven; en hy was tevreden. Ik weet wel dat ik iets meer had moeten geven als hy myzelf er uit gehaald had, maar zeker myn halve vermogen niet. 't Is immers duidelyk dat men op die wys maar tweemaal in 't water hoeft te vallen om doodarm te wezen. Wat het ergste is by zulke vertooningen op het tooneel, het publiek gewent zich zóó aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik had weleens lust zoo'n heel parterre in 't water te gooien, om te zien wie dat toe juichen gemeend had. Ik, die van waarheid houd, waarschuw ieder dat ik voor 't opvisschen van myn persoon geen zoo hoog bergloon betalen wil. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. Alleen Zondags zou ik iets meer geven, omdat ik dan myn kantilje ketting draag, en een anderen rok.

Ja, dat tooneel bederft velen, meer nog dan de romans. Het is zoo aanschouwelyk! Met wat klatergoud en wat kant van uitgeslagen papier, ziet er dat alles zoo aanlokkelyk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor menschen die niet in zaken zyn. Zelfs als die tooneelmenschen armoede willen voorstellen, is hun voorstelling altyd leugenachtig. Een meisje wier vader bankroet maakte, werkt om de familie te onderhouden. Heel goed. Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu eens de steken die ze doet gedurende het heele bedryf. Ze praat, ze zucht, ze loopt naar 't venster, maar werken doet ze niet. De familie die van dezen arbeid leven kan, heeft weinig noodig. Zoo'n meisjen is natuurlyk de heldin. Ze heeft eenige verleiders de trappen afgeworpen, ze roept gedurig: "o myne moeder, o, myne moeder!" en stelt dus de deugd voor. Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar noodig heeft voor een paar wollen kousen? Geeft dit alles niet valsche denkbeelden van deugd, en "_werken voor den kost?_" Alles gekheid en leugens!

Dan komt haar eerste minnaar--die vroeger klerk was aan 't kopieboek, maar nu schatryk--op-eens terug, en trouwt haar. Ook weer leugens. Wie geld heeft, trouwt geen meisjen uit een gefailleerd huis. En als ge meent, dat dit op het tooneel er dóór kan als uitzondering, blyft toch myn aanmerking bestaan, dat men den zin voor waarheid bederft by het volk, dat de uitzondering als regel aanneemt, en dat men de publieke zedelykheid ondermynt, door het te gewennen iets toetejuichen op het _tooneel_, wat door elk fatsoenlyk makelaar of koopman voor een bespottelyke krankzinnigheid wordt gehouden in de _wereld_. Toen _ik_ trouwde, waren wy op 't kantoor van myn schoonvader--Last & Co--met ons dertienen, en er ging wat om!

En nog meer leugens op het tooneel. Als de held met zyn styven komediestap weggaat om 't verdrukte vaderland te redden, waarom gaat dan de dubbele achterdeur altyd vanzelf open? En verder, hoe kan de persoon die in verzen spreekt, voorzien wat de ander te antwoorden heeft, om hem 't rym gemakkelyk te maken? Als de veldheer tot de prinses Zegt: "_mevrouw, het is te laat, de poorten zyn gesloten_" hoe kan hy dan vooruit weten, dat zy zeggen wil: "_welaan dan, onversaagd, men doe het zwaard ontblooten?_" Want als zy nu eens, hoorende dat de poort toe was, antwoordde dat ze dan wat wachten zou tot er geopend werd, of dat zy een andermaal eens terug zou komen, waar bleef dan maat en rym? Is het dus niet een pure leugen, als de veldheer de prinses vragend aanziet, om te weten wat ze doen wil na 't poortsluiten? Nog-eens: als 't mensch nu eens lust had gehad te gaan slapen, in plaats van iets te ontblooten? Alles leugens!

En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben sedert zeventien jaren makelaar in koffi--Lauriergracht, N° 37--en heb dus al zoo-iets bygewoond, maar het stuit my altyd vreeselyk, als ik de goede lieve waarheid zóó zie verdraaien. Beloonde deugd? Is 't niet om van de deugd een handelsartikel te maken? Het _is_ zoo niet in de wereld, en 't is _goed_ dat het niet zoo is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd beloond werd? Waartoe dus die infame leugens altyd voorgewend?

Daar is by-voorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht, die reeds by den vader van Last & Co heeft gewerkt--de firma was toen Last & Meyer, maar de Meyers zyn er lang uit--dàt was dan toch wel een deugdzaam man. Geen boon kwam er ooit te-kort, hy ging stipt naar de kerk, en drinken deed hy niet. Als myn schoonvader te Driebergen was, bewaarde hy het huis, en de kas, en alles. Eens heeft hy aan de Bank zeventien gulden te veel ontvangen, en, hy bracht ze terug. Hy is nu oud en jichtig, en kan niet meer dienen. Nu heeft hy niets, want er gaat veel by ons om, en we hebben jong volk noodig. Welnu, ik houd dien Lukas voor zeer deugdzaam, maar wordt hy nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of een fee die hem boterhammen smeert? Waarachtig niet! Hy is arm, en blyft arm, en dit moet ook zoo wezen. _Ik_ kan hem niet helpen--want we hebben jong volk noodig, omdat er zooveel by ons omgaat--maar al _kon_ ik, waar bleef zyn verdienste, als hy nu op zyn ouden dag een gemakkelyk leven leiden kon? Dan zouden alle pakhuisknechts wel deugdzaam worden, en iedereen, hetgeen Gods bedoeling niet wezen kan, omdat er dan geen byzondere belooning voor de braven overbleef hier-namaals. Maar op een tooneel verdraaien ze dat ... alles leugens!

_Ik_ ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor belooning? Als myn zaken goed gaan--en dit doen ze--als myn vrouw en kinderen gezond zyn, zoodat ik geen gemaal heb met dokter en apteker ... als ik jaar-in jaar-uit een sommetje kan ter-zy leggen voor den ouden dag ... als Frits knap opgroeit, om later in myn plaats te komen als ik naar Driebergen ga ... zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlyk gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor myn deugd eisch ik niets.

En dat ik toch deugdzaam bèn, blykt uit myn liefde voor de waarheid. Deze is, na myn gehechtheid aan het geloof, myn hoofdneiging. En ik wenschte dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de verontschuldiging is voor 't schryven van dit boek.

Een tweede neiging, die my even sterk als waarheidsliefde beheerscht, is de hartstocht voor myn vak. Ik ben namelyk makelaar in koffi, Lauriergracht N° 37. Welnu, lezer, aan myn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan myn yver voor de zaken, hebt gy te danken dat deze bladen geschreven zyn. Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik nu voor 't oogenblik afscheid van u neem--ik moet naar de beurs--noodig ik u straks op een tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus!

Eilieve, steek het by u ...'t is een kleine moeite ... het kan te-pas komen ... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co ben ik, sedert de _Meyers_ er uit zyn ... de oude Last is myn schoonvader.

_______________________________ | | | LAST & Co | | | | MAKELAARS IN KOFFI | | | | Lauriergracht, N° 37 | |_______________________________|

TWEEDE HOOFDSTUK

Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal 't wel goed maken. Denk niet dat er niets by ons omgaat. By Busselinck & Waterman is 't nog slapper. Een vreemde wereld! Men woont zoo iets by, als men zoo'n twintig jaren de beurs bezoekt. Verbeeld u dat ze daar getracht hebben--Busselinck & Waterman, meen ik--my Ludwig Stern aftenemen. Daar ik niet weet of gy aan de beurs bekend zyt, wil ik u even zeggen dat Stern een eerst huis is in koffi te Hamburg, dat altyd door Last & Co is bediend geworden. Heel toevallig kwam ik daar achter ... ik meen achter de knoeiery van Busselinck & Waterman. Zy zouden een kwart procent van de courtage laten vallen--onderkruipers zyn het, anders niet!--en zie nu eens wat ik gedaan heb om dien slag afteweren. Een ander in myn plaats had misschien aan Ludwig Stern geschreven dat hy ook wat zou laten vallen, dat hy hoopte op konsideratie om de langdurige diensten van Last & Co ... ik heb uitgerekend dat de firma, sedert ruim vyftig jaren, vier ton aan Stern verdiend heeft. Die konnexie dateert van 't kontinentaal stelsel, toen wy dekoloniale waren insmokkelden van Helgoland. Ja, wie weet wat 'n ander al zoo zou geschreven hebben. Maar neen, onderkruipen doe ik niet. Ik ben naar _Polen_ gegaan[2] liet me pen en papier geven, en schreef:

_Dat de groote uitbreiding die onze zaken den laatsten tyd genomen hadden, vooral door de vele geëerde orders uit Noord-Duitschland_ ...

't Is de zuivere waarheid!

..._dat die uitbreiding eenige vermeerdering van ons personeel noodzakelyk maakte_.

't Is de waarheid! Gister-avend nog was de boekhouder na elven op 't kantoor, om zyn bril te zoeken.

_Dat vooral zich de behoefte deed gevoelen aan fatsoenlyke, welopgevoede jongelieden, voor de korrespondentie in het duitsch. Dat wel-is-waar veel duitsche jongelingen, in Amsterdam aanwezig, hiertoe de vereischte bekwaamheden bezaten, maar dat een huis dat zich respekteert_ ...

't Is de zuivere waarheid!

..._by de toenemende ligtzinnigheid en onzedelykheid onder de jeugd, by het dagelyks aangroeien van het getal fortuinzoekers, en met het oog op de noodzakelykheid om soliditeit van gedrag, hand-aan-hand te doen gaan met soliditeit in de uitvoering, van de gegeven orders_ ...

't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid!

..._dat zulk een huis_--ik bedoel Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht N°. 37--_niet omzichtig genoeg wezen kon met het engageeren van sujetten_.

Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet ge wel, dat de jonge Duitscher, die op de beurs by pilaar 17 stond, weggeloopen is met de dochter van Busselinck & Waterman? Onze Marie wordt ook al dertien in September.

..._dat ik de eer had gehad van den heer Saffeler te vernemen_ --Saffeler reist voor Stern--_dat de geachte chef der firma, de heer Ludwig Stern, een zoon had, den heer Ernest Stern, die ter volmaking zyner kommercieele kennis, eenigen tyd in een hollandsch huis wenschte geëmploieerd te zyn. Dat ik met het oog op_ ...

Hier herhaalde ik weer al die onzedelykheid, en vertelde de geschiedenis der dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart te maken ... neen, bekladden ligt nu juist heelemaal niet in myn manier! Maar ... het kan nooit kwaad dat ze 't weten, dunkt me.

..._dat ik met het oog dáárop, niets liever wenschte dan den heer Ernest Stern belast te zien met de duitsche korrespondentie van ons huis_.

Uit kiesheid vermeed ik alle toespeling op honorarium of salaris. Maar ik voegde er by:

_Dat, indien de heer Ernest Stern het verblyf ten onzen huize --Lauriergracht N° 37--wilde voor lief nemen, myn vrouw zich bereid verklaarde als een moeder voor hem te zorgen, en dat zyn linnengoed in huis zou versteld worden_.

Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En ten-slotte:

_Dat by ons de Heer gediend werd_.[3]

Die kan hy in zyn zak steken, want de Sterns zyn Luthersch. En ik verzond myn brief. Ge begrypt dat de oude Stern niet goedschiks by Busselinck & Waterman kan overgaan, als de jonge by ons aan 't kantoor is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord.

Om nu terug te komen op myn boek. Voor eenigen tyd kom ik 's avends door de Kalverstraat, en bleef staan kyken naar den winkel van een kruienier, die zich bezighield met het sorteeren van een partytje _Java, ordinair, mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel_, dat me zeer interesseerde, want ik let altyd op alles. Daar viel my op-eenmaal een heer in 't oog, die daarnaast voor een boekwinkel stond en me bekend voorkwam. Hy scheen ook my te herkennen, want onze blikken ontmoetten elkander gedurig. Ik moet betuigen dat ik te verdiept was in 't veegsel, om terstond optemerken, wat ik namelyk later zag, dat hy vry kaal in de kleeren stak. Anders had ik de zaak daarby gelaten. Maar op-eens schoot my de gedachte in, dat hy misschien reiziger was van een duitsch huis, die een solieden makelaar zocht. Hy had dan ook wel iets van een Duitscher, en van een reiziger ook. Hy was zeer blond, had blauwe oogen, en in houding en kleeding iets dat den vreemdeling verraadde. In-plaats van een behoorlyken winterjas, hing hem een soort van sjaal over den schouder--Frits zegt "shawl" maar dit doe ik niet--alsof hy zoo van de reis kwam. Ik meende een klant te zien, en gaf hem een adreskaartje: _Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht N° 37_. Hy hield het by de gasvlam, en zeide: "ik dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht het genoegen te hebben een ouden schoolkameraad voor me te zien, maar ... _Last_? Dit is de naam niet."

--Pardon, zei ik--want ik ben altyd beleefd--ik ben m'nheer Droogstoppel, Batavus Droogstoppel. _Last en Co_ is de firma, makelaars in koffi, Lauriergr ...

--Wel, Droogstoppel, kent ge my niet meer? Zie my eens goed aan.

Hoe meer ik hem aanzag, hoe meer ik my herinnerde hem meer gezien te hebben. Maar, zonderling, zyn gelaat deed my de uitwerking alsof ik vreemde parfumerien rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult ge zien hoe dit kwam. Ik ben verzekerd dat hy geen drup reukwerk by zich droeg, en toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me herinnerde aan ... daar had ik het!

--Zyt gy het, riep ik, die my van den Griek hebt verlost?

--Wel zeker, zeide hy, dat was _ik_. En hoe gaat het _U_?

Ik vertelde dat we met ons dertienen op 't kantoor waren, en dat er zooveel by ons omging. En toen vroeg ik hoe het hèm ging, wat me later speet, want hy scheen niet in goede omstandigheden te verkeeren, en ik houd niet van arme menschen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt, daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. Had ik eenvoudig gezegd, "we zyn met ons dertienen, en ... goeien avend verder!" dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en antwoorden werd het hoe langer hoe moeielyker--Frits zegt: _hoe langs zoo_ moeielyker, maar dit doe ik niet--_hoe_ moeielyker dus, om van hem verlost te worden. Aan den anderen kant moet ik ook weer erkennen dat ge dan dit boek niet hadt te lezen gekregen, want het is een gevolg van die ontmoeting. Ik houd er van, het goede optemerken, en wie dit niet doen, zyn ontevreden menschen die ik niet lyden kan.

Ja, ja, hy was het, die my uit de handen van den Griek had verlost! Denk nu niet dat ik ooit door zeeroovers ben genomen geweest, of dat ik twist heb gehad in den Levant. Ik heb u reeds gezegd dat _ik_ na myn trouwen, met myn vrouw naar den Haag ben gegaan. Daar hebben wy het Mauritshuis gezien, en flanel gekocht in de Veenestraat. Dit is het eenige uitstapje dat de zaken my ooit hebben veroorloofd, omdat er zooveel by ons omgaat. Neen, in Amsterdam zelf had hy om-mynentwil een Griek den neus aan 't bloeden geslagen. Want hy bemoeide zich altyd met dingen die hem niet aangingen.