Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Part 8
Een _liplap_--om den term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden, zou ik moeten zeggen een "_dusgenaamd inlandsch kind_" maar ik vraag vergunning my te houden aan 't spraakgebruik dat uit allitteratie geboren schynt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beleedigends bedoel, en wat beteekent het woord dan ook?--een liplap heeft veel goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds, en ook hierin alzoo gelyken zy op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde dat aan beiden eigen is loopt te veel uit elkander, dan dat hun verkeering over 't algemeen tot wederzydsch genoegen kan strekken. Bovendien--en hieraan heeft de Regeering veel schuld--is de liplap dikwyls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen zou, als hy zoo van der jeugd af ware belemmerd geworden in zyn ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelyke ontwikkeling van den liplap _in 't algemeen_ zyn gelykstelling met den Europeaan in den weg staat, ook dáár waar hy _als individu_ in beschaving, wetenschap of kunst, misschien den voorrang boven een bepaalden europeschen persoon verdienen zou.
Ook hieraan is weder niets nieuws. Het lag ook, byv. in de staatkunde van Willem den Veroveraar, om den minstbeduidenden Normandier te verheffen boven den beschaafdsten Sakser, en elke Normandier beriep zich gaarne op 't overwicht der Normandiers _in het algemeen_, om zyn persoon ook dáár te doen gelden, waar hy de minste zou geweest zyn _zonder_ den invloed zyner stamgenooten als bovenliggende party.
Uit zoo-iets wordt natuurlyk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren. die niet zou weg te nemen zyn dan door wysgeerige onbekrompen inzichten en maatregelen van het bestuur.[41]
Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan den winnenden kant is, zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelyk schikt, spreekt vanzelf. Maar dikwyls is 't koddig, iemand die zyn beschaving en taal grootendeels opdeed in de rotterdamsche _Zandstraat_, den liplap te hooren uitlachen omdat deze een _glas water_ en 't _gouvernement_, mannelyk-, of _zon_ en _maan_ onzydig maakt.
Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zyn, of geleerd--er zyn er zoo!--zoodra de Europeaan, die zich ziek hield om achterteblyven van 't schip waarop hy borden waschte, en die zyn aanspraken op beleefdheid bazeert op "uwee" en "verexkuseer" aan het hoofd staat van de handelsonderneming die zoo "enorm" gewonnen heeft op de indigo in 1800 zooveel ... neen, lang vóór hy de "_toko_" bezat, waarin hy hammen en jachtgeweren verkoopt--wanneer zoo'n Europeaan opmerkt dat de beschaafdste liplap moeite heeft de _h_ en de _g_, uit elkaar te houden, lacht hy over de domheid van den man die niet weet dat er onderscheid is tusschen een _gouden hek_ en een _houten gek_.
Maar om hierover niet te lachen, had hy moeten weten dat in het arabisch en maleisch de _cha_ en de _hha_ door één karakter worden uitgedrukt, dat _Hieronymus_ viâ _Geronimo_ in _Jérôme_ overgaat, dat we van _huano_, _guano_ maken, dat een _want_ een _handschoen_ is, dat _kous_ van _hose_ afstamt, en dat we voor _Guild Heaume_ in 't hollandsch _Huillem_ of _Willem_ zeggen. Zooveel eruditie is te veel gevergd van iemand die zyn fortuin maakte "in" de indigo, en z'n beschaving haalde uit het welgelukken van dobbelary ... of erger!
En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap!
Ik begryp hoe _Willem_ van _Guillaume_ komt, en moet erkennen dat ik, vooral in de Molukken, zeer dikwyls "liplappen" heb leeren kennen, die me deden verbaasd staan over den omvang hunner kennis, en die my op 't denkbeeld brachten dat wy Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook ten-dienste stonden, dikwyls--en niet vergelykender-wyze alleen--verre ten-achteren staan by de arme pariah's die van de wieg af hadden te stryden met kunstmatig-onbillyke terugzetting en 't zot vooroordeel tegen hun kleur.
Maar mevrouw Slotering was eens-voor-al gevrywaard voor fouten in 't hollandsch, omdat ze nooit anders dan maleisch sprak. We zullen haar later te zien krygen, als we met Havelaar, Tine en kleinen Max thee-drinken in de voorgalery der adsistent-residents-woning te _Rangkas-Betoeng_, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stooten, eindelyk behouden aankwam.
De resident, die slechts was meegekomen om den nieuwen adsistent-resident in zyn ambt te bevestigen, gaf den wensch te kennen nog dienzelfden dag naar _Serang_ terugtekeeren:
--Omdat. Hy.
Havelaar betuigde insgelyks bereid te zyn tot allen spoed ...
--Het. Zoo. Druk. Had.
...en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de groote voorgalery der woning van den Regent zou by-eenkomen. Verbrugge, hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de Distriktshoofden, den _Patteh_, den _Kliwon_, den _Djaksa_[42] den belasting-kollekteur, eenige _mantries_, en voorts aan alle inlandsche beambten die deze plechtigheid moesten bywonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te verzamelen.
De _Adhipatti_ nam afscheid, en reed naar zyn huis. Mevrouw Havelaar bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de tuin groot was, 'tgeen haar zoo goed voorkwam voor kleinen Max die veel in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan om zich te verkleeden, want by de plechtigheid die er plaats hebben zou, scheen het officieel voorgescheven kostuum een vereischte te wezen. Rondom het huis stonden honderden menschen, die of te-paard den wagen van den resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen Hoofden behoorden. De policie- en bureau-oppassers liepen bedryvig heen-en-weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat vergeten plekje gronds in den javaschen Westhoek, voor een oogenblik werd afgebroken door wat leven.
Weldra reed de fraaie wagen van den _Adhipatti_ 't voorplein op. De resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat struikelend over hun degens, stapten er in, en begaven zich naar de woning van den Regent, waar ze met muziek van _gongs_ en _gamlangs_ ontvangen werden.[43] Ook Verbrugge, die zich van zyn bemodderd kostuum had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere Hoofden zaten in een grooten kring, naar oostersche wyze op matten op den grond, en aan 't eind van de lange galery stond een tafel, waaraan de resident, de _Adhipatti_, de adsistent-resident, de kontroleur en een zestal Hoofden plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige plechtigheid begon.
De resident stond op, en las het besluit van den Gouverneur-generaal voor, waarby Max Havelaar was aangesteld tot adsistent-resident van de afdeeling _Bantan-Kidoel_ of Zuid-Bantam, zooals _Lebak_ door de inlanders genoemd wordt. Hy nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot de aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende: "_dat men om tot het ambt van ***** te worden benoemd of bevorderd, niemand iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en getrouw zal zijn aan zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; gehoorzaam aan zijner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal gedragen gelijk een goed_ ... (hier: adsistent-resident) _betaamt_."
Hierop volgde natuurlyk het sakramenteele: "_zoo waarlijk helpe mij God Almachtig_."
Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in dezen eed begrepen, had eigenlyk moeten worden beschouwd de belofte: _de inlandsche bevolking, te zullen beschermen tegen uitzuiging, en onderdrukking_. Want, zwerende dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men slechts het oog te slaan op de talryke voorschriften dienaangaande, om intezien dat eigenlyk een byzondere eed hieromtrent niet te-pas kwam. Maar de wetgever schynt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet schaden kan, althans men vordert van de adsistent-residenten een afzonderlyken eed, waarby die verplichting omtrent den geringen man nogeens uitdrukkelyk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal "God Almachtig" tot getuige nemen by de belofte: dat hy de "_inlandsche bevolking, beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en knevelarij_."
Voor een fynen opmerker zou 't de moeite waard zyn geweest, het onderscheid gadeteslaan tusschen houding en toon van den resident en van Havelaar by deze gelegenheid. Beiden hadden zy dusdanige plechtigheid meermalen bygewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't meer of min getroffen zyn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen veroorzaakt door 't uiteenloopende der karakters en begrippen van deze beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlyk, daar hy 't besluit en de eeden slechts behoefde vóórtelezen, 'tgeen hem de moeite bespaarde naar zyn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde van zyn kant alles, met een deftigheid en een ernst, die den oppervlakkigen beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van 't gewicht dat hy aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hy met opgeheven vinger de eeden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding, alsof hy zeggen wilde: "dat spreekt vanzelf, ook _zonder God Almachtig_, zou ik dat doen" en wie menschkunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op zyn ongedwongenheid en schynbare onverschilligheid, dan op de ambtelyke deftigheid van den resident.
Is 't niet inderdaad bespottelyk, te meenen dat de man die geroepen is recht te spreken, de man aan wien het wel of wee van duizenden is in handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken klanken, wanneer hy niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen voelt door zyn eigen hart?
Wy gelooven van Havelaar, dat hy de armen en onderdrukten, waar hy die mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hy by "God Almachtig" het tegendeel beloofd.
Daarop volgde een toespraak van den resident tot de Hoofden, waarop hy hun den adsistent-resident als opperhoofd der Afdeeling voorstelde, hen uitnoodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt natekomen, en dergelyke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop één-voor-één by name aan Havelaar voorgesteld. Hy reikte ieder de hand, en de "installatie" was afgeloopen.
Men gebruikte ten-huize van den _Adhipatti_ 't middagmaal, waartoe ook de kommandant Duclari genoodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte de resident die gaarne nog dien avend te _Serang_ wilde terug zyn:
--Omdat. Hy. Het. Zoo. Byzonder. Druk. Had.
...weder in zyn reiswagen, en zoo keerde _Rangkas-Betoeng_ weldra terug tot een stilte, als te verwachten is van een javasche binnenpost die door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan den grooten weg gelegen was.
De kennismaking tusschen Duclari en Havelaar was spoedig op een gemakkelyken voet gebracht. De _Adhipatti_ gaf blyken van ingenomenheid met zyn nieuwen "ouder broeder" en Verbrugge verhaalde later dat ook de resident, dien hy op zyn terugreis naar Serang een eind wegs-uitgeleide had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar doortocht naar Lebak eenige dagen ten-zynen-huize vertoefde, had uitgelaten. Ook zeide hy dat Havelaar, by de Regeering goed aangeteekend staande, hoogstwaarschynIyk spoedig tot een hooger ambt bevorderd, of althans naar een meer "voordeelige" afdeeling verplaatst worden zou.
Max en "zyn Tine" waren eerst onlangs van een reis naar Europa teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer eigenaardig een koffertjes-leven heb hooren noemen. Zy achtten zich dus gelukkig, na veel omzwervens eindelyk weder eens een plek te bewonen waar zy zouden te-huis behooren. Vóór hun reis naar Europa, was Havelaar adsistent-resident van Amboina geweest, waar hy met veel moeielykheden had te stryden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistenden en oproerigen toestand verkeerde ten-gevolge van de vele verkeerde maatregelen die in den laatsten tyd genomen waren.
Niet zonder veerkracht had hy dezen geest van verzet weten te onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin van-hoogerhand verleende, en uit ergernis over 't ellendig bestuur dat sedert eeuwen de heerlyke streken der Molukken ontvolkt en bederft ...
De belangstellende lezer trachte te lezen te krygen wat over dit onderwerp reeds in 1825 door den baron Van der Capellen geschreven werd, en kan de Publikatien van dezen menschenvriend vinden in het Indische Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert dien tyd niet beter op geworden!
Hoe dit zy, Havelaar deed te Amboina wat hy mocht en kon, maar uit ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats geroepen waren zyn pogingen te steunen, was hy ziek geworden, en dit had hem bewogen naar Europa te vertrekken.[44] Strikt genomen had hy by wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins welvarende afdeeling _Lebak_, daar zyn werkkring te Amboina van grooter gewicht was, en hy dáár, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hy naar Amboina vertrok, spraak van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus sommigen dat hem thans het bestuur eener Afdeeling werd opgedragen, die aan kultuur-emolumenten zoo weinig opbracht, dewyl velen het belang eener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hyzelf echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zyn eerzucht was geenszins van dien aard, dat hy bedelen zou om hoogeren rang of meer gewin.[45]
En dit laatste ware hem toch goed te-stade gekomen! Want op zyn reizen in Europa had hy het weinige uitgegeven, dat hy in vorige jaren had overgegaard. Zelfs had hy daar schulden achtergelaten, en hy was dus, in één woord, arm. Doch nooit had hy zyn ambt beschouwd als een geldwinning, en by zyn benoeming naar _Lebak_ nam hy zich met tevredenheid voor, het achterstallige door zuinigheid intehalen, in welk voornemen zyn vrouw die zoo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen ondersteunen zou.
Maar zuinigheid viel Havelaar moeielyk. Hy voor zichzelf kon zich tot het strikt-noodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hy binnen de grens daarvan blyven, doch waar anderen hulp behoefden, was hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hyzelf zag dit zwak in, beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe _onrecht_ hy deed, iemand te ondersteunen, waar hyzelf meer aanspraak zou gehad hebben op zyn eigen hulp ... gevoelde dit onrecht nog levendiger, wanneer ook "zyn Tine" en Max, die hy beiden zoo lief had, te lyden hadden onder de gevolgen zyner vrygevigheid ... hy verweet zich zyn goedhartigheid als zwakte, als ydelheid, als zucht om voor een verkleeden prins doortegaan ... hy beloofde zich beterschap, en toch ... telkens als deze of gene zich aan hem wist voortedoen als 't slachtoffer van tegenspoed, vergat hy alles om te helpen. En dit in-weerwil der bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdryving tot fout geworden deugd. Acht dagen vóór de geboorte van zyn kleinen Max, bezat hy 't noodige niet om 't yzeren wiegje te koopen waarin zyn lieveling rusten zou, en weinig tyds te-voren nog had hy de weinige versierselen zyner vrouw opgeofferd, om iemand bytestaan, die gewis in beter omstandigheden verkeerde dan hyzelf.
Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zy waren aangekomen te _Lebak_! Met vroolyke kalmte hadden zy bezit genomen van het huis: "waar ze nu toch eenigen tyd hoopten te blyven." Met een eigenaardig genot hadden zy te Batavia de meubelen besteld, die alles zoo _comfortable_ en gezellig maken zouden. Zy toonden elkaar de plekken waar ze zouden ontbyten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan, waar hy 's avends haar zou voorlezen wat hy dien dag geschreven had, want hy was altyd bezig met het ontwikkelen zyner denkbeelden op 't papier ... en: "eens zou dat gedrukt worden, meende Tine, en dan zou men zien wie haar Max was!" Maar nooit had hy iets ter-perse laten leggen van wat er in zyn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hyzelf althans wist dezen schroom niet beter te beschryven, dan door aan wie hem aanspoorden tot publiciteit, te vragen: "zoudt _gy_ uw dochter op-straat laten loopen zonder hemd?"
Dit was dan weer een van de vele _boutades_, die zyn omgeving deden zeggen dat "die Havelaar toch een zonderling mensch was, en ik beweer het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zyn ongewone wyze van spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van een meisje, wellicht den tekst gevonden hebben voor een verhandeling over de kuisheid van den geest, die schuw is voor de blikken van den lompen voorbyganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelyke schroomvalligheid.[46]
Ja, ze zouden gelukkig zyn te _Rangkas-Betoeng_, Havelaar en zyn Tine! De eenige zorg die hen drukte, waren de schulden die zy in Europa hadden achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar Indie, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zyner inkomsten? Misschien ook, ja waarschynlyk, zou hy spoedig resident worden, en dan werd alles makkelyk geregeld in weinig tyds ...
--Hoewel 't my erg spyten zou, Tine, _Lebak_ te verlaten, want er is hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wy misschien alles afdoen, ook zonder bevordering ... en dan hoop ik lang hier te blyven, heel lang!
Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefte hy tot háár niet te richten. _Zy_ had er waarlyk geen schuld aan, dat spaarzaamheid noodig was geworden, doch ze had zich zoo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die aansporing geenszins opvatte als een verwyt, wat het dan ook niet was. Want Havelaar wist zeer goed dat _hy_ alleen gefaald had door zyn te ver gedreven vrygevigheid, en dat _haar_ fout--àls er dan een fout bestond aan hare zyde--alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max altyd alles had goedgekeurd wat hy deed.
Ja, _zy_ had het goed gevonden, toen hy die beide arme vrouwen uit de _Nieuwstraat_, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren "uitgeweest" rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig voorwendsel dat de Koning hem belast had met: "het amuzeeren van oude vrouwtjes die zich zoo goed gedragen hadden". _Zy_ vond het goed dat hy de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. _Zy_ begreep volkomen dat hy de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de harp behoorde, en de viool, en de bas, die zy zoo noodig hadden voor hun schamel bedryf. _Zy_ kon het niet afkeuren dat hy 't meisje tot haar bracht, dat 'savends op de straat hem had aangesproken ... dat hy haar te eten gaf en herbergde, en 't àl te goedkoop "ga heen, en zondig niet meer!" niet uitsprak, voor hy haar dat "niet zondigen" had mogelyk gemaakt. _Zy_ vond het zeer schoon in haar Max, dat hy 't klavier liet terugbrengen in de voorkamer van den huisvader, dien hy had hooren zeggen hoe leed het hem deed dat de meisjes verstoken waren van muziek "na dat bankroet." _Zy_ begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie vrykocht te Menado, die zoo bitter bedroefd was te moeten stygen op de tafel des afslagers. _Zy_ vond het natuurlyk dat Max paarden weergaf aan de Alfoeren in de _Minahassa_, wier paarden waren doodgereden door de officieren van de _Bayonnaise_. _Zy_ had er niet tegen dat hy te Menado en te Amboina de schipbreukelingen der amerikaansche _whalers_ by zich riep en verzorgde, en zich te _grand seigneur_ achtte om een herbergiersrekening voorteleggen aan 't amerikaansch Gouvernement. [47] _Zy_ begreep volkomen waarom de officieren van byna elk aangekomen oorlogschip grootendeels by Max logeerden, en dat zyn huis hun geliefd _pied-à-terre_ was.
Was hy niet háár Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet ongerymd, hem die zoo vorstelyk dacht, te willen binden aan de regels van spaarzaamheid en huishoudelykheid die voor anderen gelden? En bovendien, al mocht er dan soms voor 't oogenblik iets onevenredigs wezen tusschen inkomsten en uitgaven, was Max, háár Max, niet bestemd voor een schitterende loopbaan? Moest hy niet weldra in omstandigheden verkeeren, die hem zouden in-staat stellen zonder overschryding zyner inkomsten den vryen loop te laten aan zyn groothartige neigingen? Moest háár Max niet Gouverneur-generaal worden van dat lieve Indie, of ... een koning? Wast 't niet vreemd zelfs, dat hy niet reeds koning wàs?
Als er een fout by haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid met Havelaar schuld daaraan, en zoo ooit, dan zou 't hier gelden: dat men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad!
Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te deelen in de overdreven begrippen die zy van haren Max koesterde, mag men toch aannemen dat hy een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond uitzicht zich had verwezenlykt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen zyner vrygevigheid weldra uit den weg te ruimen geweest zyn. Maar nog een reden van geheel anderen aard verontschuldigde hare en zyne schynbare zorgeloosheid.
Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was by hare familie opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mede dat zy een klein vermogen bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele brieven van vroeger tyd, en uit eenige losse aanteekeningen die zy in een van haar moeder afkomstige kassette bewaarde, dat haar familie zoo van vaders- als van moeders-zyde zeer ryk was geweest, zonder dat hem evenwel duidelyk worden kon, wáár, waardoor of wanneer die rykdom was verloren gegaan. Zyzelf, die nooit belang gesteld had in zaken van geldelyken aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar by haar aandrong op eenige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem den vyfden naar Engeland uitgeweken en ridmeester geweest by 't leger des hertogs van York. Hy scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlyke familie een vroolyk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd opgegeven als oorzaak van den ondergang zyner fortuin. Later, by Waterloo, sneuvelde hy in een charge onder de huzaren van Boreel. Aandoenlyk was het, de brieven te lezen van haar vader--toen een jongeling van achttien jaren, die als luitenant by dat korps in dezelfde charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hy acht jaren later krankzinnig sterven zou--brieven aan zyn moeder, waarin hy zich beklaagde hoe hy vruchteloos op het slagveld naar 't lyk zyns vaders had gezocht.[48]
Wat haar afkomst van moederszyde aangaat, herinnerde zy zich dat haar grootvader op zeer aanzienlyken voet geleefd had, en uit sommige papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posteryen in Zwitserland, op de wyze zooals thans nog in een groot gedeelte van Duitschland en Italie, die tak van inkomst de _apanage_ uitmaakt der vorsten van _Turn en Taxis_.[49] Dit deed een groot vermogen veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht.