Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy
Part 31
106. _Sambal-sambal_: allerlei toespys, 'n keukenvak waarin Indiën uitmunt. De beschryving van de _sambals_ die daar in gebruik zyn, zou boekdeelen vullen. In welvarende familien vordert dit onderdeel van 't dagelyksch _menu_ de uitsluitende zorg van 'n bediende, en by ryken is één persoon daartoe zelfs niet voldoende. Als grondstof dient al wat eetbaar is, zooveel mogelyk onkenbaar gemaakt, en ook veel dat oningewyden _niet_ eetbaar voorkomt, byv. onrype vruchten en bedorven vischkuit. Het bereiden van al die gerechten volgens de regelen der kunst, vereischt 'n ware studie. Ook is er voor _baren_ (nieuwelingen) soms eenige oefening noodig om ze smakelyk te vinden, maar ingewyden geven aan de indische keuken de voorkeur boven de velerlei soorten van europesche tafels.
107. Zoodra in 1873 het geheim traktaat met Engeland van 1824, dat ons tot eenige bescheidenheid verplichtte, was ingetrokken, werd de oorlog verklaard. Men zou misschien hieruit mogen opmaken, dat m'n oordeel over den Generaal Michiels van algemeener toepassing is, dan ikzelf in 1842 gissen kon.
108. De later tot Gouverneur-Generaal benoemde Mr P. Merkus.
109. _Jang (njang) di Pertoean_: hy die _heerscht_. Als ik me niet vergis, is er op geheel Sumatra slechts één Hoofd dat dezen titel draagt. _Toeankoe's (myn-heer, mon-seigneur)_ zyn er velen. Beide benamingen zyn _maleisch_--de laatste sylbe van 't woord _Toeankoe_ komt me zelfs _javaansch_ voor--en daar de _Jang di Pertoean_ zeer speciaal 't voornaamste Hoofd is in de _Battahlanden_, schynt die waardigheid oorspronkelyk door maleische overweldigers ingevoerd te zyn. De wortels der benamingen van autochthoone waardigheden en titels moeten altoos in de oudste taal des lande gezocht worden. Ze zyn slechts van eenigszins jonger oorsprong dan onwillekeurige geluiden die door uitwendige oorzaken aan long en keel ontsnappen, dan de velerlei benamingen voor _water_, dan de aanduiding van terrein- accidenten of natuurverschynselen, en dan de algemeene klanknabootsing.
110. Zie Noot 37.
111. _Tout comme chez nous!_ De katholiek die vast en zeker gelooft dat de H. Maagd zich de moeite gaf 'n boodschap te komen brengen aan 'n hysterisch landmeisje te _Lourdes_, spot met den islamiet die beweert 'n visite of brief ontvangen te hebben van Mahomed. En de protestant, lachende om den katholiek die boodschappen uit den hemel krygt, voelt zich zeer gesticht door 'n preek over den Engelenzang te Bethlehem. Waarom neemt men 't my euvel, dat ik al die soorten van domheid op één lyn stel?
112. _Padries_ noemden wy in de wandeling de _Atjinezen_ die toen kort tevoren de _Battahlanden_ tot den _Islam_ bekeerd hadden. 't Woord zal wel _Pedirees_ moeten beduiden, naar _Pedir_, een der minst onaanzienlyke staatjes van _Atjin_. Ook 't woord _Atjin_ is 'n door 't spraakgebruik gewettigde verbastering. Van _Atjeh_ maakten we _atjehnees_ of _atjinees_, waardoor 't grondwoord zelf in _Atjin_ veranderde. Litterarisch purisme komt hier niet te-pas.
De blyken overigens van 't in den tekst aangeroerd fanatismus loopen in 't ongelooflyke. Men moet evenwel erkennen dat de invoering van den Islam--die tevens vermeerdering van zoutgebruik ten-gevolge had--grooten afbreuk heeft gedaan aan 't menscheneten. Dat deze hebbelykheid nog in de buurt van _Penjaboengan_--'t centrum van ons gezag in de _Battahlanden_ --zou bestaan hebben tydens Ida Pfeifer die streken bezocht (1844? 1845?) houd ik voor 'n leugen. Zy knoopt aan de ontmoeting die ze te-dezer-zake beweert gehad te hebben, een anekdote vast, die den stempel der onwaarheid op 't voorhoofd draagt. Men zou háár gespaard hebben, vertelt ze, om-den- wille der grappigheid van haar opmerking: dat zy 'n "bejaarde vrouw en dus te taai" was. Toen zy, eenige jaren na my, met _Battahlanders_ in aanraking kwam, was de anthropophagie in die streken uitgeroeid, en wel door den invloed van dezelfde volkeren die we thans in naam der beschaving beoorlogen. Wanneer heeft _Nederland_ ooit met _zyn_ godsdienst en met _zyn_ wapens, in 'n ommezien tyds een ganschen volksstam van kannibalen tot rustige menschen gemaakt?
113. De _Rappatraad te Natal_ bestond uit de voornaamste inlandsche Hoofden der Afdeeling, met den Civiel-gezaghebber als voorzitter. Door dien Raad werden niet alleen civiele kwestien en krimineele zaken afgedaan, maar tevens politische aangelegenheden behandeld. Tot het ten-uitvoer leggen der geslagen vonnissen was slechts het "fiat exekutie" van den Resident te _Ayer-Bangie_ noodig, gelyk uit den tekst blykt. De afleiding van 't woord _Rappat_ is me onbekend. Het schynt slechte op _Sumatra_ in gebruik te zyn.
114. _Sewah_: het wapen van de bewoners dezer streken, gelyk op Java de _kris_. De _jewak_ is 'n eenigszins kromme dolk met zeer klein gevest en de snede aan de binnenzy der kromming. De oorspronkelyke bedoeling met dezen vorm zal wel geweest zyn, dat de greep geheel in de hand kan verborgen worden, terwyl de zeer stompe rug van 't wapen tegen den pols rust, en door den arm bedekt wordt. De aangevallene bemerkt alzoo niet dat z'n tegenstander gewapend is, voor deze hem, na 'n eigenaardige vlugge beweging van pols en arm in drie _tempo's_, treft. Geheel afgescheiden van deze geschiktheid tot moordtuig, is de _sewah_ 't distinktief van vryheid en mannelykheid. Wie 'n maleisch Hoofd gevangen neemt--gelyk volgens blz. 203 (zie alinea: "Maar ik weet meer dan dat alles ...", M.D.) in de daar beschreven omstandigheden m'n verdrietige taak was--vordert hem z'n _sewah_ af.
Een ander wapen op _Sumatra_, dat elders niet bekend is naar ik meen, heet _krambièh_--ik spel op 't gehoor af--en dient uitsluitend tot moordtuig. Het is kleiner en veel krommer nog dan de _sewah_. De greep bestaat uit niet veel meer dan 'n ringvormige opening waarin de moordenaar z'n duim steekt, terwyl 't lemmet geheel in of achter de hand verborgen blyft.
115. Ik geloof dat deze opmerking van den braven Duclari niet ongegrond is, en durf daarop wyzen in-verband met de _soort_ van wapens waarmee ik thans, _acht-en-dertig jaren_ na de in den tekst beschreven voorvallen, word aangetast. Het laat zich begrypen dat lieden die behoefte hebben aan 't verscheuren van myn naam om wat opgang te maken, zich aan zoo'n armzalig hulpmiddel vastklemmen. Want, ook naar den geest gesproken, is armoed 'n scherp zwaard, en 't ligt in de rede dat dezulken geen besef hebben van hun gebrek aan _ebenbürtigkeit_. Maar 't lezend Publiek moest niet zonder protest gedoogen dat ik zoo straatjongensachtig wordt aangevallen. Wat hebben de Van Vlotens e.d. ooit verricht, dat hun 't recht geven zou de mond tegen my te openen? Men behoorde die heeren hun _Staat van dienst_ aftevorderen.
116. Een van die gesuspendeerde ambtenaren, de Resident A.L. Weddik, werd gouverneur van _Borneo_. De adsistent-resident van _Padang_, Schaap, is later gouverneur van _Makassar_ geweest. Ook myn voorganger te _Natal_, de heer Van Meerten--een zeer bekwaam man, en de zoon der bekende schryfster van dien naam--is in dienst gebleven, en werd meermalen eervol bevorderd. In 't voorbygaan hier de opmerking dat de benoeming van den heer Weddik tot gouverneur van geheel _Borneo_, hoezeer bewyzende dat hyzelf tot het bekleeden van 'n hoog ambt geschikt werd geoordeeld, eigenlyk slechts fiktie was, en de strekking had om tegenover Engeland--_en de vele partikuliere Engelsche fortuinzoekers!_--onze souvereiniteit over dat enorme eiland te handhaven. De voor onze Regeering onverantwoordelyke vestiging van Brooke te _Laboean_, bewyst dat die armzalige kunstgreep z'n doel miste. Weldra zal 't met _Nieuw-Guinee_--dat tot Insulinde behoort --ook zoo gaan. Nederlanders, ik zeg u dat daar loerende kapers op de kusten zyn. En ... de gouverneurs-generaal hebben in dit opzicht minder schuld aan 't verregaand verwaarloozen der hun toevertrouwde belangen, dan later misschien de geschiedenis meenen zal. In-stede van hun veerkracht te kunnen besteden aan 't intakt houden van _Insulinde_, moeten zy zich toeleggen op 't handhaven van hun gezag tegenover ministers, Kamerpraatjes en onbevoegd hollandsch krantengeschryf. Het uit de veranderingen in '48 voortgevloeid allemans-meekakelen werkt, ook in Indie, _desorganizeerend_. Toch ... "_leve de groote Thorbecke!_", niet waar? 't Is bedroevend!
117. Op de afschaffing der--betrekkelyk humane!--_rottingstraf_, en de nadeelige gevolgen van die tendentieuze filantropery zal ik elders terugkomen.
118. In deze alinea wordt de Resident Brest van Kempen gunstiger beoordeeld dan hy verdiende. Lang na 't schryven van den _Havelaar_ werd my door 'n onwraakbaar getuige meegedeeld dat de Resident Brest van Kempen _een zeer byzondere reden_ had om den Regent te ontzien. Ik wenschte dat my van bevoegde zyde naar die reden gevraagd werd.
119. Opmerking als in de _Noten_ 68 en 72.
120. Wat ik hier van de Regeering zeg, is na den _Havelaar_ van volle toepassing geworden op de geheele Natie. Ze geeft voor, myn pogingen tot verbetering te ignoreeren, en vindt het behoorlyk dat ik vertellinkjes moet schryven om in leven te blyven. Maar de lieden die by-voortduring haar misleiden met onwaarheid, worden geëerd, beloond, met gezag bekleed, aan 't hoofd der zaken geplaatst. 't Volk _wil_ bedrogen zyn.
121. De bespottelyke angst voor 'n Inlandsch Hoofd wordt door de residenten by de Regeering levendig gehouden _in hun eigen belang_, en berust eigenlyk op ...'n woordspeling. De waarheid is, dat wy in 't organismus van ons bestuur de _Inlandsche Hoofden_, niet kunnen missen, d.i. het _stelsel_ waarin die Hoofden een zoo voorname plaats bekleeden. Maar hieruit volgt volstrekt niet dat men een Inlandsch Hoofd niet aan z'n plicht zou kunnen houden. Waar zou 't heen, als men geen luitenant straffen of ontslaan mocht omdat men in 'n leger de officieren niet missen kan?
122. De arme man heette Dongso, en heeft me later trouw gediend. De op _Java_ tot dwangarbeid veroordeelde misdadigers vervallen in twee klassen. Een gedeelte blyft op _Java_ zelf, 'tgeen als 'n groote verlichting van 't vonnis beschouwd wordt. Te-werkstelling _buiten_ Java is den meesten een vreeselyke straf die niet zelden tot zelfmoord dryft.
123. Toen ik in den tekst dit nummer invulde, was m'n voornemen een karakterkundige analyse te beproeven van de wyze waarop myn streven door m'n landgenooten is opgenomen. De _toon_ echter waarop dezer dagen sommige publicisten my aanvielen, en het _terrein_ waarop zy trachtten den stryd overtebrengen, weerhoudt me. Voor 't oogenblik bepaal ik my te dien aanzien tot verwyzing naar de nummers 632, vlgg. myner _Ideen_.
124. _Tikar_: matje. Het gebruik van fyn gevlochten matten op de bedmatrassen, is in Indie vry algemeen, en wordt, omdat ze koel blyven, voor gezond gehouden. Het vervaardigen van die matten en ander vlechtwerk is in niet onbelangrijke industrie, waarin vooral de _Makassaren_ uitmunten.
125. _Pukul ampat_: vier uur. Dit is de naam van 'n bloempje dat 's namiddags op dat uur zich opent, en tegen den morgenstond zich weer sluit. Dat _pukul_ (= slaan, slag. Hier: klokslag) moet worden uitgesproken met de hollandsche _oe_-klank spreekt vanzelf.
126. _Saudien_ of _Soedien_ voor: _Si-Oedien_: een zeer dikwyls voorkomende maleische naam. _Oedien_, _Oedin_ ('t arabische _Eddin_) is waarschynlyk verwant met gelyksoortige noordsche benamingen in Europa. Over 't zeer algemeene praefix _si_ ware veel te zeggen, meer dan me thans de ruimte toelaat.
127. De gewone lezer houdt dit voor 'n fiktie. Welnu, ook hier schreef ik de waarheid. De kommandant Duclari zag, des morgens by 't baden, een lyk de rivier afdryven, en hy herkende den man die in zyn tegenwoordigheid des avends tevoren zich by den adsistent-resident had aangemeld met 'n klachte. De heer Carolus had hem doen gelasten den volgenden dag op 't bureau te komen. Maar ... er werd zorg gedragen dat-i _niet_ terugkwam! Geheel afgescheiden van Duclari's getuigenis, was 't Havelaar bekend dat dit de gewoonte was, _en dit wist ieder in 't Lebaksche_, de Resident Brest van Kempen zoo goed als elk ander.
128. _De wyze waarop_ Havelaar _te handelen had_. In de eerste plaats was hy gebonden aan _eed_ en _instruktie_, twee faktoren die hem volkomen denzelfden weg aanwezen als zyn karakter en de menschelykheid. Maar ... hy zou te doen krygen met den nergens beschreven "geest des gouvernements" waarvan z'n onmiddellyke chef de zeer onderdanige dienaar was. Die "geest" wilde--niet dat er _Recht_ geschiedde, maar slechts--_dat de uiterlyke toestand rustig bleef_. Ieder had het oog op _eigen_ welstand alleen, op bevordering, op pensioen. Hoeveel Javanen men om dat doel te bereiken, straffeloos moest laten uitplunderen en vermoorden, deed niet tot de zaak. Zóó de Slymeringen, zóó de van Twisten! En dit keurt de Natie goed. Wel verre van 't Havelaar dank te wyten dat-i zich opofferde om aan dien onzedelyken toestand 'n eind te maken, gist de onbeschaamdheid zóóver dat men thans begint hem z'n onbaatzuchtigheid aanterekenen als _vergryp_. Hy had--als de anderen dus?--eerst z'n tyd moeten uitdienen om pensioen te krygen! M.a.w. hy had moeten deelnemen aan de schelmery, om ten-slotte z'n onwaardig leven te eindigen als kollega van Van Twist! Hoe onbeschaamd ook deze stelling wezen moge, ze heeft de verdienste van oprechtheid, of van brutale openheid althans. Wie ze verkondigt, is voorzeker 'n slecht wezen, maar ...'t deert hem niet dat men 't weet. _A la bonne heure_, zeer godgeleerde doctor Van Vloten!
Minder bevalt my de huichelary van de velen die Havelaars handelwyze subliem vinden, o ja, maar geen hand uitsteken voor de zaak die hy verdedigt. Men behoorde den moed te hebben zyner gewetenloosheid.
129. Men zie hierover in de _Minnebrieven_: Vraagpunten aan den kontroleur, § 18.
130. Als boven, § 11.
131. _Beginselen van bestuur die ten-laatste zullen zegevieren_. Ik erken dat dit er tot-nog-toe weinig naar gelykt. Het sprookje dat er na 1860 in Indie zooveel zou verbeterd zyn, behandelde ik reeds op blz. 344. (alinea met: "Zoo volgde na elk versleten experiment.", M.D.) Wat--onder veel andere redenen--alle verbetering in den weg staat, is onze Kieswet. Het bederf in den Staat (IDEE 286) _dat thans allerwege erkend wordt_, is niet te genezen voor we van dat immoreel en onpraktisch thorbeckiaansch vod verlost zyn. Geheel afgezien van de _indische zaken_, is deze waarheid ook op Nederland zelf van volle toepassing.
132. Wil men dit "_zelfs_" opvatten als sarkasme, my wel! Eenvoudige waarheid is, dat weinig koningen groot genoeg zyn om iets groots naast zich te dulden. De meesten zelfs hebben behoefte aan 't _byzonder_ kleine. De afschuw van uitstekendheid gaat niet zelden boven 't eigenbelang, en menig hooggeplaatst persoon ziet liever z'n eigen zaak--en die van 't algemeen!--te-gronde gaan, dan dat hy iemand naast zich stellen zou, wiens verdiensten de zyne overschaduwen. Deze waarheid uit is oud, en--hoe treurig ook--niet onbegrypelyk. Maar dat 'n geheel Volk, wiens belangen daardoor worden verwaarlooosd, genoegen neemt met zoo'n domme jalouzie, komt me vreemder voor. Ook hier alweer staat onze Grondwet alle verbetering in den weg. De koning mag ... _niets_ wezen. 't Zy zoo! Doch waarom toch de bepalingen omtrent gezagsverdeeling zóó ingericht, dat-i by-voortduring in z'n omgeving niet veel anders te aanschouwen krygt dan middelmatigheid? Men moest zoo'n armen Koning dan toch de kans laten dat-i eens eindelyk iemand naast, onder of boven zich kreeg, die wat meer beteekende dan te verwachten is van uit de _Kamer_ voortgekropen ministers. Sommigen beweren, naar ik hoor, dat onze Koning by de Natie niet geacht is. Of 't waar is, weet ik niet. Ook niet of hy achting verdient. Maar eilieve, meent men dat het omgekeerde mogelyk is? Dat die Koning de _Natie_ achten kan, volgens de stalen die hy dagelyks van haar onder de oogen krygt, en die hem _nota bene_ worden opgedrongen als de _élite_ van 't Volk? Hoe overigens dit alles inwerkt op de benoemingen van Landvoogden voor _Insulinde_, heeft de ondervinding voldoende geleerd. Voor dat ambt--het gewichtigste in den Staat!--blykt ieder goed genoeg te wezen, mits hy maar passe in 't kader van de _clique_ die vandaag toevallig op 't kussen zit. Hierover 'n hoofdstuk in den nieuwen druk van "_Specialiteiten_."
133. Zekere kontroleur Bauer werd, heel in den beginne der regeering van Van Twist, uit 's Lands dienst ontslagen: omdat-i geschenken had aangenomen "_niet strekkende om zich te verryken_." Ik ontleen de onderstreepte woorden aan 't Besluit zelf. Ziedaar de echte huichelende moraliteitspreutsheid! Van Twist die gezworen had "de bescherming van den Inlander als z'n eersten plicht te beschouwen" mag dien plicht verwaarloozen en toch z'n traktement in ontvangst nemen, maar 'n kontroleur die "_niet om zich te verryken_"en dus zonder 't minste uitzicht op 't grondbezittend lidmaatschap in de Eerste-Kamer, zich 'n bos _pisang_ laat opdringen, wordt met schande weggejaagd! Ik zou ver loopen om iemand te zien, die 'n plaats bekleedend by Binnenlandsch Bestuur, zich nooit schuldig maakte aan de vreeselyke misdaad die den heer Bauer werd ten-laste gelegd. Gelyk ik reeds in den tekst opmerkte, behoort het aanbieden van geschenken als de hier bedoelde, beschouwd te worden als 'n _groet_, als 'n _plichtpleging_, als uitdrukking van _beleefdheid_ volgens de zeden van 't Land. Dat ik, in-weerwil hiervan, het aannemen van geschenken afkeur--gelyk uit het aanhalen der Oostersche vertelling op blz. 212 (Zie de alinea die begint met: "Het komt my echter voor" M.D.) voldoende blykt--doet nu niet tot de zaak. M'n bedoeling is de huichelary van den Landvoogd in 't licht te stellen, die aan zulke kleinigheden z'n deugd verspilde, en onverschillig toezag dat de aan _zyn_ zorg toevertrouwde inlanders uitgeplunderd en vermoord werden. Het was dezelfde Van Twist, die de _door hemzelf_ afgeschafte wyze van werving voor 't indisch leger weer invoerde! De brave man meende dat zy "_den toets der zedelykheid niet kon doorstaan_." Heel juist! Onnoozele javaansche jongens werden _van Regeeringswege_ door onderofficieren, met behulp van _dobbelspel en ... hoeren_ in 't net gelokt. Zeker, zeker, dat kan inderdaad den "toets der zedelykheid" niet doorstaan! Maar wèl kon 't den "toets der zedelykheid" van den godvruchtigen Van Twist doorstaan, _deze wyze van werving weer intevoeren_(*) en die man is in Nederland "geacht." Zal 't niet by zulke toetsverhoudingen weldra 'n eer worden, tuchthuisboef te zyn?
(*) Voor den tienden maal sommeer ik den "_Oud-officier van 't Indisch leger_" die in de N. Rott. Cour. deze bewering 'n "onwaarheid" noemde, z'n laster intetrekken. Zie overigens een der Noten op _Idee_ 534.
134. De naam _Saïdjah_ is met 'n kleine letterverzetting ontleend aan den "Staat van gestolen buffels" in de _Minnebrieven_. Daarin vindt men ook de namen der dorpen _Badoer_ en _Tjipoeroet_.
135. Myn berekening van wat er in Indie verloren gaat onder de Regeering van één Gouverneur-generaal "die z'n plicht niet doet" is--als gewoonlyk, we kennen dat!--_overdreven_ genoemd. Weinigen hebben besef van de kracht der vermenigvuldiging. Ook Droogstoppel stond verbaasd toen-i over dit onderwerp iets aantrof in Sjaalman's pak. Ik vraag aan hen die zich zoo makkelyk van de zaak afmaken: _hoe hoog dan_ VOLGENS HUN MEENING _'t bedrag is, waarop één gouverneur- generaal van de soort der_ Van Twisten--en hy was de ergste niet!--_aan de Natie te staan komt?_
136. _Orang Goenong_: bergbewoner, doch op Java zeer speciaal de bewoner der bergen in den westhoek. 't Woord _aliforoe, alifoeroe, harifoeroe_ (alfoer) heeft in den noordhoek van _Celebes_, in den geheelen _molukschen_ Archipel, en op _Nieuw-Guinee_, dezelfde beteekenis, of althans die van _bewoner der binnenlanden_. 't Is dus eigenlyk geen volks- of stamnaam, gelyk door sommigen gemeend wordt, maar wordt--evenals 't woord _Nederlander_--dikwyls als zoodanig gebruikt.
137. Uit gebrek een ruimte, en tevens omdat de hier behandelde zaak in nauw verband staat met de meerendeels zoo onjuiste begrippen over _bevoegdheid in 't algemeen_, wil ik hier over dit onderwerp niet verder uitweiden. Ik verwys naar den laatsten druk der "_Specialiteiten_." (Delft, by Waltman.)
138. _Kendang_: omheining van ruw paalwerk.
139. Frits had allerlei vragen gedaan, zegt Droogstoppel. Van die vragen kwamen er in 't Hs. 'n paar voor, maar de heer V. Lennep heeft gemeend ze te moeten supprimeeren. Waarom? Toch niet omdat de Wawelaars verlegen zitten met het antwoord? 't Komiekste is dat V.L. zelf, hier hofmakende aan 't bekrompenst bygeloof, dikwyls met de bybelsche vertellingen den spot dreef. Hy hield van Voltaire meer dan ik, en was zeer in z'n schik als men hem zeide dat-i op dien oppervlakkigen denker geleek, wat in z'n laatste levensjaren werkelyk 't geval was. Dat hy, in-weerwil van deze geestesrichting, toch geen vryheid voelde Frits te laten vragen: "_vanwaar toch Noach z'n ysbeeren voor de Ark gehaald had?_" e.d. bewyst, dunkt me, de gegrondheid myner opmerking in de noot op blz. 357 (Noot 11, M.D.). Z'n orthodoxe vriendjes te Amsterdam mochten niet gekrenkt worden in hun keukenmeidengeloof. Gelukkig dat het aantal ongerymdheden in den bybel zoo groot is, dat niemand verlegen hoeft te staan om de hier gesupprimeerde "neuswyzigheden" van Frits met _beliebige_ uitbreiding aantevullen.
140. _Sluis_ in-plaats van _steenen brug_, is werkelyk 'n eigenaardigheid in 't amsterdamsch. Van dien aard hoort men er velen, daar zoowel als elders. De woorden, _gracht_ en _wal_, byv., worden dikwyls verwisseld. Men woont _op_ de gracht, en werpt iets _in_ den wal. Opmerkelyk is in de laatste spreekwys het onbewust terugkeeren tot de oorspronkelyke beteekenis van 't woord, daar wal een der zeer vele klanken is, waarmee men 't begrip: water aanduidde. (_wal_visch, nar_wal_, _wal_rus = walros: zeepaard.) Op analogische wys veranderde het woord _dyk_ van beteekenis, en misschien ook: _dam_. Zoo ook, maar in omgekeerde richting, de woorden _tuin_ en _gaarde_. Gedurende den loop der eeuwen verwisselde men telkens de benamingen van 't contenant en 't contenu. Dat nu, om weertekeeren tot Droogstoppel's amsterdamismus, 't woord _sluis_ oorspronkelyk niet uitsluitend de beteekenis had van _waterkeering_, ligt in de rede. Het is van den met zooveel nakroost gezegenden wortel _kl_ of _sl_, die eerst het begrip _roepen_, daarna dat van _sluiten_ en _heerschap_ uitdrukte. Zie hierover eenige opmerkingen in den Vn bundel _Ideen_, waar evenwel de stof op verre na niet uitgeput is. De vruchtbaarheid der Israelieten haalt niet by den rykdom aan kroost van de klanken _kl (sl)_ of _lk (ls)_. Ik meen ten-slotte dat het ware woord voor _sluis_ in den zin van waterkeering, is: _zyl_ of _ziel_, doch daarvan kon ik tot-nog-toe de etymologie niet opsporen.
(1881). _Zyl (zl)_ zal wel van denzelfden wortel stammen.
141. Ik geef hier by-een de verklaring van eenige maleische woorden, idiotismen en eigenaardigheden, die in de epizode van _Saïdjah_ voorkomen.
_Lombong_: bergplaats voor ryst en padie. Meestal is ze buiten 't huis tegen een der wanden aangebouwd.
_Kris_, 't _volksthümliche_ wapen van den Javaan, dat als zoodanig by z'n volslagen kleeding behoort, gelyk by ons in vroeger tyd de degen. Het is 'n slangvormige platte dolk, met zeer kleinen greep. Gewoonlyk zyn de krissen van reepen week yzer in-eengesmeed--damastwerk alzoo?--en daarna met behulp van buffelhoeven gestaald. Ze werden voor roest bewaard door 'n inwryving met _djerook_ ('n citroensoort) met _arsenicum_, dat aan 't yzer 'n eigenaardig doffe tint geeft. Het bygeloof beweert dat men, 'n kris willende bezien, die _geheel-en-al_ uit de schede moet halen. Wie 't slechts gedeeltelyk doet, stelt zich bloot aan groot ongeluk. Over betooverde krissen, e.d. zyn tallooze vertellingen in omloop.
_Poesaka_: erfstuk, hier--gelyk dikwyls--in pieuzen zin genomen.