Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 26

Chapter 263,470 wordsPublic domain

Ik ontving evenwel geen aanschryving om myn betrekking overtegeven, en gedeeltelyk uit besef van de verplichting myn post niet te verlaten zonder behoorlyk afgelost te zyn, gedeeltelyk uit oorzaken van ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van myn opvolger af, in de meening dat die ambtenaar spoedig--althans deze maand--zou arriveeren.

Thans verneem ik van u dat myn vervanger nog niet zoo spoedig kan verwacht worden--ge hebt, meen ik, die tyding te _Serang_ gehoord--en tevens dat het den resident verwonderde dat ik, in de zeer byzondere pozitie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het Bestuur aan u te mogen overdragen.

Niets kon my aangenamer zyn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan ik hier deed ... ik die voor deze wyze van dienen ben gestraft met berisping, met een ruïneuze en deshonorante overplaatsing ... met den last om de arme lieden te verraden die op myn loyauteit vertrouwden --met de keus alzoo tusschen oneer en broodsgebrek!--dat ik na dit alles met moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan myn plicht, en dat de eenvoudigste zaak _my_ zwaar viel, geplaatst als ik was tusschen myn geweten en de principes van 't Gouvernement waaraan ik trouw schuldig ben zoolang ik niet ontheven ben van myn ambt.

Deze moeielykheid openbaarde zich vooral by 't antwoord dat ik geven moest aan _klagers_.

Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rankune zyner hoofden! Eenmaal had ik--onvoorzichtig genoeg!--myn woord ten borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't Gouvernement.

De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met myn zucht voor recht en menschelykheid.

En men ging met klagen voort!

Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 Maart, dáár te zitten als vermeende toevlucht, als machtelooze beschermer.

Het was hartverscheurend de klachten aantehooren over mishandeling, uitzuiging, armoede, honger ... terwyl ikzelf nu met vrouw en kind honger en armoede te-gemoet ga.

En ook 't Gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme lieden niet zeggen: "gaat en lydt, want het Bestuur _wil_ dat gy gekneveld wordt!" Ik mocht myn onmacht niet erkennen, één als ze was met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van den Gouverneur-generaal.

Ziehier wat ik antwoordde:

"_Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik zal den Grooten-Heer spreken over uw ellende_. Hy _is rechtvaardig, en_ hy _zal u bystaan. Gaat voorloopig rustig naar huis ...verzet u niet ...verhuist nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop dat er recht zal geschieden!_"

Zóó meende ik, beschaamd over de schending myner toezegging van hulp, myn denkbeelden in overeenstemming te brengen met myn plicht omtrent het Bestuur _dat my nog deze maand betaalt_, en ik zou aldus tot de komst van myn opvolger zyn voortgegaan, indien niet een byzonder voorval my heden in de noodzakelykheid bracht aan die dubbelzinnige verhouding een eind te maken.

Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zy keerden naar hun woonstede terug. Onder-weg ontmoet hen hun dorpshoofd. Hy moet ze verboden hebben hun _kampong_ weder te verlaten, en nam ze--naar men my rapporteert--hun kleederen af, om hen te dwingen tehuis te blyven. Één hunner ontsnapt, vervoegt zich _weder_ by my en verklaart: _niet naar zyn dorp te durven terugkeeren_.

Wat ik nu _dien_ man moet antwoorden, weet ik niet!

Ik _kan_ hem niet beschermen ... ik _mag_ hem myn onmacht niet bekennen ... ik _wil_ 't aangeklaagd dorpshoofd niet vervolgen, daar zulks den schyn zou meebrengen alsof deze zaak _pour le besoin de ma cause_ door my was opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen ...

Ik belast u, onder nadere goedkeuring des Residents van _Bantam_, vanaf morgen-ochtend met het bestuur der afdeeling _Lebak_.

_De Adsistent-resident van Lebak_,

MAX HAVELAAR."

Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van _Rangkas-Betoeng_. Hy weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd by 't afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hy op de eerste wisselplaats eene talryke menigte vond, die weggeslopen was uit _Rangkas-Betoeng_ om hem daar te begroeten voor het laatst.

Te _Serang_ stapte de familie by den heer Slymering af, die haar met de gewone indische gastvryheid ontving.[182]

's Avends kwam er veel bezoek by den resident. Men zeide zoo beteekenisvol mogelyk, gekomen te zyn _om Havelaar te begroeten_, en Max ontving menig welsprekenden handdruk ...

Maar hy moest naar _Batavia_ om den Gouverneur-generaal te spreken ...

Dáár aangekomen, liet hy om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd omdat er een fytzweer was aan den voet van zyn Excellentie.

Havelaar wachtte tot die fytzweer genezen was. Toen liet hy andermaal verzoeken gehoord te worden.

Zyn Excellentie "_had het zoo druk dat zy zelfs aan den Direkteur-generaal van financien een audientie had moeten weigeren_" en kon dus ook Havelaar niet ontvangen.

Havelaar wachtte tot zyn Excellentie zou heengeworsteld zyn door die drukte. Intusschen voelde hy iets als nayver op de personen die aan zyn Excellentie waren toegevoegd in den arbeid. Want hy werkte gaarne snel en veel, en gewoonlyk smolten zulke "drukten" weg onder zyn hand. Hiervan echter was nu natuurlyk geen spraak. Havelaars arbeid was zwaarder dan arbeid: hy _wachtte_!

Hy wachtte. Eindelyk liet hy op-nieuw verzoeken om gehoord te worden. Men gaf hem ten-antwoord "_dat zyn Excellentie hem niet kon ontvangen, wyl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand vertrek_."

Max beval zich aan in de gunst van zyn Excellentie om één half uur gehoor, zoodra er een kleine ruimte wezen zou tusschen twee "drukten."

Eindelyk vernam hy dat zyn Excellentie den volgenden dag vertrekken zou! Dit was hem een donderslag. Nog altyd hield hy zich krampachtig vast aan 't geloof dat de aftredende Landvoogd eerlyk man, en ... bedrogen was.[183] Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om derechtvaardigheid zyner zaak te bewyzen, en dit vierendeel uurs scheen men hem niet te willen geven.

Ik vind onder Havelaars papieren de minuut van een brief dien hy aan den aftredenden Gouverneur-generaal schynt geschreven te hebben op den laatsten avend voor diens vertrek naar 't moederland. Op den rand staat met potlood aangeteekend: "_niet juist_" waaruit ik opmaak dat sommige zinsneden by 't afschryven veranderd zyn. Ik doe dit opmerken, om niet uit het gemis aan _letterlyke_ overeenstemming van _dit_ stuk, twyfel te doen geboren worden aan de echtheid der andere _officieele_ stukken die ik meedeelde, en die allen door een vreemde hand voor _eensluidend afschrift_ zyn geteekend. Misschien heeft de man aan wien deze brief gericht was, lust den _volkomen_-juisten tekst daarvan publiek te maken.[184] Men zou door vergelyking kunnen zien hoever Havelaar is afgeweken van zyn minuut. _Zakelyk_ korrekt was de inhoud aldus:

"_Batavia, 23 Mei 1856_.

Excellentie! Myn ambtshalve by missive van 28 Februari gedaan verzoek om aangaande de _Lebaksche_ zaken te worden gehoord, is zonder gevolg gebleven.

Evenzoo heeft Uwe Excellentie niet gelieven te voldoen aan myn herhaalde verzoeken om audientie.

Uwe Exellentie heeft dus een ambtenaar die _gunstig by het Gouvernement bekend stond_--dit zyn uwer Excellentie's eigen woorden!--iemand die zeventien jaren het Land in deze gewesten diende, iemand die niet alleen niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede beoogde en voor eer en plicht alles veil had ... zóó iemand heeft Uwe Excellentie gesteld beneden den misdadiger. Want dien _hoort_ men ten-minste.

Dat men Uwe Excellentie omtrent my misleid heeft, begryp ik. Maar dat Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding te ontgaan, begryp ik niet.

Morgen gaat uwe Excellentie van hier, en ik mag haar niet laten vertrekken zonder nog eenmaal gezegd te hebben _dat ik myn_ PLICHT _heb gedaan_, GEHEEL-EN-AL MYN PLICHT, _met beleid, met bezadigdheid, met menschlievendheid, met zachtheid en met moed_.

De gronden waarop gebazeerd is de afkeuring in Uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23 Maart, zyn _geheel-en-al verdicht_ en _logenachtig_.

Ik kan dit _bewyzen_, en dit ware reeds geschied, als Uwe Excellentie my één half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie één half uur tyd had kunnen vinden _om recht te doen_!

Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den bedelstaf gebracht ...

Hierover evenwel klaag ik niet.

Maar Uwe Excellentie heeft _gesanktioneerd_: HET STELSEL VAN MISBRUIK VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT, en dáárover klaag ik.

Dàt schreit ten hemel!

Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dùs ontvangen indisch traktement, Excellentie![185]

Nog éénmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid, die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.

Als uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by de overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige, bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten tenopzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking.[186]

MAX HAVELAAR."

Havelaar wachtte dien avend. Hy wachtte den gansche nacht.

Hy had gehoopt dat misschien verstoordheid over den toon van zyn brief bewerken zou, wat hy vergeefs getracht had te bereiken door zachtheid en geduld. Zyn hoop was ydel! De Gouverneur-generaal vertrok zonder Havelaar te hebben gehoord. Er was weder een Excellentie ter-ruste gegaan in 't moederland!

* * * * *

Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hy zocht ...

Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb u in 't leven geroepen ... ik liet u komen van Hamburg ... ik leerde u redelyk goed hollandsch schryven, in zeer korten tyd ... ik liet u Louise Rosemeyer kussen, die in suiker doet ... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!

* * * * *

Die Sjaalman en zyn vrouw ...

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary! Ik heb u geschapen ... ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen ... ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffi en verdwyn!

* * * * *

Ja, ik, Multatuli "die veel gedragen heb" neem de pen op. Ik vraag geen verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel.

Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats het aanzyn geven aan iets dat als heilige _poesaka_ zal kunnen bewaard worden door kleinen Max en zyn zusje, als hun ouders zullen zyn omgekomen van ellende.

Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van myne hand.

En in de tweede plaats:_ik wil gelezen worden_.

Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die verplicht zyn te letten op de teekenen des tyds.. door letterkundigen, die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zooveel kwaads spreekt ... door handelaren, die belang hebben by de koffiveilingen ... door kameniers, die me huren voor weinige centen ... door Gouverneurs-generaal in-ruste ... door Ministers in bezigheid[187] ... door de lakeien van die Excellentien ... door bidpredikers, die _more majorum_ zullen zeggen dat ik den Almachtigen God aantast, waar ik slechts opsta tegen 't godje dat zy maakten naar hun beeld ... door duizenden en tienduizenden van exemplaren uit het droogstoppelras, die--voortgaande hun zaakjes op de bekende wys te behartigen--'t hardst zullen meeschreeuwen over de mooijigheid van m'n geschryf[188] ... door de leden der Volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in 't groote Ryk over zee, dat behoort tot het Ryk van Nederland ...

Ja, ik _zal_ gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te doen om _goed_ te schryven ... ik wilde zóó schryven dat het gehoord werd. En, even als iemand die roept: "houdt den dief!" zich weinig bekommert over den styl zyner geïmprovizeerde toespraak aan 't publiek, is 't ook my geheel om 't even hoe men de wyze zal beoordeelen waarop ik _myn_ "houdt den dief" heb uitgeschreeuwd.

"Het boek is bont ... er is geen geleidelykheid in ... jacht op effekt ... de styl is slecht ... de schryver is onbedreven ... geen talent ... geen methode ...

Goed, goed, alles goed! Maar ... DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!

Want: _wederlegging der_ HOOFDSTREKKING _van myn werk is onmogelyk!_ [189]

Hoe luider overigens de afkeuring van myn boek, hoe liever 't my wezen zal, want des te grooter wordt de kans _gehoord_ te _worden_. En dit _wil_ ik!

Doch gy, die ik stoor in uw "drukten" of in uw "rust" gy Ministers en Gouverneurs-generaal, rekent niet te zeer op de onbedrevenheid myner pen. Ze zou zich kunnen oefenen, en met eenige inspanning misschien geraken tot een bekwaamheid die ten-laatste zelfs de waarheid zou doen gelooven door 't Volk! Dan zou ik aan dat Volk een plaats vragen in de Vertegenwoordiging[190] al ware 't alleen om te protesteeren tegen certifikaten van rechtschapenheid, die door Indische specialiteiten _vice versa_ worden uitgereikt[191] misschien om op 't vreemd denkbeeld te brengen dat men zelf waarde hecht aan die hoedanigheid ...

Om te protesteeren tegen de eindelooze expeditien en heldendaden tegen arme ellendige schepsels, die men vooraf door mishandeling dwong tot opstand.

Om te protesteeren tegen de schandelyke lafhartigheid van cirkulaires die de eer der Natie schandvlekken door 't inroepen van _publieke liefdadigheid_ voor de slachtoffers van _kronischen zeeroof_.[192]

't Is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die zeeroovers zyn weerbare mannen!

En als men my die plaats weigerde ... als men my by voortduring _niet_ geloofde ...

Dan zou ik myn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de vele talen die ik leeren kan, om te vragen aan Europa, wat ik vruchteloos zou hebben gezocht in Nederland.

En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen als dit: _er ligt een roofstaat aan de zee, tusschen Oostfriesland en de Schelde!_

En wanneer ook dit niet baatte?

Dan zou ik myn boek vertalen in 't _maleisch, javaansch, soendasch, al-foersch, boegineesch, battaksch_ ...

En ik zou _klewang_-wettende krygszangen slingeren in de gemoederen van de arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.

Redding en hulp, op wettelyken weg, waar het _kan_ ... op _wettigen_ weg van geweld, waar het _moet_.

En _dit zou zeer nadeelig werken op de_ Koffiveilingen van de Nederlandsche Handelmaatschappy![193]

Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige droomer, zooals de getrapte Havelaar die zyn plicht deed met den moed van een leeuw, en honger lydt met het geduld van een marmot in den winter.

Dit boek is een inleiding ...

Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het noodig zal wezen ...

God geve dat het niet noodig zy!

Neen, 't zal niet noodig zyn! Want aan _U_ draag ik myn boek op, Willem den derden, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins, Groothertog en Koning ... KEIZER van 't prachtig ryk van INSULINDE dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd ...

Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't uw keizerlyke wil is:

Dat Havelaar wordt bespat met den modder van _Slymeringen_ en _Droogstoppels_?

En dat daarginds Uw meer dan _dertig millioenen_ onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN _UWEN_ NAAM?[194]

* * * * *

AANTEEKENINGEN EN OPHELDERINGEN

by de

UITGAAF VAN 1875

(Herzien, gewyzigd en aangevuld in 1881)

* * * * *

De vertraging in 't verschynen van dezen druk is aan my te wyten, en waarlyk niet aan myn zeer voortvarenden uitgever. Het blyft evenwel twyfelachtig of 't woord: _wyten_ goed gekozen is? Recht tot verwyt immers veronderstelt _schuld_, en ik vraag of dit van toepassing wezen kan op myn byna onverwinnelyken tegenzin om, bladzy voor bladzy, woord voor woord, letter voor letter, op-nieuw het treurig drama te doorleven, dat aan dit boek het aanzyn gaf? Dit _boek_! Iets anders immers ziet de lezer er niet in. _My_ evenwel zyn deze bladen 'n hoofdstuk uit m'n leven ... my was de korrektie 'n marteling, één marteling! Telkens ontviel de pen m'n hand, telkens schemerde my 't oog by 't herlezen der --nog altyd onvolmaakte en verzachte!--schets van wat er uit meer dan vyf-en-twintig jaar geleden voorviel in 't vroeger onbekende plekje gronds dat _Lebak_ heet. En dieper nog was de indruk van treurigheid by 't bedenken van wat er uit sedert ruim twintig jaren op de uitgaaf van 't _boek Havelaar_ gevolgd is. Gedurig wierp ik de proefbladen terzyde, en trachtte het oog myner ziel te richten op minder tragische voorwerpen dan die welke Havelaars tot-nog-toe onbekroond streven my voor den geest roept. Weken en soms maanden lang--myn uitgever kan 't getuigen!--had ik den moed niet, de my gezonden proefvellen intezien. By vallen en staan ben ik nu de korrektie doorgeworsteld, een korrektie die me meer kost dan 't schryven zelf. In den winter van 1859 immers, toen ik, gedeeltelyk in een kamertje zonder vuur, gedeeltelyk aan een waggelend en smerig herbergtafeltje te Brussel, omringd van goedmoedige maar tamelyk onaesthetische faro drinkers, m'n _Havelaar_ schreef, meende ik iets te zullen _bewerken_, iets _uitterichten_, iets _tot stand te brengen_. De hoop gaf me moed, de hoop maakte my hier-en-daar welsprekend. Nog herinner ik my den indruk die me bezielde toen ik aan háár schreef: _m'n boek is af, m'n boek is af! Nu zal alles weldra goed gaan!_ Vier lange, vier moeielyke jaren had ik doorgeworsteld--en vruchteloos verloren, helaas!--in pogingen om zonder publiciteit, zonder opzien, zonder schandaal vooral, iets te bewerken dat tot verbetering zou kunnen leiden van den toestand waaronder de Javaan gebukt gaat. De ellendige Van Twist die, voor 't minst zoo er eenig besef van eer en plicht in hem huisde, m'n natuurlyke bondgenoot had moeten zyn, was niet te bewegen geweest 'n hand uittesteken. De brief dien ik tot hem richtte, is ontelbare malen gepubliceerd, en bevat nagenoeg alles wat in de Havelaarszaak de hoofdmomenten uitmaakt. De man heeft nooit geantwoord, nooit blyk gegeven van welwillendheid om zooveel mogelyk te herstellen wat door zyn schuld bedorven is. Door die gewetenlooze lauwheid ten-laatste _gedwongen_ tot publiciteit, tot het kiezen van een anderen weg dan ik tot dien tyd toe betrad, wees verontwaardiging my eindelyk de middelen aan om te bereiken wat onbereikbaar scheen: _een oogenblik gehoor_. Wat de luie Van Twist niet wilde toestaan, wist ik aftepersen van de Natie: de _Havelaar_ werd _gelezen_, men ... _hoorde_ my. Helaas, hooren en verhooren is twee! Dat boek was "mooi" verzekerde men, en als de schryver eens weer zoo'n vertellinkje had ...

Zeker, men had zich by de lektuur "geamuzeerd" en dacht er niet aan--of ontveinsde te begrypen--dat niet _ik_ op middelbaren leeftyd m'n loopbaan, die schitterend beloofde te worden, opgaf tot vermaak. Dat niet _ik_ amuzement beoogd had in 't trotseeren van den gifdood voor my, voor myn trouwe dappere vrouw, en voor ons lief kind. De _Havelaar_ was zoo'n onderhoudend boek, durfde men my zeggen, en onder zulke lofredenaars waren er die gillen zouden van angst by 't minste dagelyksch gevaartje, ik zeg niet voor gezondheid en leven, maar voor 'n gering deel van hun welstand. De meeste lezers schenen te meenen dat ik my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun 'n prettig lektuurtje te verschaffen.

Deze dwaling ... doch genoeg hiervan. Zéker is 't, dat ik van zoo'n naïf-wreede _Jokrissiade_ geen voorgevoel had toen ik zoo verheugd uitriep _m'n boek is af, m'n boek is af!_ De overtuiging dat ik _waarheid_ zeide, dat ik _gedaan_ had wat ik bezig was te _schryven_, en het voorbyzien hoe 't lezend en luisterend Publiek zoo gewoon is geraakt aan _cant_, aan zinledige praatjes, aan byna doorgaande tegenstelling van zeggen en doen ... dit alles vervulde my in 1859 met zooveel hoop als inderdaad _noodig_ was om 't pynlyk schryven van den _Havelaar_ mogelyk te maken. Maar _thans_, nu me twintig jaar later al te voldoende gebleken is dat de Natie party trekt vóór de Van Twisten en konsorten--d.i. voor schelmery, roof en moord--tegen my, d.i. tegen Recht, Menschlievendheid en wèlbegrepen Staatkunde, nu viel my 't behandelen dezer bladen oneindig zwaarder nog dan in 1859, al zy 't dan dat ook toen reeds de pynlyke bitterheid herhaaldelyk dreigde de overhand te nemen. Hier-en-daar komt ze--op bladz. 131, byv. (zie de alinea die begint met: "Maar weet ge dan niet", M.D.)--hoe gaarne ook teruggehouden, voor den dag. Wie overigens begeert m'n stemming te kennen by de oprakeling der herinneringen die 't gebeurde te _Lebak_ en wat daarop gevolgd is, in my opwekt, wordt verwezen naar m'n eerste brochure over _Vryen-arbeid_.(*)

(*) Uitgaaf van 1873, blz. 97, vlgg. waar tevens de oorzaak wordt verklaard die, nà den _Havelaar_, me dwong tot het betreden van breeder terrein dan de zaken in India.

En ... by al 't verdriet over de aanhoudende mislukking van m'n pogingen, de smart over 't verlies van háár die aan m'n zyde zoo heldhaftig den stryd tegen de wereld opnam, en niet dáár wezen zal wanneer eindelyk het uur van triumf geslagen is!

Het uur van triumf, lezer. Want, het moge u bevreemden of niet, overwinnen zàl ik! Ten-spyt van 't gekunstel en geknoei der Staatsmannetjes aan wien Nederland z'n hoogste belangen toevertrouwt. Ten-spyt onzer zotte Grondwet die premien uitlooft op middelmatigheid of erger, een instelling die alles weert wat de _nu_ alom erkende verrotting in ons Staatswezen zou kunnen genezen. Ten-spyt van de velen die _belang_ hebben by Onrecht. Ten-spyt van laaghartige afgunst op m'n "schryftalent" ... heet het zoo niet? Ik ben geen schryver, heeren boekenmakers die volstrekt in my een kollega en konkurrent wilt zien, gelooft me toch! Ten-spyt van plompen laster die niets te grof en te ongerymd acht om m'n stem te smoren en m'n invloed te breken. Ten-spyt eindelyk van de jammerlyke flauwhartigheid der Natie die dat alles by voortduring blyft gedoogen ... overwinnen zàl ik!