Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 25

Chapter 253,707 wordsPublic domain

Wat Verbrugge by 't aanhooren daarvan leed, is moeielyk te beschryven. Hy was een eerlyk man, en zou zeker niet gelogen hebben als Havelaar zich op hem had beroepen om de waarheid van den inhoud der brieven te staven. Maar ook zonder deze eerlykheid, hy had in veel schriftelyke rapporten niet altyd kùnnen vermyden de waarheid te zeggen, ook waar die soms gevaarlyk was. Hoe zou 't zyn, als Havelaar daarvan gebruik maakte?

Na 't voorlezen van de brieven betuigde de resident dat het hem aangenaam wezen zou indien Havelaar die stukken terugnam, om ze te kunnen beschouwen als niet geschreven, hetgeen deze met beleefde vastheid weigerde. Na vergeefs te hebben getracht hem hiertoe te bewegen, zei de resident dat hem niets overbleef dan een onderzoek intestellen naar de gegrondheid van de gedane klachten, en dat hy dus Havelaar verzoeken moest de getuigen te doen oproepen die zyn beschuldigingen konden staven.

Arme lieden die u gewond hadt aan de doornstruiken in den ravyn, hoe angstig zouden uw harten geklopt hebben als ge dezen eisch hadt kunnen hooren!

Arme Verbrugge! Gy, eerste getuige, hoofdgetuige, getuige _ex officio_, getuige uit kracht van ambt en eed! Getuige, die reeds getuigd hàdt op schrift! Op schrift dat dáár lag, op de tafel, onder Havelaars hand ...

Havelaar antwoordde:

"Resident, _ik_ ben adsistent-resident van _Lebak_, _ik_ heb beloofd de bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenary, _ik_ klaag den Regent aan, en zyn schoonzoon van _Parang-Koedjang_, _ik_ zal de gegrondheid myner aanklacht bewyzen zoodra me daartoe de gelegenheid wordt gegeven die ik voorstelde in myn brieven, _ik_ ben schuldig aan laster, als myn aanklacht valsch is!"

Hoe ruim Verbrugge ademde!

En hoe vreemd de resident Havelaars woorden vond!

Het onderhoud duurde lang. Met beleefdheid--want beleefd en welopgevoed wàs de heer Slymering--trachtte hy Havelaar te bewegen van zoo verkeerde grondbeginselen aftezien. Maar met even groote beleefdheid bleef deze onverzettelyk. Het slot was dat de resident moest toegeven, en als bedreiging zei, wat voor Havelaar een zegepraal was: _dat hy zich dan genoodzaakt vond de bedoelde brieven te brengen onder de aandacht van de Regeering_.

De zitting werd opgeheven. De resident bezocht den _Adhipatti_--we zagen reeds wat hy daar te verrichten had!--en gebruikte daarna 't middagmaal aan den schralen disch der Havelaars. Terstond daarop keerde hy terug naar _Serang_, met grooten spoed: Omdat. Hy. Het. Zoo. By-zonder. Druk. Had.

Den volgenden dag ontving Havelaar een brief van den resident van _Bantam_, welks inhoud blykt uit het antwoord dat ik hier afschryf:

"N° 93. _Geheim. Rangkas-Betoeng, 28 Februari 1856_.

Ik heb de eer gehad te ontvangen uwe spoedmissive van 26 dezer LaO, _geheim_, houdende hoofdzakelyk mededeeling:

_dat gy gronden hadt, niet te treden in de voorstellen, gedaan by myne ambtsbrieven van 24 en 25 dezer, Nrs 88 en 91_;

_dat gy vooraf vertrouwelyke mededeeling hadt gewenscht_;

_dat gy niet goedkeurt myne verrichtingen in die beide brieven omschreven_;

_en ten-slotte van eenige bevelen_.

Ik heb thans de eer, gelyk trouwens reeds in de konferentie van eergister mondeling geschiedde, nogmaals en ten-overvloede te verzekeren:

_dat ik volkomen eerbiedig de wettigheid van uw gezag, waar het geldt de keuze, al of niet te treden in myn voorstellen_;

_dat de ontvangen bevelen met stiptheid en des-noods met zelfverloochening, zullen worden nagekomen, als waart gy tegenwoordig, by al wat ik doe en zeg, of juister: by al wat ik niet doe en niet zeg_.

Ik weet dat gy op myn loyaliteit ten deze vertrouwt.[172]

Doch ik neem de vryheid ten plechtigste te protesteeren tegen den minsten zweem van afkeuring omtrent éénige handeling, éénig woord, éénige zinsnede, door my in deze zaak verricht, gesproken of geschreven.

Ik heb de overtuiging myn _plicht_ te hebben gedaan, in doel en in wyze van uitvoering, _geheel myn plicht, niets dan myn plicht_ zonder de minste afwyking.

Lang, had ik nagedacht voor ik handelde--dat is: voor ik _onderzocht, rapporteerde_ en _voorstelde_--en als ik in iets het minste zou gefaald hebben ... uit overyling faalde ik niet.

In gelyke omstandigheden zou ik op-nieuw--iets sneller echter --geheel, letterlyk geheel hetzelfde doen en nalaten.

Al ware het zelfs dat een hooger macht dan de uwe iets afkeurde in wat ik deed--behoudens misschien het eigenaardige van myn styl die een deel uitmaakt van myzelf, een gebrek waarover ik zoomin verantwoordelyk ben als een stamelaar voor het zyne--al ware het dat ... doch neen, dit kàn niet zyn, maar al ware het zoo: ik _heb myn_ plicht _gedaan!_

Wel doet het my--zonder bevreemding evenwel--leed, dat gy hierover anders oordeelt--en wat myn persoon aangaat, zou ik terstond berusten in wat my een miskenning toeschynt--doch er is een _principe_ in 't spel, en ik heb gewetensredenen die eischen dat uitgemaakt worde welke meening juist is, die van _U_ of de _myne_.

Anders dienen dan ik te _Lebak_ diende, kan ik niet. Wenscht dus het Gouvernement anders te worden gediend, dan moet ik als eerlyk man eerbiedig verzoeken my te ontslaan. Dan moet ik op zes-en-dertigjarigen leeftyd trachten op-nieuw een loopbaan aantevangen. Dan moet ik, na zeventien jaren, na zeventien _zware moeielyke_ dienstjaren, na myn beste levenskrachten te hebben ten-offer gebracht aan wat ik voor plicht hield, op-nieuw aan de Maatschappy vragen of ze my brood wil geven voor vrouw en kind, brood in ruil voor myn denkbeelden, brood wellicht in ruil voor arbeid met kruiwagen of spade, als de kracht van myn arm meer waard wordt gekeurd dan de kracht myner ziel.

Maar ik kan en wil niet gelooven dat uwe meening door zyne Excellentie den Gouverneur-generaal gedeeld wordt, en ik ben dus verplicht, vóór ik overga tot het bitter uiterste dat ik neerschreef in de vorige alinea, u eerbiedig te verzoeken aan het Gouvernement voortestellen:

_den resident van_ Bantam _aanteschryven, alsnog goedtekeuren de handelingen van den adsistent-resident van_ Lebak, _betrekking hebbende op diens missieves van_ 24 en 25 dezer, Nis 88 en 91.

Of wel:

_genoemden adsistent-resident te roepen ter verantwoording op de door den resident van_ Bantam _te formuleeren punten van afkeuring_.

Ik heb de eer u ten-slotte de dankbare verzekering te geven, dat wanneer _iets_ me kon terugbrengen van myn lang doordachte, en bedaard maar vurig aangekleefde principes ten dezen ... waarlyk, het zou geweest zyn de heusche innemende wyze waarop gy in de konferentie van eergister die principes hebt bestreden.

_De Adsistent-resident van Lebak_,

MAX HAVELAAR."

* * * * *

Zonder uitspraak te doen omtrent de gegrondheid van het vermoeden der Weduwe Slotering, betreffende de oorzaak die haar kinderen tot weezen maakte, en alleen aannemende wat bewysbaar is, dat er in _Lebak_ nauw verband was tusschen plichtsbetrachting en gif--al bestond dan ook dit verband slechts in meening[173]--zal toch ieder inzien dat Max en Tine kommervolle dagen hadden doortebrengen na 't bezoek van den resident. Ik geloof niet noodig te hebben den angst te schetsen van een moeder die by 't reiken van spys aan haar kind, zich gedurig de vraag moet voorleggen of ze misschien haar lieveling vermoordt? En wèl was het een "afgebeden kind" de kleine Max, die zeven jaar was uitgebleven na 't huwelyk, als wist de schalk dat het geen voordeel was ter-wereld te komen als zoon van zulke ouders!

Negen-en-twintig lange dagen had Havelaar te wachten voor de Gouverneur-generaal hem meedeelde ... doch we zyn nog zoover niet.

Kort na de vergeefsche pogingen om Havelaar te bewegen tot de intrekking zyner brieven, of tot het verraden van de arme lieden die op zyn grootmoedigheid vertrouwd hadden, trad eens Verbrugge by hem binnen. De brave man was doodsbleek, en had moeite te spreken.

--Ik ben by den Regent geweest, zeide hy ... dàt is infaam ... maar verraad me niet.

--Wat? Wàt moet ik niet verraden?

--Geeft ge my uw woord geen gebruik te maken van wat ik u zeggen zal?

--Weer halfheid, zei Havelaar. Doch ... goed! Ik geef myn woord.

En toen verhaalde Verbrugge, wat den lezer reeds bekend is, dat de resident aan den _Adhipatti_ had gevraagd of hy iets wist intebrengen tegen den adsistent-resident, en hem tevens geheel onverwachts geld had aangeboden en gegeven. Verbrugge wist het van den regent zelf, die hem vroeg welke redenen den resident hiertoe konden geleid hebben? Havelaar was verontwaardigd, maar ... hy had zyn woord gegeven.

Den volgenden dag kwam Verbrugge terug, en zei dat Duclari hem onder 't oog had gebracht hoe onedel het was, Havelaar, die met _zulke_ tegenstanders te stryden had, zoo geheel alleen te laten, waarop Verbrugge dezen kwam ontheffen van zyn gegeven woord.

--Goed! riep Havelaar, schryf het op!

Verbrugge schreef het op. Ook die verklaring ligt voor my.[174]

De lezer heeft immers reeds lang ingezien waarom ik zoo gemakkelyk afstand kon doen van alle aanspraken op _juridieke_ echtheid der geschiedenis van _Saïdjah_?

Het was zeer treffend optemerken hoe de beschroomde Verbrugge--vóór de verwyten van Duclari--op Havelaars woord durfde bouwen in een zaak die zoo noopte tot woordbreuk!

En nog iets. Er zyn sedert de gebeurtenissen die ik verhaal, jaren verloopen. Havelaar heeft in dien tyd veel geleden, hy heeft zyn gezin zien lyden--de geschriften die voor my liggen, getuigen daarvan!--en 't schynt dat hy gewacht heeft ... ik geef de volgende aanteekening van zyn hand:

"_Ik heb in de nieuwsbladen gelezen dat de heer_ Slymering _benoemd is tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Hy schynt thans resident van_ Djokjakarta _te wezen. Ik zou dus nu op de_ Lebaksche _zaken kunnen terugkomen zonder gevaar voor_ Verbrugge."

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

't Was avend. Tine zat te lezen in de binnengalery, en Havelaar teekende een borduurpatroon. Kleine Max tooverde een legprent in elkaar, en maakte zich driftig omdat hy niet vinden kon: "het rooie lyf van die mevrouw."

--Zou 't nu zóó goed wezen, Tine? vroeg Havelaar. Kyk, ik heb dien palm wat grooter gemaakt ... 't is nu juist _the line of beauty_ van Hogarth, niet waar?

--Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.

--Zoo? En die anderen strooken dan? Max, laat me je broekjen eens zien! Ei, heb je _die_ strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd hebt, Tine!

--Ik niet. Waar dan?

--'t Was in den Haag, toen Max ziek was en we zoo geschrokken waren omdat de dokter zei dat hy een zoo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er zooveel zorg vereischt werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen, juist in die dagen was je bezig aan die strook.

Tine stond op, en kuste den kleine.

--Ik hèb haar buik, ik hèb haar buik! riep 't kind vroolyk, en de rooie mevrouw was kompleet.

--Wie hoort daar een _tontong_ slaan? vroeg de moeder.[175]

--Ik, zei kleine Max.

--En wat beduidt dat?

--Bedtyd! Maar ... ik heb nog niet gegeten.

--Eerst kryg je eten, dat spreekt vanzelf.

En ze stond op, en gaf hem zyn eenvoudig maal dat ze uit een goed gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het knippen van vele sloten gehoord.

--Wat geef je 'm daar? vroeg Havelaar.

--O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de suiker is altyd achter slot geweest.

Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren afgebroken.

--Weet je wel, ging hy voort, dat wy de rekening van dien dokter nog niet betaald hebben ... o, dat is zeer hard?

--Lieve Max, we leven hier zoo spaarzaam, weldra zullen wy alles kunnen afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles geregeld in weinig tyds.

--Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt, zei Havelaar. Ik zou zoo heel ongaarne _Lebak_ verlaten ... dit zal ik je uitleggen. Geloof je niet dat we nog meer van onzen Max hielden na zyn ziekte? Nu, zóó ook zal ik dat arme _Lebak_ liefhebben na de genezing van den kanker waaraan 't lydt sedert zooveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan den anderen kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...

--Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je later _Lebak_ helpen als je Gouverneur-generaal bent.

Daar kwamen woeste strepen in Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar ...

Tine begreep dat ze iets miszegd had.

--Lieve Max ... begon ze vriendelyk.

--Vervloekt! Wil je die stumperts zóó lang laten hongeren? Kan jy leven van _zand_?

--Lieve Max!

Maar hy sprong op. Er werd niet meer geteekend, dien avend. Hy ging toornig op-en-neer in de binnengalery, en eindelyk sprak hy op een toon die ruw en hard zou geklonken hebben aan iederen vreemde, doch door Tine heel anders werd opgevat:

--Vervloekt die lauwheid, die schandelyke lauwheid! Daar zit ik nu sedert een maand te wachten op recht, en intusschen wordt er vreeselyk geleden door dat arme volk. De Regent schynt er op te rekenen dat niemand hem aandurft! Zie ...

Hy ging in zyn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een brief die voor me ligt, lezer!

--Zie, in dezen brief durft hy me voorstellen doen over de _soort_ van arbeid dien hy wil laten verrichten door de menschen die hy onwettig heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vèr gedreven?[176] En weet je wie dat zyn? Dat zyn vrouwen met kleine kinderen, met zuigelingen, zwangere vrouwen die van _Parang-Koedjang_ zyn gedreven naar de hoofdplaats om voor hèm te werken! Mannen zyn er niet meer! En ze hebben niets te eten, en ze slapen op den weg, en eten zand! Kan _jy_ zand eten? Moeten ze zand eten tot ik Gouverneur-generaal ben? Vervloekt!

Tine wist zeer goed op wien Max eigenlyk boos was, als hy zoo sprak tot haar die hy zoo liefhad.

--En, ging Havelaar voort, dat loopt alles ter _myner_ verantwoording! Als er op dit oogenblik van die arme wezens ronddwalen daar buiten ... als zy 't schynsel zien van onze lampen, zullen zy zeggen: "daar woont de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hy rustig by vrouw en kind, en teekent borduurpatroontjes, en wy liggen hier als boschhonden op den weg verhongeren met onze kinderen!" Ja, ik hoor het wel, ik hoor het wel, dat roepen om wraak over myn hoofd! Hier, Max, hier!

En hy kuste zyn kind met een wildheid die 't verschrikte.

--Myn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen moed had om recht te doen ... dat er zooveel moeders zyn gestorven door myn schuld ... als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader den zegen wegstal van je hoofd ... o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!

En hy berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zy bracht daarop kleinen Max naar zyn bedjen--een stroomat--en toen ze terugkwam, vond ze Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoo-even waren binnen getreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de Regeering.

--Ik begryp zeer goed dat de resident in een moeielyken toestand is, zei Duclari. Hy kan 't Gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw voorstellen, want dan zou er _te veel_ aan den dag komen. Ik ben reeds lang in 't _Bantamsche_, en weet er veel van, meer nog dan uzelf, m'nheer Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan komt men zaken te weten die de inlander zoo niet durft zeggen aan de ambtenaren. Maar als nu na een openlyk onderzoek dat alles aan den dag komt, zal de Gouverneur-generaal den resident ter verantwoording roepen, en hem afvragen hoe 't komt dat hy in twee jaren niet ontdekt heeft, wat u terstond in 't oog is gevallen? Hy moet dus natuurlyk trachten zoodanig onderzoek te verkomen ...

--Ik heb dit ingezien, antwoordde Havelaar, en, wakker gemaakt door zyn poging om den _Adhipatti_ te bewegen iets tegen my intebrengen--hetgeen schynt aantetoonen dat _hy_ beproeven wil de kwestie te verleggen, door by-voorbeeld _my_ te beschuldigen van ... ik weet niet wat--heb _ik_ me hiertegen gedekt door afschriften van myn brieven rechtstreeks aan de Regeering te zenden. In een daarvan komt het verzoek voor, ter verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht worden voorgegeven dat _ik_ iets misdaan had. Als nu de resident _my_ aantast, kan daarop in gewone billykheid geen beslissing worden genomen zonder dat men _my_ vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger schuldig, en daar _ik_ niets misdaan heb ...

Daar komt de post aan! riep Verbrugge.

Ja, 't was de post! De post, die den volgenden brief meebracht van den Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie aan den _gewezen_ adsistent- resident van _Lebak_, Havelaar.

"_Kabinet_. N° 54. _Buitenzorg, 23 Maart 1856_.

De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of vooronderstelling van kwade praktijken van de Hoofden in de afdeeling _Lebak_, en de houding daarbij door u tegenover uwen Chef, den Resident van _Bantam_, aangenomen, hebben in hooge mate mijne ontevredenheid verwekt.

In uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg, beleid en voorzichtigheid, zoo zeer vereischt in eenen ambtenaar met uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (_sic_) als begrippen van ondergeschiktheid aan uwen onmiddelijken superieur.

Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (_sic_) den Resident, het hoofd van het Inlandsch Bestuur te _Lebak_ te maken tot het doelwit van bezwarende onderzoekingen.

In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uwe beschuldigingen tegen dat Hoofd door feiten, veel minder bewijzen te staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een Inlandsch Ambtenaar van de stempel van den Regent van _Lebak_, een zestigjarigen doch nog ijverigen Landsdienaar, aan naburige aanzienlijke Regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wien steeds gunstige getuigenissen waren uitgebracht, aan eene hem moreel geheel vernietigende bejegening te onderwerpen.

Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw voorstellen gereedelijk gevolg te geven geweigerd aan het billijk verlangen van uwen Chef te voldoen om volle opening te geven van hetgeen u omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur te _Lebak_, bekend was.

Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk gelooven aan _ongeschiktheid_ voor het bekleeden eene betrekking bij het Binnenlandsch Bestuur.

Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der betrekking van Adsistent-resident van _Lebak_ te ontheffen.

Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u het uitzicht op eene wederplaatsing bij het Binnenlandsch Bestuur te benemen. Ik heb u daarom voorloopig belast met de waarneming der betrekking van Adsistent-resident van _Ngawi_.

Van uwe verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen of gij bij het Binnenlandsch Bestuur zult kunnen geplaatst blijven."

En daaronder stond de naam van den man, op wiens "_yver, bekwaamheid_ en _goede trouw_" de Koning zeide te kunnen staat-maken, toen hy diens benoeming tot Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie onderteekende. [177]

--We gaan van hier, beste Tine, zei Havelaar gelaten, en hy reikte den kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las tezamen met Duclari.

Verbrugge had tranen in de oogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer beschaafd mensch, berstte in een wilden vloek uit:

--G.......... ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien ... ze zyn in eere van hier gegaan, en men schryft aan _U_ zulk een brief!

--'t Is niets, zei Havelaar, de Gouverneur-generaal is een eerlyk man: hy moet bedrogen zyn ... hoewel hy zich tegen dat bedrog had kunnen hoeden door my eerst te hooren. Hy is verstrikt in 't web van de buitenzorgsche ambtenary. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem aantoonen hoe hier de zaken staan. Hy zal recht doen, ik ben er zeker van!

--Maar, als ge naar _Ngawi_ gaat ...

--Juist, ik weet dit! Te _Ngawi_ is de Regent verwant aan het Djokjasche hof. Ik ken _Ngawi_, want ik was twee jaar lang in de _Baglen_, dat in de buurt is.[178] Ik zou te _Ngawi_ hetzelfde moeten doen wat ik hier gedaan heb: dat zou nutteloos heen-en-weer reizen zyn. Bovendien, 't is my onmogelyk dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had! En eindelyk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei, geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tusschen de Regeering en my te veel personen die belang hebben by 't loochenen der ellende van de bevolking. Er zyn nog meer redenen die my beletten naar _Ngawi_ te gaan. Die plaats was niet vakant ... ze is voor my open gemaakt, kyk!

En hij toonde in de _Javasche Courant_ die met dezelfde post was aangekomen, dat inderdaad by 'tzelfde besluit der Regeering waarby hem het Bestuur van _Ngawi_ werd opgedragen, de adsistent-resident van die provincie verplaatst werd naar een andere afdeeling die vakant was.

--Weet ge waarom ik juist naar _Ngawi_ moet, en niet naar die vakante afdeeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van _Madiven_, waaronder _Ngawi_ behoort, is de _schoonbroeder van den vorigen resident van Bantam_. Ik heb gezegd dat de Regent vroeger zulke slechte voorbeelden had gehad ...

--Ah, riepen Verbrugge en Duclari tegelyk. Ze begrepen waarom Havelaar juist naar _Ngawi_ verplaatst werd om op de proef te dienen, of hy zich misschien beteren zou!

--En om nòg een reden kan ik niet daarheen gaan, zeide hy. De tegenwoordige Gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... zyn opvolger ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt.[179] Om dus nog tydig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik den tegenwoordigen Gouverneur spreken voor zyn vertrek, en als ik nu naar _Ngawi_ ging, zou dat onmogelyk wezen. Tine, hoor eens!

--Lieve Max?

--Je hebt moed, niet waar?

--Max, je weet dat ik moed heb ... als ik by je ben!

--Welnu!

Hy stond op, en schreef 't volgend rekwest, naar myn inzien een voorbeeld van welsprekendheid.

"_Rangkas-Betoeng, 29 Maart 1856_.

_Aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indie_.

Ik had de eer te ontvangen uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23 dezer, N° 54.

Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te verzoeken my te verleenen een eervol ontslag uit 's Lands dienst.[180]

MAX HAVELAAR."

Er was te _Buitenzorg_ tot het verleenen van 't gevraagd ontslag niet zoo langen tyd noodig als er scheen vereischt geweest te zyn voor de beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een maand gevorderd, en 't gevraagd ontslag kwam binnen weinig dagen te _Lebak_ aan.

--Goddank, riep Tine, dat je eindelyk jezelf kunt zyn!

Havelaar ontving geen last om 't Bestuur zyner Afdeeling voorloopig overtegeven aan Verbrugge, en meende dus zyn opvolger te moeten afwachten. Deze bleef lang uit omdat hy uit een geheel anderen hoek van Java komen moest. Na byna drie weken wachtens schreef de gewezen adsistent-resident van _Lebak_, die echter nog altyd als zoodanig was opgetreden, den volgenden brief aan den kontroleur Verbrugge:

"N° 153 _Rangkas-Betoeng, 15 April 1856_.

_Aan den Kontroleur van Lebak_.[181]

Het is u bewust dat ik by Gouvernements Besluit van den 4den dezer, N° 4, op myn verzoek eervol ben ontslagen uit 's Lands dienst.

Misschien ware ik in myn recht geweest, na de ontvangst van die beschikking myn betrekking van adsistent-resident terstond neerteleggen, daar het een anomalie schynt een funktie te vervullen zonder ambtenaar te wezen.