Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 23

Chapter 233,201 wordsPublic domain

Op zekeren dag dat de opstandelingen op-nieuw waren geslagen, doolde hy rond in een dorp dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en dus in brand stond.[146] _Saïdjah_ wist dat de bende die daar vernietigd was geworden, grootendeels uit Bantammers had bestaan. Als een spook waarde hy rond in de huizen die nog niet geheel verbrand waren, en vond het lyk van _Adinda_'s vader met een _klewang_-bajonetwonde in de borst. Naast hem zag _Saïdjah_ de drie vermoorde broeders van _Adinda_, jongelingen, byna kinderen nog, en een weinig verder lag het lyk van _Adinda_, naakt, afschuwelyk mishandeld ...

Er was een smal strookje blauw lynwaad gedrongen in de gapende borstwond die een eind scheen gemaakt te hebben aan lange worsteling ...

Toen liep _Saïdjah_ eenige soldaten te-gemoet, die met geveld geweer de laatstlevende opstandelingen in 't vuur dreven van de brandende huizen. Hy omvademde de breede zwaardbajonetten, drukte zich voorwaarts met kracht, en drong nog de soldaten terug met een laatste inspanning toen de gevesten stuitten tegen zyn borst.

En weinig tyds later was er te _Batavia_ groot gejubel over de nieuwe overwinning die weer zooveel lauweren had gevoegd by de lauweren van 't nederlandsch-indisch leger. En de Landvoogd schreef naar 't Moederland dat de rust in de _Lampongs_ hersteld was. En de Koning van Nederland, voorgelicht door zyn Staatsdienaren, beloonde wederom zooveel heldenmoed met vele ridderkruisen.

En waarschynlyk stegen er in zondagskerk of bidstond uit de harten der vromen dankgebeden ten-hemel, by 't vernemen dat "de Heer der heirscharen" weer had meegestreden onder de banier van Nederland ...

"Maar God, met zooveel wee begaan, Nam de offers van dien dag niet aan!"[147]

* * * * *

Ik heb 't slot der geschiedenis van _Saïdjah_ korter gemaakt, dan ik had kunnen doen wanneer ik lust gevoeld had in 't schetsen van iets akeligs. De lezer zal opgemerkt hebben hoe ik verwylde by de beschryving van het wachten onder den _ketapan_, als schrikte ik terug voor de treurige ontknooping, en hoe ik over deze ben heengegleden met afkeer. En toch was dit myn voornemen niet, toen ik begon over _Saïdjah_ te spreken. Want aanvankelyk vreesde ik, sterker kleuren noodig te hebben om den lezer te treffen by 't beschryven van zoo vreemde toestanden. Gaande-weg echter gevoelde ik dat het een beleediging voor myn publiek wezen zou, te gelooven dat ik meer bloed had moeten brengen in myn schildery.[148]

Toch had ik dit kùnnen doen, want ik heb stukken voor my liggen ... doch neen: liever een bekentenis.

Ja, een bekentenis, lezer! Ik weet niet of _Saïdjah_ _Adinda_ lief had. Niet of hy naar _Batavia_ ging. Niet of hy in de _Lampongs_ werd vermoord met nederlandsche bajonetten. Ik weet niet of zyn vader bezweek ten-gevolge van de rottingslagen die hem werden gegeven omdat hy _Badoer_ had verlaten zonder pas. Ik weet niet of _Adinda_ de manen telde door kerven in haar rystblok ...

Dit alles weet ik _niet_!

Maar ik weet _meer_ dan dat alles. Ik weet _en kan bewyzen dat er veel_ Adinda's waren en _veel_ Saïdjah's, en dat, _wat verdichtsel is in 't byzonder, waarheid wordt in 't algemeen_. Ik zeide reeds dat ik de namen kan opgeven van personen die, zooals de ouders van _Saïdjah_ en _Adinda_, door onderdrukking werden verdreven uit hun land. Het is myn doel niet, in dit werk mededeelingen te geven als voegen zouden voor een vierschaar die uitspraak te doen had over de wyze waarop 't nederlandsch gezag in Indie wordt uitgeoefend, mededeelingen die slechts kracht van bewys zouden hebben voor wien het geduld had die met aandacht en belangstelling doortelezen, zooals niet verwacht kan worden van een publiek dat verstroojing zoekt in zyn lektuur. Daarom heb ik, in-plaats van dorre namen van personen en plaatsen, met de dagteekening er by, in-plaats van een afschrift _der lyst van diefstallen en afpersingen, die voor me ligt_[149] getracht een schets te geven van wat er kàn omgaan in de harten der arme lieden die men berooft van wat dienen moet tot onderhoud van hun leven, of zelfs: ik heb dit slechts laten gissen, vreezende my te zeer te bedriegen in het teekenen der omtrekken van aandoeningen die ik nooit ondervond.

Maar wat de _hoofdzaak_ aangaat? O, dat ik opgeroepen werde om te staven wat ik schreef! O, dat men zeide: "ge hebt dien _Saïdjah_ verdicht ... hy zong nooit dat lied ... er woonde geen _Adinda_ te _Badoer_!" Maar dat het gezegd werd met de macht en den wil om recht te doen, zoodra ik zou bewezen hebben geen lasteraar te zyn!

Is er logen in de gelykenis van den barmhartigen Samaritaan, omdat er misschien nooit een geplunderd reiziger is opgenomen in een samaritaansch huis? Is er logen in de parabel van den zaaier, omdat geen landbouwer zyn zaad zal uitwerpen op een rots? Of--om aftedalen tot meer gelykheid met myn boek--mag men de waarheid ontkennen die de hoofdzaak uitmaakt van de _Negerhut_, omdat er misschien nooit een _Evangeline_ bestaan heeft? Zal men tot de schryfster van dat onsterfelyk pleidooi--onsterfelyk, niet om kunst of talent, maar door _strekking_, en _indruk_--zal men tot haar zeggen: "ge hebt gelogen, de slaven worden niet mishandeld, want ... er is onwaarheid in uw boek: het is een roman!" Moest niet ook zy, in-plaats eener optelling van dorre daadzaken, een verhaal geven dat die daadzaken inkleedde, om 't besef der behoefte aan verbetering te doen doordringen in de harten? Zou haar boek gelezen zyn, als ze daaraan den vorm had gegeven van een processtuk? Is 't haar schuld--of de myne--dat de waarheid, om toegang te vinden, zoo vaak het kleed moet borgen van de leugen?

En aan sommigen die misschien beweren dat ik _Saïdjah_ en zyn liefde heb geïdealiseerd, moet ik vragen hoe ze dit weten kunnen? Slechts zeer weinig Europeanen immers achten het de moeite waard zich neertebuigen tot waarneming der aandoeningen van de koffi- en suikerwerktuigen die men "inlanders" noemt. Doch al ware hun aanmerking gegrond, wie zùlke bedenkingen aanvoert als bewys tegen de hoofdstrekking van myn boek, geeft my een groote zegepraal. Want ze luiden, vertaald, "het kwaad dat gy bestrydt, bestaat niet, of niet in zoo hooge maat, _omdat_ de inlander niet is als uw _Saïdjah_ ... er ligt in de mishandeling der Javanen geen zoo groot kwaad als daarin liggen zou wanneer ge uwen _Saïdjah_ juister geteekend hadt. De Soendanees zingt zulke liederen niet, bemint zoo niet, gevoelt zoo niet, en dus ...

Neen, Minister van Kolonien, neen, Gouverneurs-generaal in ruste, niet dàt hebt gy te bewyzen! Ge hebt te bewyzen dat de bevolking niet mishandeld wordt, onverschillig of er sentimenteele _Saïdjahs_ onder die bevolking zyn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van lieden die _niet_ beminnen, die _geen_ droefgeestige liedjes zingen, die _niet_ sentimenteel zyn?[150]

By een aanval op letterkundig gebied zou ik de juistheid der teekening van _Saïdjah_ verdedigen, maar op staatkundigen bodem geef ik terstond alle aanmerkingen op die juistheid gewonnen, om te beletten dat de groote vraag worde verplaatst op verkeerd terrein. Het is me geheel om 't even of men my houde voor een onbekwaam schilder, mits men my toegeve dat de mishandeling van den inlander is: VERREGAAND! Zóó toch luidt het woord op de nota des voorgangers van Havelaar, die door dezen getoond werd aan den kontroleur Verbrugge: _een nota die voor me ligt_.[149]

Maar ik heb andere bewyzen! En dit is gelukkig, want ook Havelaar's voorganger kon zich vergist hebben.

Helaas, als _hy_ zich vergiste, werd hy voor die vergissing zeer hard gestraft. Hy is vermoord.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man terug die even te-voren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zy zich verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs het grasveld naar Havelaars huis terug.

"Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!" zei Havelaar, en toen de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsenden toon, om haar niet te doen meenen dat hy haar een weinigje gezag misgunde, op een erf dat vroeger 't hare was:

--Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de menschen die 't erf betreden, zoo terugzendt? Als die man van zoo-even nu eens iemand was die kippen te-koop had, of iets anders wat noodig kon zyn voor de keuken?

Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek die niet ontsnapte aan Havelaars blik.

--Ach, zeide zy, er is zooveel slecht volk!

--Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de menschen zoo moeielyk maakt, zullen de goeden ook weg blyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch eens ronduit waarom ge zoo streng opzicht houdt over 't erf?

Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan ... de weduw berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het distriktshoofd te _Parang-Koedjang_ vergiftigd was.

--Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar, ging de arme vrouw voort, hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en schriftelyk ... ge moet zyn brieven gevonden hebben in 't archief?

Dit was zoo. Havelaar had die brieven gelezen, _waarvan afschriften voor my liggen_.[149]

--Hy sprak telkens met den resident, vervolgde de weduw, maar altyd vergeefs. Want daar 't van algemeene bekendheid was dat de knevelary plaats had ten-behoeve en onder bescherming van den Regent, wien de resident niet by de Regeering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had myn arme man gezegd dat hy, als er geen verbetering kwam vóór 't einde des jaars, zich rechtstreeks wenden zou tot den Gouverneur-generaal. Dat was in November. Hy ging kort daarna op een inspektiereis, gebruikte het middagmaal ten huize van den _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_, en werd kort daarop in deerniswaarden toestand te-huis gebracht. Hy riep, op de maag wyzende: "vuur, vuur" en weinige uren later was hy dood, hy die altyd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.

--Hebt ge den dokter van _Serang_ laten roepen? vroeg Havelaar.

--Ja, maar hy heeft myn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze kort na zyn komst gestorven is. Ik durfde den dokter myn vermoeden niet meedeelen, omdat ik wegens myn toestand voorzag deze plaats niet spoedig te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gy even als myn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heerschen, en daarom heb ik geen gerust oogenblik. Ik had dit alles voor u willen verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde my dus tot het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben tot de keuken.

Nu werd het Tine duidelyk waarom mevrouw Slotering haar eigen huishouding was blyven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken van de keuken "die toch zoo ruim was."

Havelaar liet den kontroleur roepen. Intusschen richtte hy aan den geneesheer te _Serang_, een verzoek om opgave der verschynselen by Sloterings dood. Het antwoord dat hy op deze vraag bekwam, was niet in den geest der vermoedens van de weduw. Volgens den arts was Slotering gestorven aan een "abcès in de lever." Het is me niet gebleken of zoodanige kwaal zich zoo kan openbaren op-eenmaal, en den dood veroorzaken in weinige uren? Ik geloof hier te moeten achtslaan op de verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altyd gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zoodanige verklaring--omdat de opvatting van 't begrip: _gezondheid_, vooral in de oogen van niet-geneeskundigen, zeer onderwerpelyk is--blyft toch de gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een "abcès in de lever" zich gister kon _te-paard_ zetten met het doel om een bergachtige landstreek te inspekteeren die in sommige richtingen twintig uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam geneesheer geweest zyn, en zich niettemin vergist hebben in 't beoordeelen van de verschynselen der ziekte, onvoorbereid als hy was op 't vermoeden van misdaad.[151]

Hoe dit zy, ik kan niet bewyzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was, daar men Havelaar den tyd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te brengen. Doch wel kan ik bewyzen _dat zyn omgeving hem voor vergiftigd hield_, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zyn zucht om onrecht te-keer te gaan.

De kontroleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg kortaf:

--Waaraan is m'nheer Slotering gestorven?

--Dat weet ik niet.

--Is hy vergiftigd?

--Dat weet ik niet, maar ...

--Spreek duidelyk, Verbrugge!

--Maar hy trachtte de misbruiken te-keer te gaan, zooals u, m'nheer Havelaar, en ... en ...

--Welnu? Ga voort?

--Ik ben overtuigd dat hy ... zou vergiftigd geworden zyn als hy langer hier was gebleven.

--Schryf dat op!

Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. _Zyn verklaring, ligt voor my!_[149]

--Nog iets. Is 't _wáár_ of is 't _niet_ waar dat er gekneveld wordt in _Lebak_?

Verbrugge antwoordde niet.

--Antwoord, Verbrugge!

--Ik durf niet.

--Schryf 't op, dat je niet durft!

Verbrugge heeft het opgeschreven: _het ligt voor my_.[149]

--Wèl! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je zei me onlangs, toen er spraak was van _vergiftiging_, dat je de eenige steun was van je zusters te _Batavia_, niet waar? Ligt dáárin misschien de oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altyd _halfheid_ noemde?

--Ja!

--Schryf dat op.

Verbrugge schreef het op: _zyn verklaring ligt voor my!_[149]

--'t Is wèl, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge kon gaan.

Havelaar trad naar buiten en speelde met kleinen Max dien hy met byzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond hy 't kind weg en riep Tine in zyn kamer.

--Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenschte dat je met Max naar _Batavia_ ging: ik klaag heden den Regent aan.

En ze viel hem om den hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep snikkende:

--Neen Max, neen Max, dat doe ik niet ... dat doe ik _niet! Wy eten en drinken tezamen!_

Had Havelaar ongelyk toen hy beweerde dat zy evenmin recht had op neussnuiten als de vrouwen te Arles?

Hy schreef en verzond den brief waarvan ik hier een afschrift geef. Nadat ik eenigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk geschreven werd, geloof ik niet noodig te hebben op de kordate plichtsvervulling te wyzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de zachtmoedigheid die Havelaar bewoog den Regent in bescherming te nemen tegen al te zware straf. Doch niet zoo overbodig zal 't wezen, daarby zyn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de pas gedane ontdekking om niet het stellige zyner aanklacht te verzwakken door onzekerheid omtrent een wel belangryke, maar nog onbewezen beschuldiging. Zyn voornemen was, 't lyk van zyn voorganger te doen opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent zou verwyderd zyn, en diens aanhang onschadelyk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de gelegenheid niet gelaten.[152]

In de afschriften van officieele stukken--afschriften die overigens letterlyk overeenstemmmen met het oorspronkelyke--geloof ik de dwaze titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van den goeden smaak myner lezers verwacht ik dat zy in deze verandering genoegen nemen.

"N° 88. _Geheim. Spoed_. _Rangkas-Betoeng_, 24 Februari 1856.

_Aan den Resident van Bantam_.

Sedert ik voor een maand myn betrekking alhier aanvaardde, heb ik my hoofdzakelyk beziggehouden met het onderzoek naar de wyze waarop de Inlandsche Hoofden zich kwyten van hun verplichtingen jegens de bevolking op het stuk van _heerediensten, poendoetan_ en dergelyke.[153]

Zeer spoedig ontdekte ik dat de Regent op eigen autoriteit, en ten zynen-behoeve, menschen liet opkomen, vèr boven het hem wettig toekomend aantal _pantjens_ en _kemits_.[154]

Ik weifelde tusschen de keus om terstond officieel te rapporteeren, en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, dien Inlandschen Hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten-einde het tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en te-gelyker-tyd dien ouden dienaar van het Gouvernement niet terstond al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwyls gegeven zyn, en in-verband met de byzondere omstandigheid dat hy bezoek verwachtte van twee verwanten, de Regenten van _Bandoeng_ en van _Tjanjor_, althans van den laatsten--die, naar ik meen, reeds met groot gevolg op weg is--en hy dus meer dan anders in de verzoeking was--en met het oog op den benarden staat zyner geldmiddelen, als-het-ware in de _noodzakelijkheid_--om door onwettige middelen te voorzien in de noodige toebereidselen voor dat bezoek.

Dit alles leidde my tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was, doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.

Ik drong aan op dadelyke staking van elke onwettigheid.

Van die voorloopige proeve om den Regent door zachtheid tot zyn plicht te brengen, heb ik u onder'shands doen kennis dragen.[155]

My is echter gebleken dat hy met brutale onbeschaamdheid alles in den wind slaat, en ik gevoel my krachtens myn ambtseed verplicht u meetedeelen:

_dat ik den Regent van_ Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara, BESCHULDIG _van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over den arbeid zyner onderhoorigen, en_ VERDENK _van knevelary, door_ het vorderen van _opbrengsten in_ naturâ, _zonder, of tegen willekeurig vastgestelde, onvoldoende, betaling; dat ik_ voorts _den Dhemang, van_ Parang-Koedjang _zyn schoonzoon--verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten._

Om beide zaken behoorlyk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid u voortestellen, my te gelasten:

1° _den Regent van_ Lebak _voornoemd, met den meesten spoed naar_ Serang _optezenden, en zorgtedragen dat hy noch voor zyn vertrek, noch gedurende de reize in de gelegenheid zy, door omkooping of op andere wyze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal moeten inwinnen;_

2° _den Dhemang van_ Parang-Koedjang _voorloopig, in arrest te nemen;_

3° _gelyken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen onderzoek;_

4° _dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van den uitslag te dienen van omstandig bericht._

Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des Regents van _Tjanjor_ te kontramandeeren.

Ten-slotte heb ik de eer--ten-overvloede voor u, die de Afdeeling Lebak beter kent dan my nog mogelyk is--de verzekering te geven dat uit een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou beducht zyn als ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide, _poessing_ is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.[156]

Ik heb de kracht tot den moeielyken plicht dien ik door het schryven van dezen brief volbreng, gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my vergund zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter verschooning van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.

_De Adsistent-resident van Lebak_

MAX HAVELAAR."

Den volgenden dag antwoordde hem ... de resident van _Bantam_? O neen, de heer Slymering, _partikulier_!

Dit antwoord is eene kostbare bydrage tot de kennis van de wyze waarop het bestuur in Nederlandsch-Indie wordt uitgeoefend. De heer Slymering beklaagde zich "dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in den brief N° 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven." Natuurlyk omdat er dan meer kans ware geweest op "_schipperen_" En voorts: "dat Havelaar _hem stoorde in zyn drukke bezigheden!_"

De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb dien brief voor my liggen en vertrouw myn oogen niet. Ik herlees den brief van den adsistent-resident van _Lebak_ ik plaats hèm en den resident van _Bantam_, Havelaar en Slymering naast elkander...

* * * * *