Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 22

Chapter 223,847 wordsPublic domain

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het lyk gezien van _Pa-lisoe_, die gestorven was van hoogen ouderdom, want zyne haren waren wit. Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaagvrouwen om myn lyk staan. En zy zullen misbaar maken als de klaagvrouwen by _Pa-lisoe's_ lyk. En ook de kleinkinderen zullen schreien, zeer luid.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb velen gezien te _Badoer_, die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in den grond. Als ik sterf te _Badoer_, en men begraaft my buiten de _dessah_, oostwaarts tegen den heuvel, waar 't gras hoog is, Dan zal _Adinda_ daar voorbygaan, en de rand van haar _sarong_ zal zachtkens voortschuiven langs het gras...

Ik zal het hooren."

_Saïdjah_ kwam te _Batavia_ aan. Hy verzocht een heer hem in dienst te nemen, hetgeen die heer terstond deed omdat hy _Saïdjah_ niet verstond. Want te _Batavia_ heeft men gaarne bedienden die nog geen maleisch spreken en dus nog niet zoo bedorven zyn als anderen die langer in aanraking waren met europesche beschaving. _Saïdjah_ leerde spoedig maleisch, maar paste braaf op want hy dacht altyd aan de twee buffels die hy koopen wilde, en aan _Adinda_. Hy werd groot en sterk omdat hy alle dagen at, wat te _Badoer_ niet altyd wezen kon. Hy was bemind in den stal, en zou zeker niet afgewezen zyn als hy de dochter van den koetsier ten-huwelyk gevraagd had. Zyn heer zelf hield zooveel van _Saïdjah_, dat deze spoedig werd verheven tot huisbediende. Men verhoogde zyn loon, en gaf hem bovendien gedurig geschenken, omdat men zoo byzonder tevreden was over zyn diensten. Mevrouw had den roman van _Sue_ gelezen die zooveel kort gerucht maakte, en dacht altyd aan prins _Djalma_ wanneer ze _Saïdjah_ zag. Ook de jonge meisjes begrepen beter dan vroeger hoe de javaansche schilder _Radhen Saleh_ zoo grooten opgang had gemaakt te Parys.

Maar men vond _Saïdjah_ ondankbaar toen hy, na byna drie jaren dienst, zyn ontslag vroeg en om een bewys verzocht dat hy zich goed gedragen had. Men kon hem dit echter niet weigeren, en _Saïdjah_ ging met een vroolyk hart op reis.

Hy ging voorby _Pising_, waar eens Havelaar woonde, lang geleden. Maar dit wist _Saïdjah_ niet. En al had hy 't geweten, hy droeg heel iets anders in de ziel dat hem bezig hield. Hy telde de schatten die hy t'huisbracht. In een bamboezen rol had hy zyn pas en 't getuigschrift van goed gedrag. In een koker die aan een lederen riem bevestigd was, scheen iets zwaars gedurig te slingeren tegen zyn schouder, maar hy voelde dit gaarne ... ik geloof 't wèl! Dáárin waren dertig _spaansche-matten_, genoeg om drie buffels te koopen. Wat zou _Adinda_ zeggen! En dit was nog niet alles. Op zyn rug zag men de met zilver beslagen scheede van een kris dien hy in den gordel droeg. Het gevest was zeker van fyn uitgesneden _kamoening_, want hy had het met veel zorg gewikkeld in een zyden omhulsel. En hy bezat nog meer schatten. In de wrong van den _kahin_ om zyn lendenen bewaarde hy een buikband van breede zilveren schakels, met gouden _ikat-pendieng_. Het is waar dat de band kort was: maar ze was zoo slank ... _Adinda_!

En aan een koordjen om den hals, onder zyn voor-_baadjoe_ droeg hy een zyden zakje, waarin eenige verdroogde _melatti_.

Was 't wonder dat hy te _Tangerang_ zich niet langer ophield dan noodig was tot het bezoeken van den bekende zyns vaders, die zoo fyne stroohoeden vlocht? Was 't wonder dat hy weinig zeide tot de meisjes op zyn weg, die hem vroegen: "waarheen, vanwaar?" zooals de groet is in die streken? Was 't wonder dat hy _Serang_, niet meer zoo voornaam vond, hy die _Batavia_ had leeren kennen? Dat hy niet meer wegkroop in de _Pagger_, zooals hy deed voor drie jaren, toen de resident kwam voorbyryden, hy die den veel grooteren heer had gezien, die te _Buitenzorg_ woont en de grootvader is van den _Soesoehoenan_ van Solo? Was 't wonder dat hy weinig acht sloeg op de vertellingen van wie een eind wegs met hem gingen en spraken van al 't nieuws in _Bantan-Kidoel_? Dat hy nauwelyks luisterde toen men hem verhaalde dat de koffikultuur na veel onbeloonde moeite geheel was ingetrokken? Dat het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ wegens roof op den publieken weg was veroordeeld tot veertien dagen arrest ten-huize van zyn schoonvader? Dat de hoofdplaats was verlegd naar _Rangkas-Betoeng_? Dat er een nieuwe adsistent-resident gekomen was, omdat de vorige was gestorven, eenige maanden geleden? Hoe die nieuwe beambte gesproken had op de eerste _sebah_-vergadering? Hoe er sedert eenigen tyd niemand was gestraft wegens klachte, en hoe men onder de bevolking hoopte dat al 't gestolene zou worden weergegeven of vergoed?

Neen, schooner beelden vertoonden zich voor 't oog zyner ziel. Hy zocht den _ketapan_-boom in de wolken, te vèr nog als hy was om dien te zoeken by _Badoer_. Hy greep naar de lucht die hem omgaf, als wilde hy de gestalte omvatten die hem wachten zou onder dien boom. Hy teekende zich _Adinda_'s gelaat, haar hoofd, haar schouder ... hy zag den zwaren _kondeh_, zoo glinsterend zwart, gevangen in eigen strik, afhangend in haar hals ... hy zag haar groot oog, schitterend in donkeren weerschyn ... de neusvleugels die ze zoo fier optrok als kind, wanneer hy--hoe was't mogelyk!--haar plaagde, en den hoek van haar lippen waarin zy een glimlach bewaarde. Hy zag hare borst, die nu zwellen zou onder de _kabaai_ ... hy zag hoe de _sarong_, die zyzelf geweven had, haar heupen nauw omsloot, en, de dy volgend in gebogen lyn, langs de knie neerviel in heerlyke golving op den kleinen voet ...

Neen, hy hoorde weinig van wat men hem zeide. Hy hoorde geheel andere tonen. Hy hoorde hoe _Adinda_ zeggen zou: "zy wèl gekomen, _Saïdjah_! Ik heb aan u gedacht by spinnen en by weven, en by 't stampen van de ryst in het blok dat driemaal twaalf kerven draagt van myne hand. Hier ben ik onder den _ketapan_, den eersten dag der nieuwe maan. Zy wèl gekomen, _Saïdjah_: ik wil uw vrouw zyn!"

Dàt was de muziek die in zyn ooren weerklonk, en hem belette te luisteren naar al 't nieuws dat men hem verhaalde op zyn weg.

Eindelyk zag hy den _ketapan_. Of liever hy zag een donkere plek die veel sterren bedekte voor zyn oog. Dat moest het _Djati_-bosch wezen, by den boom waar hy _Adinda_ zou weerzien, den volgenden dag na 't opgaan van de zon. Hy zocht in het duister, en betastte vele stammen. Weldra vond hy een bekende oneffenheid aan de zuidzyde van een boom, en hy legde den vinger in een gleuf die _Si-Panteh_ daarin gehakt had met zyn _parang_, om den _pontianak_ te bezweren die schuld had aan de tandpyn van _Panteh_'s moeder, kort voor de geboorte van zyn broertje. Dàt was de _ketapan_ dien hy zocht.

Ja, wèl was dit de plek waar hy voor 't eerst _Adinda_ anders had aangezien dan zyn overige speelnootjes, omdat ze daar voor 't eerst geweigerd had deeltenemen aan een spel dat ze toch had meegespeeld met alle kinderen, knapen en meisjes, nog kort te voren. Dáár had ze hem de _melatti_ gegeven.

Hy zette zich neder aan den voet van den boom, en zag op naar de sterren. En als er een verschoot, nam hy dit aan als een groet by zyn wederkomst te _Badoer_. En hy dacht er aan, of _Adinda_ nu slapen zou? En of ze wel goed de manen had ingesneden in haar rystblok? Het zou hem zoo smarten wanneer zy een maan had overgeslagen, alsof 't niet genoeg ware ... zes-en-dertig! En of ze schoone _sarongs_ en _slendangs_ zou _gebatikt_ hebben? En ook vroeg hy zich, wie er toch wel wonen zou in zyns vaders huis? En zyn jeugd kwam hem voor den geest, en zyne moeder, en hoe die buffel hem had gered van den tyger, en hy bepeinsde wat er toch zou geworden zyn van _Adinda_ als die buffel minder trouw ware geweest?

Hy lette zeer op het dalen van de sterren in 't Westen, en by elke ster die aan de kim verdween, berekende hy hoe de zon weer iets nader was aan haren Opgang in het oosten, en hoeveel nader hyzelf aan 't weerzien van _Adinda_.

Want zeker zou ze komen by den eersten straal, ja, by 't schemeren reeds zou ze daar zyn ... ach, waarom was ze niet reeds gekomen den vorigen dag?

Het bedroefde hem dat ze 't niet was vooruitgeloopen, het schoone oogenblik dat hem drie jaren lang de ziel had voorgelicht met onbeschryfelyken glans. En, onbillyk als hy was in de zelfzucht zyner liefde, scheen 't hem toe dat _Adinda_ had moeten dáár zyn, wachtende op hèm, hy die zich nu beklaagde--vóór den tyd reeds!--dat hy te wachten had op háár.

Maar hy beklaagde zich ten-onrechte. Want nog was de zon niet opgegaan, nog had het oog van den dag geen blik geworpen op de vlakte. Wel verbleekten de sterren daar omhoog, beschaamd dat er spoedig een eind komen zou aan haar heerschappy ... wel vloeiden er vreemde kleuren over de toppen der bergen, die donkerder schenen naarmate ze scherper afstaken op lichteren grond ... wel vloog er hier-en-daar door de wolken in het oosten iets gloeiends--pylen van goud en van vuur die heen-en-weer werden geschoten, evenwydig aan de kim--maar ze verdwenen weer en schenen neertevallen achter de ondoordringbare gordyn die nog altyd den dag bleef verbergen voor de oogen van _Saïdjah_.

Toch werd het allengs lichter en lichter om hem heen. Hy zag reeds het landschap, en reeds kon hy de kuif onderscheiden van het _klappa_-boschje waarin _Badoer_ verscholen ligt ... daar sliep _Adinda_.

Neen, ze sliep niet meer! Hoe zou ze kunnen slapen? Wist ze niet dat _Saïdjah_ haar wachten zou? Gewis, ze had niet geslapen den ganschen nacht! Zeker had de dorpswacht geklopt aan hare deur, om te vragen waarom de _pelitah_ voortbrandde in haar huisjen, en met lieven lach had ze gezegd dat een gelofte haar wakker hield om den _slendang_ afteweven waaraan ze bezig was, en die gereed moest zyn voor den eersten dag der nieuwe maan ...

Of ze had den nacht doorgebracht in 't donker, zittend op haar rystblok, en tellende met begeerigen vinger dat er wel waarlyk daarin zes-en-dertig diepe strepen stonden gekorven naast elkander. En ze had zich vermaakt met kunstigen schrik of ze zich misschien verrekende, of er wellicht nog eene ontbrak, om nogeens, en nogeens, en telkens weder te genieten van de heerlyke zekerheid dat er wel degelyk driemaal twaalf manen waren voorbygegaan sedert _Saïdjah_ haar zag voor het laatst.

Ook zy zou thans, nu 't al zoo licht werd, haar oogen inspannen met vruchtelooze vermoeienis om de blikken te buigen òver de kim, opdat ze de zon zouden ontmoeten, de trage zon, die wegbleef ... wegbleef ...

Daar kwam een streep van blauwig rood die zich vastklemde aan de wolken, en de randen werden licht en gloeiend, en 't begon te bliksemen, en weer schoten er pylen van vuur door het luchtruim, maar ze vielen niet neder ditmaal, ze hechtten zich vast op den donkeren grond, en deelden hun gloed mede in grooter en grootere kringen, en ontmoetten elkander, kruisend, slingerend, wendend, dwalend, en ze vereenigden zich tot vuurbundels, en weerlichtten in gouden glans op een grond van paarlemoer, en er was rood, en blauw, en geel, en zilver, en purper, en azuur in dat alles ... o God, dat was de dageraad: dat was het weerzien van _Adinda_!

_Saïdjah_ had niet geleerd te bidden, en 't ware ook jammer geweest hem dat te leeren want heiliger gebeden vuriger dank dan er lag in de sprakelooze opgetogenheid zyner ziel, was niet te vatten in menschelyke taal.

Hy wilde niet naar _Badoer_ gaan. Het weerzien zelf van _Adinda_ kwam hem minder schoon voor, dan de zekerheid haar straks te zullen weerzien. Hy zette zich aan den voet van den _ketapan_, en liet zyn oogen dwalen over de landstreek. De natuur lachte hem toe en scheen hem welkom te heeten als een moeder haar teruggekeerd kind. En even als deze haar vreugde schildert door eigenwillige herinnering aan de voorbygegane smart, by 't vertoonen van wat ze bewaarde als aandenken gedurende het afzyn, liet ook _Saïdjah_ zich vermaken door 't weerzien van zoovele plekken die getuigen waren van zyn kort leven. Maar hoe ook zyn oogen of zyn gedachten ronddwaalden, telkens viel zyn blik en zyn verlangen terug op het pad dat van _Badoer_ leidt naar den _ketapan_. Alles wat zyn zinnen waarnamen, heette _Adinda_. Hy zag den afgrond links, waar de aarde zoo geel is, waar eens een jonge buffel verzonk in de diepte: daar hadden de dorpelingen zich verzameld om het dier te redden--want het is geen geringe zaak een jongen buffel te verliezen--en ze hadden zich neergelaten aan sterke _rottan_-koorden. _Adinda_'s vader was de moedigste geweest ... O, hoe zy in de handen klapte, _Adinda_!

En daarginds, aan de andere zyde, waar 't kokosboschje wuift over de hutten van het dorp, daar ergens was _Si-Oenah_ uit een boom gevallen, en gestorven. Hoe schreide zyn moeder: "omdat _Si-Oenah_ nog zoo klein was" jammerde zy ... alsof ze minder bedroefd zou geweest zyn als _Si-Oenah_ grooter geweest ware. Maar klein was hy, dàt is waar, want hy was kleiner en zwakker nog dan _Adinda_ ...

Niemand betrad het wegje dat van _Badoer_ leidde naar den boom. Straks zou ze komen: o, zeker.. 't was nog zoo vroeg!

_Saïdjah_ zag een _badjing_ die met dartele vlugheid heen-en-weersprong tegen den stam van een _klappa_-boom. Het diertje--de ergernis van den eigenaar des booms, maar lief toch in gedaante en beweging--klauterde onvermoeid op-en-neder. _Saïdjah_ zag het, en dwong zich er naar te blyven zien, wyl dit aan zyn gedachten rust gaf van den zwaren arbeid dien ze verrichtten sedert het opgaan der zon ... rust na 't afmattend wachten. Welhaast uitten zich zyn indrukken in woorden, en hy zong wat er omging in zyn ziel. Het ware my liever u zyn lied te kunnen _voorlezen_ in 't maleisch, dat italiaansch van het Oosten[145] doch ziehier de vertaling:

"Zie hoe de _badjing_ zyn levensonderhoud zoekt Op den _klappa_-boom. Hy stygt, daalt, dartelt links en rechts, Hy draait om den boom, springt, valt, klimt, en valt weder: Hy heeft geen vleugels, en is toch zoo vlug als een vogel.

Veel geluk, myn _badjing_, ik wensch u heil! Ge zult gewis vinden het levensonderhoud dat ge zoekt... Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch, Wachtende op levensonderhoud van myn hart.

Reeds lang is het buikje van myn _badjing_ verzadigd... Reeds lang is hy teruggekeerd in zyn nestje... Maar nog altyd is myn ziel En myn hart bitter bedroefd.. _Adinda_!"

Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den _ketapan_.

_Saïdjah_'s oog viel op een kapel die zich scheen te verheugen omdat het begon warm te worden.

"Zie hoe de vlinder daar rondfladdert. Zyn vlerkjes schitteren als een veelkleurige bloem. Zyn hartjen is verliefd op den bloesem der _kenari_. Zeker zoekt hy zyn welriekende geliefde.

Veel geluk, myn vlinder, ik wensch u heil! Ge zult gewis vinden wat gy zoekt... Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch, Wachtende op wat myn hart liefheeft.

Reeds lang heeft de vlinder gekust Den _kenari_-bloesem die hy zoozeer bemint... Maar nog altyd is myn ziel En myn hart bitter bedroefd... _Adinda_!"

En er was niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom.

De zon begon reeds hoog te staan ... er was al hitte in de lucht.

"Zie, hoe de zon schittert daar omhoog, Hoog boven den _waringi_-heuvel! Ze voelt zich te warm, en wenscht neertedalen, Om te slapen in zee, als in de armen van een gade.

Veel geluk, o zon, ik wensch u heil! Wat gy zoekt, zult ge gewis vinden... Maar ik zit alleen by het _djati_-bosch, Wachtende op rust voor myn hart.

Reeds lang zal de zon ondergegaan wezen, En slapen in de zee, als alles duister is... En nog altyd zal myn ziel En myn hart bitter bedroefd zyn.... _Adinda_!

Nog was er niemand op den weg die er leidt van _Badoer_ naar den _ketapan_.

"Als er niet langer vlinders zullen rondfladderen, Als de sterren niet meer zullen schitteren, Als de _melatti_ niet meer welriekend zal wezen, Als er niet langer bedroefde harten zyn, Noch wild gedierte in het woud... Als de zon verkeerd zal loopen, En de maan vergeten wat oost en west is... Als dàn _Adinda_ nog niet gekomen is, Dan zal een engel met blinkende vleugelen Neerdalen op aarde, om te zoeken wat daar achterbleef. Dan zal myn lyk hier liggen onder den _ketapan_... Myn ziel is bitter bedroefd... _Adinda_!"

Nog was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den _ketapan_.

"Dan zal myn lyk door den engel gezien worden. Hy zal het zyn broederen aanwyzen met den vinger:

"Ziet, daar is een gestorven mensch vergeten, Zyn verstyfde mond kust een _melatti_-bloem. Komt, dat wy hem opnemen en ten-hemel dragen, Hem, die op _Adinda_ gewacht heeft tot hy dood was. Gewis, hy mag niet daar achterblyven, Wiens hart de kracht had zóó te beminnen!"

Dan zal nog ééns myn verstyfde mond zich openen Om _Adinda_ te roepen, die myn hart lief heeft... Nog éénmaal zal ik de _melatti_ kussen Die zy me gaf... _Adinda_... _Adinda_!"

En nog altyd was er niemand op het pad dat van _Badoer_ leidde naar den boom.

O, ze was gewis tegen den morgenstond in slaap gevallen, vermoeid van 't waken gedurende den nacht, van 't waken vele lange nachten door! Zeker had ze niet geslapen sedert weken: zóó was het!

Zou hy opstaan en naar _Badoer_ gaan? Neen! Mocht het schynen alsof er twyfel was aan haar komst?

Als hy den man riep die daarginds zyn buffel naar 't veld dreef? Die man was te ver. En bovendien _Saïdjah_ wilde niet spreken _over Adinda_, niet vragen _naar Adinda_ ... hy wilde haar weerzien, háár alleen, háár het eerst! O zeker, zéker zou ze nu spoedig komen!

Hy zou wachten, wachten ...

Maar als ze ziek was, of ... dood?

Als een aangeschoten hert vloog _Saïdjah_ 't pad op, dat van den _ketapan_ leidt naar het dorp waar _Adinda_ woonde. Hy zag niets en hoorde niets, en toch had hy iets kunnen hooren, want er stonden menschen op den weg by den ingang van het dorp, die riepen: "_Saïdjah_, _Saïdjah_!"

Maar ... was 't zyn haast, zyn drift, die hem belette _Adinda's_ huis te vinden? Hy was reeds voortgevlogen tot aan 't einde van den weg waar het dorp ophoudt, en als dolzinnig keerde hy terug, en sloeg zich voor 't hoofd omdat hy háár huis had kunnen voorbygaan zonder het te zien. Maar weer was hy aan den ingang, en--myn God, was 't een droom?--weer had hy _Adinda_'s huis niet gevonden! Nogeens vloog hy terug, en op-eenmaal bleef hy staan, greep met beide handen zyn hoofd, als om daaruit den waanzin wegtepersen die hem beving, en riep luide: "dronken, dronken, ik ben dronken!"

En de vrouwen van Badoer kwamen uit hare huizen, en zagen met deernis den armen _Saïdjah_ daar staan, want zy herkenden hem, en begrepen dat hy _Adinda_'s huis zocht, en wisten dat er geen huis van _Adinda_ was in het dorp Badoer.

Want, toen het distriktshoofd van _Parang-Koedjan_ den buffel van _Adinda_'s vader had weggenomen ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.

... toen was _Adinda_'s moeder gestorven van verdriet. En haar jongste zusje was gestorven omdat het geen moeder had die 't zoogde. En _Adinda_'s vader, die vreesde voor de straf als hy zyn landrenten niet betaalde ...

Ik weet het wel, ik weet het wel, dat myn verhaal eentonig is!

... _Adinda_'s vader was heengegaan uit het land. Hy had _Adinda_ meegenomen, met hare broeders. Maar hy had vernomen hoe de vader van _Saïdjah_ te _Buitenzorg_ was gestraft met rottingslagen omdat hy _Badoer_ verlaten had zonder pas. En daarom was _Adinda's_ vader niet gegaan naar _Buitenzorg_, noch naar _Krawang_, noch naar de _Preanger_, noch naar de _Bataviasche Ommelanden_ ... hy was gegaan naar _Tjilang-kahan_, het distrikt van _Lebak_, dat aan de zee grenst. Daar had hy zich verscholen in de bosschen, en gewacht op de komst van _Pa-Ento, Pa-Lontah, Si-Oeniah, Pa-Ansioe, Abdoel-Isma_ en nog eenige anderen die door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_ beroofd waren van hun buffels, en die allen vreesden voor straf als ze hun landrenten niet betaalden. Daar hadden ze zich by-nacht meester gemaakt van een visschersprauw, en waren in zee gestoken. Ze hadden westelyk gestuurd, en hielden het land rechts van zich, tot aan _Java-punt_. Vanhier waren zy noordwaarts gestevend tot ze _Tanahitam_ voor zich zagen, dat de europesche zeelieden _Prinsen-eiland_ noemen. Zy waren dat eiland omgezeild aan de oostzyde, en hadden toen aangehouden op de _Keizersbaai_, zich richtende op den hoogen piek in de _Lampongs_. Zóó althans was de weg dien men elkander fluisterend vóórzei in 't _Lebaksche_, wanneer er gesproken werd over officieelen buffelroof en onbetaalde landrenten.

Maar de verbysterde _Saïdjah_ verstond niet duidelyk wat men hem zeide. Zelfs begreep hy niet goed het bericht van den dood zyn vaders. Er was een gegons in zyn ooren als had men op een _gong_ geslagen in zyn hoofd. Hy voelde hoe 't bloed met schokken werd gewrongen door de aderen aan zyn slapen, die dreigden te bezwyken onder den druk van zoo zware uitzetting. Hy sprak niet, en staarde met verdoofden blik rond zonder te zien wat om en by hem was, en berstte eindelyk uit in akelig gelach.

Een oude vrouw nam hem mede naar haar huisjen en verpleegde den armen dwaas. Weldra lachte hy niet meer zoo akelig, maar toch sprak hy niet. Alleen 's nachts werden de hutgenooten opgeschrikt door zyn stem, als hy toonloos zong: "_ik weet niet waar ik sterven zal_" en eenige bewoners van _Badoer_ legden geld tezamen, om een offer te brengen aan de _boaja's_ van den _Tjioedjoeng_ voor de genezing van _Saïdjah_, dien men voor zinneloos hield.

Maar zinneloos was hy niet.

Want eens by nacht, toen de maan helder lichtte, stond hy op van de _baleh-baleh_, en verliet zachtkens het huis, en zocht naar de plek waar _Adinda_ gewoond had. Het was niet gemakkelyk die te vinden, omdat er zoovéél huizen waren ingestort. Doch hy scheen de plaats te herkennen aan de wydte van den hoek dien sommige lichtlynen door 't geboomte vormden by haar ontmoeting in zyn oog, zooals de zeeman peiling neemt op vuurtorens of uitstekende bergpunten.

Ja, dáár moest het zyn ...dáár had _Adinda_ gewoond!

Struikelend over halfvergane bamboe en over stukken van 't neergevallen dak, baande hy zich een weg naar 't heiligdom dat hy zocht. En, waarlyk, hy vond nog iets terug van den opstaanden _Pagger_ waarnaast _Adinda_'s _baleh-baleh_ gestaan had, en zelfs stak in dien _pagger_ nog de bamboezen pin, waaraan ze haar kleed hing als ze zich te slapen legde ...

Maar de _baleh-baleh_ was ingestort als het huis, en byna vergaan tot stof. Hy nam een handvol daarvan, drukte het aan zyn geopende lippen, en ademde zeer diep ...

Den volgenden dag vroeg hy aan de oude vrouw die hem verpleegd had, waar 't rystblok was dat er gestaan had op het erf van _Adinda_'s huis? De vrouw was verheugd dat ze hem hoorde spreken, en liep het dorp rond om dat blok te zoeken. Toen zy den nieuwen eigenaar aan _Saïdjah_ kon aanwyzen, volgde deze haar zwygend, en by 't rystblok gebracht, telde hy daarop twee en dertig ingekorven strepen ...

Toen gaf hy die vrouw zooveel _Spaansche-matten_ als noodig was tot het koopen van een buffel, en verliet _Badoer_. Te _Tjilang-Kahan_ kocht hy een visschersprauw, en kwam daarmede na eenige dagen zeilens in de _Lampongs_ aan, waar de opstandelingen zich verzetten tegen het nederlandsch gezag. Hy sloot zich aan by een bende Bantammers, niet om te stryden zoozeer als om _Adinda_ te zoeken. Want hy was zacht van aard, en meer ontvankelyk voor droefenis dan voor bitterheid.