Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 21

Chapter 213,955 wordsPublic domain

O, hoe heeft Wawelaar gelyk, als hy Gods juk zacht noemt! Hoe licht wordt de last gemaakt aan ieder die gelooft! Ik ben pas in de veertig, en zou kunnen uitscheiden als ik wilde, en naar Driebergen gaan, en zie eens hoe 't met anderen afloopt, die den Heer verlieten? Gisteren heb ik Sjaalman gezien met zyn vrouw en hun jongetje: ze zagen er uit als spoken. Hy is bleek als de dood, zyn oogen puilen uit, en zyn wangen staan hol. Zyn houding is gebogen, schoon hy nog jonger is dan ik. Ook zy was zeer armoedig gekleed, en ze scheen weer geschreid te hebben. Nu, ik had terstond bemerkt dat zy ontevreden van natuur is, want ik behoef iemand maar eenmaal te zien om hem te beoordeelen. Dat komt van de ondervinding. Ze had een manteltje van zwarte zyde om, en 't was toch vry koud. Van krinoline was geen spoor. Haar licht japonnetje hing slap om de knieën, en aan den rand was franje. Hy had zelfs zyn sjaal niet meer om, en zag er uit alsof 't zomer was. Toch schynt hy nog een soort van trots te bezitten, want hy gaf iets aan een arme vrouw, die op de sluis zat--Frits zegt: _brug_, maar wat van steen is zonder een wip, noem ik _sluis_[140]--en wie zelf zoo weinig heeft, doet zonde als hy nog weggeeft aan een ander. Bovendien, ik geef nooit op straat--dit is een principe van me--want ik zeg altyd, als ik zoo arme menschen zie: wie weet of 't hun eigen schuld niet is, en ik mag hen niet styven in verkeerdheid. Zondags geef ik tweemaal: eens voor de armen, en eens voor de kerk. Zóó behoort het! Ik weet niet of Sjaalman me gezien heeft, maar ik ging snel voorby, en keek naar boven, en dacht aan de rechtvaardigheid van God, die hem toch niet zoo zou laten loopen zonder winterjas, als hy beter had opgepast en niet lui, pedant en ziekelyk was.

Wat nu myn boek aangaat, moet ik waarlyk den lezer om verschooning vragen voor de onvergeeflyke wyze, waarop Stern misbruik maakt van ons kontrakt. Ik moet erkennen dat ik zeer opzie tegen den eersten kransavend en de liefdegeschiedenis van dien _Saïdjah_. De lezer weet reeds, welke gezonde begrippen ik over liefde heb ... men denke slechts aan myn beoordeeling van dat uitstapje naar den Ganges. Dat jonge meisjes zoo-iets aardig vinden, kan ik wel begrypen, maar 't is my onverklaarbaar dat mannen van jaren zulke zotheden zonder walg aanhooren. Ik ben zeker, dat ik op den aanstaanden krans den triolet vind van myn solitairspel.

Ik zal beproeven niets van dien _Saïdjah_ te hooren, en hoop dat de man gauw trouwt, als _hy_ ten-minste de held is van de liefdehistorie. 't Is nog al wèl van Stern, dat hy vooraf gewaarschuwd heeft, dat het een eentonige geschiedenis wezen zal. Zoodra hy dan later aan wat anders begint, zal ik weer toeluisteren. Maar dat afkeuren van 't Bestuur, verveelt me byna evenzeer als liefdegeschiedenissen. Men ziet uit alles, dat Stern jong is en weinig ondervinding heeft. Om de zaken goed te beoordeelen, moet men alles van naby zien. Toen ik trouwde, ben ik zelf in den Haag geweest, en heb met myn vrouw 't Mauritshuis bezocht. Ik ben daar in aanraking gekomen met alle standen van de maatschappy, want ik heb den Minister van Financien zien voorbyryden, en we hebben samen flanel gekocht in de Veenestraat--ik en myn vrouw, meen ik--en nergens heb ik 't minste blijk bespeurd van ontevredenheid met de Regeering. Die juffrouw in den winkel zag er tevreden uit, en toen dus in 1848 sommigen ons trachtten wys te maken dat in den Haag niet alles was zoo als 't behoorde, heb ik op den krans over die ontevredenheid het myne gezegd. Ik vond geloof, want ieder wist dat ik by ondervinding sprak. Ook op de terugreis met de diligence heeft de kondukteur "schep vreugd" geblazen, en dat zou de man toch niet gedaan hebben, als er zooveel verkeerds was. Zóó heb ik op alles gelet, en wist dus terstond wat ik te denken had van al dat morren in 1848.

Tegenover ons woont een juffrouw, wier neef een _toko_ doet in de Oost, zooals ze daar een winkel noemen. Wanneer dus alles zoo slecht ging als Stern zegt, zou zy er ook wel wat van weten, en 't schynt toch dat het mensch zeer tevreden is met de zaken, want ik hoor haar nooit klagen. Integendeel, ze zegt dat haar neef daar op een buiten woont, dat hy lid is van den kerkeraad, en dat hy haar een pauwenveeren sigaarkoker heeft gezonden, dien hy zelf gemaakt had van bamboe. Dit alles toont toch duidelyk, hoe ongegrond dat geklaag is over slecht bestuur. Ook ziet men daaruit, dat er voor iemand die wil oppassen, in dat land nog wel wat te verdienen valt, en dat dus die Sjaalman ook dáár al lui, pedant en ziekelyk geweest is, anders zou hy niet zoo arm zyn thuisgekomen, en hier rondloopen zonder winterjas. En de neef van die juffrouw tegenover ons, is de eenige niet die in de Oost fortuin heeft gemaakt. In "Polen" zie ik velen die daar geweest zyn, en waarlyk heel knap in de kleeren steken. Maar dit begrypt zich, op de zaken moet men passen, ginder zoo goed als hier. Op Java zullen de gebraden duiven niemand in den mond vliegen: er moet gewerkt worden, wie dàt niet wil, is arm en blyft arm, dat spreekt vanzelf.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK[141]

_Saïdjah_'s vader had een buffel, waarmede hy zyn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_, was hy zeer bedroefd, en sprak geen woord, vele dagen lang. Want de tyd van ploegen was naby, en 't was te vreezen, als men de _sawah_ niet tydig bewerkte, dat ook de tyd van zaaien zou voorbygaan, en eindelyk dat er geen padie zou te snyden zyn, om die te bergen in den _lombong_ van het huis.

Ik moet hierby voor lezers, die wel Java doch niet _Bantam_ kennen, de opmerking maken dat in deze residentie _persoonlyk grondeigendom_ bestaat, wat elders niet het geval is.[142]

_Saïdjah_'s vader nu was zeer bekommerd. Hy vreesde dat zyn vrouw behoefte zou hebben aan ryst, en ook _Saïdjah_ die nog een kind was, en de broertjes en zusjes van _Saïdjah_.

Ook zou het distriktshoofd hem aanklagen by den adsistent-resident, als hy achterlyk was in de betaling van zyn landrenten. Want daarop staat straf by de wet.

Toen nam _Saïdjah_'s vader een _kris_ die _poesaka_ was van _zyn_ vader. De kris was niet zeer schoon, maar er waren zilveren banden om de scheede, en ook op de punt der scheede was een plaatje zilver. Hy verkocht deze kris aan een Chinees die op de hoofdplaats woonde, en kwam te-huis met vier-en-twintig gulden, voor welk geld hy een anderen buffel kocht.

_Saïdjah_, die toen omstreeks zeven jaar oud was, had met den nieuwen buffel spoedig vriendschap gesloten. Ik zeg niet zonder doel: vriendschap, want het is inderdaad treffend te zien hoe de Javasche _kerbo_ zich hecht aan den kleinen jongen die hem bewaakt en verzorgt. Het sterke dier buigt gewillig den zwaren kop rechts of links of omlaag naar den vingerdruk van 't kind, dat hy kent, dat hy verstaat, waarmede hy is opgegroeid.

Zulke vriendschap dan had ook de kleine _Saïdjah_ spoedig weten inteboezemen aan den nieuwen gast, en _Saïdjah_'s aanmoedigende kinderstem scheen meer kracht nog te geven aan de krachtvolle schoften van 't sterke dier, als het den zwaren kleigrond opscheurde en zyn weg teekende in diepe scherpe voren. De buffel keerde gewillig om als hy aan 't eind was van den akker, en verloor geen duimbreed gronds by het terugploegen van de nieuwe voor, die altyd naast de oude lag als ware de _sawah_ een tuingrond geweest, geharkt door een reus.

Daarnaast lagen de _sawahs_ van _Adinda_'s vader, den vader van 't kind dat met _Saïdjah_ huwen zou. En als _Adinda_'s broertjes aankwamen aan de tusschenliggende grens, juist als ook _Saïdjah_ dáár was met zyn ploeg, dan riepen zy elkander vroolyk toe, en roemden om-stryd de kracht en de gehoorzaamheid hunner buffels. Maar ik geloof dat die van _Saïdjah_ de beste was, misschien wel omdat deze hem beter dan de anderen wisttoetespreken. Want buffels zyn zeer gevoelig voor goede toespraak.

_Saïdjah_ was negen jaar oud geworden, en _Adinda_ reeds zes jaren, voor deze buffel aan _Saïdjah_'s vader werd afgenomen door het distriktshoofd van _Parang-Koedjang_.

_Saïdjah_'s vader, die zeer arm was, verkocht nu aan een Chinees twee zilveren _klamboe_-haken, _poesaka_ van de ouders zyner vrouw, voor achttien gulden. En voor dat geld kocht hy een nieuwen buffel.

Maar _Saïdjah_ was bedroefd. Want hy wist van _Adinda_'s broertjes, dat de vorige buffel was heengedreven naar de hoofdplaats, en hy had zyn vader gevraagd of deze dat dier niet gezien had toen hy dáár was om de _klamboe_-haken te verkoopen? Op welke vraag _Saïdjah_'s vader niet had willen antwoorden. Daarom vreesde hy dat zyn buffel geslacht was, zooals de andere buffels die het distriktshoofd afnam aan de bevolking.

En _Saïdjah_ schreide veel als hy dacht aan den armen buffel waarmede hy twee jaren zoo innig had omgegaan. En hy kon niet eten, langen tyd, want zyn keel was te nauw als hy slikte.

Men bedenke dat _Saïdjah_ een kind was.

De nieuwe buffel leerde _Saïdjah_ kennen, en nam in de genegenheid van 't kind zeer spoedig de plaats in van zyn voorganger ... al te spoedig eigenlyk. Want, helaas, de wasindrukken van ons hart worden zoo licht gladgestreken, om plaats te maken voor later schrift. Hoe dit zy, de nieuwe buffel was wel niet zoo sterk als de vorige ... wel was 't oude juk te ruim voor zyn schoft ... maar 't arme dier was gewillig als zyn voorganger die geslacht was, en al kon dan _Saïdjah_ niet meer roemen op de kracht van zyn buffel by 't ontmoeten van _Adinda_'s broertjes aan de grens, hy beweerde toch dat geen ander den zynen overtrof in goeden wil. En wanneer de vore niet zoo rechtlynig liep als voorheen, of als er aardklonten ondoorgesneden waren omgegaan, werkte hy dat gaarne by met zyn _patjol_, zooveel hy kon. Bovendien, geen buffel had een _oeser-oeseran_ als de zyne. De _penghoeloe_ zelf had gezegd dat er _ontong_ was in den loop van die haarwervels op de achterschoften.

Eens, in 't veld, riep _Saïdjah_ tevergeefs zyn buffel toe, wat spoed te maken. Het dier stond pal. _Saïdjah_, verstoord over zoo groote en vooral zoo ongewone weerspannigheid, kon zich niet weerhouden een beleediging te uiten. Hy riep: _a.s._ Ieder die in Indie geweest is, zal my verstaan. En wie me niet verstaat, wint er by dat ik hem de uitlegging spaar van een grove uitdrukking.

_Saïdjah_ bedoelde evenwel niets kwaads daarmede. Hy zei 't maar omdat hy 't zoo dikwyls had hooren zeggen door anderen, als ze ontevreden waren over hun buffels. Maar hy had het niet behoeven te zeggen, want het baatte niets: zyn buffel deed geen stap verder. Hy schudde den kop als om 't juk aftewerpen, men zag den adem uit zyn neusgaten ... hy blaasde, sidderde, rilde ... er was angst in zyn blauw oog, en de bovenlip was opgetrokken zoodat het tandvleesch bloot lag ...

"Vlucht, vlucht, riepen op-eenmaal _Adinda_'s broertjes, _Saïdjah_, vlucht! Daar is een tyger!"

En allen ontdeden hun buffels van de ploegjukken, en slingerden zich op de breede ruggen, en galoppeerden weg door _sawahs_, over _galangans_, door modder, door kreupelhout en bosch en _allang-allang_, langs velden en wegen. En toen ze hygend en zweetend binnenrenden in het dorp _Badoer_, was _Saïdjah_ niet by hen.

Want toen deze zyn buffel, bevryd van het juk, had bestegen als de anderen om te vluchten als zy, had een onverwachtte sprong van het dier hem 't evenwicht benomen en ter-aarde geworpen. De tyger was zeer na ...

_Saïdjah_'s buffel, voortgedreven door eigen vaart, schoot eenige sprongen voorby de plek waar zyn kleine meester den dood wachtte. Maar door eigen vaart alleen, en niet door eigen wil, was het dier verder gegaan dan _Saïdjah_. Want nauw had het de stuwing overwonnen die alle stof beheerscht, ook na 't ophouden van de oorzaak die haar voortstuwde, of 't keerde terug, zette zyn lomp lyf op zyn lompe pooten als een dak over het kind, en keerde zyn gehoornden kop naar den tyger. Deze sprong ... maar hy sprong voor 't laatst. De buffel ving hem op zyn hoornen, en verloor slechts wat vleesch dat de tyger hem uitsloeg aan den hals. De aanvaller lag daar met opgescheurden buik, en _Saïdjah_ was gered. Wèl was er _ontong_, geweest in de _oeser-oeseran_ van dien buffel![143]

Toen deze buffel aan _Saïdjah_'s vader was afgenomen, en geslacht ...

Ik heb u gezegd, lezer, dat myn verhaal eentonig is.

... toen deze buffel geslacht was, telde _Saïdjah_ twaalf jaar, en _Adinda_ weefde _sarongs_, en _batikte_ die met puntige _kapala_. Ze had reeds gedachten te brengen in den loop van haar verfschuitje, en ze teekende droefheid op haar weefsel, want ze had _Saïdjah_ zeer treurig gezien.

En ook _Saïdjah_'s vader was bedroefd, doch zyn moeder het meest. Deze toch had de wonde genezen aan den hals van het trouwe dier dat haar kind ongedeerd had thuis-gebracht, nadat zy op de mare van _Adinda_'s broertjes gemeend had dat het was weggevoerd door den tyger. Ze had die wond zoo dikwyls bezien met de gedachte hoe diep de klauw die zóó ver indrong in de ruwe vezelen van den buffel, zou voortgedreven zyn in 't weeke lyf van haar kind, en telkens als ze versche geneeskruiden had gelegd op de wonde, streelde zy den buffel en sprak hem eenige vriendelyke woorden toe, dat het goede trouwe dier toch weten zou hoe dankbaar een moeder is! Ze hoopte later dat de buffel haar toch mocht verstaan hebben, want dan had hy ook haar schreien begrepen toen hy werd weggevoerd om geslacht te worden, en hy had geweten dat het niet _Saïdjah_'s _moeder_ was, die hem slachten liet.

Eenigen tyd daarna vluchtte _Saïdjah_'s vader uit het land. Want hy was zeer bevreesd voor de straf als hy zyn landrenten niet betalen zou, en hy had geen _poesaka_ meer om een nieuwen buffel te koopen, daar zyn ouders altyd in _Parang-Koedjang_, woonden, en hem dus weinig hadden nagelaten. Ook de ouders van zyn vrouw woonden altyd in hetzelfde distrikt. Na 't verlies van den laatsten buffel hield hy zich nog eenige jaren staande door te werken met gehuurde ploegdieren. Maar dit is een zeer ondankbare arbeid, en bovenal verdrietig voor iemand die in 't bezit van eigen buffels geweest is. _Saïdjah_'s moeder stierf van verdriet, en toen maakte zyn vader in een moedeloos oogenblik zich weg uit _Lebak_ en uit _Bantam_, om werk te zoeken in 't _Buitenzorgsche_. Hy werd met rottingslagen gestraft omdat hy _Lebak_ verlaten had zonder pas, en door de policie teruggebracht naar _Badoer_. Hier werd hy in de gevangenis geworpen omdat men hem voor krankzinnig hield, wat zoo onverklaarbaar niet zou geweest zyn, en omdat men vreesde dat hy in een oogenblik van _matah-glap_, misschien _amokh_ maken of andere verkeerdheden begaan zou. Maar hy was niet lang gevangen, wyl hy kort daarop stierf.

Wat er geworden is van de broertjes en zusjes van _Saïdjah_, weet ik niet. Het huisje dat zy bewoonden te _Badoer_, stond eenigen tyd ledig, en spoedig viel het in, daar 't slechts van bamboe gebouwd was, en gedekt met _atap_. Een weinig stof en vuil dekte de plek waar veel geleden werd. Er zyn veel zulke plekken in _Lebak_.

_Saïdjah_ was reeds vyftien jaar, toen zyn vader naar _Buitenzorg_ vertrok. Hy had dezen niet daarheen vergezeld omdat hy grooter plannen in zyn gemoed omdroeg. Men had hem gezegd dat er te _Batavia_ zooveel heeren waren die in _bendies_ reden, en dat er dus misschien voor hem een dienst zou te vinden zyn als _bendie_-jongen, waartoe men gewoonlyk iemand kiest, die nog jong is en onvolwassen, om niet door te veel zwaarte achter op het tweewielig rytuig, 't evenwicht te breken. Er was, had men hem verzekerd, by goed gedrag veel te winnen in zoodanige bediening. Misschien zelfs zou hy op deze wyze binnen drie jaren geld kunnen oversparen, genoeg om twee buffels te koopen. Dit vooruitzicht lachte hem toe. Met fieren tred, zooals iemand gaat die groote zaken in den zin heeft, trad hy na 't vertrek zyns vaders by _Adinda_ binnen, en deelde haar zyn plan mede.

--Denk eens, zeide hy, als ik wederkom zullen wy oud genoeg zyn om te trouwen, en we zullen twee buffels hebben!

--Heel goed, _Saïdjah_! Ik wil gaarne met je trouwen als je terugkomt. Ik zal spinnen, en _sarongs_ en _slendangs_ weven, en _batikken_, en heel vlytig zyn al dien tyd.

--O, ik geloof je, _Adinda_! Maar ... als ik je getrouwd vind?

--_Saïdjah_, je weet immers wel dat ik met niemand trouwen zal. Myn vader heeft me toegezegd aan uw vader.

--En jyzelf?

--Ik zal trouwen met u, wees daar zeker van!

--Als ik terugkom, zal ik roepen in de verte ...

--Wie zal dat hooren, als we ryst stampen in 't dorp?

--Dat is waar. Maar _Adinda_ ... o ja, dit is beter: wacht me by het _djati_-bosch, onder den _ketapan_ waar je my de _melatti_ hebt gegeven.

--Maar, _Saïdjah_, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te wachten by den _ketapan_?

_Saïdjah_ bedacht zich een oogenblik, en zeide:

--Tel de manen. Ik zal uitblyven driemaal twaalf manen ... deze maan rekent niet mee. Zie, _Adinda_, kerf een streep in je rystblok by elke nieuwe maan. Als je driemaal twaalf strepen hebt ingesneden, zal ik den dag die dáárop volgt, aankomen onder den _ketapan_. Beloof je, dáár te zyn?

--Ja, _Saïdjah_! Ik zal onder den _ketapan_ by het djatibosch wezen als je terugkomt.

Nu scheurde _Saïdjah_ een strook van zyn blauwen hoofddoek, die zeer versleten was, en hy gaf dat stukje lynwaad aan _Adinda_, dat ze 't bewaren zou als een pand. En toen verliet hy haar en _Badoer_.

Hy liep vele dagen voort. Hy ging _Rangkas-Betoeng_ voorby, dat nog niet de hoofdplaats was van _Lebak_, en _Waroeng-Goenoeng_ waar toen de adsistent-resident woonde, en den volgenden dag zag hy _Pandeglang_ dat daar ligt als in een tuin. Weder een dag later kwam hy te _Serang_, aan, en stond verbaasd over de pracht van zulke groote plaats met vele huizen, gebouwd van steen, en gedekt met roode pannen. _Saïdjah_ had nooit zoo-iets gezien. Hy bleef daar een dag omdat hy vermoeid was, maar 's nachts in de koelte ging hy verder, en kwam tot _Tangerang_ den volgenden dag, voor nog de schaduw gedaald was tot zyn lippen, hoewel hy den grooten _toedoeng_, droeg, dien zyn vader hem had achtergelaten.

Te _Tangerang_ baadde hy zich in de rivier naby de overvaart, en hy rustte uit in 't huis van een bekende zyns vaders, die hem wees hoe men stroohoeden vlecht, even als die van Manilla komen.[144] Hy bleef daar een dag om dit te leeren, omdat hy bedacht hiermee later iets te kunnen verdienen, in-geval hy niet slagen mocht te _Batavia_. Den volgenden dag tegen den avend toen 't koel werd, bedankte hy zyn gastheer zeer, en ging verder. Zoodra 't geheel donker was, opdat niemand het zien zou, haalde hy het blad tevoorschyn, waarin hy de _melatti_ bewaarde, die _Adinda_ hem gegeven had onder den _ketapan_-boom. Want hy was bedroefd geworden omdat hy haar niet zien zou in zóó langen tyd. Den eersten dag, en ook den tweeden, had hy minder sterk gevoeld hoe alléén hy was, omdat zyn ziel geheel was ingenomen door 't groote denkbeeld geld te verdienen tot het koopen van twee buffels, daar zyn vader zelf nooit meer bezeten had dan één, en zyn gedachten richtten zich te veel op 't weerzien van _Adinda_, om plaats te bieden aan veel droefheids over 't afscheid. Hy had dat afscheid genomen in overspannen hoop, en in zyn gedachten het vastgeknoopt aan 't eindelyk terugzien onder den _ketapan_. Want zóó groote rol speelde het uitzicht op dat weerzien in zyn hart, dat hy, by 't verlaten van _Badoer_ dien boom voorbygaande, iets vroolyks voelde, als waren ze reeds voorby, de zes-en-dertig manen die hem scheidden van dat oogenblik. Het was hem voorgekomen dat hy slechts omtekeeren had alsof hy reeds terugkwam van de reis, om _Adinda_ te zien, hem wachtende onder dien boom.

Maar hoe verder hy zich verwyderde van _Badoer_, en hoe meer hy lette op den vreeselyken duur van één dag, hoe meer hy de zes-en-dertig manen die voor hem lagen, begon lang te vinden. Er was iets in zyn ziel, dat hem minder snel deed voortstappen. Hy voelde droefheid in zyn knieën, en al was 't geen moedeloosheid die hem overviel, het was toch weemoed die niet ver is van moedeloosheid. Hy dacht er aan, terugtekeeren, maar wat zou _Adinda_ zeggen van zóó weinig hart?

Daarom liep hy door, al ging hy minder snel-dan den eersten dag. Hy had de _melatti_ in de hand, en drukte die dikwyls tegen zyn borst. Hy was veel ouder geworden sedert drie dagen, en begreep niet meer hoe hy vroeger zoo kalm geleefd had, daar toch _Adinda_ zoo naby hem was en hy haar zien kon telkens en zoo lang hy wilde. Want nù zou hy niet kalm wezen als hy verwachten kon dat ze straks voor hem staan zou. En ook begreep hy niet dat hy na 't afscheid niet nogeens was teruggekeerd om haar nog éénmaal aantezien. Ook kwam hem voor den geest hoe hy nog kort geleden met haar getwist had over de koord die ze spon voor den _lalayang_ van haar broertjes, en die gebroken was omdat er, naar hy meende, een fout was in haar spinsel, waardoor een weddingschap was verloren gegaan tegen de kinderen uit _Tjipoeroet_. "Hoe was 't mogelyk, dacht hy, hierover boos te worden op _Adinda_? Want al hàd zy een fout gesponnen in de koord, en al ware de weddingschap van _Badoer_ tegen _Tjipoeroet_ verloren dáárdoor, en niet door de glasscherf--zoo ondeugend en handig dan geworpen door den kleinen _Djamien_ die zich verschool achter den _pagger_--had ik zelfs dàn zoo hard mogen wezen tegen haar, en haar noemen met onbehoorlyke namen? Wat zal 't zyn, als ik sterf te _Batavia_ zonder haar vergeving te hebben gevraagd voor zóó groote ruwheid? Zal 't niet wezen alsof ik een slecht mensch ben die scheldwoorden werpt op een meisje? En zal niet, als men hoort dat ik gestorven ben in een vreemd land, ieder te _Badoer_ zeggen: het is goed dat _Saïdjah_ stierf, want hy heeft een grooten mond gehad tegen _Adinda_?"

Zoo namen zyn gedachten een loop die veel verschilde van de vorige overspanning, en onwillekeurig uitten ze zich, eerst in halve woorden binnen'smonds, weldra in een alleenspraak, en eindelyk in den weemoedigen zang waarvan ik hier de vertaling laat volgen. Eerst was myn voornemen wat maat en rym te brengen in die overzetting, doch evenals Havelaar vind ik beter dat keurslyf wegtelaten.

"Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb de groote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was met myn vader om zout te maken. Als ik sterf op de zee, en men werpt myn lichaam in het diepe water, zullen er haaien komen. Ze zullen rondzwemmen om myn lyk, en vragen: "wie van ons zal het lichaam verslinden dat daar daalt in het water?"

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb het huis zien branden van _Pa-ansoe_, dat hyzelf had aangestoken omdat hy _mata-glap_ was. Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken hout neervallen op myn lyk. En buiten het huis zal een groot geroep zyn van menschen die water werpen om het vuur te dooden.

Ik zal 't niet hooren.

Ik weet niet waar ik sterven zal. Ik heb den kleinen _Si-oenah_ zien vallen uit den _klappa_-boom, toen hy een _klappa_ plukte voor zyne moeder. Als ik val uit een _klappa_-boom, zal ik dood nederliggen aan den voet, in de struiken, als _Si-oenah_. Dan zal myne moeder niet schreien, want zy is dood. Maar anderen zullen roepen: "zie, daar ligt _Saïdjah_! met harde stem.

Ik zal 't niet hooren.