Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 18

Chapter 183,733 wordsPublic domain

Maar nog een andere wyze bestond er om hem neertehalen van 't voetstuk waarop zyn omgeving--men mocht hem beminnen of niet--wel gedwongen was hem te plaatsen. "Ja, hy _is_ geestig, maar ... er is vluchtigheid in zyn geest." Of: "hy _is_ verstandig, maar ... hy gebruikt zyn verstand niet goed." Of: "ja, hy _is_ goedhartig, maar ... hy koketteert er mee!"

Voor zyn geest, voor zyn verstand, trek ik geen party. Maar zyn hart? Arme spartelende vliegjes die hy redde als hy geheel alleen was, wilt _gy_ dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?

Maar ge zyt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gy die niet weten kondet dat hy eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis!

Was 't koketterie van Havelaar, toen hy te _Natal_ een hond--_Sappho_ heette het dier--nasprong in de riviermonding, omdat hy vreesde dat het nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwyken die daar zoo menigvuldig zyn? Ik vind zulk koketteeren met goedhartigheid moeielyker te gelooven dan de goedhartigheid zelf.

Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt--wanneer ge niet verstyfd zyt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of verdroogd door de hitte daarginds onder de linie!--ik roep u op om getuigenis te geven van zyn hart, gy allen die hem hebt gekend! Thans vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer noodig hebt te zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neertehalen van welke luttele hoogte ook.[123]

Intusschen, hoe bont het schyne, zal ik hier plaats geven aan eenige regels van zyn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken. Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hy had haar in Indie moeten achterlaten, en bevond zich in Duitschland. Met de vlugheid die ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht willen aantasten, maakte hy zich meester van de taal des lands waar hy eenige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die te-gelyker-tyd de innigheid schetsen van den band die hem aan de zynen hechtte.

--Mein Kind, da schlägt die neunte Stunde, hör! Der Nachtwind säuselt, und die Luft wird kühl, Zu kühl für dich vielleicht: dein Stirnchen glüht! Du hast den ganzen Tag so wild gespielt, Und bist wohl müde, komm, dein _Tikar_ harret.[124]

--Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick! Es is so sanft zu ruhen hier... und dort, Da drin auf meiner Matte, schlaf' ich gleich, Und weiss nicht einmal was ich träume! Hier Kann ich doch gleich dir sagen was ich träume. Und fragen was mein Traum bedeutet... hör, Was war das?

--'s War ein _Klapper_ der da fiel.[28]

--Thut das dem Klapper weh?

--Ich glaube nicht. Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefühl.

--Doch eine Blume, fühlt die auch nicht?

--Nein, Man sagt, sie fühle nicht.

--Warum denn, Mutter, Als gestern ich die _Pukul ampat_ brach[125] Hast du gesagt: es thut der Blume weh?

--Mein Kind, die _Pukul ampat_ war so schön Du zogst die zarten Blättchen roh entzwei, Das that mir für die arme Blume leid. Wenn gleich die Blume selbst es nicht gefühlt, _Ich_ fühlt' es für die Blume, weil sie schön war.

--Doch, Mutter, bist du auch schön?

--Nein, mein Kind, Ich glaube nicht.

--Allein _du_ hast Gefühl?

--Ja, Menschen haben's... doch nicht allen gleich.

--Und kann _dir_ etwas weh thun? Thut dir's weh, Wenn dir im Schooss so schwer mein Köpfchen ruht?

--Nein, _das_ thut mir nicht weh!

--Und, Mutter, ich...

Hab' _ich_ Gefühl?

--Gewis! Erinn're dich Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein Dein Händchen hast verwundet, und geweint. Auch weintest du, als _Saudien_ dir erzählte[126] Dass auf den Hügeln dort, ein Schäflein tief In eine Schlucht hinunter fiel, und starb. Da hast du lang geweint... das war Gefühl.

--Doch, Mutter, ist Gefühl denn Schmerz?

--Ja, oft! Doch... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst, Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift, Und krähend dir 's Gesichtchen nahe drückt, Dann lachst du freudig, das ist auch Gefühl.

--Und dann mein Schwesterlein... es weint so oft, Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefühl? --Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht, Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.

--Doch, Mutter... höre, was war das?

--Ein Hirsch Der sich verspätet im Gebüsch, und jetzt Mit Eile heimwärts kehrt, und Ruhe sucht Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.

--Mutter, Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich? Und eine Mutter auch?

--Ich weiss nicht, Kind.

--Das würde traurig sein, wenn's nicht so wäre! Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im Strauch? Seh' wie es hüpft und tanzt... ist das ein Funk?

--'s Ist eine Feuerfliege.

--Darf ich 's fangen?

--Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart, Du wirst gewiss es weh thun, und sobald Du 's mit den Fingern all zu roh berührst, Ist 's Thierchen krank, und stirbt, und glänzt nicht mehr.

--Das wäre Schade! Nein, ich fang' es nicht! Seh', da verschwand es... nein, es kommt hierher... Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort, Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe! Da fliegt es... hoch! Hoch, oben... was ist das, Sind das auch Feuerflieglein dort?

--Das sind Die Sterne.

--Ein, und zehn, und tausend! Wieviel sind denn wohl da?

--Ich weiss es nicht Der Sterne Zahl hat Niemand noch gezählt.

--Sag', Mutter, zählt auch _Er_ die Sterne nicht?

--Nein, liebes Kind, auch _Er_ nicht.

--Is das weit, Dort oben wo die Sterne sind?

--Sehr weit!

--Doch haben diese Sterne auch Gefühl? Und würden sie, wenn ich sie mit der Hand Berührte, gleich erkranken, und den Glanz Verlieren, wie das Flieglein?--Seh', noch schwebt es! Sag, würd' es auch den Sternen weh thun?

--Nein, Weh thut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit Für deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.

--Kann _Er_ die Sterne fangen mit der Hand?

--Auch _Er_ nicht: das kann Niemand!

--Das ist Schade! Ich gäb so gern dir einen! Wenn ich gross bin, Dann will _ich so dich lieben das ich's_ kann.

Das Kind schlief ein. Ihm träumte von Gefühl, Von Sternen die es fasste mit der Hand.... Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch träumte Auch sie, und dacht' an den der fern war...

Ja, op 't gevaar af van bont te schynen, heb ik aan die regels hier plaats gegeven. Ik wensch geen gelegenheid te verzuimen om den man te doen kennen die de hoofdrol vervult in myn verhaal, opdat hy den lezer eenig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken over zyn hoofd.

VYFTIENDE HOOFDSTUK

Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hooge ongenade van de Regeering eenigszins scheen gevreesd te hebben--de man had veel kinderen, en geen vermogen--had alzoo liever met den resident _gesproken_ over wat hyzelf _verregaande_ misbruiken noemde, dan die ronduit te noemen in een officieel bericht. Hy wist dat een resident niet gaarne een schriftelyk rapport ontvangt, dat in zyn archief blyft liggen en later kan gelden als bewys dat hy tydig was opmerkzaam gemaakt op deze of gene verkeerdheid, terwyl een mondelinge mededeeling hem zonder gevaar de keus laat tusschen 't al of niet gevolg geven aan een klacht. Zulke mondelinge mededeelingen hadden gewoonlyk een onderhoud ten-gevolge met den Regent, die natuurlyk alles ontkende en op bewyzen aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van den _Adhipatti_, baden zy om verschooning. "Neen, die buffel was hun niet afgenomen om-niet, ze geloofden wel dat daarvoor een dubbelen prys zou betaald worden." "Neen, ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden in de _Sawahs_ van den Regent, ze wisten zeer goed dat de _Adhipatti_ hen later ruim zou beloond hebben." "Ze hadden hun aanklacht ingebracht in een oogenblik van ongegronden wrevel ... ze waren waanzinnig geweest, en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande oneerbiedigheid!"

Dan wist de resident wel wat hy over die intrekking der aanklacht te denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schoone gelegenheid om den Regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename taak bespaard de Regeering te "bemoeielyken" met een ongunstig bericht. De roekelooze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de Regent had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met het aangenaam bewustzyn die zaak alweer zoo goed "geschipperd" te hebben.

Maar wat moest nu de adsistent-resident doen, als den volgenden dag weer andere klagers zich by hem aanmeldden? Of--en dit geschiedde dikwyls--als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken? Moest hy _weder_ die zaak op zyn nota schryven, om _weder_ daarover te spreken met den resident, om _weder_ dezelfde komedie te zien spelen, alles op 't gevaar af van in het eind doortegaan voor iemand die--dom en boosaardig dan--telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zoo noodige vriendschappelyke verhouding tusschen 't voornaamst Inlandsch Hoofd en den eersten europeschen ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te geven aan valsche aanklachten tegen dat Hoofd? En vooral, wat werd er van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de macht van het distrikts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als uitvoerder van des Regents willekeur?

Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Dáárom zwierven er zooveel Bantammers in de naburige provincien! Dáárom waren er zooveel bewoners van _Lebak_ onder de opstandelingen in de _Lampongsche_ distrikten! Dáárom had Havelaar in zyn toespraak aan de Hoofden gevraagd: "wat is dit, dat er zooveel huizen ledig staan in de dorpen, en waarom verkiezen velen de schaduw der bosschen elders, boven de koelte der wouden van _Bantan Kidoel_?"

Doch niet ieder _kon_ vluchten. De man wiens lyk 's morgens de rivier afdreef, nadat hy den vorigen avend, in 't geheim, schoorvoetend, angstig, verzocht had om gehoor by den adsistent-resident ... hy had geen behoefte meer aan vlucht.[127] Misschien ware het als menschlievendheid te achten, hem door oogenblikkelyken dood te onttrekken aan nog eenigen tyd levens. Hem bleef de mishandeling gespaard die hem wachtte by terugkeer in zyn dorp, en de rottingslagen die de straffe zyn voor al wie een oogenblik meenen kon geen beest te wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straffe van wie in een aanval van dwaasheid geloofd had dat er _Recht_ in 't land was, en dat de adsistent-resident den wil had, en de macht, om dat Recht te handhaven ...

Was 't, niet inderdaad beter dien man te beletten den volgenden dag by den adsistent-resident terugtekeeren--zooals deze hem 's avends zeggen liet--en zyn klachte te smoren in 't gele water van den _Tjioedjoeng_, dat hem zachtkens zou afvoeren naar hare monding, gewoon als ze was overbrengster te wezen van die broederlyke groetgeschenken der haaien in 't binnenland aan de haaien in zee?

En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zyn gemoed omging by 't bedenken dat hy tot recht-doen geroepen, en daarvoor verantwoordelyk was aan een hoogere macht dan de macht van een Regeering die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altyd even gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hy werd geslingerd door twyfel, niet aan wàt hem te doen stond, maar aan de _wyze waarop_ hy te handelen had?[128]

Hy had aangevangen met zachtheid. Hy had tot den _Adhipatti_ gesproken als: "ouder broeder" en wie meenen mocht dat ik, ingenomen met den held myner geschiedenis, de wyze waarop hy sprak, tracht te verheffen boven maat, hoore hoe eens na zoodanig onderhoud, de Regent zyn _Patteh_ tot hem zond om voor de welwillendheid zyner woorden dank te zeggen, en hoe nog lang daarna die _Patteh_, sprekende met den kontroleur Verbrugge--nadat Havelaar had opgehouden adsistent-resident van _Lebak_ te zyn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vreezen was--hoe die _Patteh_ by de herinnering aan zyn woorden getroffen uitriep: "nog nooit heeft eenig heer gesproken als hy!"[129]

Ja, hy wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hy had medelyden met den Regent. Hy, die wist hoe geldgebrek kan drukken, vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van verschooning. De Regent was oud, en 't Hoofd van een geslacht dat op grooten voet leefde in naburige provincien, waar veel koffi geoogst en dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in levenswys zoo ver te moeten achterstaan by zyn jongere verwanten? Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerscht, by 't klimmen zyner jaren het heil van zyn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en voor aalmoezen aan gebedzingende leegloopers te kunnen inkoopen. De ambtenaren die Havelaar in _Lebak_ waren voorafgegaan, hadden niet altyd goede voorbeelden gegeven. En eindelyk maakte de uitgebreidheid der _Lebaksche_ familie van den Regent, die geheel ten-zynen laste leefde, hem het terugkeeren tot den goeden weg moeielyk.

Zóó zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uittestellen, en nog-eens en nòg-eens te beproeven wat er kon bereikt worden met zachtheid.

En hy ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de fouten herinnerde waardoor hy zoo arm gemaakt was, schoot hy den Regent gedurig op eigen verantwoordelykheid geld voor, opdat niet behoefte al te sterk zou dringen tot vergryp, en hy vergat als gewoonlyk zich zelf zóó ver dat hy aanbood zich en de zynen tot het strikt noodige te bekrimpen, om den Regent ter-hulpe te komen met het weinige dat hy nog van zyn inkomsten zou kunnen uitsparen.

Indien 't nog noodig schynen mocht, de zachtmoedigheid te bewyzen waarmee Havelaar zyn moeielyken plicht vervulde, zou dit bewys kunnen gevonden worden in een mondelinge boodschap die hy den kontroleur opdroeg, toen deze eens naar _Serang_ zou vertrekken: "zeg den resident, dat hy, hoorende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet geloove dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond officieele melding omdat ik den Regent, met wien ik medelyden heb, wensch te bewaren voor te groote strengheid, daar ik eerst beproeven wil hem door zachtheid tot zyn plicht te brengen."[130]

Havelaar bleef dikwyls dagen achtereen uit. Als hy te-huis was, vond men hem meestal in de kamer die wy op onzen platten grond vinden voorgesteld door 't zevende vak. Daar zat hy gewoonlyk te schryven, en ontving de personen die om gehoor lieten vragen. Hy had die plek gekozen omdat hy daar in de nabyheid was van zyn Tine die zich gewoonlyk in de kamer daarnaast ophield. Want zóó innig waren zy verbonden dat Max, ook als hy bezig was met eenigen arbeid die aandacht en inspanning vorderde, gedurig behoefte voelde haar te zien of te hooren. Het was dikwyls koddig hoe hy op-eenmaal tot haar een woord richtte dat in zyn gedachten over de onderwerpen die hem bezig-hielden opkwam, en hoe snel zy, zonder te weten wat hy behandelde, den zin van zyn meening wist te vatten, die hy haar dan ook gewoonlyk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zy wel weten zou wat hy bedoelde. Dikwyls ook, als hy ontevreden was over eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hy op en zeide iets onvriendelyks tot haar ... die toch geen schuld had aan zyn ontevredenheid! Maar dit hoorde zy gaarne omdat het een bewys te meer was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er spraak van berouw over zoodanige schynbare hardheid, of van vergiffenis aan de andere zyde. Dit zou hun geweest zyn, als hadde iemand vergeving gevraagd aan zichzelf, omdat hy in wrevel zich had geslagen voor zyn eigen hoofd.

Zy kende hem dan ook zoo goed, dat ze juist wist wanneer ze dáár moest zyn om hem een oogenblik verpoozing te verschaffen ... juist, wanneer hy behoefte had aan haren raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen moest laten.

In die kamer zat Havelaar op zekeren morgen toen de kontroleur by hem binnentrad, met een zoo-even ontvangen brief in de hand.

--Dat is een moeielyke zaak, m'nheer Havelaar, zeide hy onder 't binnentreden. Zeer moeielyk!

Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om optehelderen waarom er een verandering was gekomen in de pryzen van houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de kontroleur Verbrugge al zeer spoedig iets moeielyk vond. Ik haast me dus hierby te voegen dat veel anderen evenzeer moeielykheid zouden gevonden hebben in 't beantwoorden van die eenvoudige vraag.

Voor eenige jaren was er te _Rangkas-Betoeng_ een gevangenis gebouwd. Nu is 't van algemeene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van Java de kunst verstaan gebouwen opterichten die duizenden waard zyn, zonder meer dan even zooveel honderden daarvoor uittegeven. Men verkrygt daardoor den roep van bekwaamheid en yver voor 's lands dienst. Het verschil tusschen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalden arbeid. Sedert eenige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden. Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de Regeering zelf _wil_ dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend werken zou op de begrooting van 't bouwdepartement? Het zal hiermede wel gaan zooals met veel andere voorschriften die er zoo menschlievend uitzien op 't papier.

Nu moesten er te _Rangkas-Betoeng_ nog veel andere gebouwen worden opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselyke pryzen der arbeidsloonen en materialen. Havelaar had den kontroleur belast met een nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de pryzen optegeven naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen Verbrugge aan dezen last had voldaan, bleek er dat die pryzen niet overeen kwamen met de opgaven van eenige jaren vroeger. Van dit verschil nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zoo moeielyk. Havelaar, die zeer goed wist wat er achter deze schynbaar eenvoudige zaak schuilde, antwoordde dat hy zyn denkbeelden over die moeielykheid schriftelyk zou meedeelen, en ik vind onder de voor my liggende stukken een afschrift van den brief die 't gevolg schynt van deze toezegging.

Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een korrespondentie over de pryzen van houtwerken, waarmee hy schynbaar niet te maken heeft, moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlyk spraak is van geheel iets anders, _van den toestand namelyk der ambtelyke Indische huishouding_, en dat de brief dien ik meedeel niet alleen een straal van licht te meer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik gesproken heb, maar tevens de moeielykheden schetst, waarmee iemand te kampen had die zooals Havelaar rechtuit en zonder omzien zyn weg wilde gaan.

"N° 114 _Rangkas-Betoeng_, 15 Maart 1856.

_Aan den Kontroleur van Lebak_.

Toen ik den brief van den Direkteur der Openbare-Werken, van den 16den Februari l.l., N° 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht het daarby gevraagde, na overleg met den Regent, te beantwoorden met in-achtneming van wat ik schreef in myn missive van 5 dezer N° 97.

Die missive bevatte eenige algemeene wenken omtrent hetgeen als billyk en rechtvaardig te beschouwen is by 't bepalen der pryzen van materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van, het Bestuur.

By uwe missive van 8 dezer, N° 6, hebt ge daaraan--en naar ik geloof, volgens uw beste weten--voldaan, zoodat ik, vertrouwende op uw lokale kennis en die des Regents, die opgaven, zooals ze door u waren gesteld, den resident heb aangeboden.

Daarop volgde eene missive van dien hoofdambtenaar, van 11 dezer, N° 326, waarby inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het verschil tusschen de door my opgegeven pryzen, en die welke in 1853 en 1854 by het opbouwen eener gevangenis besteed werden?

Ik stelde natuurlyk dien brief in uwe handen, en gelastte u mondeling, alsnu uwe opgave te justificeeren, hetgeen u te minder moeielyk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften u in myn schryven van den 5en dezer gegeven, en die we mondeling meermalen uitvoerig bespraken.

Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelyk.

Maar gisteren kwaamt ge ten-mynen-kantore, met den gerenvoieerden brief des residents in de hand, en begon te spreken over de moeielykheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde by u wederom zekeren schroom om sommige zaken by den waren naam te noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder anderen onlangs in tegenwoordigheid van den resident, iets wat ik ter bekorting _halfheid_ noem, en waartegen ik u reeds dikwyls vriendschappelyk waarschuwde.

Halfheid leidt tot niets. _Half_-goed is niet goed. _Half_-waar is _on_-waar.

Voor vol traktement, voor vollen rang, na een duidelyken _volledigen_ eed, doe men zyn vollen plicht.

Is er soms moed noodig dien te volvoeren, men bezitte dien.

Ik voor my zou den moed niet hebben dien moed te missen. Want, afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelyker omwegen, de zucht om altyd en overal botsing te ontgaan, de begeerte om te "schipperen" meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op den rechten weg ontmoeten zal. Gedurende den loop eener zeer belangryke zaak, die thans by 't Gouvernement in overweging is, en waarin gy eigenlyk ambtshalve behoorde betrokken te zyn, heb ik u stilzwygend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van-tyd tot-tyd daarop gezinspeeld.

Toen, by-voorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en hongersnood onder de bevolking by my was ingekomen, en ik daarop schreef: "_dit alles moge de waarheid zyn, het is niet_ al _de waarheid, noch de_ voornaamste _waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper_" stemde gy dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van myn _recht_, te eischen dat ge dan ook die hoofdwaarheid _noemen_ zoudt.

Ik had tot myn inschikkelykheid vele redenen, en onder anderen deze, dat ik 't onbillyk vond op-eenmaal iets van _U_ te vorderen, wat vele anderen in uw plaats evenmin zouden presteeren, _U_ te dwingen zoo op-eenmaal de routine van achterhoudendheid en menschenvrees vaarwel te zeggen, die niet zoozeer _uw_ schuld is als wel die der leiding welke u te beurt viel. Ik wilde eindelyk eerst u een voorbeeld geven hoeveel eenvoudiger en gemakkelyker het is, zyn plicht _geheel_ te doen dan _half_."

Thans echter, nu ik de eer heb u weder zooveel dagen langer onder myn bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelyk in de gelegenheid stelde, principes te leeren kennen die--tenzy ik dwaal--ten-laatste zullen zegevieren[131] wenschte ik dat ge die aannaamt, dat gy u de niet ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maakte die er noodig schynt om altyd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er te zeggen valt, en dat ge dus geheel-en-al varen liet dien onmannelyken schroom om flink voor een zaak uittekomen.

Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar _volledige_ opgave van wat u voorkomt de oorzaak te wezen van 't prysverschil tusschen _nu_ en 1853 of 1854.