Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Part 10

Chapter 103,733 wordsPublic domain

"Hy was goed en rechtvaardig. Hy sprak recht en verstootte den klager niet van zyn deur. Hy hoorde geduldig aan, wie tot hem kwam, en gaf weder wat ontnomen was. En wie den ploeg niet dryven kon door den grond omdat de buffel uit den stal was gehaald, hielp hy zoeken naar den buffel. En waar de dochter was geroofd uit het huis der moeder, zocht hy den dief en bracht de dochter weder. En waar men gearbeid had onthield hy het loon niet, en hy ontnam de vruchten niet aan wie den boom geplant hadden. Hy kleedde zich niet met het kleed dat anderen dekken moest, noch voedde zich met voedsel dat den arme behoorde."

Dan zal men zeggen in de dorpen--"Allah is groot, Allah heeft hem tot zich genomen. Zyn wil geschiedde ... er is een goed mensch gestorven."

Doch andermaal zal de voorbyganger stilstaan voor een huis, en vragen, "wat is dit, dat de _gamlang_ zwygt, en het gezang der meisjes?" En wederom zal men zeggen: er is een man gestorven."

En wie rondreist in de dorpen, zal 's avends zitten by zyn gastheer, en om hem heen de zonen en dochteren van het huis, en de kinderen van wie het dorp bewonen, en hy zal zeggen:

"Daar stierf een man die beloofde rechtvaardig te zyn, en hy verkocht het recht aan wie hem geld gaf. Hy mestte zyn akker met het zweet van den arbeider dien hy had afgeroepen van den akker des arbeids. Hy onthield den werkman zyn loon, en voedde zich met het voedsel van den arme. Hy is ryk geworden van de armoede der anderen. Hy had veel gouds en zilvers en edele steenen in menigte, doch de landbouwer die in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stillen van zyn kind. Hy glimlachte als een gelukkig mensch, maar men hoorde gekners tusschen de tanden van den klager die recht zocht. Er was tevredenheid op zyn gelaat, maar geen zog in de borsten der moeders die zoogden."

Dan zullen de bewoners der dorpen zeggen: "Allah is groot ... wy vloeken niemand!"

Hoofden van _Lebak_, eens sterven wy allen!

Wat zal er gezegd worden in de dorpen waar wy gezag hadden? En wàt door de voorbygangers die de begrafenis aanschouwen?

En wat zullen wy antwoorden, als er na onzen dood een stem spreekt tot onze ziel, en vraagt: "waarom is er geween in de velden, en waarom verbergen zich de jongelingen? Wie nam den oogst uit de schuren, en uit de stallen den buffel die het veld ploegen zou? Wat hebt gy gedaan met den broeder dien ik u gaf te bewaken? Waarom is de arme treurig en vloekt de vruchtbaarheid zyner vrouw?"

Hier hield Havelaar weder op, en na eenig zwygen ging hy op de eenvoudigsten toon van de wereld, en als had er volstrekt niets dat indruk maken moest, voort:

--Ik wenschte gaarne in goede verstandhouding met u te leven, en daarom verzoek ik u my te beschouwen als een vriend. Wie gedwaald mocht hebben kan op een zacht oordeel van myn kant staat-maken, want daar ik zelf zo menig keer dwaal, zal ik niet streng zyn ... niet althans in de gewone dienstvergrypen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van groveren aard ... over knevelary en onderdrukking, spreek ik niet. Zoo-iets zal niet voorkomen niet waar, m'nheer de _Adhipatti_?

--O neen, mynheer de adsistent-resident, zoo-iets zal niet voorkomen in _Lebak_.

--Welnu dan, myne heeren Hoofden van _Bantan-Kidoel_, laat ons verheugd zyn dat onze Afdeeling zoo verachterd en zoo arm is. Wy hebben iets schoons te doen. Als Allah ons in 't leven spaart, zullen wy zorg dragen dat er welvaart kome. De grond is vruchtbaar genoeg, en de bevolking gewillig. Als ieder in 't genot wordt gelaten van de vruchten zyner inspanning, lydt het geen twyfel dat binnen weinig tyds de bevolking zal toenemen, zoo in zielental als in bezittingen en beschaving, want dit gaat veelal hand-aan-hand. Ik verzoek u nogmaals my te beschouwen als een vriend die u helpen zal waar hy kan, vooral waar onrecht moet worden te-keer gegaan. En hiermede beveel ik my zeer aan in uwe medewerking.

Ik zal u de ontvangen berichten over Landbouw, Veeteelt, Politie en justitie met myn beschikkingen doen teruggeworden.

Hoofden van _Bantan-Kidoel_! Ik heb gezegd. Ge kunt terugkeeren, ieder naar zyne woning. Ik groet u allen zeer![65]

Hy boog, bood den ouden Regent den arm, en geleidde hem over het erf naar 't woonhuis, waar Tine hem stond te wachten in de voorgalery.

--Kom, Verbrugge, ga nog niet naar huis! Kom ... een glas Madera? En ... ja, dit moet ik weten, _Radhen Djaksa_, hoor eens!

Havelaar riep dit, toen alle Hoofden na veel buigingen zich gereed maakten naar hun woningen terug te keeren. Ook Verbrugge stond op 't punt het erf te verlaten, doch keerde met den _Djaksa_ terug.

--Tine, ik wil madera drinken, Verbrugge ook. _Djaksa_, laat hooren, wat hebt ge toch aan den _Kliwon_ over myn kleinen jongen gezegd?

--_Mintah ampong_[66] mynheer de adsistent-resident, ik bezag zyn hoofd omdat mynheer gesproken had.

--Wat drommel heeft zyn hoofd daarmee te maken. Ik weet zelf al niet meer wat ik gezegd heb.

--Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ ...

Tine schoof by: er werd over kleinen Max gesproken.

--Mynheer, ik zeide tot den _Kliwon_ dat de _Sienjo_[67] een koningskind was.

Dàt deed Tine goed: zy vond het ook!

De _Adhipatti_ bezag 't hoofd van den kleine, en inderdaad, ook hy zag op de kruin den dubbelen haarwervel die, naar 't bygeloof op Java, bestemd is een kroon te dragen.

Daar de etikette niet toeliet den _Djaksa_ een plaats aantebieden in tegenwoordigheid van den Regent, nam hy afscheid, en men was eenigen tyd by-een zonder iets aanteroeren dat betrekking had op den "dienst." Maar op-eenmaal--en dus in stryd met den zoo uitermate hoffelyken volksaard --vroeg de Regent of zekere gelden die de belasting-kollekteur te-goed had, niet konden worden uitbetaald?

--Wel neen, riep Verbrugge, mynheer de _Adhipatti_ weet dat dit niet geschieden mag voor zyn verantwoording afgeloopen is.

Havelaar speelde met Max. Maar er bleek dat dit hem niet belette op 't gelaat van den Regent te lezen dat Verbrugge's antwoord hem niet aanstond.

--Kom, Verbrugge, laat ons niet lastig wezen, zeide hy. En hy liet een klerk van 't kantoor roepen. We zullen dat maar uitbetalen ... die verantwoording zal wel goedgekeurd worden.

Nadat de Adhipatti vertrokken was, zei Verbrugge, die veel hield van de staatsbladen:

--Maar, m'nheer Havelaar, dat mag niet! De verantwoording van den kollekteur is nog altyd te _Serang_ in onderzoek ... als nu eens daaraan iets ontbreekt?

--Dan leg ik 't er by, zei Havelaar.

Verbrugge begreep maar niet waaruit deze groote inschikkelykheid voor den belasting-kollekteur geboren werd. De klerk kwam weldra met eenig geschryf terug. Havelaar teekende, en zei dat men spoed moest maken met die uitbetaling.

--Verbrugge, ik zal je zeggen waarom ik dit doe! De Regent heeft geen duit in huis: zyn schryver heeft het my gezegd, en bovendien ... dat brusque vragen! De zaak is duidelyk. _Hyzelf_ heeft dat geld noodig, en de kollekteur wil 't hem voorschieten. Ik overtreed liever op eigen verantwoordelykheid een vorm, dan dat ik een man van zyn rang en jaren in verlegenheid laten zou. Bovendien, Verbrugge, er wordt in _Lebak_ gruwelyk misbruik gemaakt van gezag. Dit moet je weten. Weet je 't?

Verbrugge zweeg. Hy wist het.[68]

--Ik weet het, ging Havelaar voort, _ik weet het_! Is niet m'nheer Slotering gestorven in November? Welnu, _den dag na zyn dood_ heeft de regent volk opgeroepen om zyn _Sawahs_ te bewerken ... zonder betaling! Ge hadt dit moeten weten, Verbrugge. _Wist_ je 't?

Dit wist Verbrugge niet.

Als kontroleur hadt je 't _moeten_ weten! Ik weet het, ging Havelaar voort. Dáár liggen de maandstaten van de distrikten--en hy toonde 't pak geschryf dat hy ontvangen had in de vergadering--zie, ik heb niets geopend. Daarin zyn, onder andere zaken, de opgaven van op de hoofdplaats geleverde arbeiders tot heeredienst. Welnu, zyn die opgaven juist?

--Ik heb ze nog niet gezien ...

--Ik ook niet! Maar toch vraag ik je of ze juist zyn? Waren de opgaven van de vorige maand juist?

Verbrugge zweeg.

--Ik zal 't je zeggen: ze waren _valsch_! Want er was driemaal meer volk opgeroepen om voor den Regent te werken dan de bepalingen op de heerediensten toelaten, en dit durfde men natuurlyk in de staten niet opgeven. Is 't waar, wat ik zeg?

Verbrugge zweeg.

--Ook de staten die ik vandaag ontving, zyn valsch, ging Havelaar voort. De Regent is arm. De Regenten van _Bogor (Buitenzorg)_ en _Tjiandjoer_[69] zyn leden van 't geslacht waarvan hy 't hoofd is. Die laatste heeft slechts rang van _Tommongong_, onze Regent is _Adhipatti_, en toch laten zyn inkomsten, omdat _Lebak_ niet geschikt is voor koffi en hem dus geen emolumenten opbrengt, niet toe in praal en luister te wedyveren met een eenvoudigen _Dhemang_ in de _Preanger_, die den stygbeugel houden zou als zyn neven te-paard stygen. Is dit waar?

--Ja, dit is zoo.

--Hy heeft niets dan zyn traktement, en hierop is een korting ter afbetaling van een voorschot dat de Regeering hem gegeven heeft, toen hy ... _weet_ je 't?

--Ja, ik weet het.

--Toen hy een nieuwe _medsjid_ wilde laten bouwen, waartoe veel geld noodig was. Bovendien, veel leden zyner familie ... _weet_ je 't?

--Ja, dat weet ik.

--Veel leden van zyn familie--die eigenlyk niet in 't _Lebaksche_ te-huis behoort, en daarom ook by 't volk niet gezien is--scharen zich als een plunderbende om hem heen, en persen hem geld af. Is dit waar?

--'t Is de waarheid, zei Verbrugge.

--En als zyn kas ledig is, wat dikwyls gebeurt, nemen zy _in zyn naam_ de bevolking af, wat hun aanstaat. Is dit zoo?

--Ja, het is zoo.

--Ik ben dus goed onderricht, doch daarover nader. De Regent, die in jaren klimmende den dood vreest, wordt beheerscht door de zucht zich verdienstelyk te maken door giften aan geestelyken. Hy geeft veel geld uit voorreiskosten van pelgrims naar Mekka, die hem allerlei vodden van relieken, talismans en _djimats_[70] terugbrengen. Is 't niet zoo?

--Ja, dat is waar.

--Welnu, door dit alles is hy zoo arm. De _Dhemang_ van _Parang-Koedjang_, is zyn schoonzoon. Waar de Regent zelf uit schaamte voor zyn rang niet durft nemen, is het die--_Dhemang_,--maar hy is 't niet alléén--die aan den _Adhipatti_ zyn hof maakt door 't afpersen van geld en goed aan de arme bevolking, en door de lieden wegtehalen van hun eigen rystvelden om ze heentedryven naar de _sawahs_ van den Regent. En deze ... zie, ik wil gelooven dat hy gaarne anders wilde, maar de nood dwingt hem gebruik te maken van zulke middelen. Is dit alles niet waar, Verbrugge?

--Ja, 't is waar, zei Verbrugge, die hoe langer hoe meer begon intezien dat Havelaars blik scherp was.

--Ik wist, vervolgde deze, dat hy geen geld in huis had, toen hy zoo-even over de afrekening met den onderkollekteur begon te spreken. Ge hebt heden morgen gehoord dat het myn voornemen is, myn plicht te doen. Onrecht duld ik niet, by God, dat duld ik niet!

En hy sprong op, en er was in zyn toon geheel iets anders dan den vorigen dag by zyn _officieelen_ eed.

--Maar, ging hy voort, ik wil myn plicht doen met zachtheid. Ik wil niet te nauwkeurig weten wat geschied _is_. Doch wat _van heden af_ geschiedt, is ter _myner_ verantwoording, daarvoor zal _ik_ zorg dragen! Ik hoop lang hier te blyven. Weet je wel, Verbrugge dat onze roeping heerlyk schoon is? Maar weet je ook wel dat ik alles wat ik je zoo-even zei, eigenlyk van _u_ had moeten hooren? Ik ken u even goed als ik weet wie er _garem glap_ maken aan de zuidkust.[71] Je bent een braaf mensch ... ook dit weet ik. Maar waarom heb je my niet gezegd dat hier zooveel verkeerds was? Gedurende twee maanden ben je waarnemend adsistent-resident geweest, en bovendien reeds lang hier als kontroleur ... je moest het dus weten, niet waar?

--M'nheer Havelaar, ik heb nooit gediend onder iemand als u. Ge hebt iets zeer byzonders, neem het me niet kwalyk.

--Volstrekt niet! Ik weet wel dat ik niet ben als alle menschen, maar wat doet dit tot de zaak?

--Dat doet er dit toe, dat u iemand begrippen en denkbeelden meedeelt, die vroeger niet bestonden.

--Neen! Die ingesluimerd waren door den vervloekten officieelen _slender_ die zyn styl zoekt in "_ik heb de eer_" en de rust van zyn geweten in "_de hooge tevredenheid van de Regeering_." Neen, Verbrugge! laster jezelf niet! Je behoeft van my niets te leeren. Heb ik je by-voorbeeld heden morgen in de _Sebah_ iets nieuws verteld?

--Neen, nieuws niet, maar u sprak anders dan anderen.

--Ja, dat komt ... omdat myn opvoeding wat verwaarloosd is: ik spreek te-hooi en te-gras. Maar je zoudt me zeggen waarom je tot-nog-toe zoo berust hebt in alles wat er verkeerds was in _Lebak_.

--Ik heb nooit zoo den indruk gehad van een _initiatief_. Bovendien, dat alles is altyd zoo geweest in deze streken.

--Ja, ja, dat weet ik wel! Ieder kan geen profeet of apostel wezen ... hm, 't hout zou duur worden van 't kruisigen! Maar je wilt me toch wel helpen alles te-recht te brengen? je wilt toch wel je _plicht_ doen?

--Zeker! Vooral by u. Maar niet ieder zou dit zoo streng vorderen of zelfs goed opvatten, en dan komt men zoo ligt in de pozitie van iemand die windmolens bestrydt.

--Neen! Dan zeggen zy die 't onrecht liefhebben omdat ze daarvan leven, dat er geen onrecht _was_, om 't vermaak te hebben u en my uittemaken voor Don Quichotten, en te-gelyker-tyd _hun_ windmolens draaiende te houden. Doch, Verbrugge, je hadt niet op _my_ hoeven te wachten om je plicht te doen! M'nheer Slotering was een bekwaam en eerlyk man: hy wist wat er omging, hy keurde het af en verzette zich er tegen ... ziehier!

Havelaar nam uit een portefeuille twee vellen papier, en deze aan Verbrugge tonende, vroeg hy:

--Wiens hand is dit?

--Dat is de hand van m'nheer Slotering.

--Juist! Welnu, dit zyn kladnotaas, bevattende blykbaar onderwerpen waarover hy met den resident spreken wilde. Daar lees ik ... zie: 1°_Over den rijstbouw_. 2° _Over de woningen der dorpshoofden_. 3°_Over het innen der landrenten, enz._ Daar achter staan twee uitroepingsteekens. Wat bedoelde m'nheer Slotering daarmee?

--Hoe kan _ik_ dat weten? riep Verbrugge.

--Ik wel! Dit beduidt dat er veel meer landrenten worden opgebracht, dan er in 'slands kas vloeien. Doch ik zal je dan iets tonen dat wy beiden weten, omdat het in letters en niet in teekens geschreven is. Ziehier:

"12°_Over het misbruik dat door de regenten en mindere hoofden van de bevolking wordt gemaakt. (Over het houden van verschillende woningen ten-koste der bevolking, enz.)_"

Is dit duidelyk? Ge ziet dat de heer Slotering wèl iemand was, die een _initiatief_ wist te nemen, je had je dus by hem kunnen aansluiten. Luister verder:

"15° _Dat vele personen van de familien en bedienden der inlandsche hoofden op de uitbetalingstaten voorkomen, die inderdaad geen deel nemen in de kultuur, zoodat de voordeelen hiervan hun ten-deel vallen, ten préjudice van de werkelijke deelhebbers. Ook worden zij gesteld in het onrechtmatig, bezit van sawah-velden, terwijl die alleen toekomen aan degenen, die aandeel hebben in de kultuur_."

Hier heb ik een andere nota, en wel in potlood. Zie eens, ook dáárop staat iets zeer duidelyks:

"_De verloop van volk te Parang-Koedjang is alleen toeteschryven aan het VERREGAAND misbruik, dat van de bevolking wordt gemaakt_."

Wat zegje dáárvan? Ziet ge wel dat ik niet zoo excentriek ben als 't schynt, wanneer ik werk maak van recht? Zie je nu dat ook anderen dit deden?[72]

--Het is waar, zei Verbrugge, de heer Slotering heeft den resident dikwyls over dat alles gesproken.

--En wat volgde daarop?

--Dan werd de Regent geroepen: er werd _geaboucheerd_ ...

--Juist! En verder?

--De Regent ontkende gewoonlyk alles. Dan moesten er getuigen komen ... niemand durfde tegen den Regent getuigen ...--och, m'nheer Havelaar, die zaken zyn zoo moeielyk!

De lezer zal, vóór hy myn boek heeft uitgelezen, even goed als Verbrugge weten waarom die zaken zoo byzonder moeielyk waren.

--Mynheer Slotering had er veel ergernis over, vervolgde de kontroleur, hy schreef scherpe brieven aan de Hoofden ...

--Ik heb ze gelezen ... heden nacht, zei Havelaar.[73]

--En ik heb hem dikwyls hooren zeggen dat hy, als er geen verandering kwam, en als de resident niet _doortastte_ zich rechtstreeks zou wenden tot den Gouverneur-generaal. Dit heeft hy ook aan de Hoofden zelf gezegd op den laatsten _Sebah_ dien hy heeft voorgezeten.

--Daaraan zou hy zeer verkeerd hebben gedaan. De resident was zyn chef dien hy in geen geval mocht voorbygaan. En waarom zou hy dat ook? Het is toch niet te veronderstellen dat de resident van _Bantam_ onrecht en willekeur zou goedkeuren?

--Goedkeuren ... neen! Maar men klaagt niet gaarne by de Regeering een Hoofd aan.

--Ik klaag niet gaarne iemand aan, wien ook, maar als 't _moet_, een Hoofd zoo goed als een ander. Doch van aanklagen is nu hier, goddank, nog geen spraak! Morgen ga ik den Regent bezoeken. Ik zal hem 't verkeerde van onwettige gezagsoefening onder 't oog brengen, vooral waar 't om de bezitting van arme menschen te doen is. Maar in afwachting dat alles te-recht komt, zal ik hem in zyn netelige omstandigheden helpen zooveel ik kan. Je begrypt nu immers waarom ik dat geld aan den kollekteur dadelyk heb laten uitbetalen, niet waar? Ook ben ik van voornemen aan de Regeering te verzoeken, den Regent zyn voorschot kwytteschelden.[74] En u, Verbrugge, stel ik voor, gezamenlyk stipt onzen plicht te doen. Zoolang 't kàn, met zachtheid, maar als 't _moet_, zonder vrees! Je bent een eerlyk man, dit weet ik, maar je bent beschroomd. Zeg voortaan flink uit waar 't op staat, _advienne que pourra_! Werp die halfheid van je, beste kerel ... en nu, blyf by ons eten: we hebben hollandsche bloemkool in blik ... maar alles is zeer eenvoudig, want ik moet heel zuinig zyn ... ik ben erg ten-achter in geldzaken: de reis naar Europa, weetje? Kom, Max ... sakkerloot, jongen, wat word je zwaar!

En, met Max te-paard op zyn schouder, trad hy, gevolgd door Verbrugge, de binnengalery in, waar Tine hen wachtte aan den gedekten disch die, zooals Havelaar gezegd had, wel _zeer_ eenvoudig was! Duclari, die aan Verbrugge kwam vragen of hy al dan niet dacht thuis te zyn voor 't middagmaal, werd meegenoodigd aan-tafel, en wanneer de lezer gesteld is op wat afwisseling in myn vertelling, wordt hy naar 't volgend hoofdstuk verwezen, waarin ik meedeel wat er zoo-al gesproken werd by dat maal.

NEGENDE HOOFDSTUK

Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, by de beschryving van een kasteel, myn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te wachten tot het mensch op den grond kwam? Als ik in myn verhaal zulk een luchtsprong noodig had, zou ik voorzichtigheidshalve nog altyd een eerste verdieping kiezen als uitgangspunt van haar sprong, en een kasteel waarvan weinig te zeggen viel. Wees echter voorloopig gerust: Havelaars huis had geen verdieping, en de heldin van myn boek--goede hemel, de lieve trouwe _anspruchlose_ Tine, een heldin!--is nooit uit een venster gesprongen.

Toen ik 't vorig hoofdstuk sloot met een aanwyzing op wat afwisseling in het volgende, was dit eigenlyk meer een oratorische kunstgreep, en om een slot te maken dat goed "knipte" dan wel omdat ik inderdaad meende dat het volgend hoofdstuk alleen "ter afwisseling" waarde hebben zou. Een schryver is ydel als ... een man. Spreek kwaad van zyn moeder of van de kleur zyner haren, zeg dat hy een amsterdamsch accent heeft--wat nooit een Amsterdammer toestemt--wellicht vergeeft hy u die dingen. Maar ... roer nooit aan de buitenzy van 't kleinste onderdeel eener byzaak van iets dat er lag naast zyn geschryf ... want dàt vergeeft hy u niet! Als ge dus myn boek niet schoon vindt, en ge mocht my ontmoeten, houd u dan alsof wy elkander niet kenden.

Neen, zelfs zulk een hoofdstuk "ter afwisseling" komt me door het vergrootglas myner schryvers-ydelheid, hoogst belangryk en zelfs onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behooren waart ingenomen met myn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te verwyten als oorzaak dat ge myn boek niet kondet beoordeelen, want dat ge juist het _essentieele_ niet gelezen hadt. Zóó zou ik--want ik ben man en schryver--elk hoofdstuk voor _essentieel_ houden, dat gy hadt overgeslagen met onvergeeflyke lezerslichtzinnigheid.

Ik verbeeld me dat uwe vrouw vraagt: "is er nogal wat _aan_ dat boek?" En ge zegt by-voorbeeld--_horribile auditu_ voor my--met de woordenrykheid die eigen is aan gehuwde mannen:

--Hm ... zóó ... ik weet nog niet.

Welnu, barbaar, lees verder! Het belangryke staat juist voor de deur. En met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de omgeslagen bladen, en ik zoek op uw gelaat naar den weerschyn van 't hoofdstuk "dat zoo mooi is ...

Neen, zeg ik, hy is er nog niet. Straks zal hy op springen, in vervoering iets omhelzen, zyn vrouw misschien.

Maar ge leest verder. Het "mooie hoofdstuk" moet voorby wezen, dunkt me. Ge zyt in 't minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd.

En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler wordt myn hoop op die omhelzing ... ja, waarachtig, ik had zelfs staat-gemaakt op een traan!

En ge hebt den roman uitgelezen tot "waar ze elkaar krygen" toe, en ge zegt--een andere vorm, van welsprekendheid in den echtestaat--geeuwend:

--Zóó ... zóó! 't Is een boek dat ... hm! Och, ze schryven zoo véél tegenwoordig!

Maar weet ge dan niet, ondier, tyger, _Europeaan_, lezer, weet ge dan niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met byten op _myn_ geest als op een tandenstoker? Met knagen en kauwen op vleesch en been van uw geslacht? Menscheneter, daarin stak myn ziel, _myn_ ziel die ge hebt vermaald als eens gegeten gras! 't Was _myn_ hart dat ge daar hebt opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die ziel neergelegd, en er vielen zooveel tranen op dat handschrift, en myn bloed week weg uit de âren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers ... en ge zegt: _hm_!

De lezer begrypt dat ik hier niet spreek van _myn_ boek.

Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken ...

--Wie is dat, Abraham Blankaart? vroeg Louise Rosemeyer, en Frits vertelde het haar, wat me groot genoegen deed, want dit gaf my gelegenheid eens optestaan en, voor dien avend althans, een eind te maken aan de voorlezing. Ge weet dat ik makelaar in koffi ben --_Lauriergracht N° 37_--en dat ik alles over heb voor myn vak. Ieder zal dus kunnen nagaan, hoe weinig ik tevreden was met het werk van Stern. Ik had op koffi gehoopt, en hy gaf ons ... ja, de hemel weet, wàt!