Mathias Sandorf [3]

Chapter 8

Chapter 83,738 wordsPublic domain

Te Monte Carlo, wanneer hij ten minste die stad niet binnen kort verlaten had. Daar had hij sedert eenigen tijd zijn verblijf gevestigd en was daar waarschijnlijk in gezelschap van den bankier Silas Toronthal.

Meer wist Carpena niet en meer kon hij dus ook niet vertellen. Maar het medegedeelde was voldoende voor dokter Antekirrt, om den veldtocht te beginnen.

Het is buiten kijf, dat de Spanjaard de drijfveer niet kende, waarom hem de dokter van Ceuta had doen ontsnappen, waarom hij zich van zijn persoon had meester gemaakt. Ook kon Carpena niet gissen, dat zijn verraad jegens Andreas Ferrato gekend was door hem, die hem ondervroeg. Daarenboven wist hij ook niet, dat Luigi de zoon was van den visscher van Rovigno.

Carpena werd in eene donkere casemat opgesloten, waarin hij nog strenger bewaakt werd dan dat ooit in de gevangenis van Ceuta geschied was. Hij zou met niemand in aanraking komen, totdat zijn lot beslist zoude zijn.

Zoo was dan een der drie verraders, die de bloedige ontknooping van de Triëster samenzwering veroorzaakt hadden, in handen van dokter Antekirrt. Dezen bleef dus nog de taak over, om de twee anderen te achterhalen, wat niet moeielijk meer kon zijn, daar Carpena thans medegedeeld had, waar ze gevonden konden worden.

Daar evenwel de dokter en Piet Bathory door Silas Toronthal en Sarcany herkend konden worden, scheen het hun geraden niet eerder persoonlijk op te treden, dan wanneer zulks met zekerheid van te zullen slagen kon geschieden. Maar nu men het spoor der beide medeplichtigen teruggevonden had, kwam het er voornamelijk op aan, hen, in afwachting dat de gelegenheid zich zou voor doen om daadwerkelijk te handelen, niet meer uit het oog te verliezen.

Daarom werd Pescadospunt naar Monaco gezonden met opdracht om hen overal te volgen, waarheen zij gaan zouden. Kaap Matifou vergezelde hem, om hem des vereischt met zijne stevige vuisten bij te springen, terwijl dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi ook derwaarts met de _Ferrato_ zouden vertrekken, wanneer het gunstige oogenblik aangebroken zou zijn. Zooals men ziet, werden de mazen van het net al meer en meer om de schuldigen dichtgetrokken.

De beide akrobaten waren midden in den nacht te Monte Carlo aangekomen en waren des morgens dadelijk aan den arbeid getogen. Het was hen niet moeielijk gevallen, het hôtel uit te vinden, waar Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany hun intrek genomen hadden. Terwijl Kaap Matifou, in afwachting dat de avond viel, in den omtrek van Monte Carlo rondwandelde, zag Pescadospunt, die zorgvuldig de wacht hield en niets liet ontglippen, de beide vennooten tegen een uur in den namiddag naar buiten treden. Het scheen den wakkeren verspieder toe, dat de bankier Silas Toronthal zeer neerslachtig was en bitter weinig sprak, hoewel Sarcany zijn best deed om het onderhoud levendig te houden. In de morgenuren had Pescadospunt hooren verhalen, wat daags te voren in de speelzalen van Monte Carlo plaats gevonden had, namelijk die ongeloofelijke reeks van de roode kleur, die zoovele slachtoffers gemaakt had en waaronder voornamelijk Sarcany en Silas Toronthal aangehaald werden. Met zijne aangeboren schranderheid besloot de wakkere kerel daaruit, dat hun onderhoud daarover moest loopen, en in het bijzonder over het kwade gesternte, dat hen vervolgd had. Bovendien vernam hij, dat die beide spelers niet alleen ten gevolge van die noodlottige reeks, maar ook vroeger en vooral in de laatste dagen groote sommen verloren hadden, waaruit hij alweer met niet minder schranderheid de gevolgtrekking maakte, dat hunne laatste hulpmiddelen nagenoeg uitgeput moesten zijn, en dat het oogenblik naderde, waarop dokter Antekirrt daadwerkelijk en met vrucht zou kunnen optreden. Waarlijk, de dokter had een meesterlijke greep gedaan, toen hij de beide akrobaten voor zijn dienst aanwierf.

Die mededeelingen werden des morgens dadelijk door Pescadospunt, evenwel zonder iemand te noemen, aan een bekend adres te La Valetta op het eiland Malta getelegrafeerd, vanwaar zij langs een particulieren draad snel naar het eiland Antekirrta overgeseind werden.

Toen Sarcany en Silas Toronthal het gebouw van het Casino van Monte Carlo binnentraden, stapte Pescadospunt achter hen aan. Toen zij de salons van de roulette en van het trente-et-quarante binnengingen, volgde hij hen ook.

Het was toen juist drie uren in den namiddag. De heldere metalen klok van het torentje van het Casino verkondigde dat luid genoeg, terwijl de nagalm over de watervlakte van de Middellandsche zee wegstierf.

Het spel begon toen levendiger te worden, hoewel er nog geen groote geestdrift heerschte.

De bankier en zijn makker wandelden eerst de zalen rond. Hier en daar bleven zij gedurende eenige oogenblikken bij sommige speeltafels staan, sloegen den gang van het spel gade, maar onthielden zich blijkbaar stelselmatig er deel aan te nemen.

Pescadospunt verloor hen niet uit het oog, terwijl hij als een onbedreven nieuwsgierige op en neder slenterde. Hij meende zelfs, om hunne aandacht niet te trekken, hier en daar een paar vijf francstukken op de kolommen of op de nummers der roulette te moeten wagen. Die verloor hij natuurlijk; het moet evenwel erkend worden, hij deed dat met de meest mogelijke onverschilligheid. Maar waarom had hij ook niet den uitmuntenden raad gevolgd, die hem een professor, een beunhaas in het spel, in vertrouwen gegeven had? Ja, waarom niet? Was het betweterij?

"Om te slagen in het spel," had deze gezegd, "moet men er zich op toeleggen, om de kleine inzetten te verliezen en de groote te winnen! Daarin bestaat het geheele geheim, mijnheer!"

Pescadospunt knikte den raadgever gedachteloos toe; maar drentelde verder.

Het sloeg vier uren op de groote pendule in de speelzaal, waarin zij zich bevonden, toen Silas Toronthal en Sarcany het geschikte oogenblik gekomen achtten, om de veine "den tand te voelen", zooals zij dat uitdrukten. Verscheidene plaatsen waren nog onbezet bij eene der roulette-tafels. Beiden namen daaraan plaats en wel tegenover elkander, en weldra zag de roulettehouder zich niet alleen door spelers omringd, maar ook door eene talrijke menigte toeschouwers, die begeerig waren den revanche-strijd te aanschouwen, dien de twee ongelukkige spelers van den vorigen dag te leveren hadden. Aller aandacht was natuurlijk ten hoogste geprikkeld. Men verdrong zich als het ware.

Pescadospunt had natuurlijk gezorgd in de eerste rij der nieuwsgierigen plaats te nemen, en was, zooals wel te bedenken is, niet een der minsten van hen, die belangstelling in de lotswisselingen van de begonnen partij stelden.

Gedurende het eerste uur wogen de kansen nagenoeg tegen elkander op. Winst en verlies stonden gelijk.

Om die kansen des te beter te verdeelen, volgden Silas Toronthal en Sarcany natuurlijk niet hetzelfde spel. Zij zetten ieder afzonderlijk op en maakten zoo verscheidene belangrijke winsten, zoowel op de eenvoudige als op de meer samengestelde combinatiën, die bij de roulette gebruikelijk zijn. Maar het lot besliste niet voor en niet tegen hen.

Maar tusschen vier en zes uren scheen het lot te keeren en hen zeer te begunstigen.

Het maximum van inzet, dat bij de roulette zes duizend franken bedraagt, werd herhaaldelijk door hen op volle nummers gewonnen. De gelaatstrekken der bankhouders waren nog strakker dan gewoonlijk.

De handen en vingers van Silas Toronthal beefden koortsachtig, wanneer hij ze over het groene laken uitstrekte, hetzij om zijn inzet ter gewilde plaatse bij te schuiven, hetzij om de goudstukken en de bankbiljetten van onder de harken der croupiers naar zich toe te halen.

Sarcany integendeel was zichzelven steeds meester. Hij liet geen enkele der gewaarwordingen, die zijne ziel bestormden, op zijn gelaat bespeuren. Hij vergenoegde zich zijnen medeplichtige met den blik aan te moedigen; want het was Silas Toronthal, die, alles wel beschouwd, de gunstige kansen van het oogenblik in zijn voordeel had.

Hoewel Pescadospunt als in een halven roes verkeerde, door het heen en weer geschuif van al die goudstukken, en door het geritsel van al die bankbiljetten veroorzaakt, verzuimde hij geen oogenblik die beide mannen met de grootste aandacht gade te slaan, Hij vroeg zich af, of zij voorzichtig genoeg zouden zijn, om bij tijds met spelen op te houden, ten einde het vermogen, dat zij bezig waren te verwerven, te behouden.

Toen kwam de gedachte bij hem op, dat wanneer Silas Toronthal en Sarcany verstandig genoeg waren, om zoo te handelen, wat hij echter betwijfelde, zij geneigd konden wezen om Monte Carlo te verlaten, ten einde naar een anderen hoek van Europa te vluchten, waar zij dan weer opgespoord moesten worden. En als zij geen geldgebrek zouden hebben, zouden zij moeielijk in de macht van dokter Antekirrt vallen.

"Het zal, alles wel beschouwd, beter zijn," mompelde hij in zich zelven, "dat zij alles, ja alles verliezen. Ik geloof niet, dat ik mij vergis, maar die schoft van een Sarcany is er de man niet naar om het spel te midden van de gunsten der veine te staken. Enfin, wij zullen zien en geheel naar omstandigheden handelen."

Wat ook dienaangaande de meeningen en het hopen van Pescadospunt waren, de gelukkige kansen verlieten onze twee medeplichtigen voorloopig niet. Zij zouden inderdaad de bank drie malen reeds hebben doen springen, wanneer de speelchef niet telkenmale toevoeging aan het aanwezige kasgeld van twintig duizend franken bewerkstelligd had.

Dat was waarlijk eene buitengewone gebeurtenis voor de toeschouwers van dien strijd, waarvan het meerendeel de beide spelers zeer genegen scheen. Was dat niet als eene soort weerwraak, genomen op die onbeschofte reeks van de roode kleur, waarvan de administratie der bank den vorigen dag zoo ruimschoots geprofiteerd had.

Toen Silas Toronthal en Sarcany eindelijk tegen half zeven met spelen ophielden, hadden zij, toen de rekening nauwkeurig opgemaakt werd, eene winst gemaakt, die ruim twintig duizend louis d'or te boven ging. Zij stonden toen op en verlieten de roulette tafel. Silas Toronthal liep met wankelende schreden, alsof hij een weinig dronken was. Dat was hij evenwel niet van sterken drank of van zware wijnen, maar wel van opgewondenheid, ook van vermoeienis der hersenen. Hij zag bleek van aandoening en was genoodzaakt herhaalde malen te blazen, alsof de lucht zijner longen hem benauwde.

Zijn makker was kalm, ja gevoelloos gebleven; maar die bewaakte den bankier en vreesde niets meer of minder, dan dat deze trachten zou te ontvluchten met de eenige honderd duizend franken, die met zooveel moeite terug gewonnen waren, om zich zoo aan zijne heerschappij te onttrekken. Nu hij meer geld had, was dit niet geheel onmogelijk.

Beiden verlieten de speelzaal en het Casino, daalden daarna de trap van het hooge bordes af en richtten hunne schreden naar hun hôtel, alwaar zij eenige uren wenschten uit te rusten van die aandoeningen.

Pescadospunt volgde hen van verre, evenwel zoo dat zij hem niet bespeuren konden.

Toen hij buiten kwam, ontwaarde hij bij een der kiosken van den tuin Kaap Matifou, die heel gemakkelijk op een bank gezeten was en in wijsgeerige beschouwingen verdiept scheen.

Wijsgeerige beschouwingen van een Hercules? Welken omvang zouden die wel gehad hebben?

Pescadospunt ging tot hem en nam op zijne aanwijzing geen plaats naast zijn vriend op de bank.

"Kom," zeide hij integendeel met eenigszins gejaagde en kort afgebroken stem.

"Is het oogenblik gekomen?" vroeg Kaap Matifou, die dadelijk opstond en mede wilde gaan.

"Welk oogenblik?"

"Hou je me voor den gek?" vroeg de reus gemelijk. "Pescadospunt zou mij niet begrijpen?"

"Neen, waarachtig niet. Ik begrijp je niet. Welk oogenblik?" vroeg de kleine man ongeduldig.

"Het oogenblik van ... van ... je weet wel.... Och, je wilt mij niet verstaan...."

"O, van ten tooneele te verschijnen?" riep Pescadospunt uit, wien een licht plotseling opging.

"Juist!"

"Neen, mijn waarde Kaap!... Nog niet!... Blijf nog maar wat ter zijde!..." was het antwoord.

"Drommels!" pruttelde de reus. "Ik beken het volgaarne, ik begin mij gruwelijk met dat niets-doen te vervelen."

"Hebt ge al gegeten?" vroeg zijn vriend hem met alle belangstelling. "Ik hoop van ja."

"Ja, Pescadospunt, en goed ook! Daaraan schort het mij niet," antwoordde Kaap Matifou met een zucht.

"Ik feliciteer je wel! Ik heb de maag bij mijne hielen zitten, zoo laag is zij gezakt."

"Dat is laag! Maar, Pescadospunt, dan zit dat lichaamsdeel bij jou niet op z'n plaats."

"Niet waar? Want dat is de plaats van een fatsoenlijke maag niet."

"Dat dunkt me ook. Maar, vertel mij. Hoe komt dat zoo? Gij hebt toch zoovele behoeften niet."

"Wees gerust, ik zal mijn maag wel weer naar boven werken, als ik tijd heb. Intusschen...."

"Intusschen? Gij spreekt er van, of gij bij dat werk eene domme-kracht wilt bezigen."

"Ga hier niet van de plaats, voordat ge me terug gezien hebt, Kaap Matifou! Begrepen?"

"Daar kunt ge op aan!" bromde de athleet. "Maar het begint knapjes saai te worden."

Pescadospunt ijlde naar den hellenden weg, dien Sarcany en Silas Toronthal thans afdaalden.

Toen hij de verzekering bekomen had, dat de beide medeplichtigen zich het diner in hunne vertrekken hadden laten voordienen, nam Pescadospunt den tijd om plaats te nemen aan de table d'hôte van het hôtel. Het was tijd, want de arme kerel had werkelijk honger. Maar in een half uur tijd had hij, zooals hij Kaap Matifou verzekerd had, zijn maag weer omhoog en op de normale plaats gebracht, welke dat orgaan in het menschelijke lichaam moet innemen. Hij veegde zijn lippen met zijn servet af, en loosde een zucht van voldaanheid....

Daarna stak hij een overheerlijke sigaar, een echte Panatella op, ging naar buiten en stelde zich vóór het hôtel verdekt op, om zijn bespieden voort te zetten. Hij was een onbetaalbare kerel voor dengeen, die hem wist te gebruiken.

"Waarachtig, ik ben in de wieg gelegd om schildwacht te spelen!" mompelde hij. "Ik ben mijn loopbaan misgeloopen. Maar, wat er aan te doen? Het is thans geen tijd meer om soldaat te gaan worden. Daartoe is het te laat."

Hij wandelde achter een perk sierstruiken op en neer, en peinsde over de aangelegenheden, die hij te behartigen had.

De eenige vraag, die hij zich in het onderhavige geval inderdaad stellen kon, was:

"Zouden de heeren Sarcany en Toronthal heden avond naar het Casino terugkeeren of niet?"

Tegen tien uren verschenen Silas Toronthal en Sarcany in de omlijsting van de deur van het hôtel. Pescadospunt meende te hooren en te begrijpen, dat zij vrij levendig met elkander kibbelden.

Klaarblijkelijk poogde de bankier voor de laatste maal weerstand te bieden aan de verleidingen en aan het lastige aandringen van zijn medeplichtige. Deze ging zelfs verder; want hij eindigde met op bevelenden toon te zeggen:

"Het moet, Silas!... Ik wil het!... Zoo gij niet naar mij hoort ... dan blijven de gevolgen voor uwe rekening."

Het overige ging door den afstand voor Pescadospunt verloren.

De beide medeplichtigen stapten daarop den hellenden weg weer op, die naar den tuin van het Casino Monte Carlo voert. Pescadospunt volgde hen onmiddellijk, zonder evenwel tot zijn grooten spijt, verder iets van hun onderhoud te kunnen vernemen.

Ziehier evenwel wat Sarcany, op een toon die geen tegenspraak duldde, zeide tot den bankier, die in zijn tegenstand dadelijk merkbaar verflauwde.

"Thans ophouden, Silas Toronthal, nu de veine teruggekomen is, dat zou dwaasheid zijn!... Het is, of gij het hoofd kwijt zijt!... Wat, wij zouden bij de ongelukkigste kansen, het spel als gekken doorgezet hebben, en nu de kans gekeerd is, zouden wij het spel niet als wijzen forceeren?... Wat, wij hebben eene eenige gelegenheid misschien, eene gelegenheid, die wellicht zich niet meer aanbieden zal, om het lot te overmeesteren, om de fortuin te bemachtigen, en wij zouden haar door onze schuld laten ontsnappen?... Dat zou al te dwaas zijn, niet waar?"

"Maar,..." poogde de ongelukkige te zeggen. "Als wij alles eens verloren?... Denk daar toch aan."

Sarcany liet hem evenwel niet verder aan het woord, maar hernam oogenblikkelijk:

"Silas, voelt gij dan niet dat de veine!..."

"Als zij maar niet uitgeput is!" mompelde Silas Toronthal uiterst neerslachtig. "Ik heb zoo'n voorgevoel."

"Neen! honderdmaal neen! Zij is niet uitgeput!" hernam Sarcany met drift. "Dat is, bij God, zoo niet uit te leggen, maar dat gevoelt men; zoo iets doordringt iemand tot in het merg der beenderen!... Een millioen wacht ons heden avond op de speeltafels van het Casino!... Ja, een millioen!... hoort ge, een millioen! En ik zal die laten ontsnappen!... Bij den duivel! dat moogt gij ook niet, Silas Toronthal. Neen, dat moogt gij niet!"

"Speel gij dan, Sarcany!... Ik voel dat ik zeer ongelukkig zal wezen," stamelde de bankier.

"Ik?"

"Ja, gij!"

"Ik!... Ik alleen spelen?... Neen, waarachtig niet!... Wij spelen samen!... Ja!... En als ik moest kiezen tusschen ons tweeën, dan zou ik aan u mijn plaats inruimen. De fortuin gaat persoonlijk te werk en het is buiten kijf, dat zij u heden toelacht!... Speel dus en gij zult winnen...."

"Maar...."

"Zwijg!... ik wil het!... Er valt hier niet meer op terug te komen," sprak de verleider op kort afgebroken toon.

Wat Sarcany wilde, was in het kort, dat Silas Toronthal zich niet zou vergenoegen met de eenige honderd duizend franken, die hem veroorloofd zouden hebben aan zijne heerschappij te ontsnappen. Wat hij wilde, was, dat zijn medeplichtige weer de millionnair van weleer of straatarm zou worden. Was hij rijk, dan kon hij voortgaan te leven, zooals hij gedaan had; arm, dan zou hij Sarcany wel moeten volgen, overal waar die hem voeren wilde. In beide gevallen zou hij niets meer van hem te vreezen hebben. Neen, niets! Niets!

Daarenboven, hoewel Silas Toronthal poogde weerstand te bieden, was dat geheel te vergeefs; want hij gevoelde thans al de hartstochten van den speler ongeketend in zich woelen. Te midden van den ellendigen toestand, waartoe hij vervallen was, ondervond hij tegelijkertijd zoowel vrees als aandrang om naar de speelzalen van het Casino te Monte Carlo terug te keeren. De woorden van Sarcany goten vloeiend vuur in zijne aderen. Ja, hij zag het, hij begreep het, de fortuin had zich naar hem gewend en wel met zoodanige standvastigheid gedurende de laatste uren, welke hij aan de speeltafel doorbracht, dat het onvergeeflijk, ja onverantwoordelijk zoude zijn om thans de partij op te geven! Neen, dat kon, dat mocht niet! Hij was dan ook weldra vast besloten te doen, wat Sarcany verlangde.

Die dwaas!

Evenals alle spelers, zijne evenbeelden, stelde Silas Toronthal op rekening van het tegenwoordige, wat niet anders dan tot het verledene kan behooren! In plaats van te zeggen: het geluk _heeft_ mij toegelachen,--wat inderdaad waar was,--prevelde hij: het geluk _lacht_ mij toe--wat onwaar was! En toch, in het brein van allen, die plaats rondom de speeltafels nemen, wordt geene andere redeneering gevoerd! Zij allen vergeten maar al te zeer, wat een der grootste wiskunstenaars van Frankrijk nog kort geleden zoo schrander en zoo juist ter snede zeide:

"Het toeval heeft slechts grillen, geene gewoonten!"

Intusschen waren Sarcany en Silas Toronthal, steeds gevolgd door Pescadospunt, tot voor het Casino genaderd. Daar stonden zij nog een oogenblik stil. Het was inderdaad alsof zij voor de poorten des tempels andermaal weifelden.

"Silas," vermaande Sarcany toen, "Silas, geene aarzeling!... Gij zijt vast besloten om te spelen, niet waar?"

"Ja!" antwoordde de bankier, die zijn moed als 't ware met beide handen greep. "Ja, ik ben vast besloten!"

"Ja, maar bepaald besloten? Denk er om, geen aarzelen, geen weifelen! Vast besloten!"

"Bepaald en vast besloten ... om alles te wagen, ten einde alles te winnen!" ging Silas Toronthal, wiens aarzelingen als nachtschimmen verdwenen, zoodra zijn voet de eerste trede van de trap van het bordes, dat tot de speelzalen toegang verleende, aangeraakt had, koortsachtig voort: "Ik zal het noodlot tarten! Ik zal de fortuin dwingen!"

"Ik wil geen invloed op u uitoefenen!" hernam Sarcany met zachte stem en teemend.

"Dat hoeft ook niet," antwoordde Silas Toronthal kort af, maar met hartstochtelijke stem.

"Gij moet niet mijne ingeving, maar de uwe volgen. Gij zijt het gelukskind, niet ik."

"Juist."

"Die ingeving kan u niet misleiden. Wees daarvan ten volle overtuigd. Die zal u op geen dwaalspoor brengen."

"Dat denk ik ook."

"Zult ge weer plaats aan de roulette-tafel nemen? Of hebt gij een ander voornemen?"

"Neen,... ik wensch bij het trente-et-quarante-spel op te zetten!" antwoordde Silas Toronthal, terwijl zij het gebouw binnentraden.

"Gij hebt gelijk, Silas! Hoor slechts naar uwe ingeving!... De roulette heeft u bijna een vermogen verschaft, het trente-et-quarante zal het overige wel verrichten!"

Beiden traden de salons binnen en wandelden eerst een poos op en neer. Tien minuten later zag Pescadospunt hen plaats nemen aan een der trente-et-quarante-tafels, waaromheen zich dadelijk het meerendeel der spelers schaarden.

Daar kunnen inderdaad meer stoutmoedige zetten gedaan worden. Daar zijn de kansen van het spel meer eenvoudig, daar is ook het maximum van inzet twaalf duizend franken, en in weinige oogenblikken kan de speler groote verliezen, maar ook groote winsten maken. Rondom die tafels is het dan ook, dat de groote spelers bij voorkeur plaats nemen. Daar eindelijk ontluiken groote vermogens of worden die met zulk eene duizelingwekkende snelheid verspeeld, dat de Beurzen te Parijs, te New-York, te Londen of te Amsterdam er jaloersch op zouden kunnen zijn.

Toen hij eenmaal aan de trente-et-quarante-tafel had plaats genomen, was Silas Toronthal alle zijne vroegere angsten vergeten. Hij speelde nu niet angstig, maar met eene soort van razernij, of wat juister is, als een man, die weldra het hoofd kwijt zal zijn. Kon men daarenboven ernstig meenen, dat er eene manier van spelen bestaat, eene manier om zijn geld op te offeren? Klaarblijkelijk neen, hoewel de beunhazen en de hartstochtelijke spelers het tegendeel beweren. Men is en blijft, wanneer men speelt, de slaaf van het toeval. En dat willen of wenschen die verblinden niet in te zien.

Silas Toronthal speelde dus, terwijl Sarcany, wiens belang bij die laatste partij dubbel gold en die steeds winner was, welke ook de afloop zou zijn, hem nauwkeurig op de vingers keek en van iedere winst of verlies aanteekening hield.

In de eerste uren, wogen de afwisselingen van winst en verlies tegen elkander op. Toch scheen de fortuin naar den kant van Silas Toronthal te willen overhellen. Dat was uit de laatste uitkomsten, meenden zij, duidelijk op te maken.

Toen meenden hij en Sarcany zeker van den goeden uitslag te zijn. Hunne oogen schitterden van begeerlijkheid.

Zij hitsten elkander op, zooals men dat noemt; zij moedigden elkander aan en plaatsten niet anders meer dan de hoogst toegestane inzetten op het groene kleed. De lezer weet dat dat inzetten van twaalf duizend franken zijn.

Maar weldra hernam de bank, die over eene onwrikbare koelbloedigheid beschikt, die zich niet laat medeslepen door de dwaasheden van eene krankzinnige vervoering, en welker belangen door het vastgestelde maximum, den speler opgelegd, beschermd wordt, geheel en al het voordeel.

Toen leden de medeplichtigen achtereenvolgens schrikkelijke verliezen. Het was alsof het geld langs een hellend vlak wegstroomde!

Al de winst, die Silas Toronthal in den namiddag behaald had, vervloog voor en na.