Mathias Sandorf [3]

Chapter 7

Chapter 73,825 wordsPublic domain

"Wat de verschijning van dien dokter Antekirrt te Ceuta betreft, dat komt mij ernstiger voor!... Wie is die man toch?... Dat zou mij, alles wel beschouwd, bitter weinig kunnen schelen, wanneer ik hem niet sedert eenigen tijd min of meer daadwerkelijk gemengd vond in alles wat mij betreft! ... Te Ragusa, zijne bezoeken aan de familie Bathory! ... Te Catania, die strik, welken hij aan Zirone gespannen heeft! ... Te Ceuta, die tusschenkomst, die evenwel Carpena het leven gekost heeft! ... Hij was daar dicht bij Tetuan! ... Maar het schijnt niet, dat hij er heen gegaan is, ook niet, dat hij weet, dat daar de schuilplaats van Sava te vinden is. Dat zou een verschrikkelijke slag zijn, die evenwel nog gebeuren kan! ... Wij zullen zien, of die niet voorkomen kan worden, niet alleen voor het toekomstige maar zelfs voor het tegenwoordige! ... De Senousisten zullen weldra meester zijn van de geheele Cyrenaïsche kuststrook; ... zij zullen dan slechts een zeearm over te steken hebben, om Antekirrta aan te kunnen vallen! ... Als zij in dat spoor voortgedreven moeten worden ... welnu, dan zal ik wel ..."

Het is klaarblijkelijk, dat alle die feiten donkere vlekken aan Sarcany's gezichteinder vormden. In de sombere verwikkelingen, die hij pas voor pas ontwierp, om zijn doelwit te bereiken, en hetwelk hij schier met de hand aanraakte, kon het kleinste steentje een struikelblok worden, die hem zou kunnen doen vallen en vernietigen. En van dien val zou hij waarschijnlijk niet meer opstaan. Nu was die tusschenkomst van dokter Antekirrt in zijne plannen wel geschikt om hem te verontrusten; maar wat hem nog meer zorgen baarde, en ernstige zorgen, was de tegenwoordige toestand van Silas Toronthal. Die was het krankzinnig worden nabij.

"Ja," zoo sprak hij tot zich zelven, "wij zijn, inderdaad, zonder uitweg tegen den muur gedrongen! ... Morgen wordt alles op één worp, op één dobbelsteen gezet! ... Of de bank zal springen, of ... wij! Dat ik geruïneerd zal zijn door zijn val ... wat kan dat schelen? Ik kan mij herstellen ... Maar Silas Toronthal? Dat is iets anders ... Dan zal hij gevaarlijk worden, ... dan kan hij geneigd zijn te praten, ... dan kan hij het geheim openbaren, waarop mijn geheele toekomst rust! ... Dan zou hij, nadat hij zoolang in mijne macht geweest is, macht over mij krijgen!"

En, inderdaad, de toestand was zoodanig, als Sarcany hem inzag. Hij kon zich deswege geen droombeelden maken, ook niet over de moreele waarde van zijn medeplichtige. Hij had hem vroeger onderwijs in onrecht en laaghartigheid gegeven, en Silas Toronthal zou niet nalaten die lessen op te volgen, wanneer hij niets meer te verliezen zou hebben.

Sarcany vroeg zich toen af, hoe hij te handelen had in zoo'n benauwend uiterste.

Terwijl hij zoo in gedachten verzonken zat, zag hij niet, wat bij den ingang der haven van Monaco, die eenige honderden voeten beneden hem gelegen was, plaats vond.

Op den afstand van eene kabellengte van dien ingang gleed een lang spoelvormig lichaam in volle zee voorwaarts, dat noch mast noch schoorsteen vertoonde, en waarvan de romp slechts twee of drie voeten boven de wateroppervlakte uitstak. Dat vaartuig kwam weldra, na langzamerhand de Focicana-kaap tot vlak onder het duiven-schietterrein van Monte Carlo genaderd te zijn, eene meer gunstige ankerplaats, voor de branding beveiligd, zoeken. Toen die gevonden en het anker in den zeebodem gevallen was, stak eene lichte jol, van plaatijzer vervaardigd, die als in de flanken van dat schier onzichtbare schip verscholen was geweest, van boord af, nadat drie mannen daarin plaats hadden genomen. Weinige riemslagen waren voldoende, om het nabijgelegen strand te bereiken, waar twee der opvarenden aan wal stapten, terwijl de derde de jol naar boord terugroeide. Weinige minuten later was het geheimzinnige vaartuigje, dat zijne tegenwoordigheid noch door een licht noch door eenig gedruisch verraden had, zonder eenig spoor na te laten, in de duisternis verdwenen.

Wat de beide ontscheepte mannen betrof, deze volgden, nadat zij de strandstrook overgestoken waren, den voet der rotsen en richtten hunne schreden naar het station van den spoorweg van Monaco, daarna sloegen zij de Spelugualaan in, die sierlijk en bevallig om de tuinen van Monte Carlo voert.

Sarcany had daarvan niets gezien. Zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik ver, zeer ver van Monaco, naar den kant van Tetuan... Maar hij dwaalde er niet alleen heen. Hij noodzaakte zijn medeplichtige die denkbeeldige reis mede te maken. Die was waarachtig in geene stemming om denkbeeldige reizen te volvoeren.

"Silas! ... ik in de macht van Silas Toronthal!.." zoo herhaalde hij al prevelend in zich zelven. "Silas, die met één woord mij zou kunnen beletten, mijn doel te bereiken! ... Dat nooit! ... Als wij morgen het geld niet teruggewonnen hebben, wat het spel ons ontnomen heeft, dan zal ik hem wel noodzaken mij te volgen! ... Ja, dat zal ik ... mij te volgen tot Tetuan toe ... en wie zal zich daar op de Marokkaansche kust om Silas Toronthal bekommeren, wanneer hij eensklaps kwam te verdwijnen? Niemand ter wereld, niemand, niet waar?"

De lezer weet het: Sarcany was er de man niet naar, om voor eene misdaad meer of minder terug te deinzen, vooral wanneer de omstandigheden, zooals de onbekendheid van de landstreek, de woestheid harer inwoners, de onmogelijkheid om den schuldige op te sporen en uit te vinden, de volvoering zoo gemakkelijk zouden maken.

Toen zoo zijn plan vastgesteld was, sloot Sarcany het venster, ging naar bed en was weldra in een diepen slaap gedompeld, zonder dat zijn geweten die rust stoorde, zonder dat zelfs eenige wroeging zich deed gevoelen.

Met Silas Toronthal was het niet zoo gesteld. De bankier bracht een schrikkelijken nacht door. En niet zonder reden! Wat bleef hem van zijn vermogen van weleer nog over? Ter nauwernood tweemaal honderd duizend franken, die door het spel niet verzwolgen waren. En dan nog: die behoorden hem niet eens. Dat was de inzet van de laatste partij! De laatste kans, die te wagen was! De toestand was in zijn oogen ontzettend netelig.

Dat was de wil van zijn medeplichtige; dat was zijn eigen wil! Zijne verzwakte, verweekte hersenen, die met dwaze berekeningen vervuld waren, gedoogden hem niet meer om kalm en juist te redeneeren. Hij was zelfs onbekwaam--in dit oogenblik althans--om zich rekenschap van zijn toestand te kunnen geven, om dien te kunnen overzien, zooals Sarcany niet zonder sluwheid gedaan had. Hij begreep volstrekt niet, dat de rollen verwisseld waren, dat hij den man nu in zijne macht had, die hem zoo lang het dwangjuk had doen gevoelen. Hij had slechts oogen voor het tegenwoordige, dat hem zijn onmiddellijken ondergang deed aanschouwen, en dacht slechts aan den dag van morgen, die hem redden zou, of hem tot de laagste sport van de ladder der menschelijke ellende zou doen afdalen.

Zoo ging die nacht voor de beide vennooten zeer ongelijk, zooals men ziet, voorbij.

Gunde hij den eenen eenige uren rust, zoo liet hij den anderen zich slechts wanhopig wentelen in angstige pijnlijkheid en volslagen slapeloosheid.

Den volgenden morgen tegen tien uren vervoegde Sarcany zich bij Silas Toronthal. De bankier was voor zijne tafel gezeten en hield zich halsstarrig bezig met eenige vellen papier met cijfers en formulen te bekladden. Blijkbaar had hij den nacht met dien arbeid doorgebracht. Hij zag er uit als het beeld der verpersoonlijkte wanhoop.

"Welnu, Silas Toronthal," begon de Siciliaan op dien luchtigen toon, die aan de ellende in dit tranendal niet meer gewicht schenkt, dan zij waard is.

De bankier antwoordde niet, hij scheen te zeer in zijne formulen en berekeningen verdiept.

"Hebt gij eindelijk de voorkeur aan de roode of aan de zwarte kleur geschonken?" vervolgde Sarcany.

"Ik heb geen enkel oogenblik geslapen!" siste Silas Toronthal meer dan hij sprak.

"Niet?"

"Neen, geen enkel. Hebt gij kunnen slapen?" vroeg de bankier woest, terwijl een zweem van afgunst zijn gelaat ontroerde.

"Zeker heb ik kunnen slapen. Maar ... des te erger, Silas Toronthal, des te erger voor u."

"Waarom? Zeg mij, waarom des te erger voor mij en niet voor u? Dat wil en moet ik weten."

"Heden moet gij noodzakelijk koelbloedig wezen en zouden een paar uren rust u goed gedaan hebben."

"Och, wat! Bah!... Wat beteekent rust?... Heb ik rust noodig?.. En toch...."

"Kijk mij... Ik heb heerlijk geslapen, en ik bevind mij in den gewenschten toestand om den kamp met de fortuin te aanvaarden. Ik wilde, dat gij zoo kalm waart als ik."

"De fortuin?... De fortuin?..." herhaalde Silas Toronthal nadenkend en met de hand voor het voorhoofd geslagen.

"Ja, de fortuin! Zij is, wel beschouwd, vrouw en als zoodanig deelt zij hare gunsten uit aan hen, die sterk genoeg zijn, om haar te beheerschen en haar onder den duim te houden,"

"Zij heeft ons toch verraden! Ja, verraden, zooals dat slechts eene vrouw doen kan!"

"Bah!... Een eenvoudige gril!... Als die gril over is, keert zij tot ons terug! Zijt gij daaromtrent niet ten innigste overtuigd? Gij zult zien, zij komt tot ons terug!"

Silas Toronthal antwoordde niet. Had hij wel gehoord, wat Sarcany tot hem zeide, terwijl zijn blik het vel papier niet verliet, dat voor hem lei en waarop hij zijne vrij nuttelooze combinatiën uitgerekend had? Dat was voorzeker te betwijfelen. Hij bleef het oog op de cijferreeksen gevestigd houden en scheen overigens niets te zien of te hooren.

"Wat deedt gij dan toch, toen ik binnentrad?" vroeg Sarcany, terwijl hij het papier greep.

"Ik?" hernam de bankier als verschrikt... "Ik?... Geef mij dat papier terug, Sarcany."

"Berekeningen, ... onfeilbare martingalen om te winnen?.. Drommels, waarde Silas, het komt mij voor, dat gij zeer ongesteld zijt. Het begint u waarlijk in het hoofd te schelen!"

"Kom, loop heen, ik... Maar geef mij dat papier terug, Sarcany, ik bid er u om."

"De fortuin, of beter het toeval, de kans laat zich niet door berekeningen onderwerpen. En het is die fortuin, dat toeval, die kans alleen, die heden uitspraak zal doen: voor of tegen ons!"

"Welnu?" vroeg Silas Toronthal, terwijl hij hem het papier uit de handen trok, het opvouwde en in zijne portefeuille opborg.

"Ik ken maar eene manier, Silas, om dat toeval te leiden, te dwingen," hernam Sarcany op spotzieken toon.

"Welnu?" herhaalde de bankier vragend: "Zeg mij die manier, Sarcany, als zij goed is."

"Ja, maar daarvoor moet men bijzondere studiën gemaakt hebben ... en op dat gebied--dit moet gij erkennen--is onze opvoeding onvoltooid gebleven. Van studie hebben wij beiden niet veel willen weten."

"Maar, wat verder? Spreek dan toch, Sarcany. Wat verder?" vroeg Silas Toronthal stampvoetende.

"Laten wij het derhalve geheel, aan het toeval overlaten. Gisteren had de bank de veine, het is niet onmogelijk, dat zij heden déveine zal hebben. En als dat zoo is, dan"... Sarcany's oogen glinsterden... "heb ik u niets meer te zeggen."

"Dan?..."

"Dan zal het spel ons alles weergeven, wat wij verloren hebben! Zult gij dan tevreden zijn?"

"Alles?..."

"Ja, alles, Silas Toronthal! Alles! Verstaat gij mij? Alles! Alles! Verlaat u op mij."

"God geve het!" zuchtte de bankier zoo weemoedig, alsof het eerlijk verdiende penningen gold.

"Maar, nu geene zwakheid, geene ontmoediging meer! Integendeel stoutheid en koelbloedigheid!"

"En als wij hedenavond geruïneerd zullen zijn?" hernam de bankier, die voor Sarcany ging staan en hem strak in de oogen keek. "Zeg, als wij hedenavond niets meer hebben zullen?"

"Welnu, dan verlaten wij Monaco! Dat is afgesproken, Silas Toronthal, niet waar?"

"Monaco verlaten? Waarom Monaco verlaten? En waarheen dan?... Zoo zonder geld?"

"Voorzeker. Wat zouden wij hier uitrichten? Zonder de speelzalen is te Monaco niets uit te richten."

"Monaco verlaten?... Om waarheen te gaan? Daarop antwoordt gij niet, dunkt mij."

Neen, Sarcany antwoordde niet, daarin had Silas Toronthal volkomen gelijk.

"O, gevloekt zij de dag, waarop ik u leerde kennen, Sarcany, de dag, toen ik uwe diensten verzocht!"

De Siciliaan grinnikte van de pret. Het gesprek werd nu eerst interessant voor hem.

"Ik zou niet zoo diep gevallen zijn, als ik thans ben!" ging de bankier kermend voort.

"Het is een beetje laat, om thans dergelijke verwijten als oude koeien uit de sloot te halen!" antwoordde de schaamtelooze kerel. "Dat moest ge toch zelf inzien."

"Zwijg!" riep de bankier uiterst vertoornd. "Zwijg, of ik zal u..."

"Het is ook al te gemakkelijk, de menschen ten laatste met verwijten te overladen, wanneer men zich eerst van hen bediend heeft. Dat is de meest gebruikelijke manier, om zijne dankbaarheid te toonen!"

"Pas op!" riep de bankier verbolgen uit. "Ik waarschuw u ernstig. Pas op!"

"Ja!... ik zal oppassen!" mompelde Sarcany onverstaanbaar. "Daar kunt ge staat op maken."

Die soort bedreiging van Silas Toronthal moest den ellendeling in het voornemen sterken, om zijn medeplichtige buiten staat te stellen, hem te kunnen benadeelen.

Daarna hernam hij met luider stem, alsof er hoegenaamd niets gebeurd was:

"Waarde Silas," zei hij honigzoet, "laten wij toch niet boos op elkander worden!... Waartoe zou dat dienen?... Dat overspant slechts de zenuwen, en, geloof mij, wij mogen heden niet zenuwachtig zijn!... Schep vertrouwen en kijk naar mij: ik wanhoop niet!... Gij zult zien, heden zal het de dag onzer zegepraal zijn!"

"Maar, intusschen.... Als dat nu eens niet gebeurt? Wat dan? is de vraag."

"Mocht bij ongeluk de déveine ons nogmaals teisteren.... Dan ... ja dan...."

"Welnu?..."

"Vergeet dan niet, dat ik nog andere millioenen in het verschiet heb, waarvan gij uw deel zult hebben."

"Ja!... Ja!..." riep Silas Toronthal uit, bij wien de spelersgeaardheid, die een oogenblik afgeleid was, weer de bovenhand kreeg. "Ja!... Ja!... ik moet mijne revanche hebben! De bank is te gelukkig geweest!"

"Juist, zoo! Zie, nu wordt ge weer de oude fideele kerel! Nu herken ik u weer."

"Te gelukkig geweest!" herhaalde Silas Toronthal, "en dezen avond nog.... Ja, dezen avond!..."

"Dezen avond zullen wij rijk, zeer rijk zijn!" riep Sarcany uit, "en ik beloof u, dat wij dan niet meer verliezen zullen, wat wij teruggewonnen zullen hebben! Wat er ook heden gebeuren moge ... wij zullen dan het spelen staken."

"Heden?..." vroeg de bankier in gespannen verwachting. "Het spelen staken?... Heden reeds?"

"Morgen verlaten wij Monte Carlo!... Morgen stevenen wij naar Tetuan."

"Naar Tetuan?... Monte Carlo verlaten?... Waarom, als ik u bidden mag?"

"Ja, wij zullen vertrekken.... En deze noodlottige plaats ontvlieden, waar men slechts zijn geld kan verliezen."

"Waarheen?... Maar, waarheen dan toch?"

"Zooals ik zeide, naar Tetuan, waar wij eene laatste partij te spelen hebben, waarlijk eene allerlaatste partij! Maar daar niet met leelijke croupiers, maar integendeel met een allerliefst aanvallig meisje."

Silas Toronthal grinnikte, maar antwoordde niet. Hij verdiepte zich weer in zijne kansberekeningen. Eene gedachte aan de arme Sava kwam niet bij hem op. Het was inderdaad een kerel zonder ziel.

IV.

DE LAATSTE INZET.

De salons van den Vreemdelingen-Kring--gewoonlijk Casino geheeten--waren sedert elf uren geopend. Hoewel het getal spelers nog zeer beperkt was, waren toch reeds eenige roulette-tafels ter wille van de ongeduldigen aan den gang. En het was daar rondom, dat thans die weinige aanwezigen gezeten of gegroepeerd waren.

De stand dezer tafels was vooraf nagegaan en zoo noodig hersteld geworden; want het is van het uiterste belang dat zij volkomen waterpas staan. En inderdaad, het geringste gebrek te dien opzichte zou toch invloed kunnen hebben op den knikker, die langs de ronddraaiende schijf voortloopt. Dat zou opgemerkt worden en de arglistige spelers zouden dat spoedig in de gaten hebben en daarmede zeer ten nadeele van de bank hun voordeel kunnen doen.

Op ieder der zes roulette-tafels waren zestig duizend franken, zoowel in goud als in zilverspecie en in papiergeld nedergelegd. Op ieder der twee trente et quarante-tafels honderd vijftig duizend franken. Dat is de gewone inzet der bank, in afwachting dat het gunstige seizoen geopend wordt, en het is zeer zeldzaam, dat het bestuur der inrichting genoopt wordt, die eerste fondsen-verstrekking aan te vullen. Met hare zoo gunstige kansen moet zij steeds winnen. Is dus het spel op zich zelf reeds als onzedelijk te beschouwen, het is daarenboven dom, want de speler staat tegenover de bank met zeer ongelijke kansen. Hij wordt als het ware opgelicht en afgezet.

Rondom ieder der roulette-tafels hadden reeds acht croupiers, met hunne harken in de hand, de plaatsen ingenomen, die voor hen bestemd waren. Naast hen zaten of stonden de spelers, of de toeschouwers in gespannen verwachting.

In de salons wandelden de inspecteurs en de opzichters op en neer en hielden het oog zoowel op de croupiers als op hunne slachtoffers, terwijl talrijke kellners heen en weer liepen, om het publiek te bedienen. Om een denkbeeld te geven van het gewemel, dat hier plaats kan hebben, valt mede te deelen, dat niet minder dan honderd en vijftig geëmployeerden in de speelzalen van Monte Carlo heen en weder drentelen. Een ware legermacht inderdaad.

Tegen half een in den namiddag bracht de trein van Nizza zijn gewoon contingent van spelers aan. Zij waren dien dag wellicht talrijker dan anders. Die serie van zeventien malen de roode kleur van daags te voren, had haren natuurlijken invloed niet gemist. Een ieder wilde een kijkje komen nemen, of zich zoo iets niet zou herhalen.

Dit werkte als eene nieuwe aantrekkingskracht, en een ieder, die van het toeval des spels leefde of daaraan offerde, was gekomen om met belangstelling het vervolg van zoo'n serie te zien en op te merken.

De salons waren een uur later gevuld. Men koutte natuurlijk over die zonderlinge uitkomst, evenwel met zachte stem. Niets stemt meer akelig dan dat gefluister in die onmetelijke zalen, welker versieringen met verguldsel overladen zijn, die weelderig gemeubeld en door prachtige kronen en kandelabres verlicht zijn, zonder nog de olielampen te vermelden, die van groene oogenschermen voorzien zijn, en voornamelijk boven de speeltafels aangebracht zijn.

Wat hier, in weerwil van de menigte, die er zich verdringt, den boventoon voert, is niet het geluid der gesprekken, maar wel het metaalachtige gerinkel der gouden of zilveren muntstukken, die geteld, of op het groene kleed geworpen worden, ook het geritsel van de bankbiljetten, alsmede het voortdurende: "rood wint en kleur" of "zeventien, zwart, oneven," door de eentonige en onverschillige stem des speldrijvers uitgegalmd.

Dat alles levert een treurig gezicht op, dat een diepen blik in den afgrond der menschelijke hartstochten gunt.

Evenwel twee der voornaamste verliezers van den vorigen dag waren nog niet in de speelsalons verschenen. Reeds waren eenige spelers op het punt om verschillende kansen te volgen en te wagen, om de veine te grijpen, hetzij bij de roulette, hetzij bij de trente et quarante-tafel. Maar de afwisselingen van winst en verlies wogen tegen elkander op, en niets duidde er op, dat het verschijnsel van den vorigen dag zich weer zou voordoen.

Tegen drie uren eerst traden Sarcany en Silas Toronthal het Casino binnen.

Voordat zij in de speelzalen verschenen, wandelden zij de ruime zaal op en neer, waarin zij weldra de algemeene nieuwsgierigheid tot zich trokken. Men bekeek hen, men bespiedde hen, men vroeg zich af of zij den strijd weer zouden aanbinden met het noodlot, dat hun den vorigen dag zoo vijandig, zoo noodlottig was geweest.

Eenige zoogenaamde professoren hadden van de gelegenheid wel willen gebruik maken om hun onfeilbare martingalen of kunstgrepen om te winnen, aan den man te brengen, indien de nieuw aangekomenen maar genaakbaar geweest waren. Maar de bankier Silas Toronthal zag er zeer verstrooid uit, en merkte niet op, hetgeen rondom hem voorviel. Sarcany was meer koelbloedig, meer gesloten dan ooit. Het was, alsof hij beider lot in handen had en, van zekere zijde beschouwd, was dat ook zoo.

Beiden waren, als het ware, in zich zelven gekeerd, nu zij den laatsten inzet gingen wagen.

Onder de vele personen, die hen met die bijzondere nieuwsgierigheid hadden gadegeslagen, welke men aan ernstige lijders of aan veroordeelden verleent, bevond zich een vreemdeling, die vast besloten scheen, om hen geen oogenblik uit het oog te verliezen.

Dat was een jonge man, twee en twintig of drie en twintig jaren oud, met een fijn besneden gelaat en schrander uiterlijk en spitse neus--een van die neuzen, die, als het ware, meer toekijken dan ruiken.--Zijne oogen waren bijzonder doordringend, maar verscholen zich achter een bril met eenvoudige beschermende glazen. Hij scheen zeer levendig en het was alsof hij kwikzilver in de aderen had. Hij hield dan ook de handen angstvallig in de zakken van zijn overjas, om hen te beletten gebaren te maken, terwijl hij zijne voeten noodzaakte om met de hielen op dezelfde lijn aan elkander gesloten te zijn, om des te zekerder te zijn, dat zij zoodoende op de plaats bleven. Hij was zeer fatsoenlijk gekleed, hoewel er aan zijn kleeding niets ten offer gebracht was, om de overdreven eischen van de modedwaasheid te bevredigen. Er was dan ook niets in zijne houding op te merken, dat naar gezochte voornaamheid zweemde, hoewel hij zich waarschijnlijk niet zeer op zijn gemak voelde in die nauwsluitende kleedingstukken, die den glans der nieuwheid nog bezaten.

Zoo iets zal wel niemand bevreemden, want dat jonge mensch was niemand anders dan Pescadospunt in eigen persoon.

Buiten in den tuin stond hem Kaap Matifou geduldig te wachten. Beide vrienden waren dus te Monte Carlo weer vereenigd.

Wie zal er aan twijfelen, dat zij voor rekening van dokter Antekirrt in dit paradijs, of in deze hel, door het Monacosche gebied gevormd, gekomen waren?

Zij waren daags te voren door de vlet van de _Electric 2_, behoorende tot de vloot van het eiland Antekirrta, op de kaap van Monte Carlo zonder meer ontscheept. Bagage hadden zij niet noodig geacht.

Met welk doel waren zij hier gekomen? Wat voerde hen hier heen, in die plaats des verderfs?

Wij zullen het straks vernemen. De ontwikkeling van het verhaal zal ons wel tot de ontknooping voeren.

Twee dagen nadat Carpena aan boord van de _Ferrato_ gebracht was geworden, was hij, in weerwil van zijn protest en zijne tegenspartelingen, in een der onderaardsche casematten van het eiland Antekirrta gekerkerd geworden. Daar begreep die ontsnapte van het Spaansche presidio al heel spoedig, dat hij slechts de eene gevangenis tegen eene andere verwisseld had. In plaats van te behooren tot het personeel van veroordeelden onder het juk van den gouverneur van Ceuta, was hij, evenwel zonder dat hij het wist, in de macht van dokter Antekirrt.

Waar bevond hij zich? Dat wist hij niet. Dat kon hij onmogelijk raden, hoezeer hij zijn brein ook aftobde.

Had hij bij de verandering gewonnen? Dat vroeg hij zich niet zonder ongerustheid af. Hij was besloten om alles te doen, alles in het werk te stellen, om zijn toestand te verbeteren.

Hij aarzelde dan ook geen oogenblik, om op de eerste aanmaning, die hem door den dokter zelven gedaan werd, met de grootste openhartigheid te antwoorden.

Of hij den Triëster bankier Silas Toronthal al dan niet kende?

Daarop antwoordde hij ontkennend.

Sarcany dan?

Ja, dien kende hij, hoewel hij hem slechts zelden en dan nog met groote tusschenpoozen gezien had.

Of Sarcany met Zirone en zijne bende in betrekking stond, sedert deze op het eiland Sicilië werkzaam was en de omstreken van Catania onveilig maakte?

Carpena antwoordde daarop bevestigend, daar Sarcany op Sicilië verwacht werd, en hij daar zeer zeker aangekomen zou zijn, wanneer hij geen bericht had bekomen van den ongelukkigen afloop van den tocht, waarbij Zirone omgekomen was.

Waar was Sarcany thans? luidde vervolgens de vraag van dokter Antekirrt.