Mathias Sandorf [3]

Chapter 5

Chapter 53,749 wordsPublic domain

"Wat, gij beweert...?"

"Ik beweer en verzeker, dat de gevangene aan den bewaker, die onder zijn invloed is, kan zeggen: op dien dag, op dat uur, zult gij dit of dat uitvoeren. Op dien dag zult gij mij de sleutels mijner cel brengen, en hij zal gehoorzamen! Op dien dag zult gij de poort van het Presidio openen, en hij zal het doen! Op dien dag zal ik u voorbijgaan en gij zult mij niet zien!... Mij dunkt, heeren, dat is duidelijk."

"Dat alles, wanneer hij wakker is?" vroeg de directeur steeds uiterst ongeloovig.

"Juist wanneer hij volkomen wakker is!" bevestigde de dokter op een toon, die geen tegenspraak duldde.

Toch werd hij, in weerwil van die bevestiging, een gebaar van ongeloof gewaar, dat enkelen genoodigden, in weerwil zijner verzekering, als huns ondanks ontsnapte. Zij allen waren onder den invloed van den dokter en spraken en dachten, zooals hij verlangde. Op hen nam hij de proefneming, om te ervaren, hoe ver hij gaan kon.

"Niets is toch zekerder evenwel," zei toen Piet Bathory; "en ik zelf ben getuige geweest van daadzaken ..."

"Zoodat," zei de gouverneur, "men de stoffelijkheid van een persoon aan den blik van een andere kan onttrekken?"

"Geheel en al, heer gouverneur," antwoordde dokter Antekirrt, "evenals men sommige sujetten zoodanig biologeeren kan, zoodanige wijzigingen in hunne zinnen, in hun waarnemingsvermogen kan teweeg brengen, dat zij zout voor suiker zullen aannemen, melk voor azijn, of gewoon water voor geneeskundige afdrijvende middelen, waarvan zij zelfs de gevolgen zullen ondervinden. Niets is op het gebied der verbeelding of der halucinaties onmogelijk, want de hersens zijn aan dien invloed onderworpen."

"Dokter Antekirrt" zei toen de gouverneur, "ik meen het gevoelen van alle mijne genoodigden uit te drukken, door u te zeggen, dat men die zaken moet gezien hebben, om ze te kunnen gelooven!"

"En, zelfs dan nog! ..." meende een der tegenwoordige personen bij wijze van voorbehoud te moeten doen hooren.

"Het is dus zeer betreurenswaardig," hernam de gouverneur, "dat de weinige tijdruimte, die gij ons wijden kunt hier te Ceuta, u niet veroorlooft, ons proefondervindelijk te overtuigen."

"Maar... met uw verlof, heer gouverneur," zei de dokter tot den gouverneur.

"Wat wilt gij zeggen, dokter Antekirrt?" vroeg kolonel Guyara. "Gij wildet iets zeggen."

"Dat kan ik, als gij er uwe toestemming slechts toe wilt geven."

"Mijne toestemming? Dadelijk," sprak de gouverneur opgewonden uit.

"Dadelijk, wanneer gij zulks verkiest!" antwoordde dokter Antekirrt bescheiden.

"Ja, wat mij betreft," antwoordde de gouverneur. "Zult gij willen? Zult gij kunnen?"

"Gij hebt slechts te spreken. Gij, heer gouverneur, zijt hier te te Ceuta de baas."

"Welnu, uit naam van het geheele gezelschap, verzoek ik u onze weetgierigheid te bevredigen."

"Het zij zoo," antwoordde dokter Antekirrt met eene buiging. "Gij zult voorzeker niet vergeten hebben, heer gouverneur, dat een der veroordeelden van het Presidio, drie dagen geleden, bewusteloos op den weg van het gouvernements-hôtel naar Ceuta gevonden werd. Die man was, zooals ik u toen reeds zeide, in een diepen magnetischen slaag gedompeld. Herinnert gij u dat nog?"

"Inderdaad," zei de directeur der strafkolonie, "en die man bevindt zich thans in het hospitaal."

"Gij herinnert u ook, niet waar," ging de dokter voort tot den gouverneur, "dat ik hem toen wakker gemaakt heb, nadat geen der bewakers daarin geslaagd was?"

"Voorzeker herinner ik mij dat," antwoordde kolonel Guyara levendig.

"Welnu, dat is voldoende geweest," ging de dokter kalm en bedaard voort.

"Voldoende voor wat, dokter Antekirrt?" vroeg de gouverneur. "Voldoende voor wat?"

"Om tusschen mij en dien... Hoe heet die gedeporteerde, heer kolonel?"

"Carpena."

"...Om tusschen mij en dien Carpena een band van gedachtenopdringing te scheppen, die hem geheel en al in mijne macht stelt."

"Ha!" riep de directeur ongeloovig. "Dat zal te bewijzen vallen, dokter Antekirrt!"

"Zoodat... gij hier in het gouvernements-hôtel ... en hij daar ginds in het hospitaal!..." vroeg de gouverneur nieuwsgierig.

"Ongeloofelijk!" zei de directeur hoofdschuddend. "Dat is niet mogelijk!"

"Wanneer gij bevelen wilt geven, heer gouverneur," vroeg de dokter, "om dien Carpena vrij te laten, om de deuren van het hospitaal en van de strafkolonie voor hem te openen, weet gij wat hij dan doen zal?"

"Jawel, hij zal wegloopen!" antwoordde kolonel Guyara met een gullen lach.

Het moet erkend worden, dat zijne lachbui zoo aanstekelijk was, dat de geheele vergadering er mede instemde. Inderdaad, men proestte het uit.

"Neen, heeren," hernam dokter Antekirrt zeer ernstig, "die Carpena zal niet wegloopen, wanneer ik dat niet wil. Hij zal niets ter wereld doen, dan wat ik zal willen!"

"Maar wat, als 't u blieft?" vroeg kolonel Guyara met aandrang.

"Bij voorbeeld, wanneer hij buiten de gevangenis zal zijn, kan ik hem gelasten, om den weg op te gaan van het gouvernements-hôtel, heer gouverneur."

"En hier te komen? Kom, dat meent gij niet. Dat is immers onmogelijk."

"Onmogelijk, heer gouverneur? Het hangt van u alleen af. Wilt ge? Spreek slechts."

"Mij wel," antwoordde de gouverneur. "Ik geef ten volle permissie, heer directeur."

"Ook dat hij zal vragen om u te spreken, heer gouverneur?" zeide dokter Antekirrt.

"Mij?"

"Ja, u! U in persoon. En als gij er niets tegen zult hebben,--en dat zult gij moeielijk kunnen, daar hij aan mijn wil zal gehoorzamen,--zal ik hem het denkbeeld opdringen, om u voor een anderen persoon te houden."

"Voor wien, als 't u belieft, heer dokter? Daar ben ik benieuwd naar! Voor wien?"

"Ja, voor wien?... Laat zien... Bij voorbeeld... voor den Koning Alphonsus XII."

"Voor zijne Majesteit, den Koning van Spanje?" vroeg kolonel Guyara ongeloovig.

"Ja, heer gouverneur, en hij zal u daarenboven vragen..."

"Gratie? Dat is de gewone vraag van alle galeiboeven."

"Ja, gratie, en wanneer gij er geen bezwaar in zult zien, daarenboven nog..."

"Wat?"

"Het Isabella-kruis!"

Een algemeen gelach begroette die laatste woorden van dokter Antekirrt. Het was een jool van belang!

"En die man zal dat volkomen wakker doen?" vroeg de directeur van de strafkolonie.

"Zoo wakker als wij thans zijn, heer directeur! Gij zult u in persoon van de zaak kunnen overtuigen."

"Neen!... Neen!... Dat is ongeloofelijk, dat is onmogelijk!" riep kolonel Guyara uit.

"Meent gij, heer gouverneur?" vroeg de dokter met een glimlach. "Wacht de uitkomst af."

"Ik herhaal het, dokter Antekirrt, het is onmogelijk! Nimmer zult gij mij kunnen overtuigen."

"Welnu, neem de proef. Niets gemakkelijker dan dat, niet waar?"

"Hoe kan dat?"

"Geef bevelen, dat men dien Carpena geheele vrijheid van handelen late!"

"Opdat hij wegloope! Drommels, dat is voor mij een gevaarlijke proef."

"Laat hem voor alle zekerheid, zoodra hij de strafkolonie zal verlaten hebben, door twee bewakers van verre volgen, dan zal hij alles doen, wat ik zoo even gezegd heb."

"Welnu, dat is afgesproken," zei de gouverneur. "En wanneer gij slechts zult willen..."

"Het is thans acht uren." zei de dokter, terwijl hij zijn horloge raadpleegde. "Welnu, te negen uren. Is dat goed?"

"Zeer goed. Maar...."

"Spreek vrij uit, heer gouverneur. Wat wilt gij dat ik nog zal toelichten."

"Na de proef?..."

"Na de proef zal Carpena gerust naar het hospitaal terugkeeren, zonder dat eenige herinnering bij hem achterblijft, van hetgeen hij verricht zal hebben."

"Is dat zeker? Staat gij daarvoor in?" vroeg de directeur van het bagno onthutst.

"Daar kunt gij op rekenen. Ik herhaal,--en dat is de eenige uitleg, die van het verschijnsel te geven is,--Carpena zal van nu af geheel en al onder den gedachtengang staan, die van mij uitgaat; en in werkelijkheid zal _hij_ dat alles niet verrichten, maar _ik_! Ik, die hem mijn wil opdring en hem noodzaak te handelen naar mijne inzichten."

De gouverneur, wiens ongeloof ten opzichte van die magnetische verschijnselen, onomstootbaar was, schreef een briefje, waarin hij aan den eersten bewaker van het Presidio de noodige bevelen gaf, om den veroordeelden Carpena geheele vrijheid van handelen te geven, daarbij evenwel voegende, dat hij op een afstand moest gevolgd worden. Dat briefje werd terstond door een der bereden ordonnancen, aan den gouverneur toegevoegd, naar de strafkolonie overgebracht. In gedachten volgden al de gasten den hoefslag van het paard, die in de verte wegstierf.

Toen het diner afgeloopen was, stonden de gasten van tafel op en gingen op uitnoodiging van den gouverneur, naar het groote salon, om daar een kop koffie te gebruiken en een sigaar te rooken.

Het onderhoud liep, zooals zich gemakkelijk denken laat, voornamelijk over de verschillende verschijnselen van het magnetisme of van het hypnotisme, die zooveel aanleiding geven tot tegenstrijdige gedachtenwisselingen, die zoovele geloovigen, maar ook zoovele tegenstanders tellen. Dat de gedachtenwisseling levendig was, kan de lezer nagaan.

Dokter Antekirrt verhaalde, terwijl de koffie in keurige kopjes aangeboden werd, terwijl de blauwe rook der manilla-sigaren en der donna-cigaretten, welke laatsten zelfs door de Spaansche schoonen niet versmaad werden, in bevallige spiralen omhoog kronkelde, twintig verschillende feiten, waarvan hij getuige, of waarvan hij de bewerker geweest was bij de uitoefening van zijn geneesheersambt, feiten die hij allen staven kon, die onbetwistbaar waren, maar toch niet in staat schenen, om iemand van het gezelschap te overtuigen. Neen, men wachtte op de komst van Carpena.

Hij beweerde ook dat die macht van gedachte-opdringing de wetgevers, de rechters der lijfstraffelijke rechtspleging en de overige magistraten ernstig moest bezighouden, daar zij toch met een misdadig doel kon aangewend worden. Het was toch niet te loochenen, dat met behulp van die nog onverklaarbare verschijnselen, zich gevallen konden voordoen, waarbij vele misdaden konden gepleegd worden, waarvan de ware schuldigen onmogelijk te ontdekken zouden zijn, terwijl de daders voor niet toerekenbaar gehouden moesten worden.

Terwijl hij zoo nog sprak, keek de directeur op zijn horloge, stuitte de rede en wilde spreken. Maar alvorens hij aan het woord kon komen, zei eensklaps dokter Antekirrt:

"Het is thans drie minuten vóór half negen."

"Wat wilt gij daarmede zeggen?" vroeg kolonel Guyara, die ook zijn horloge raadpleegde.

"Niets minder, heer gouverneur, dan dat Carpena op dit oogenblik het hospitaal verlaat."

Allen keken elkander met een glimlach aan. Men meende met een kwakzalver te doen te hebben.

Een minuut later evenwel, vervolgde de dokter hoogst ernstig en bedaard als altijd:

"Hij gaat thans de poort door van de strafkolonie. Hij stapt flink door."

De toon, waarop die woorden gesproken werden, maakte toch eenigermate indruk op de genoodigden in het gouvernementshuis. Alleen kolonel Guyara bleef ongeloovig het hoofd schudden.

Het gesprek hernam zijne rechten. Er werd voor en tegen gepleit en het moet erkend worden: allen spraken wel een weinig tegelijkertijd, tot op het oogenblik,--het was vijf minuten vóór negen,--dat de dokter andermaal de algemeene opmerkzaamheid trok door overluid te zeggen:

"Carpena is thans reeds tot bij de deur van het gouvernements-hôtel genaderd!"

"Och, kom!" zei de gouverneur, steeds ongeloovig en met een glimlach. "Is hij reeds zoo nabij?"

Bijna terzelfder tijd ging de deur van het salon open en trad een bediende binnen, die den gouverneur mededeelde, dat een persoon, die gekleed was als een gedeporteerde, met aandrang vroeg om hem te spreken.

Alle aanwezigen keken uiterst verbaasd op. Hoe voorbereid ook, hadden zij toch gemeend, te mogen twijfelen.

"Laat dien persoon binnen komen," antwoordde kolonel Guyara, wiens ongeloof nu toch begon te wankelen, tegenover de niet te loochenen feiten.

Juist sloeg de klok negen uren, toen Carpena in de omlijsting der deur van het salon verscheen. Zijne oogen waren geheel open en keken helder rond. Toch scheen hij niemand der aanwezige personen te ontwaren. Hij stapte regelrecht op den gouverneur toe en viel, toen hij hem op twee passen afstands genaderd was, op de knieën voor hem neder, terwijl hij de handen tot een smeekend gebaar samenvouwde.

"Sire!" zei hij met heldere stembuiging, "ik vraag gratie van Uwe Koninklijke Majesteit!"

De gouverneur was, zooals zich wel denken laat, geheel uit het veld geslagen en verkeerde thans zelf in een toestand, alsof hij onder den invloed van een benauwenden droom was. Hij wist in het eerst niet wat te antwoorden.

"Gij kunt hem gerust gratie verleenen," zei de dokter glimlachende; "want bij hem zal geen enkele herinnering aan het gebeurde overblijven."

"Ik verleen ze u!" antwoordde de gouverneur met eene waardigheid, alsof hij werkelijk Koning was van geheel Spanje, zoowel van het rijk in Europa, als van dat in West-Indië en Oost Indië.

"Ja, maar..." zei Carpena aarzelend. "Ik wenschte nog een verzoek te doen."

"Wat wilt ge nog meer?" vroeg kolonel Guyara, hem goedaardig aanziende.

"Dat ge die gratie aanvult," ging de veroordeelde steeds geknield voort, "met het eerekruis van de Isabella-orde."

"Ik schenk het u! Zijt gij nu tevreden, Carpena? Hebt gij nog iets te verzoeken?"

Carpena wenkte neen met het hoofd en volvoerde toen een gebaar, alsof hij een voorwerp uit de hand van den gouverneur aannam, hetwelk deze hem zoude aangeboden hebben; hij hechtte dat denkbeeldige kruis eerbiedig op zijne borst, stond daarna op en trad, steeds met het gelaat naar den persoon, die voor hem de Koning was, gekeerd, de zaal uit.

Ditmaal waren alle aanwezigen overtuigd en volgden Carpena tot aan de deur van het gouvernements-hôtel.

"Ik wil hem begeleiden, ik wil hem naar het hospitaal zien terugkeeren!" riep de gouverneur uit, die in zijn binnenste een heftigen strijd voerde, alsof hij weigerde geloof te slaan aan hetgeen zijne eigene oogen toch waargenomen hadden, maar daarbij aan geheel andere invloeden gehoorzaamde. Hij stond geheel en al onder den invloed van zijn gast.

"Gelooft gij mij nog niet?" vroeg dokter Antekirrt met een ietwat schamperen glimlach.

"Ik kan niet!" antwoordde kolonel Guyara. "Het gaat totaal mijn begrip te boven."

"Welnu, kom dan!" zei de dokter, terwijl hij van zijn stoel oprees. "Kom dan!"

De gouverneur, Piet Bathory en dokter Antekirrt, vergezeld van nog eenige andere personen, sloegen denzelfden weg in als Carpena, die reeds zijne schreden naar de stad richtte. Namir, die hem van het oogenblik af, dat hij de strafkolonie verlaten had, bespied had, sloop in de donkere schaduw der boomen langs den weg voort, en verloor hem geen oogenblik uit het oog. Het kon toch zijn, dat het oogenblik gunstig kon worden, om een lastig getuige uit den weg te ruimen.

De nacht was vrij donker. De Spanjaard stapte met regelmatigen pas zonder aarzeling langs den weg voort. De gouverneur en de personen van zijn gevolg hielden zich op een afstand van hem, met twee bewakers van het Presidio bij zich, die bevel hadden, den gevangene niet uit het oog te verliezen.

De weg omgeeft, terwijl hij naar de stad voert, de kreek, die de tweede haven aan dezen kant van de rots van de Ceuta vormt. Op het onbewegelijke en zwartschijnend water der zee, schitterde de weerschijn van twee of drie lichten. Dat waren de seinlantaarns en het toplicht van de _Ferrato_, welker vormen ijl en nevelachtig, maar door de duisternis zeer vergroot, ontwaard werden.

Toen hij dit punt genaderd was, verliet Carpena den weg en sloeg rechts in naar eene opeenhooping van rotsblokken, die ter hoogte van twaalf voeten ongeveer de zee beheerschten. Voorzeker had een gebaar van den dokter, dat door niemand opgemerkt was, wellicht slechts eene eenvoudige gedachtenuiting als overbrenger van zijn wil, den Spanjaard genoopt in dier voege zijn richting te wijzigen.

De bewakers wilden toen den pas versnellen, om Carpena in te halen, ten einde hem te noodzaken den rechten weg te hernemen; maar de gouverneur, die zeer goed wist, dat van dien kant eene ontsnapping tot de onmogelijkheden behoorde, beval hem vrij en ongemoeid te laten.

Carpena was intusschen op een der rotsen blijven stilstaan, alsof hij daar ter plaatse door eene onweerstaanbare macht tot onbewegelijkheid gedoemd was. Al had hij de voeten willen optillen, al had hij de beenen in beweging willen stellen, dan zou hij het toch niet gekund hebben. Dokter Antekirrt's wil, die hem beheerschte, nagelde hem aan den bodem vast, en hij stond daar als een standbeeld, maar als een zeer leelijk standbeeld.

De gouverneur sloeg hem gedurende eenige oogenblikken gade en wendde zich toen tot zijn gast:

"Welnu, waarde dokter, of ik wil of niet, ik moet aan de waarheid hulde doen!..."

"Zijt gij thans overtuigd, maar inderdaad overtuigd, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt zegevierend.

"Ja, ik ben overtuigd, dat er zaken bestaan, die men gelooven moet, al begrijpt men ze niet."

"Dat's nog al gelukkig. Ik ben dus in mijne proefneming volkomen geslaagd?"

"Ja, dokter Antekirrt; maar als ik u bidden mag, dring nu dien man de gedachte op..."

"Welke, heer gouverneur?... Gij hebt slechts te bevelen. Welke gedachte wilt gij dat hij ten uitvoer zal leggen?"

"Om dadelijk naar het Presidio terug te keeren! Alphonsus XII beveelt u dat!"

Nauwelijks had de gouverneur dien volzin uitgesproken, toen Carpena zich oogenblikkelijk, zonder een kreet te slaken, in de wateren van de haven stortte.

Was dat een ongeval? Was dat een willekeurige daad zijnerzijds. Ontsnapte hij door eene onvoorziene omstandigheid aan de macht en den invloed des dokters?

Dat kan niemand zeggen. Dat was voor alle aanwezigen totaal onverklaarbaar.

Allen liepen dadelijk zoo gezwind mogelijk naar de rotsen, terwijl de bewakers naar een smal strand afdaalden, hetwelk zich langs de zee uitstrekte...

Na lang zoeken was geen spoor van Carpena gevonden. Eenige visschers-vaartuigen kwamen met allen spoed toeschieten, ook de sloepen van het stoomjacht... Alles was overbodig... Men vond zelfs het lijk van den veroordeelde niet terug. De stroom, die naar buiten zette, had het voorzeker naar volle zee gedreven.

"Heer gouverneur," zei dokter Antekirrt, "ik betreur inderdaad levendig, dat mijne proefneming dien tragischen uitslag, waarop niemand verdacht kon zijn, heeft gehad."

"Maar hoe verklaart gij, hetgeen plaats heeft gehad?" vroeg de gouverneur belangstellend.

"Niet anders dan daardoor," antwoordde dokter Antekirrt, "dat bij de uitoefening van die gedachten-opdringing, waarvan gij het bestaan en de gevolgen niet meer kunt ontkennen, er nog leemten bestaan, nog onderbrekingen te constateeren zijn. Die man is een oogenblik aan mijne macht ontsnapt, dat is niet twijfelachtig; en, hetzij dat hij door eene duizeling overvallen is, hetzij dat eene andere oorzaak in het spel is, gij hebt het gezien: hij is van boven die rotsen neergestort! Dat is zeer betreurenswaardig..."

"Och kom!" zei kolonel Guyara lachende. "Wat is er bij zoo'n geval betreurenswaardig!"

"Neen, laat mij uitspreken, heer gouverneur," hernam dokter Antekirrt op zeer ernstigen toon. "Dat is zeer betreurenswaardig, omdat wij werkelijk een kostbaar sujet voor onze proefnemingen verloren hebben!"

"Wij zijn een schoft kwijt, anders niet!" antwoordde de gouverneur wijsgeerig.

Dat was de geheele en eenige grafrede op Carpena. Trouwens hij was geen andere waard.

Dokter Antekirrt en Piet Bathory namen toen afscheid van den gouverneur van Ceuta. Zij wenschten vóór het aanbreken van den dag naar Antekirrta te vertrekken, en zij haastten zich, om hunnen gastheer te bedanken voor het aangename onthaal, hetwelk zij in de Spaansche volksplanting genoten hadden.

De gouverneur drukte den dokter met warmte de hand en wenschte hem een voorspoedigen overtocht toe; maar deed hem alvorens beloven, dat hij hem bij gelegenheid weer zou komen opzoeken. Eerst toen hij daarop des dokters toezegging vernomen had, nam hij den terugtocht naar het gouvernements-hôtel aan.

Misschien zal de lezer vinden, dat dokter Antekirrt wel eenigermate misbruik van het goede geloof en van het vertrouwen van kolonel Guyara, den gouverneur van Ceuta gemaakt heeft. Dat men hem veroordeele, dat men zijn gedrag bij die gelegenheid afkeure, het zij zoo, wij mogen er niets tegen hebben; want werkelijk, aan de loyauteit was eenigermate te kort gedaan. Maar de lezer mag evenwel daarbij niet uit het oog verliezen, aan welke taak graaf Mathias Sandorf zijn leven toegewijd had, ook niet dat hij eens verkondigd had: "duizend wegen... maar één doel!" [2]

Hier was het één van die duizend wegen, dien hij ingeslagen had, en die had hem naar zijn doel gevoerd.

Weinig tijds later had een van de sloepen van de _Ferrato_ den dokter en Piet Bathory aan boord overgevoerd. Luigi wachtte hen aan de valreep en ontving hen hartelijk.

"En die man?..." vroeg de dokter met de uiterste belangstelling. "Is die man aan boord?"

"De vlet, die hem volgens uwe bevelen aan den voet der rotsen bespiedde," antwoordde de jeugdige zeeman, "heeft hem na zijn val dadelijk opgenomen en ter sluiks aan boord gebracht. Ik heb hem in de kajuit van het voorschip doen opsluiten."

"Heeft hij niets gezegd, toen hij uit het water gehaald werd?..." vroeg Piet Bathory.

"Niets," antwoordde Luigi.

"In het geheel niets?"

"Wat zou hij hebben kunnen zeggen? Hij kon niet spreken... Hij schijnt stom te zijn."

"Waarom kan hij niet spreken?"

"Wel, hij is in diepen slaap gedompeld en heeft volstrekt geen bewustzijn zijner handelingen."

"Goed," zei dokter Antekirrt.

De beide jongelieden keken hem ietwat verwonderd aan, maar waagden het niet eene vraag te uiten.

"Het was mijn wil," ging de dokter voort, "dat Carpena van boven die rots neerstortte en... hij is er afgestort.... Het was mijn wil, dat hij sliep en... hij slaapt!... Wanneer ik zal willen dat hij ontwaakt, zal hij ontwaken!... En nu, Luigi, anker op, en onder stoom! Ik hoop, dat gij daartoe geen uwer maatregelen zult uit het oog verloren hebben."

De jonge zeeman knikte glimlachend van neen; de stoomketel had zijne volle spanning, het anker winden was spoedig geschied, en weinige minuten later had de _Ferrato_ de open Middellandsche zee bereikt en stevende oostwaarts op naar Antekirrta.

III.

ZEVENTIEN MALEN

"Zeventien malen?..."

"Ja, zeventien malen!"

"Onmogelijk!"

"Wel mogelijk!... Rood is zeventien malen achter elkander uitgekomen!"

"Ongeloofelijk! Ik herhaal, dat het volstrekt onmogelijk is. En ik houd dat vol!"

"Het mag onmogelijk, het mag ongeloofelijk schijnen; maar het is zóó en niet anders!"

"En hebben de spelers daar tegen in volgehouden?"

"Ja!"

"Die domooren! Die ezels! die ganzen! Hadden zij dan hun verstand verloren?"

"De bank heeft meer dan negen maal honderd duizend franken gewonnen!"

"Zeventien malen?... Zeventien malen?... Achter elkander?..."

"Ja, zeventien malen! en achter elkander!"

"Met de roulette of met het trente et quarante?... Zeg mij, met welke dier beiden?"

"Met het trente et quarante!"

"Dat is voorzeker binnen het tijdperk van vijftien jaren niet voorgekomen."

"Vijftien jaren, drie maanden en veertien dagen geleden, is het nog eens gebeurd!" antwoordde koelbloedig een oude speler, die tot de eerbiedwaardige klasse der ongelukkige dobbelaars behoorde. "Ja, mijnheer, en het was toen zomer--wat zeer opmerkelijk is.--Ik ben betaald, om er iets van te weten."

Zoodanig waren de praatjes of beter de uitroepen, welke in het voorportaal en tot op het bordes van den Club der Vreemdelingen te Monte Carlo in den avond van den 3den October, dus acht dagen na de ontsnapping van Carpena uit de Spaansche strafkolonie, gehoord werden.

En toen ontstond te midden van die opeengedrongen menigte van spelers, zoowel uit vrouwen als uit mannen van iedere nationaliteit, van iederen leeftijd, van iederen rang of klasse bestaande, eene uitbarsting van geestdrift. Het was of hooren en zien moest vergaan.