Mathias Sandorf [3]

Chapter 3

Chapter 33,693 wordsPublic domain

De gouverneur Guyara, dokter Antekirrt en Piet Bathory stegen weer in het rijtuig, dat de weg naar de stad vervolgde in vollen draf, om het tijdverlies van het oponthoud in te halen.

"Was de kerel, alles wel beschouwd, niet ietwat onder den invloed van sterken drank?" vroeg de gouverneur met een spotachtigen glimlach. "Het kwam mij zoo voor."

"Dat geloof ik niet," antwoordde dokter Antekirrt ernstig. "Neen, dat was het niet."

"Vooreerst ontbrak geheel en al de alcohollucht," zei Piet Bathory, die den dokter te hulp kwam.

"Meent ge? Ik moet erkennen, dat ik daar niet op gelet heb," zei kolonel Guyara.

"En dan valt hier slechts eene eenvoudige uitwerking van het somnambulisme te constateeren."

"Maar hoe kan die uitwerking te voorschijn geroepen zijn?" vroeg de gouverneur.

"Daarop kan ik niet antwoorden, heer gouverneur. Misschien is die man onderhevig aan dergelijke aanvallen."

"Maar hij is nu op de been, verdere zorgen mijnerzijds zijn nu overbodig en deze aanval zal hem geen kwaad doen."

"Mijnentwege," dacht de gouverneur. "Zoo'n boef! Alsof ik mij daarom bekommeren zou."

Het rijtuig bereikte weldra den gordel der vestingwerken, reed de stad in en dwars door en hield stil op een klein plein, waarbij de verschillende inschepings-kaden van Ceuta uitkwamen.

Daar nam dokter Antekirrt hartelijk afscheid van den kolonel Guyara.

"Ziet, daar ligt de _Ferrato_," sprak de eerstgenoemde, terwijl hij naar het sierlijk stoomjacht wees, dat op de open reede bevallig door de deining heen en weer bewogen werd. "Vergeef mij, dat ik u uwe belofte herinner. Gij zult niet vergeten, heer gouverneur, dat gij aangenomen hebt, om aanstaanden Zondag-ochtend aan boord te komen ontbijten?"

"Zeker niet, dokter Antekirrt. Evenmin als gij vergeten zult, dat gij Zondag-avond op het gouvernementshuis dineeren zult! Denk daar ook om; want ik reken er op."

"Ik zal woord houden, heer gouverneur, dat verzeker ik u," zei dokter Antekirrt met plichtpleging.

"En ik ook, wees daar verzekerd van," was het wederantwoord van den kolonel.

Beiden scheidden en de gouverneur verliet de kade niet, dan nadat hij de sloep had zien afsteken.

"Een merkwaardig man!" zei hij bij het heengaan tot zijn adjudant. "Bepaald een merkwaardig man."

De jonge officier knikte toestemmend, zooals dat een goed ondergeschikte betaamt.

Toen de sloep aan boord gekomen was, antwoordde dokter Antekirrt op de vraag van Piet Bathory, of alles volmaakt naar zijn wensch was afgeloopen en of hij de uitvoering zijner plannen meer nabij gekomen was:

"Ja!"

"Meent gij dat wezenlijk?" vroeg Piet Bathory, niet zonder ietwat verbazing te laten blijken.

"Zeker! Want Zondag-avond zal Carpena met of zonder vergunning van den gouverneur aan boord van de _Ferrato_ zijn."

Tegen acht uren verliet het stoomjacht zijne ankerplaats, wendde den steven noordwaarts en weldra verdween de berg Hacho, die deze Afrikaansche kusten beheerscht, in den nevel, die zich bij het vallen van den avond uit den Atlantischen Oceaan en uit de Middellandsche zee verhief.

II.

EENE PROEFNEMING VAN DOKTER ANTEKIRRT.

Een passagier, wien men niets omtrent de bestemming van het vaartuig, waarop hij zich bevindt, medegedeeld heeft, kan onmogelijk raden op welk gedeelte van den aardbol hij aanlandt, wanneer hij te Gibraltar voet aan wal zet.

Vooreerst is het eene kade, die men ziet, welke van kleine inhammen voorzien is, om het aanleggen der sloepen van de zeekasteelen gemakkelijk te maken; daarna krijgt men een bastion te zien, dat gevormd wordt door den walgang, waaronder een poort doorvoert, welke geheel zonder karakter of bouwstijl is. Vervolgens komt men op een onregelmatig plein, dat allerwege door hooge kazernes omgeven is, die zich terrasgewijze langs de heuvelhelling verheffen; en eindelijk bevindt men zich in eene lange, smalle en bochtige straat, die den naam van Mainstreet voert. Eigenaardig, de macadam van die straat blijft steeds vochtig, welk weer het ook zijn moge. Daarin komen en gaan, te midden van de pakkendragers, van de sluikhandelaars, van de schoenpoetsers, van de sigaren- en lucifers-verkoopers, tusschen de kruiwagens, de draagmanden en de karretjes, met groenten en vruchten beladen, tusschen de draaiorgels en liedjeszangers, als een cosmopolitisch mengelmoes, Maltezers, Marokkanen, Spanjaarden, Italianen, Arabieren, Franschen, Portugezen, Duitschers--dus zoowat van alles, zelfs inboorlingen van het Vereenigd Koninkrijk, die hoofdzakelijk door infanteristen vertegenwoordigd worden, die met hun eigenaardigen rooden uniformjas, terwijl de artilleristen een licht blauwen dragen, eene bonte afwisseling daarstellen, vooral met hunne gaarkeuken-petjes op het hoofd, die den vorm eener kleine taart hebben, en slechts op een oor door een evenwichts-kunststuk gedragen worden.

Toch bevindt men zich in weerwil van dat alles te Gibraltar, en die zoogenaamde Mainstreet strekt zich door de geheele stad uit, van de Zeepoort af tot aan de Alamedapoort.

Van dit laatste punt af verlengt zij zich naar de zuidelijke punt van Europa en voert langs veelkleurige villa's en groenende squares, onder het lommer van hoog plantsoen en te midden van prachtige bloemperken, die afgewisseld worden met kanonbatterijen van ieder stelsel en met kogelstapels van ieder kaliber, langs boschjes van sierplanten, die in iedere luchtstreek tehuis behooren, en dat zoo over eene lengte van vier duizend drie honderd meters. Dat is ongeveer de maat van de rots van Gibraltar, die den vorm van een hoofdeloozen drommedaris vrij wel nabij komt, welke gehurkt zou liggen op de zandvlakte van San Roqua en wiens staart zich met een weinig verbeeldingskracht tot in de Middellandsche zee zoude uitstrekken. Waarlijk, een merkwaardige verschijning, van uit zee gezien.

Die kolossale rotsklomp verheft zich op vier honderd vijf en twintig meters loodrecht boven de oppervlakte van den Oceaan en bedreigt met zijne kanonnen, met zijne "oude besjestanden" zooals de Spanjaarden ze noemen, het vasteland van weerszijden, zoowel Afrika als Europa. Van die kanonnen bevinden zich daar ruim achthonderd stuks, wier mondingen door de schietgaten in de borstweringen en schildmuren der bomvrije kasematten ingesneden, te ontwaren zijn, en het alles een uiterst somber aanzien verleenen.

Twintig duizend ingezetenen en zes duizend militairen der bezetting wonen als het ware op de eerste verdieping van die rots, waarvan de voet door de zee bespoeld wordt, zonder de vierhandige bewoners te rekenen, die beruchte "monos", een soort van staartelooze apen, Simia Ecaudato genaamd, die als de nakomelingen van de oudste familiën van de streek, maar in waarheid als de ware grondbezitters te beschouwen zijn van de hellingen en hoogten van het oude Calpé. Dit zijn de eenige apen, die op Europeesch grondgebied aangetroffen worden, de menschelijke apen natuurlijk uitgezonderd.

Die apen zijn de sierlijkste exemplaren van het geheele geslacht der vierhandigen. Zij zijn over den rug en aan de zijden kastanjebruin met uiterst fijne leikleurige stipjes aan de armen en het onderlijf, maar met sneeuwwitte stipjes aan de beide zijden van den staartwortel. Het hoofd dier dieren schittert met eene geelachtig groene kleur met zwarte stippen, het aangezicht is purperblauw en de baard geel met een zwarte streep tusschen het oog en het oor. Deze apen worden dikwijls naar andere landen overgebracht, hoewel men hun vaderland niet met juistheid weet aan te geven en men aangenomen heeft, dat zij op de rotsen van Gibraltar in den natuurstaat voorkomen. Zooveel is zeker, dat hun vaderland binnen den noorder keerkring en in het westelijk gedeelte van Afrika gelegen is, vanwaar zij, daar de apen over het algemeen goede zwemmers zijn, naar Europa overgestoken kunnen zijn. Deze apensoort weet zich zeer goed aan de gematigde luchtgesteldheid te gewennen; zij kunnen in gevangen staat lang leven en worden zeer mak. Zij verloochenen evenwel nimmer hunnen grappigen aard en verwerven daardoor veler gunst.

Van den top van de rots van Gibraltar beheerscht de bezoeker de geheele zeeëngte, kan hij het Marokkaansche strand gade slaan en heeft aan de eene zijde een vergezicht over de Middellandsche zee en aan den anderen kant op den vollen Atlantischen Oceaan, die, wanneer het weder helder is, een prachtigen aanblik oplevert.

De Engelschen bespieden van die hoogte met hunne uitstekende teleskopen en verrekijkers, een omtrek van ruim twee honderd kilometers, en laten niet na, nauwgezet gade te slaan, wat in dien kring voorvalt, ten einde steeds op hunne hoede te zijn.

Gibraltar, eigenlijk een voorgebergte, is sedert 1704 eene aan Engeland toebehoorende rotsvesting met een stad. Deze ligt in de Spaansche provincie Cadix, in Andalusië, op drie geografische mijlen ten noordoosten van kaap Tarifa, de zuidelijkste punt van Europa. De rots met hare vestingwerken, is door eene strook neutralen grond, eene lage door lagunen of haften doorsneden landtong, met het vasteland verbonden en schijnt derhalve in zee te liggen. Die rots is tien duizend meter lang, vijftien honderd meter breed en vier honderd meter hoog, bestaat uit fijnkorrelige Jurakalk, welke op Silurisch gesteente rust, en bevat onderscheidene grotten en druipsteenholen, onder anderen de Cueva de Miquel. De bergkam heeft eene dakvormige gedaante en telt drie kruinen. Op de middelste van deze bevindt zich het Signaalhuis (Signalhouse) en een uitmuntend hôtel. Aan den zeekant gaat de rots over in een terras, dat allengs lager wordt, maar eindelijk steil, ja schier loodrecht in zee afdaalt. Op zijn sterk bevestigden zuidelijken rand, op de Punta d'Europa, verheft zich een vuurtoren op 36° 6' 42'' Noorderbreedte. De westelijke helling, hoewel ook rotsachtig en steil, heeft gelegenheid gegeven tot stichting der stad Gibraltar. Daarentegen vormen de oostelijke en noordelijke zijden nagenoeg loodrechte muren. Aan de andere zijde van den aarden wal, op de reeds vermelde landtong opgeworpen, verheft zich op eene rots de Spaansche stad Santa Roqua.

Natuur en kunst hebben Gibraltar tot eene onoverwinnelijke vesting gemaakt en deze is in handen der Engelschen de sleutel tot de Middellandsche zee. Behalve aan de loodrechte oostzijde is zij overal bevestigd door batterijen, forten, redouten, wallen, gecreneleerde muren en ver uitspringende bastions. Zooals reeds verhaald is, bedraagt de bewapening der vesting ruim acht honderd vuurmonden, welker aantal gemakkelijk tot twee duizend kan vermeerderd worden. Deze metalen vuurmonden staan steeds gereed, om alle nadering van den vijand te verhinderen. De vestingwerken zijn voor het grootste gedeelte in de rots uitgehouwen. Merkwaardig zijn vooral de hooggewelfde breede rotsgaanderijen, gedurende de laatste belegering der Spanjaarden van 1779-1781, ter hoogte van twee honderd en drie honderd meters en twee honderd en zestig meters diepte in het gesteente aangebracht--twee boven elkander gelegen gangen, die met honderden zware stukken geschut bewapend zijn.

Er is eene veilige en voldoende bomvrije wijkplaats voor het gewone garnizoen, hetwelk, zooals reeds medegedeeld werd, uit drie duizend man bestaat. Acht ontzettend groote bomvrije waterbakken en een kolossaal diepe put leveren genoegzame waarborgen tegen mogelijk watergebrek. Nergens in Europa is het klimaat zoo warm; maar het is er toch zeer gezond. Alle zuidelijke gewassen willen er gaarne tieren. De berg is trouwens geen kale rots; runderen, schapen en geiten vinden er een weelderigen plantengroei.

Terrasvormig verheft zich de stad Gibraltar, aan de westzijde der indrukwekkende rots. Bij bovenbedoelde belegering door de Spanjaarden, werd zij in de asch gelegd, doch later weer opgebouwd. Het hoogste gedeelte der stad ligt veel, zeer veel hooger dan het laagste; de straten zijn er zeer eng en de huizen geheel in Engelschen trant gebouwd, doch meestal donkerkleurig geverfd, zoodat ze van de donkergrijze kleur der rots nauwelijks te onderscheiden zijn.

Slechts hier en daar zijn er woningen door tuinen omgeven. Voor de stad vindt men een prachtig park, Alameda-garden genaamd, met sierlijke gewassen beplant. Van hier loopt langs de helling van den berg tusschen vestingwerken, forten, kazernes, magazijnen, villa's en tuinen, een weg naar Punta d'Europa.

Merkwaardige openbare gebouwen zoekt men er te vergeefs. Het gouvernements-gebouw, door een fraaien tuin omgeven, was voorheen een Franciskaner klooster, en van de vroeger zoo prachtige kerk is een gedeelte in een balzaal en het andere in een Engelsch bedehuis herschapen. Van de voormalige Roomsch-Katholieke kerken, die meest in magazijnen werden veranderd, is alleen de Maria-kerk overgebleven.

Voorts bevinden zich te Gibraltar drie synagogen, eene moskee; uitmuntende scholen, goede hôtels en koffiehuizen en fraaie winkels; maar geen schouwburg. Op eene hoogte, aan de noordzijde der stad; heeft men de artillerie-kazerne en de militaire gevangenis in het oude Moorsche kasteel, hetwelk uit de VIIIe eeuw dagteekent. Het Britsche grondgebied heeft eene oppervlakte van slechts 0.69 vierk. geografische mijlen. Hoewel alle levensmiddelen te Gibraltar aangevoerd moeten worden, heerscht er steeds overvloed, en de vele schepen, die er ten anker komen,--jaarlijks ongeveer tienduizend,--geven aanleiding tot een levendig handelsverkeer. Ook wordt er een aanmerkelijke sluikhandel gedreven met Spanje.

Karel V liet de oude Moorsche vestingwerken door den beroemden ingenieur Spreekel uit Straatsburg, naar de beginselen der nieuwere Europeesche vestingbouwkunde veranderen. Gedurende den Spaanschen Successie-oorlog werd de vesting door de Engelschen aan de Spanjaarden ontrukt. Eene Engelsche vloot onder Admiraal Rook verscheen den 21sten Juli 1704 in de wateren van Gibraltar en zette een klein maar dapper korps Britsche en Nederlandsche krijgslieden aan den wal, die reeds den 4en Augustus onder aanvoering van den Keizerlijken luitenant-veldmaarschalk Prins George van Hessen Darmstadt de vesting bij overrompeling innamen. Philippus V liet toen de stad den 12en daaropvolgende met tienduizend man van de landzijde aantasten en de vesting aan de zeezijde door vier en twintig schepen onder admiraal Poyer insluiten, doch zijne pogingen werden zoowel door de batterijen der rotsvesting, als door den bijstand der Nederlandsch-Engelsche vloot verijdeld. Eene herhaling dier pogingen in 1705 had geen ander gevolg, dan dat de admiraal Pontis in de haven van Gibraltar de nederlaag leed. In 1714 bij den vrede van Utrecht werd Engeland uitsluitend in het bezit van Gibraltar bevestigd en na dien tijd heeft dat Rijk alle hulpmiddelen aangewend om Gibraltar, het bolwerk van zijnen handel in de Middellandsche zee, onoverwinnelijk te maken. Dit was tevens oorzaak van den klimmenden naijver van Spanje, dat den 7en Maart 1727 het beleg voor Gibraltar sloeg, hetwelk echter, na de komst van den Britschen admiraal Wager met elf oorlogschepen, opgebroken moest worden.

Te vergeefs bood Spanje twee millioen pond sterling voor de vesting; het moest volgens het verdrag van Sevilla, in 1729 gesloten, van alle aanspraken op Gibraltar afzien.

In 1779 werd Gibraltar opnieuw te water en te land door de Spanjaarden ingesloten; maar de Britsche admiraal Rodney wist middelen te vinden, om de bedreigde vesting van versterking en munitie te voorzien. De bezetting deed op den 27sten November 1781 een gelukkigen uitval naar de landzijde onder de generaals Elliot en Ross, waarbij zij door haar vuur al de belegeringswerken, die door de Spanjaarden waren aangelegd, vernielden. Het plan der Spanjaarden, om door middel van drijvende batterijen de vesting van de zeezijde te veroveren, leed schipbreuk op de uitstekende maatregelen van Lord Elliot.

De vrede van 1783 liet eindelijk Gibraltar in het bezit der Engelschen, nadat de belegering van 1779 tot 1782 aan de oorlogvoerende Mogendheden meer dan honderd tachtig millioen gulden gekost had.

Na die uitwijding over de voornaamste vesting, die in Europa aangetroffen wordt, hervatten wij ons verhaal.

Wanneer de _Ferrato_, door een gelukkig gesternte geleid, twee dagen vroeger op de reede van Gibraltar ware aangekomen, wanneer dokter Antekirrt en Piet Bathory alsdan tusschen zonsopgang en ondergang op de smalle kade ontscheept, de Zeepoort ingestapt en de Mainstreet tot buiten de Alamedapoort gevolgd waren, om zich naar de fraaie tuinen te begeven, die zich tot nagenoeg ter halverhoogte van den rotsheuvel aan de linkerzijde verheffen, dan zouden wellicht de gebeurtenissen, die wij te vertellen hebben, een sneller en ongetwijfeld een geheel ander verloop hebben gehad.

Inderdaad zaten in den achtermiddag van den 19en September op een dier hooge houten banken, die gewoonlijk in de Engelsche Squares te vinden zijn, onder beschutting van het hooge geboomte en met den rug naar de kanonbatterijen gekeerd, die met hun vuur de geheele reede kunnen bestrijken, twee personen met elkander te praten, waarbij zij er evenwel nauwkeurig voor zorgden, dat zij niet door de wandelaars konden worden beluisterd.

Die twee personen waren onze oude kennissen, Sarcany en de Marokkaansche vrouw Namir.

De lezer zal, hopen wij, de bijzonderheid wel niet vergeten hebben, dat de Tripolitaan Sarcany zich op het eiland Sicilië bij Namir moest vervoegen, terzelfder tijd dat de medegedeelde rooftocht naar de Case Inglese ondernomen zoude worden, waarbij Zirone evenwel zoo'n vreeselijken dood vond.

Sarcany, die bijtijds van dien noodlottigen afloop onderricht werd, veranderde toen dadelijk zijne plannen, waaruit noodzakelijk volgde, dat dokter Antekirrt hem natuurlijk gedurende acht volle dagen, die hij ter reede van Catania doorbracht, te vergeefs wachtte.

De Marokkaansche had van haren kant, luidens de bevelen, die zij ontvangen had, dadelijk Sicilië verlaten, om naar Tetuan op de Marokkaansche kust terug te keeren, alwaar zij destijds woonde.

Van Tetuan vertrok zij naar Gibraltar, alwaar Sarcany haar verzocht had te komen.

Hij was den vorigen dag reeds aangekomen en rekende er op den volgenden dag te kunnen vertrekken.

Namir, de halfwilde gezellin van Sarcany, was hem met ziel en lichaam toegedaan. Zij was het, die hem in de douars van het Tripolitaansche rijk, als ware zij zijne moeder opgevoed had. Zij had hem nimmer verlaten, zelfs gedurende dat tijdperk, toen hij makelaar in het Regentschap was, waar hij geheimzinnige aanrakingen had met de vreeselijke sektegenooten van het Senousisme, die met hunne plannen het eiland Antekirrta bedreigden, zooals hiervoren reeds met enkele woorden verhaald werd.

Namir kende alle zijne gedachten, zoowel als al zijne daden, zelfs de meest laakbare. Ja, in het ontwerpen en in de uitvoering had zij bijna altijd haar deel. Zij was door eene soort van moederlijke liefde aan Sarcany verbonden, en was wellicht meer aan hem gehecht dan Zirone, zijn makker in lief en leed, het ooit was. Op een teeken, op een gebaar van hem, zou zij ongetwijfeld eene misdaad begaan hebben, zou zij den dood zonder aarzeling tegemoet gesneld zijn.

Sarcany kon dus een onbeperkt vertrouwen in Namir stellen, en dat hij haar naar Gibraltar had doen komen, was om haar te spreken over Carpena, van wien hij thans alles te vreezen had.

Dat onderhoud was evenwel het eerste, dat zij sedert de aankomst van Sarcany te Gibraltar te zamen hadden. Het zou ook het eenige zijn en het werd in de Arabische taal gevoerd.

Sarcany begon het gesprek met eene vraag en ontving daarop een antwoord, dat beiden ongetwijfeld als het meest belangwekkende beschouwden, daar hunne toekomst er van afhing.

"Sava?..." vroeg Sarcany met uiterst levendige stem en gebaar. "Waar is Sava?"

"Die bevindt zich te Tetuan in zekerheid," antwoordde het oude wijf, met een grijnslach.

"Dus ik kan daaromtrent gerust zijn? Gij staat mij voor het meisje in?" vroeg de Tripolitaan.

"Volkomen. Wees daaromtrent geheel gerust," was het antwoord van de oude feeks.

"Maar gedurende uwe afwezigheid! Dan zou van de gelegenheid gebruik kunnen gemaakt worden...."

"Geen nood! Ik heb mijn maatregelen te goed getroffen, om dienaangaande iets te vreezen te hebben."

"Verklaar u nader, Namir. Gij weet welke belangen met dat meisje op het spel staan."

"Gedurende mijne afwezigheid staat het huis onder opzicht eener oude jodin, die het jonge meisje geen oogenblik zal verlaten. Op die vrouw kan ik volkomen vertrouwen."

"Is dat zeker?"

"Alsof Sava in eene gevangenis zat, waarin niemand kan binnendringen dan gij. Daarenboven..."

"Ga voort... Ga dan toch voort... Ik brand van ongeduld. Dat ziet gij."

"Daarenboven, Sava weet niet, dat zij te Tetuan is, zij weet niet wie ik ben en zij weet nog minder, dat zij zich in uwe macht bevindt. Wees dus volkomen gerust."

"Spreekt gij haar nog steeds over dat huwelijk?... Gij weet, dat dit van belang is."

"Voorzeker, Sarcany," antwoordde Namir. "Ik laat haar niet van het denkbeeld vervreemden, dat zij uwe vrouw moet worden. En dat zal zij! Dat heb ik gezworen!"

"Ja, het moet, Namir, het moet! En te meer, daar van het vermogen van Toronthal nog maar weinig meer overblijft... Waarlijk, die arme Silas heeft weinig geluk bij het spel."

"Gij zult hem niet noodig hebben, Sarcany, om rijker te worden, dan gij ooit geweest zijt!"

"Dat weet ik, Namir, dat weet ik. Maar het laatste tijdstip, waarop mijn huwelijk met Sava voltrokken moet wezen, nadert! En gij weet, dan heb ik hare vrijwillige toestemming noodig, en wanneer zij mocht weigeren... Dat ware dan al zeer noodlottig. Want dan ontgaat dat vermogen mij."

"Ik zal haar wel noodzaken toe te geven," antwoordde Namir gemelijk. "Ja, ik zal haar die toestemming ontweldigen!... Laat dat maar aan mij over, Sarcany!"

Het was moeielijk zich een meer vastberaden en woester gelaat voor te stellen, dan dat, hetwelk de Marokkaansche vertoonde, toen zij zoo sprak.

"Goed, Namir, zeer goed!" antwoordde Sarcany, geheel en al gerustgesteld.

"O, gij kunt op mij rekenen! Daarvan zijt gij te goed verzekerd, niet waar, Sarcany?"

"Ga voort met goed op te passen. Weldra zal ik mij bij u vervoegen," antwoordde deze.

"Komt het met uwe plannen nog niet overeen, om Tetuan weldra te verlaten?" vroeg de Marokkaansche.

"Neen, zoolang ik er niet toe genoodzaakt zal zijn," antwoordde Sarcany met een glimlach.

"Gij hebt gelijk," zei de Marokkaansche, op diepzinnigen en peinzenden toon.

"Niet waar? Niemand kent noch kan daar Sava Toronthal kennen. Intusschen, wanneer de loop der gebeurtenissen mij noopte, om haar te doen vertrekken, zal ik u bijtijds waarschuwen. Dat is goed afgesproken, niet waar?"

"Zoo is het goed, Sarcany," hernam Namir. "Maar zeg mij nu, waarom gij mij naar Gibraltar hebt laten komen?"

"Omdat ik u over zekere zaken te spreken heb, die het beter is te zeggen dan te schrijven."

"Spreek, Sarcany. En wanneer gij mij een bevel te geven hebt, spreek het gerust uit. Wat het ook zij, ik neem op mij, om het uit te voeren, al ware het ook een moord!"

"Zoo erg is het niet; maar ziehier, Namir, de zaak. Luister goed," antwoordde Sarcany: "Mevrouw Bathory is verdwenen en haar zoon is dood! Van die familie heb ik dus volstrekt niets meer te vreezen. Mevrouw Toronthal is dood en Sava is in mijne macht. Van dien kant beschouwd, kan ik dus gerust zijn. Van de andere personen, die mijne geheimen kennen of daarin betrokken zijn, is de eene Silas Toronthal, mijn medeplichtige, geheel en al in mijne macht. De andere, Zirone, is ellendig omgekomen bij zijn laatsten tocht op Sicilië. Zoodat van die allen, die ik zooeven genoemd heb, niemand kan praten en ook niemand zal praten!"

"Welnu, mij dunkt, dat is geruststellend," zei Namir met haren leelijken grijnslach.

"Ja, maar ..." hernam Sarcany nog meer fluisterend en met aarzelende stem. "Ja maar...."

"Wat is er nog? Wien of wat hebt gij nog meer te vreezen?" vroeg Namir, terwijl zij hem met onderzoekenden blik aankeek.