Mathias Sandorf [3]

Chapter 20

Chapter 203,776 wordsPublic domain

Toen kon men zien, dat de kanonstukken aan de dwepende aanvallers niet ontbraken. De grootste Chebekken voerden eenige veldstukken, die op veldaffuiten, behoorlijk van raderen voorzien, lagen. De aanvallers konden hen ontschepen op dat gedeelte der kust, hetwelk buiten het bereik van het vuur der stad gelegen was, en zelfs buiten dat der kanonnen, waarmede het fortje op den centraalheuvel bewapend was.

Van den post, dien dokter Antekirrt op den naastbijzijnden uitspringenden hoek der versterkingen ingenomen had, had hij een volledig overzicht, en kon hij de operatiën der ontscheping volkomen volgen. Het was hem onmogelijk geweest, zich er tegen te verzetten. Dat liet hem de geringe sterkte van zijn personeel niet toe.

Maar daar hij achter zijne muren betrekkelijk veel sterker was, zou de taak der belegeraars, hoe talrijk zij ook waren, uiterst moeielijk worden. Dat zouden zij al dadelijk ondervinden.

Dezen hadden zich, terwijl zij hunne lichte artillerie voortsleepten, in twee kolonnes verdeeld. Zij marcheerden voorwaarts, zonder eenige dekking te zoeken, en met die zorgelooze koelbloedige dapperheid, den Arabier zoo eigen, met die stoutmoedigheid der dweepziekte, die bij hen door de hoop op buit en den haat tegen de Christenen en Europeanen, eene ware doodsverachting doet geboren worden.

Toen zij goed en wel onder schot gekomen waren, braakten de batterijen met hunne kogels, granaten en kartetsen, dood en verderf uit. Dat weerhield hen niet. Integendeel, zij beijverden zich al meer en meer op te dringen, al meer en meer veld te winnen.

Hunne veldstukken namen stelling en begonnen bres te schieten in een muurvak, dat den hoek uitmaakte van de onvoltooide courtine van het zuider-vestingfront. Die muur kon niet veel weerstand bieden en was dan ook spoedig in puin gelegd.

Het opperhoofd der aanvallers stond steeds kalm en moedig te midden van hen, die onder het moorddadig geschut der belegerden aan zijne zijde vielen, en bestuurde met beleid den aanval. Sarcany bevond zich bij hem en hitste hem voortdurend op, om storm te doen loopen, door eenige honderd strijders op de gevormde bres te werpen.

Dokter Antekirrt en ook Piet Bathory herkenden hem zeer goed. Meermalen gaven zij een schot op hem af, zonder hem evenwel te raken. De afstand daartoe was te groot.

Hij van zijn kant had hen ook herkend en hield hen goed in het oog, maar beantwoordde hun vuur met een uittartend gebaar.

De groote massa der belegeraars begon zich middelerwijl in de richting van den muur in beweging te stellen, die ingestort was en thans doorgang kon verleenen. Wanneer zij er in slaagden, die bres te bekronen, te overschrijden, en wanneer zij zich in de stad konden verspreiden, dan waren de belegerden te zwak om krachtigen wederstand te kunnen bieden. Dan waren dezen genoodzaakt, om de plaats te ontruimen. En met de bloeddorstige geaardheid van die zeeschuimers, zou de overwinning dadelijk door een algemeenen moord gevolgd worden. Wee dan, de arme vrouwen en kinderen!

Er moest dus op leven en dood gevochten worden! Hier zou dus het pleit beslecht worden!

De strijd, die hier man tegen man gevoerd werd, was dan ook schrikkelijk te noemen. Gelukkig, dat om de bres te kunnen beklimmen, de aanvallers zich slechts over een smal punt konden uitbreiden.

Onder de bevelen van den dokter, die kalm en bedaard in het grootste gevaar, en als onkwetsbaar te midden van den kogelregen pal stond, verrichtte Piet Bathory en zijne makkers wonderen van dapperheid. Pescadospunt en Kaap Matifou sprongen hen bij met eene stoutmoedigheid, die zijne weerga niet had, en alleen geëvenaard werd door hunne behendigheid, om de gevaarlijke slagen te ontwijken.

De stevige Hercules had in de eene hand een mes en in de andere eene bijl, waarmede hij op verwonderlijke wijze ruimbaan rondom zich maakte. Ware er tijd toe geweest, dan zou zich een kring toeschouwers rondom hem gevormd hebben, en die zouden zeker in de handen geklapt hebben.

"En hier!"

"En daar!" riep de reus, terwijl hij met de eene hand zijn wapen in eene borst stiet, en met de andere een schedel kloofde. Hij miste nooit! De heuvel gesneuvelden hoopte zich rondom hem op.

"Flink zoo, dierbare Kaap!" riep Pescadospunt, die zich ook repte. "Stoot toe! Sla toe!"

"Wat willen ze?" schreeuwde Kaap Matifou woedend. "Laat ze maar opkomen!"

"Sla ze dood!" antwoordde zijn makker, wiens revolver, voortdurend herladen en afgeschoten, het geknetter van een vuurwerk liet hooren.

Maar de vijand week niet. Hij hield met een bewonderenswaardigen moed stand.

Na herhaaldelijk uit de bres verdreven te zijn, hervatten nieuwe drommen telkens en telkens de bestorming en waren eindelijk op het punt, om haar te beklimmen en de stad in te snellen, toen er eindelijk van achteren eene afleiding uitgevoerd werd.

Wat was er gebeurd? Vanwaar kwam die onverwachte hulp? O, wij zullen het dadelijk vernemen.

De _Ferrato_ had op minder dan drie kabellengten afstand van den oever postgevat, alwaar hij, met zijne schepraderen voor en achterwaarts slaande, onder stoom bleef. Van dat punt begon hij met zijne kanonnaden, die allen langs stuurboord gehaald waren, met zijn lang jaagstuk, met zijne Hotchkiss-revolverkanons, met zijne Gattling mitrailleuses te vuren, en maaide de aanvallers als het koren onder de zeis weg. Het vaartuig viel hen in den rug aan, het beschoot ze op het strand, terwijl het terzelfder tijd de vaartuigen vernielde, die aan den voet der rotsen vastgemaakt lagen.

Dat was een schrikkelijke en onverwachte slag voor de Senousisten. Niet alleen werden zij in den rug beschoten, maar ieder middel ter ontvluchting werd hen ontnomen, wanneer, wel te verstaan, hunne vaartuigen door de projectielen van de _Ferrato_ verbrijzeld werden. En dat lag bij den gang van het gevecht voor de hand.

Voor Oostersche volkeren bestaat er--hoe moedig ze ook zijn--niets verschrikkelijkers, dan wanneer hunne terugtochtslijn bedreigd wordt.

De aanvallers hielden toen halt voor de bres, die door de militieplichtigen hardnekkig verdedigd werd. Reeds meer dan vijfhonderd Senousisten hadden den dood op het strand gevonden, terwijl het getal der belegerden niet merkbaar geslonken was. Er ontstond aarzeling en weifeling. Een achterwaartsche beweging werd weldra merkbaar.

De aanvoerder van de Senousistische benden begreep, dat hij zoo spoedig mogelijk zee moest kiezen, wanneer hij ten minste zijne makkers niet aan een onvermijdelijken ondergang wilde blootstellen. Te vergeefs wilde Sarcany de dwepers aansporen, zich andermaal op de bres te werpen. Het mocht niet baten. De poging mislukte, toen zij zonder geestdrift volvoerd werd. De aanvallers werden met bebloede koppen teruggeslagen.

Eindelijk werd bevel gegeven, om naar het strand terug te trekken, en--het moet erkend worden--de Senousisten volvoerden hunne terugtochts-beweging even gehoorzaam als zij zich tot den laatsten man zouden hebben laten neerhouwen, wanneer zij het bevel hadden gekregen, om te sterven.

Maar het was noodzakelijk die zeeschuimers eene les toe te dienen, die hun onuitwischbaar in het geheugen zoude blijven. De lust om terug te keeren, moest hen voor goed ontnomen worden.

"Vooruit!... vrienden!... Voorwaarts!" riep dokter Antekirrt "Er op in!... En geen genade of medelijden!"

En onder aanvoering van Piet Bathory en van Luigi Ferrato stormden een honderdtal militieplichtigen naar buiten, ter vervolging der vluchtelingen, die het strand met den meesten spoed trachtten te bereiken. Maar dezen bevonden zich daar tusschen twee vuren, dat van de _Ferrato_ en dat van de stad, zoodat van standhouden geen sprake kon zijn. Toen begon er wanorde in hunne gelederen te heerschen, en weldra zag men hen in woeste vaart naar de zeven of acht inschepings-vaartuigen stormen, die door de losbrandingen van de _Ferrato_ min of meer onbeschadigd gelaten waren. Toen ontspon zich een vreeselijke strijd, waarbij mededoogen onbekend was.

Piet Bathory en Luigi Ferrato trachtten, bij het handgemeen worden, vooral één man te kunnen vatten. Behoeft het nog gezegd te worden: die man was Sarcany. Maar zij wilden hem levend in handen krijgen, hoewel hij hen niet ontzag, en het waarlijk een wonder te noemen was, dat zij telkens aan zijne revolverschoten ontkwamen.

En toch, in weerwil van hunne inspanning, scheen het noodlot zich tot taak te stellen, dien man nogmaals aan hunne gerechtigheid te onttrekken. Waarlijk, het had er veel van, of de hel tusschenbeiden trad.

Sarcany en het opperhoofd der Senousisten, omgeven door een tiental hunner meest dappere en meest te vertrouwen strijdmakkers, waren er in geslaagd, om een kleine polacre te bereiken, waarvan de meertouwen reeds losgegooid waren, en die reeds manoeuvreerde om zee te kiezen. De _Ferrato_ was van dat punt te ver verwijderd, om haar sein te kunnen geven, ten einde dat vaartuig, hetwelk zou ontsnappen, te vervolgen en in den grond te boren.

In dat oogenblik ontwaarde Kaap Matifou een veldstuk, dat in de hitte van den strijd van zijn affuit afgerold was, en op het zand in de nabijheid der zee lag.

Naar dat stuk, hetwelk nog geladen was, heenvliegen, het met bovenmenschelijke kracht op een der rondomliggende rotsen optillen, zich schrap zetten, om het met de tappen in den noodigen stand en de vereischte richting te houden, dat alles was voor den reus het werk van een oogenblik. Daarop riep hij met hijgende, maar toch krachtvolle stem:

"Hierheen, Pescadospunt, hierheen!... Gauw! Gauw toch!... Hierheen! Er is geen minuut te verliezen!"

Pescadospunt hoorde dien kreet van Kaap Matifou. Hij ijlde toe en begreep met een oogopslag, wat er gaande was. Hij verbeterde de richting van het kanonstuk, gelegen op zijn levend affuit, en mikte nauwkeurig op de polacre. Daarop bracht hij de brandende lont bij het zundgat.

Het schot ging af. De kogel trof den romp van het vaartuig en verbrijzelde dien... maar de reus trilde zelfs niet onder den terugstoot van het stuk geschut.

Het Senousisten-hoofd geraakte met zijne makkers te water. Het meerendeel hunner verdronk en kwam in de golven om. Zij, die zich uit het water redden, werden aan wal onbarmhartig doodgeslagen.

Wat Sarcany betrof, deze spartelde in de branding. Toen Luigi Ferrato dat zag, sprong hij onmiddellijk in zee. En een oogenblik later was de fielt overgeleverd in de handen van Kaap Matifou, die hem als in eene schroef omklemden en hem door middel van een sterk touw armen en beenen stevig knevelde.

De zegepraal was zoo volkomen mogelijk. Op een zoodanige had men niet durven hopen.

Van de twee duizend aanvallers, die op het eiland ontscheept waren, ontsnapten ter nauwernood eenige honderden aan de algemeene ramp. Zij konden de tijding van hun bloedig wedervaren op de Cyrenaïsche kust gaan mededeelen.

In langen tijd, zoo hoopte men althans, zou het eiland Antekirrta geen overlast meer ondervinden van die zeeschuimers. De indruk van de ontvangen les zoude onuitwischbaar zijn.

XI.

GERECHTIGHEID.

Graaf Mathias Sandorf had zijne dankbaarheidsschuld tegenover Maria en Luigi Ferrato voldaan. Die beiden waren in eene fraaie villa gehuisvest, terwijl zij overigens voor hun geheele leven geborgen waren.

Mevrouw Bathory, haar zoon Piet en zijne eigene dochter Sava Sandorf waren thans met elkander vereenigd. Na beloond te hebben, bleef niets anders over, dan te straffen. Aan de gerechtigheid moest voldaan worden.

Gedurende de eerste dagen, die op de nederlaag der Senousisten volgden, was het personeel van het eiland Antekirrta druk in de weer geweest, om de gesneuvelden te begraven en de gekwetsten te verplegen, om de geleden schade te herstellen, en alles weer in orde te brengen. Eenige weinige onbeduidende verwondingen niet medegerekend, waren Piet Bathory, Luigi Ferrato, Pescadospunt en Kaap Matifou,--dat wil zeggen al diegenen, welke meer in het bijzonder bij de verwikkelingen van dit drama betrokken waren,--er heelhuids afgekomen. Dat zij zich in de hitte van den strijd niet ontzien hadden, daarvan kan de lezer overtuigd wezen. Welke vreugde er dan ook heerschte toen zij zich weer met Sava Sandorf, met Maria Ferrato, met mevrouw Bathory en haren ouden dienaar Borik in de groote zaal van het Stadhuis te zamen bevonden, is eenvoudig onmogelijk te beschrijven. Zoo iets laat zich beter gevoelen dan onder woorden brengen.

Na op de meest plechtige wijze de laatste eer bewezen te hebben aan het aardsche omhulsel van hen, die in den strijd omgekomen waren, hervatte de kleine kolonie hare gewone bezigheden, die ongetwijfeld niet meer onderbroken zouden worden. De nederlaag toch, door de Senousisten geleden, was zoo afdoend mogelijk geweest, en hadden de aanvallers daarbij zulke bloedige verliezen geleden, dat zulk een ramp wel geschikt was, om hen van verdere ondernemingen op het eiland Antekirrta af te schrikken. Daarenboven was Sarcany, die hen tot dien veldtocht aangezet had, niet meer onder hen, om die dwepers door zijne gevoelens van haat en zijn dorst naar wraak te bezielen.

Om evenwel op iedere mogelijke gebeurlijkheid voorbereid te zijn, was dokter Antekirrt er op bedacht, het verdedigingstelsel van het eiland in den kortst mogelijken tijd te voltooien. Niet alleen, dat de hoofdplaats Artenak dadelijk tegen eene overrompeling beveiligd werd, maar het eiland zelf zou geen enkel kwetsbaar punt meer langs zijn omtrek aanbieden, waar eene vijandelijke macht ongestraft zou kunnen landen. Met die werkzaamheden werd dadelijk begonnen en geen rust werd gegund, voordat zij voleindigd waren.

Eene andere zorg van den dokter was, om nieuwe, maar vooral om geschikte kolonisten naar zijn eiland te lokken, wien door de zeldzame vruchtbaarheid van den bodem eene behoorlijke welvaart verzekerd kon worden. Bij zijn vaderlijk bestuur was dat zoo moeielijk niet.

Middelerwijl was er niets meer, dat aan het huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf eenigen hinderpaal in den weg kon leggen. De voltrekking der plechtigheid werd nu op den 9den December bepaald. Niets zou daarin meer verandering brengen. Of die beide jongelieden ook gelukkig waren! Maar zij niet alleen. De geheele bevolking deelde in hun geluk.

Pescadospunt was dan ook volijverig in de weer, om de voorbereidende maatregelen voor de publieke vermakelijkheden te treffen. Hij was daarmede reeds eenigermate bezig geweest, maar was door den inval der zeeschuimers van het Cyrenaïsche gebied in de volvoering zijner taak vertraagd geworden. Dat uitstel moest en zou hij inhalen.

Er bleef intusschen nog eene andere, maar meer treurige zaak te beëindigen.

Er moest toch omtrent het lot van Sarcany, van Silas Toronthal en van Carpena beslist worden.

Deze misdadigers zaten afzonderlijk in de kazematten van het fortje van Antekirrta opgesloten, en wisten zelfs niet, dat zij zich alle drie in de macht van dokter Antekirrt bevonden. Wie zou hen dat ook verteld hebben?

Den 6den December, dus twee dagen na den aftocht der Senousisten, deed de dokter hen in de groote zaal van het Stadhuis, waarin hij zich met Piet Bathory en met Luigi Ferrato ter zijde hield, voorbrengen.

Daar was het, dat de gevangenen elkander voor het eerst, maar thans in tegenwoordigheid der rechtbank van Artenak en bewaakt door een gewapend detachement der militie van Antekirrta, wederzagen. Dat wederzien miste zijne uitwerking niet, hoewel bij ieder hunner, naarmate van hunne geaardheid, verschillend waarneembaar.

Carpena scheen ongerust; maar daar hij niets van zijn arglistigen aard verloren had, wierp hij rechts en links steelsgewijze blikken, doch durfde zijne oogen niet op zijne rechters vestigen. Dat verleende hem een schuw en angstig uiterlijk, dat niet voor hem innam.

Silas Toronthal was zeer ter neer geslagen en hield het hoofd diep gebogen. Als instinctmatig vermeed hij zorgvuldig iedere aanraking met zijne medeplichtigen. Hij schoof zoo ver van hen af, als hij maar kon.

Sarcany werd slechts door een eenig gevoel beheerscht, namelijk door verwoedheid, dat hij in handen van dokter Antekirrt gevallen was. Die gedachte was hem onverdragelijk; dat was uit zijn geheele voorkomen op te merken.

Toen die drie voor de rechtbank van Artenak, welke uit de voornaamste magistraten en notabelen van het eiland samengesteld was, gebracht waren, trad Luigi tot voor de rechters, nam toen met hun verlof het woord en wendde zich tot den Spanjaard:

"Carpena," zei hij, "kijk mij aan! Ik ben Luigi Ferrato, de zoon van den visscher van Rovigno, die ten gevolge van uw laaghartig verraad naar het bagno van Stein gezonden werd, waar hij ellendig gestorven is!"

Carpena had voor een oogenblik het hoofd opgeheven en den spreker schuw aangekeken. Toorn deed een blos naar zijn hoofd schieten en schenen zijn oogen met bloed beloopen. Dus het was wel degelijk Maria Ferrato, die hij in de steegjes van het Manderaggio-kwartier te Malta had meenen te herkennen, en het was Luigi Ferrato, haar broeder, die hem thans die aanklacht in de ooren deed klinken. Verdoemenis! hij had zijne toekomst in handen gehad!

Piet Bathory trad daarop voor. Eerst strekte hij de hand naar den bankier uit.

"Silas Toronthal", sprak hij, "ik ben Piet Bathory, de zoon van Stephanus Bathory, den Hongaarschen patriot, dien gij, in gemeenschap handelende met Sarcany, uwen medeplichtige, laaghartig hebt verraden aan de Oostenrijksche politie te Triëst, en wiens dood gij dientengevolge berokkend hebt."

En zich toen tot den Tripolitaan, die hem met verbeten woede aanstaarde, wendende:

"Ik ben Piet Bathory, dien gij hebt pogen te vermoorden in de straten van Ragusa! Ik ben de verloofde van Sava, de dochter van graaf Mathias Sandorf, die gij vijftien jaren geleden van het kasteel te Artenak hebt doen ontvoeren!"

Silas Toronthal gevoelde zich, alsof hij door een knodsslag op het hoofd getroffen werd, toen hij Piet Bathory herkende, dien hij sedert lang dood waande.

Sarcany daarentegen had de armen over de borst gekruist. Behalve dat zijne oogleden lichtelijk beefden, vertrok zich geen spier van zijn gelaat en bewaarde hij een uittartend stilzwijgen.

Geen antwoord werd door Silas Toronthal of Sarcany gegeven. Wat zouden zij hun slachtoffer, dat als het ware uit het graf verrezen was, om hen te beschuldigen, ook hebben kunnen zeggen?

En toch was het ergste nog niet gekomen. Hoe geheel anders werd het, toen dokter Antekirrt op zijne beurt oprees en met ernstige stem zeide:

"En ik, ik ben de vriend van graaf Ladislas Zathmar en van Stephanus Bathory, die tengevolge van uw beider verraad in de vesting van Pisino doodgeschoten zijn! Ik ben de vader van Sava, die gij ontvoerd hebt, om u van haar vermogen meester te maken!... Ellendelingen, ziet mij aan!"

"Maar wie zijt gij dan?" vroegen Silas Toronthal en Sarcany bijna tegelijkertijd.

"Ik?... Ik ben graaf Mathias Sandorf!"

Ditmaal was de uitwerking van die verklaring zoodanig, dat de knieën van Silas Toronthal knikten, en hij bijna ter aarde stortte; terwijl Sarcany het hoofd boog, alsof hij zich verbergen wilde.

Toen werden de drie beschuldigden achtereenvolgens verhoord. Zij konden hunne misdaden niet ontkennen, en die misdaden waren van dien aard, dat op geen erbarmen te hopen viel. De voorzitter der rechtbank herinnerde Sarcany, dat de aanslag op het eiland, die voor zijn persoonlijk belang ondernomen was, het leven aan verscheidene bewoners van het eiland gekost had, en dat het bloed der slachtoffers om wraak schreeuwde.

"Door uw toedoen is onschuldig bloed vergoten," sprak hij plechtig, "gij zijt des doods schuldig!"

Daarna werd den beschuldigden de gelegenheid en ook de volle vrijheid gegeven, om zich te verdedigen.

Eindelijk paste hij de wet toe, volgens welke hij de rechtspleging voerde en krachtens welke hij het voorzitterschap van die rechtbank uitoefende.

"Silas Toronthal, Sarcany, Carpena," zei hij, "gij hebt wetens en willens den dood veroorzaakt van Stephanus Bathory, van Ladislas Zathmar, van Andreas Ferrato! Wij veroordeelen u ter dood!"

"Zooals gij het goedvindt!" antwoordde Sarcany, wiens onbeschaamdheid weer de overhand verkreeg.

"Genade!" smeekte Carpena met lafhartig gebaar. "Mijne heeren, ik smeek om genade!"

Een blik op zijne rechters overtuigde hem, dat hier geen genade te verwachten was.

Silas Toronthal was eene onmacht nabij. Het was hem onmogelijk een enkel woord te uiten.

Men bracht de drie veroordeelden naar hunne gekazematteerde vertrekken terug, alwaar zij van stonde af, nog meer van nabij bewaakt werden. Elk hunner kreeg nu een schildwacht voor hunne kazemat, die, voor de geopende deur op post staande, hen niet uit het oog verliezen mocht, en zelf onder strenge controle van een der militie-officieren stond.

Van welken aard zou de doodstraf zijn, welke men die ellendelingen zou laten ondergaan?

Zouden zij op eene eenzame en afgelegen plek van het eiland doodgeschoten worden? Maar dan ware de bodem van Antekirrta verontreinigd met het bloed van die verraders! Daartegen kwam een ieder op. Er werd dan ook besloten, dat het vonnis op het eiland Kenkrof ten uitvoer gelegd zoude worden. Kenkrof behoorde als het ware niet tot Antekirrta.

Dienzelfden avond werden de drie veroordeelden aan boord van een der _Elektrieks_, die met tien matrozen onder de bevelen van Luigi Ferrato bemand was, gebracht. Dat vaartuig voerde hen naar het eilandje over, waar zij tot het aanbreken van den dag moesten wachten, om hun vonnis te ondergaan.

Sarcany, Silas Toronthal en Carpena verkeerden noodzakelijk in de meening, dat het stervensuur voor hen aangebroken was. Toen zij dan ook ontscheept waren, stapte Sarcany recht op Luigi Ferrato toe.

"Moeten wij er van avond aan gelooven?" vroeg hij op onbeschaamden sarcastischen toon.

Luigi antwoordde niet. De drie veroordeelden werden alleen gelaten en de nacht was reeds ingetreden, toen de _Elektriek_ in de haven van Antekirrta wederkeerde en het anker uitwierp.

Het eiland was nu van de bezoedelende tegenwoordigheid der verraders bevrijd. Wat eene ontvluchting van het eilandje Kenkrof betrof, die was eenvoudig onmogelijk. Een zeearm van twintig mijlen breedte, scheidde het van het vaste land. De misdadigers bevonden er zich zonder hulpmiddelen hoegenaamd, en er viel niet aan te denken, den zeearm over te zwemmen.

"Weet ge wat ik denk?" vroeg Pescadospunt aan zijn vriend Kaap Matifou. "Zeg, weet gij dat?"

De reus krabde zich achter een oor. In het raden van andermans gedachten was hij nooit een held geweest. Zelfs kon hij de zijnen niet altijd onder woorden brengen.

"Drommels!" antwoordde hij, "dat is niet gemakkelijk te raden!... Ik geef het op!"

Pescadospunt lachte bij dat antwoord. Hij kende zijn trouwen makker.

"Volgens mij," vervolgde hij, "zullen die ellendelingen, voordat morgen de dag aanbreekt, elkander daar op dat eilandje verslonden hebben! Meent gij dat ook niet?"

"Pouah!" riep Kaap Matifou met walging uit. "Een onsmakelijk beafstuk! Nog erger dan levende slangen!"

Die laatste nacht voor de veroordeelden werd onder die omstandigheden doorgebracht.

Op het Stadhuis merkte men evenwel op, dat graaf Mathias Sandorf geen oogenblik rust nam. Hij had zich in zijne kamer opgesloten, en liep dat vertrek, hetwelk hij eerst tegen vijf uren in den ochtend wilde verlaten, onafgebroken op en neer. Toen de dag aangebroken was, begaf hij zich naar de groote zaal, alwaar hij Piet Bathory en Luigi Ferrato dadelijk bij zich liet komen. Het was voor hem geen kleinigheid, over drie menschenlevens te beschikken.

Middelerwijl was eene afdeeling der militieplichtigen op het binnenplein van het Stadhuis aangetreden en stond gereed, om op het eerste bevel zich naar het eiland Kenkrof in te schepen. Dat zou het executie-peloton zijn.

Graaf Mathias Sandorf trad de beide geroepenen tegemoet, en greep hen ieder bij eene hand.

"Piet Bathory, Luigi Ferrato," vroeg hij met van aandoening bewogen stem, "niet waar? de meest stipte rechtvaardigheid, de meest uitgebreide onpartijdigheid heeft voorgezeten, toen die verraders ter dood veroordeeld werden?"

"Ja!" antwoordde Piet Bathory met vastberaden stem. "Dat getuig ik volgaarne!"