Mathias Sandorf [3]

Chapter 2

Chapter 23,785 wordsPublic domain

Intusschen had dokter Antekirrt zijn rijtuig doen stilstaan en ging voort den galeiboef met een doordringenden blik aan te staren. De schitterende uitstraling van dien blik bracht op de hersenen van Carpena een vreemdsoortig en onweerstaanbaar effect teweeg. De zinnen van den Spanjaard werden als door een soort van verdooving verlamd. Zijne oogleden knipten en sloten zich eindelijk, daar hij onmachtig was ze open te houden; terwijl hij geene andere beweging dan eene trillende beving in de oogleden en wenkbrauwen ondervond. Toen viel hij, zoodra de gevoelloosheid de overhand genomen had en derhalve volkomen was, aan den rand van den weg neer, zonder dat zijne makkers of lotgenooten er iets van bespeurden, daar hunne aandacht op de zoo rijke reizigers gevestigd was. Hij was in een diepen magnetischen slaap gedompeld, waaruit niemand hem zou hebben kunnen wekken, welke middelen ook aangewend werden.

Toen het zoover gekomen was, gaf dokter Antekirrt bevel, om den rijtoer te vervolgen en gebood den koetsier zich naar het verblijf van den gouverneur te richten.

Dat geheele tooneel had hem niet meer dan eene halve minuut oponthoud gekost. Niemand had kunnen waarnemen, wat tusschen hem en dien Spaanschen galeiboef voorgevallen was,--niemand tenzij Piet Bathory, die de zaak daarenboven niet begrepen had.

"Thans behoort die man mij", zei dokter Antekirrt tot Piet, "hij is in mijne macht en ik kan hem tot alles noodzaken."

"Ook om u alles mede te deelen wat hij weet?" vroeg Piet Bathory vrij ongeloovig.

"Neen, dat niet," antwoordde dokter Antekirrt met een geheimzinnigen glimlach.

"Niet?... Dat is jammer!" meende de jeugdige werktuigkundige teleurgesteld.

"Neen, maar ik kan hem wel noodzaken, alles te doen, wat ik wil, dat hij uitvoeren zal."

"Zonder dat hij dit weet?... Zonder dat hij dit zal willen?"

"Ja, maar niet alleen dat, maar zelfs geheel onbewust," antwoordde dokter Antekirrt.

"Hoe weet gij dat?" vroeg Piet Bathory, die, als ingenieur, het hoe en waarom gaarne vernam.

"Bij den eersten blik, dien ik op den ellendeling wierp, gevoelde ik, dat ik hem in mijne macht had, dat ik zijn wil door den mijnen kon vervangen."

"Die man is toch niet ziek, niet waar? Zijn uiterlijk verraadde daarvan niets."

"Neen, hij is volstrekt niet ziek. Hij is integendeel zoo gezond als gij en ik", antwoordde dokter Antekirrt.

"Hoe verklaart gij dan...?"

"Denkt gij dan, dat die zenuwuitwerkselen alleen bij ziekelijke zenuwlijders teweeg kunnen gebracht worden?"

"Mij dunkt, dat een gezond mensch aan dergelijke invloeden weerstand kan bieden."

"Neen, Piet. Zij, die nog het meeste weerstand bieden, zijn juist de hersenzieken, de waanzinnigen."

"Maar..."

"Een goed en gevoelig sujet moet juist een eigen wil hebben, om behoorlijk gedomineerd te worden, en ik ben uitermate door de omstandigheden begunstigd geworden, daar ik in dien Carpena juist eene geaardheid aangetroffen heb, geheel en al geschikt, om mijn invloed te ondervinden..."

"Maar wat helpt dat thans?" vroeg Piet Bathory. "Al hebt gij hem ook al onder uwen zedelijken invloed, dan hebt gij hem nog niet in uwe physieke macht."

"Neen, maar die galeiboef zal in slaap gedompeld blijven, en zonder mijne tusschenkomst zal die slaap niet wijken."

"Aangenomen", zei Piet; "maar waartoe zal dat dienen? Ik zie daar geen uitkomst in."

"Waartoe dat zal dienen, vraagt ge? Welke uitkomst dat zal hebben?"

"Voorzeker vraag ik dat, daar het onmogelijk is, om hem in den toestand, waarin hij zich bevindt, te doen zeggen, wat wij zooveel belang hebben te weten te komen."

"Dat is ontwijfelbaar waar," antwoordde dokter Antekirrt. "Ik kan hem wel in mijne gedachten doen lezen; maar ik kan hem onmogelijk doen zeggen, wat ik zelf niet weet."

"Welnu, dan herhaal ik mijne vraag: waartoe zal dat dienen, welke uitkomst zal dat opleveren?"

"Maar wat ik wel in mijne macht heb", ging dokter Antekirrt onverstoorbaar voort, alsof hij die vraag niet gehoord had, "is hem te noodzaken te doen, wat mij in mijn kraam te pas komt, wat ik zal willen, dat hij doen zal, en dat zonder dat zijn wil er zich tegen verzetten kan."

"Ja, maar wat?" vroeg Piet Bathory ongeduldig. "Ja, maar wat? Zeg mij."

"Wanneer ik bijvoorbeeld zal willen, dat hij morgen of overmorgen, over acht dagen of over drie of zes maanden, zelfs wanneer hij in wakenden toestand is, het Presidio zal verlaten, dan zal hij dat ongetwijfeld doen."

"Het Presidio verlaten!... Kom, gij gekscheert met mij!... Hoe zou dat mogelijk zijn?"

"Ja! het Presidio verlaten!... Piet, ik ben te ernstig, om mij eene grap te veroorloven!"

"Het Presidio verlaten?... Vrij en ongehinderd?..." vroeg Piet Bathory steeds ongeloovig. "Dan zouden de bewakers dat toch moeten veroorloven! De invloed van uwe wilskracht kan zoo ver niet reiken, om hem zijne ketenen te doen verbreken, om hem de deur van het bagno te doen verbrijzelen, om hem een onoverkomelijken muur te doen overklimmen, ... waarbij de gevangenbewaarders hem dan nog behulpzaam zouden moeten zijn."

"Neen, Piet," antwoordde dokter Antekirrt, "gij hebt gelijk; ik kan hem niet noodzaken te doen, wat ik zelf niet uitrichten kan... Maar ik kan..."

"Maar wat dan? Wat is uw plan?" vroeg de jonge werktuigkundige vrij opgewonden.

"Mijn plan? Juist om dat uit te voeren, begeven wij ons thans naar den gouverneur van Ceuta, ten einde dien hoofd-officier een officiëel bezoek te brengen. En let nu maar op de verdere ontwikkeling van de zaak, die ik mij gesteld heb."

Dokter Antekirrt overdreef niet. Dat zou Piet Bathory spoedig genoeg ondervinden.

Die daadzaken omtrent den invloed der wilskracht op iemand in den hypnotischen toestand, zijn thans algemeen erkend. De werken en nasporingen van Charcot, van Brown Sequard, van Azam, van Richet, van Dumontpallier, van Maudsley, van Bernheim, van Hack Tuke, van Rieger, en van zooveel andere geleerden, kunnen daaromtrent geen twijfel laten bestaan.

Dokter Antekirrt had gedurende zijne reizen in Oostersche landen zeer merkwaardige gevallen daaromtrent kunnen bestudeeren en aan dien tak der physiologie een rijken schat van nieuwe en belangrijke waarnemingen toevoegen, en zijne reeds zoo rijke ondervinding zeer kunnen vermeerderen.

Hij was dus uitnemend op de hoogte van die verschijnselen en van de resultaten, die er van te erlangen zijn. Hij was zelf begaafd niet eene groote mate van zich opdringende wilskracht, die hij dikwijls gelegenheid had gehad in Klein-Azië uit te oefenen. En het was op die wilskracht, dat hij rekende, om zich van Carpena meester te maken,--daar toch het toeval het zoo gewild had, dat de Spanjaard aan haren invloed volkomen onderhevig was.

Maar al was dokter Antekirrt voortaan meester over de wilskracht van Carpena; al kon hij hem ook doen handelen, zooals en wanneer hij wilde, door hem zijn eigen wil op te dringen, zoo was het toch noodzakelijk, om tot eene afdoende handeling te kunnen overgaan, dat de gevangene vrij in zijne bewegingen was, wanneer het oogenblik gekomen zou zijn om hem deze of gene daad te doen uitvoeren. Daarvoor was de vergunning van den gouverneur noodig, en die vergunning hoopte hij wel van den kolonel Guyara, een uiterst welwillend en goedaardig mensch, te verkrijgen, om daardoor de ontvluchting van den Spanjaard uit het Presidio mogelijk te maken.

Tien minuten later kwam het rijtuig van dokter Antekirrt bij den ingang der groote kazernes aan, die bij de grens van het geënclaveerde grondgebied opgetrokken zijn, en hield bij het verblijf van den gouverneur, dat in de nabijheid gebouwd is, stil.

De kolonel Guyara had reeds kennis bekomen van de aankomst van dokter Antekirrt te Ceuta. Die beroemde persoon was, dank zij zijn algemeen door zijne rijkdommen en zijne bekwaamheden bekenden naam, als een soort souverein op reis. Nadat hij dan ook in het salon van het gouvernements-paleis was binnengeleid, ontving de gouverneur hem, alsook zijnen jeugdigen reisgenoot, op de meest innemende wijze. Al dadelijk wilde die kolonel zich geheel en al ter hunner beschikking stellen, om het kleine geënclaveerde grondgebied te bezoeken, dat kleine stuk van Spanje, zoo zonderling in het Marokkaansche rijk ingesneden.

"Gaarne nemen wij uw aanbod aan, heer gouverneur," antwoordde dokter Antekirrt in het Spaansch,--eene taal, die ook door Piet Bathory goed verstaan en vlug gesproken werd.--"Maar ik weet niet, of wij wel den tijd zullen hebben, om uwe dienstvaardigheid te kunnen benuttigen."

"O, de kolonie is niet groot, dokter Antekirrt", antwoordde de gouverneur. "In een halven dag kan men den geheelen omtrek er van afleggen."

"Dat is zoo, maar ... onze tijd is nog al beperkt, heer gouverneur," antwoordde de dokter.

"Denkt gij dan niet eenigen tijd hier te vertoeven, zooals het gerucht zich verbreid heeft?"

"Hoogstens vier of vijf uren," antwoordde de dokter. "Langer kan ik inderdaad niet."

"Zoo kort? Maar, heer dokter, dan zult gij niets kunnen bezichtigen. En dat is toch jammer."

"Ik moet heden avond nog naar Gibraltar vertrekken, waar ik morgen in de ochtenduren verwacht word."

"Heden avond nog vertrekken!" riep de gouverneur uit. "Hoe is dat toch mogelijk?"

"Het moet! heer gouverneur, het moet! Geloof intusschen, dat het mij geweldig spijt."

"O, veroorloof mij te beproeven, u van dat voornemen af te brengen." zei kolonel Guyara.

"Dat zou vergeefsche moeite zijn, heer gouverneur. Volkomen vergeefsche moeite, geloof mij."

"Ik verzeker u, dokter Antekirrt, dat onze militaire volksplanting inderdaad waard is van nabij bestudeerd te worden," drong kolonel Guyara levendig aan.

"Ik twijfel er niet aan, heer gouverneur. Ik weet het trouwens, want ik heb er veel van gelezen."

"Gij hebt ongetwijfeld veel gezien, veel waargenomen, heer dokter, gedurende uwe veelvuldige reizen; maar uit het oogpunt van verbeterings-kolonie of beter strafkolonie, verdient Ceuta, ik verzeker het u, de geheele opmerkzaamheid zoowel van geleerden, als van staathuishoudkundigen!"

Natuurlijk dreef de eigenliefde kolonel Guyara wel eenigermate om zijn kleine volksplanting zoodanig te prijzen en te verheffen. Toch overdreef hij niet; want het administratief bestuur van het Presidio van Ceuta, wat geheel gelijk is aan dat der Presidios van Sevilla, wordt beschouwd als een van de besten, zoowel van het Oude als van het Nieuwe halfrond. En, dat niet alleen wat betreft den materieelen toestand der gedeporteerden, maar ook hunne zedelijke verbetering, waarbij beoogd wordt, gelouterde sujetten aan de maatschappij weer te geven.

De gouverneur drong er dan ook op aan, dat een zoo voornaam man als dokter Antekirrt was, zijn vertrek zou willen uitstellen, om de verschillende lokalen en inrichtingen van de strafkolonie met een bezoek te vereeren.

"Het is onmogelijk, dat ik langer blijf, heer gouverneur," verzekerde de dokter, en ging met een glimlach voort; "maar heden behoor ik u toe, en wanneer gij wilt, dan is het weinigje tijd, dat mij rest, nog wel te benutten, dunkt mij."

"Het is reeds vier uren," hernam kolonel Guyara, terwijl hij een blik op de pendule wierp.

"Reeds zoo laat?" vroeg de dokter, terwijl hij zijn horloge met het salon-uurwerk vergeleek.

"Voorzeker. En gij ziet, er blijft ons slechts weinig tijd over, om Ceuta te bezichtigen."

"Inderdaad," antwoordde de dokter, "en dat hindert mij te meer, daar ik er prijs op gesteld zoude hebben, om u, na uwe gastvrijheid genoten te hebben, aan boord van mijn stoomjacht te ontvangen."

"Dokter Antekirrt, zoudt gij uw vertrek naar Gibraltar niet een dag, een enkelen dag kunnen uitstellen?"

"Dat deed ik zeker, heer gouverneur, als ik geen samenkomst bepaald had voor morgen, zooals ik u reeds gezegd heb. Inderdaad, ik ben verplicht, om nog heden avond zee te kiezen!"

"Dat is waarlijk betreurenswaardig," hernam de gouverneur, "en niets zal mij kunnen troosten, dat ik u niet langer hier heb kunnen houden! Maar ... pas op..."

"Waarop moet ik passen, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt met een glimlach.

"Het vaartuig ligt onder het bereik mijner kanonnen en mijner mortieren ten anker...."

"Ho, ho!" riep de dokter lachende uit. "Dat is eene internationale bedreiging!"

"En ik kan u op de plaats in den grond boren!" vervolgde kolonel Guyara schertsende.

"En de represailles dan, heer gouverneur?" vroeg dokter Antekirrt lachende.

"Welke represailles? Zijn er represailles mogelijk, als uw scheepje in den grond geschoten is?"

"Zoudt gij denken dat Antekirrta die schending van het volkenrecht ongewroken zou laten?"

"Wat, Antekirrta?..." riep kolonel Guyara schaterlachende uit.

"Zoudt gij in staat van oorlog met het machtige rijk van Antekirrta willen geraken?"

"Ik weet, dat ik groot gevaar zou loopen," antwoordde de gouverneur op denzelfden toon van gekscheren.

"Dat geloof ik ook... Zijt derhalve zeer op uw hoede, want Antekirrta is machtig!"

"Maar, wat zou men niet willen wagen, om u vier en twintig uren langer te mogen behouden!"

"Ja, maar het is toch beter dat gevaar niet te trotseeren," antwoordde dokter Antekirrt met een beleefden glimlach.

Piet Bathory, die geen deel aan dit gesprek genomen had, vroeg zich af, of dokter Antekirrt al of niet het doel, dat hij wenschte te bereiken, nader was gekomen. Het besluit, om denzelfden avond nog Ceuta te willen verlaten, hoorde hij voor het eerst, en het bevreemdde hem niet weinig.

"Te drommel", dacht hij, "hoe zullen in zoo weinig tijd de noodige maatregelen te nemen zijn, om de ontsnapping van Carpena, met hoop op goeden uitslag, te kunnen bewerkstelligen. Dat zal inderdaad een tooverstuk zijn!"

Hij overdacht dat weinige uren later de gedeporteerden in het Presidio wedergekeerd en achter slot gesteld zouden zijn. Onder die omstandigheden werd het zeer onwaarschijnlijk, dat iemand de vergunning verkrijgen zou, dat de Spanjaard zich buiten de gevangenismuren zoude mogen begeven. Waarlijk, het vraagstuk werd uiterst belangwekkend.

Maar Piet begreep, dat de dokter een vastgesteld plan volgde, toen hij hem hoorde antwoorden:

"Waarlijk, heer gouverneur, het spijt mij zeer, dat ik aan uw zoo vriendelijk geuit verlangen niet voldoen kan."

"Het spijt mij nog meer. Maar kunt gij waarlijk niet?" vroeg kolonel Guyara met plichtpleging.

"Neen, althans heden niet. Maar toch is het mogelijk, dat ik aan uw wensch zal kunnen voldoen."

"Hoe dat?... Spreek spoedig!... Ik ben inderdaad zeer verlangend, heer dokter..."

"Luister."

"Spreek, dokter Antekirrt, spreek dan toch!" hernam de gouverneur ongeduldig.

"Daar ik morgen ochtend noodzakelijk te Gibraltar moet wezen, moet ik heden avond vertrekken. Daaraan valt niets te veranderen. Maar ik reken, dat mijn verblijf op die Engelsche rots niet langer dan twee of drie dagen zal duren. Het zou mij zeer tegenvallen, wanneer het anders ware en ik er langer zou moeten blijven."

"Des te beter! Want geloof mij, daar op dat Britsche grondgebied is niet veel te zien."

"Neen, ik wil er niet langer verwijlen dan noodig is. Het is heden Donderdag, niet waar?"

"Inderdaad."

"Welnu, in plaats van mijne reis langs de noordkust der Middellandsche zee te vervolgen, zal mij niets gemakkelijker vallen, dan Zondagmorgen naar Ceuta terug te keeren...."

"Juist, niets gemakkelijker dan dat, inderdaad," antwoordde de gouverneur, "en ook niets aangenamer en verplichtender voor mij! Ik betoon waarschijnlijk wel wat te veel eigenliefde, niet waar, heer dokter?"

"Laten wij daarvan niet spreken, heer gouverneur."

"Och, wie heeft zijne ijdelheids-beweegredenen niet in deze wereld, niet waar? Dat is dus afgesproken, dokter Antekirrt, tot Zondag! Niet vergeten, hoor!"

"Jawel, maar op eene voorwaarde, hoort gij op uwe beurt, heer gouverneur?"

"Voorzeker, ik hoor. En die voorwaarde is, heer dokter?.. Kom laat hooren!"

"Maar neemt gij ze aan? Dat dien ik vooraf te weten, heer gouverneur. Neemt gij ze aan?"

"Blindelings! Welke zij ook moge zijn!" antwoordde kolonel Guyara galant.

"Ook dat gij met uw adjudant aan boord van de _Ferrato_ zult komen ontbijten?"

"Aangenomen, heer dokter, aangenomen! Maar..."

Kolonel Guyara scheen te aarzelen.

"Maar wat? Trekt ge terug, heer gouverneur? Dat zou ik niet mooi vinden."

"Maar, ook op mijne beurt, op eene voorwaarde, heer dokter," ging de kolonel voort.

"Evenals gij, neem ik haar blindelings aan. Laat hooren, heer gouverneur."

"Dat is, dat gij met den heer Bathory op het gouvernementshuis zult komen dineeren."

"Dat is afgesproken, heer gouverneur. Zoodat tusschen het ontbijt en het middagmaal..."

"Ik van mijn gezag en mijne macht misbruik zal maken..." antwoordde kolonel Guyara lachende.

"Brr! Misbruik van gezag en macht! Het is om kippenvel te krijgen! Om er van te ontstellen!"

"Om u al de heerlijkheid van mijn rijk te doen bewonderen," voleindigde kolonel Guyara, terwijl hij de hand van dokter Antekirrt drukte.

Piet Bathory had evenzeer de uitnoodiging, die hem gedaan was, aangenomen, en bedankte voor de welwillendheid van den gouverneur van Ceuta met eene beleefde buiging.

Dokter Antekirrt nam afscheid, en Piet kon toen reeds in zijne oogen lezen, dat hij zijn doelwit bereikt had. Maar de gouverneur wilde zijne toekomstige gasten tot in de stad vergezellen. Alle drie namen toen plaats in het rijtuig en volgden den eenigen weg, die het gouvernements-hôtel met het stedeke Ceuta in verbinding stelt.

Het was van dien Spaanschen gouverneur niet te verwonderen, dat hij de gelegenheid te baat nam, om de beide bezoekers de min of meer betwistbare schoonheden van de kleine volksplanting te doen bewonderen, dat hij met eene zekere voorliefde sprak over de verbeteringen, die hij zich voorgenomen had in te voeren, zoowel in het militair als in het civiel bestuur der nederzetting; dat hij de meening verkondigde en verdedigde, dat de ligging van het oude Abyla niet minder was dan die van Calpi aan de andere zijde van de zeeëngte; dat hij beweerde, dat het mogelijk was er een waar Gibraltar van te maken, even onneembaar als zijn Britsche tegenhanger; dat hij protesteerde tegen de onbeschofte woorden van master Ford: dat Ceuta aan Engeland moest toebehooren, omdat Spanje er niets van weet te maken en onbekwaam is om het te behouden indien het aangevallen werd; dat hij zich zeer vertoornd betoonde over die halsstarrige Engelschen, die nergens den voet aan wal kunnen zetten, zonder dat die voet dadelijk wortel schiet. Neen waarlijk, dat was niet te verwonderen.

"Inderdaad", riep hij vrij opgewonden uit, "voordat zij er aan denken, om zich van Ceuta meester te maken, moeten zij er voor waken, dat zij Gibraltar behouden! Er bestaat daar een berg, die Spanje op hun hoofd zou kunnen neerstorten!"

Dokter Antekirrt, zonder te vragen op welke wijze de Spanjaarden een zoodanig gewelddadig geologisch verschijnsel in het leven zouden kunnen roepen, wachtte zich wel die bewering tegen te spreken, die met al de opgewondenheid, een hidalgo zoo eigen, geuit was. Daarenboven werd het gesprek door het plotseling stil houden van het rijtuig afgebroken. De koetsier had zich genoodzaakt gezien zijne paarden te moeten inhouden bij eene verzameling van gedeporteerden, die als het ware den weg afsloten. Het was eene bepaalde opstopping, zooals men wel in groote steden, maar niet in eene verbeteringsplaats kon verwachten.

De gouverneur werd ongeduldig, wenkte met een enkel gebaar een der brigadiers van het bewakings-detachement, om tot hem te komen. Die agent naderde hem dadelijk met den voorgeschreven versnelden militairen pas. Bij het rijtuig aangekomen, bracht hij de hielen op dezelfde lijn, sloot het dikke der kuiten tegen elkander, bracht de rechterhand aan de klep zijner politiemuts, en wachtte in die voorschriftmatige houding, totdat de gouverneur het woord tot hem zoude richten.

Al de andere aanwezigen, zoowel bewakers als gevangenen, hadden zich op een gelid aan weerszijden van den weg geschaard en keken eerbiedig toe, zonder een vin te durven verroeren.

"Wat is er aan de hand?" vroeg de gouverneur. "Waarom die versperring van den weg?"

"Excellentie," antwoordde de brigadier, "wij hebben een veroordeelde op de helling van het talud van den weg vinden liggen. Hij schijnt slechts ingeslapen te zijn..."

"Welnu, brigadier? Wat heeft dat te beduiden?" ging kolonel Guyara met vragen voort.

"Men is er niet in geslaagd hem wakker te kunnen maken, Excellentie," was het antwoord.

"Sinds hoelang is die man in dien toestand, brigadier?"

"Sedert een uur ongeveer, Excellentie," was het eerbiedige antwoord van den ondergeschikte.

"En slaapt hij steeds door? Het is, alsof gij mij een sprookje vertelt."

"Steeds, Excellentie."

"Hoe weet gij dat, brigadier? Hebt gij u daarvan overtuigd? Zeg?"

"Ja, Excellentie. Hij is zoo ongevoelig, alsof hij dood ware. Men heeft hem geschud, men heeft hem geprikt...."

"Wat verder?"

"Men heeft hem geroepen, zelfs een pistoolschot vlak bij het oor gelost."

"Welnu?"

"Excellentie, hij voelt niets en hij hoort niets! Hij blijft ongevoelig en bewusteloos liggen."

"Waarom heeft men den geneesheer van het Presidio niet gehaald?" vroeg de gouverneur. "Dat is eene nalatigheid."

"Ik heb hem laten halen, Excellentie; maar men trof hem niet te huis"

"En?"

"In afwachting dat hij komt, weten wij niet, wat wij met dien man moeten uitvoeren."

"Welnu, laat hem naar het hospitaal dragen! Mij dunkt, dat is nog al eenvoudig."

De brigadier was op het punt dat bevel te doen uitvoeren, toen dokter Antekirrt tusschenbeide kwam.

"Heer gouverneur," sprak hij, "wilt gij mij in mijne hoedanigheid van geneesheer veroorloven, dien hardnekkigen slaper te onderzoeken. Ik wenschte hem wel van nabij gade te slaan."

"Waarachtig, dat 's waar ook," zei de gouverneur, "dat behoort tot uw departement!... Een boef, die door dokter Antekirrt behandeld zal worden!... Waarlijk, de kerel zal zich niet te beklagen hebben, dunkt me."

Het drietal stapte uit het rijtuig en de dokter naderde den veroordeelde, die op het talud van den weg uitgestrekt lag. Het leven vertoonde zich bij dien man, die in diepen slaap gedompeld was, niet anders meer dan door eene ietwat hijgende ademhaling en door eene snellere beweging van den pols. Dat was alles.

De dokter wenkte, dat de omstanders meer achteruit zouden wijken, om de toetreding van meer lucht mogelijk te maken. Toen dat gebeurd was, bukte hij zich over dat schijnbaar levenlooze lichaam, en sprak tot Carpena, maar met een zachte stem. Daarna bekeek hij hem een lange poos, alsof hij een zijner wilsuitingen in de hersenen van den galeiboef wilde doen doordringen.

En zich toen oprichtende, zeide hij kalm en bedaard, alsof het geheele voorval niets te beduiden had:

"Het is niets! Die man is slechts door een aanval van magnetischen slaap overvallen geworden!"

"Waarlijk?" vroeg de gouverneur. "Niets anders dan dat?"

"Niets anders," antwoordde de dokter met een schier onmerkbaren glimlach op de lippen.

"Dat is inderdaad zonderling," meende de gouverneur. "Vindt gij niet, dokter Antekirrt?"

"Toch niet," antwoordde deze ernstig en afgemeten in toon en gebaren. "Zoo iets komt meer voor."

"En kunt gij hem uit dien slaap wakker maken? Dat zou ik wel eens willen zien."

"Niets gemakkelijker dan dat!" antwoordde dokter Antekirrt meesmuilend. "Kijk goed toe, kolonel."

En na het voorhoofd van Carpena met de vingertoppen aangeraakt te hebben, opende hij met vaardige en lichte hand de oogleden van den lijder, en zeide toen:

"Word wakker! ... ik wil het! Hoort ge?... Ik wil het... word wakker!"

Carpena bewoog zich, eerst onmerkbaar schier, daarna meer duidelijk, keerde zich om, opende de oogen, hoewel hij toch nog in een staat van slaapdronkenheid en verdooving bleef. De dokter bewoog toen verscheidene malen en in schuine richting de hand voor het gelaat van den gedeporteerde, alsof hij ten doel had de hem omringende luchtlaag in beweging te brengen. Langzamerhand verdween de verdooving. Toen stond Carpena op en ging, evenwel loom en traag, en zonder dat hij eenig bewustzijn scheen te hebben van hetgeen er voorgevallen was, plaats tusschen zijne makkers nemen.