Mathias Sandorf [3]

Chapter 19

Chapter 193,701 wordsPublic domain

"Sarcany weet," ging de dokter onverstoorbaar voort, "dat het eiland mij toebehoort, dat wil zeggen aan den man, die een schrik voor hem is, aan den man die Zirone op de hellingen van den Etna deed aanvallen..."

"Jawel, maar welke..."

"Dus, omdat hij daarginds op het eiland Sicilië niet geslaagd is, zal hij ongetwijfeld hier trachten te slagen en dat met veel meer kansen in zijn voordeel. Mij dunkt toch, Luigi, dat die redeneering steek houdt."

"Heeft hij een persoonlijken haat jegens u, heer dokter?" vroeg Luigi Ferrato.

Antekirrt trok onverschillig de schouders op. De haat van zoo'n aterling scheen hem niet te deeren.

"Kent hij u ten minste?" vroeg de jonge zeeman, die zich zoo gauw niet gewonnen gaf, met aandrang.

"Het is mogelijk, dat hij mij te Ragusa gezien heeft," antwoordde dokter Antekirrt.

"Maar dat is niet voldoende om..."

"In ieder geval," ging de dokter voort, "kan het hem niet onbekend gebleven zijn, dat ik in die stad in aanraking gekomen ben met de familie Bathory..."

"Dat is te zeggen...."

"Daarenboven moet hem op het oogenblik, toen Pescadospunt Sava uit het huis van den Moquaddem Sidi Hassan ontvoerde, bekend geworden zijn, dat Piet Bathory nog leefde. Dat alles moet in zijn geest eenig verband gezocht hebben, en hij kan er niet aan twijfelen, dat èn Piet èn Sava eene schuilplaats op het eiland Antekirrta gevonden hebben. Die gedachte alleen is meer dan genoeg, om er hem toe te brengen, het geheele Senousistische hondenpak tegen ons aan te voeren. En van die hebben wij geene genade te verwachten, wanneer zij er in slaagden, ons eiland te overweldigen."

Die redeneering was volstrekt niet zonder grond. Het was meer dan zeker, dat Sarcany nog niet wist, dat dokter Antekirrt en Graaf Mathias Sandorf slechts één persoon uitmaakten. Hij wist evenwel genoeg, om alles in het werk te stellen, ten einde de erfgename van het domein Artenak weer in handen te krijgen. Niemand zal er zich dus over verwonderen, dat hij den Kalief aangezet had, om een krijgstocht tegen de Antekirrtsche volksplanting uit te rusten! Hij had zelfs aangeboden, den aanval te besturen en te geleiden. Een lafaard was Sarcany niet.

Men bereikte evenwel eindelijk den 3en December, zonder dat iets geschied was, hetgeen op een aanstaanden aanval kon duiden. Het was tot dien datum in den omtrek van het eiland Antekirrta volkomen rustig gebleven.

Er mag niet uit het oog verloren worden, dat de vreugde over het weerzien en het geluk, om zich eindelijk allen te zamen vereenigd te vinden, allen, behalve den dokter, als in eene betoovering besloot, die voor de gedachten aan eene ernstige toekomst weinig, zeer weinig overliet. Het aanstaande huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf vervulde aller harten en aller hoofden. Iedereen trachtte zich zelven de overtuiging op te dringen, dat de ongeluksdagen voorbij waren en dat zij niet meer wederkeeren zouden. Hoe zou men zich intusschen daarin vergissen!

Het moet ten volle erkend worden, dat Pescadospunt en Kaap Matifou de algemeene gerustheid volmaakt deelden. Zij gevoelden zich zoo overgelukkig over het geluk der anderen, dat zij als het ware in een voortdurenden staat van verrukking verkeerden. Zij betrachtten dat geluk, hetwelk zij toch teweeg gebracht hadden, voortaan als onverstoorbaar.

"Het is om, bij mijn ziel, niet aan te gelooven," herhaalde Pescadospunt voortdurend.

Waarop Kaap Matifou, steeds onbevattelijk, onveranderlijk antwoordde met de vraag:

"Waaraan valt niet te gelooven? Op het vraagstuk omtrent geloof ben ik nog al gemakkelijk."

"Wel," antwoordde Pescadospunt dan lachende, "dat gij een dikke, vette rentenier gaat worden, en dat...."

"En dat?" vroeg Kaap Matifou dan ongeduldig. "Waarom gaat gij niet voort? Zeg?"

"En, dat ik er aan denk, om je te laten trouwen!"

"Mij?" riep de reus verbouwereerd uit. "Kom, ge houdt mij voor den gek!"

"Ja, gij trouwen! Gij in eigen persoon!"

"Ik, trouwen?... Het is inderdaad, om het uit te gieren van lachen," hernam Kaap Matifou, die inderdaad zijn buik vasthield.

"Ja,... en met een lief klein vrouwtje!" ging Pescadospunt met een onverstoorbaar ernstig gelaat voort.

"Houdt ge me voor den gek! Zeg het dan bijtijds, dan kan ik de plaat poetsen."

"Komaan, komaan, een lief klein vrouwtje... Is je dat nu voor den gek houden?"

"Waarom moet ze klein zijn?" vroeg Kaap Matifou plotseling nurksch geworden. "Mij dunkt, dat ik niet zoo heel klein ben."

"Verduiveld, ja... Je bemerking is juist... Een klein vrouwtje zou niet bij je passen!..."

"Welnu?"

"Ge moet eene mooie vrouw hebben, maar onmetelijk van omvang... Mevrouw Kaap Matifou moet iets kolossaals zijn, niet waar?... Zoo iets als een klokketoren! Wat denkt ge er van?"

"Dat ge andermaal spot!"

"Neen, Kaap van mijn hart, wij zullen je zoo'n vrouw bij de Patagoniers gaan zoeken!"

"Loop naar den duivel! Dan ben je met je plagerijen een eind uit de buurt! Goede reis!"

Maar in afwachting, dat men voor Kaap Matifou eene wederhelft zou vinden, die hem en ook zijner gestalte waardig zoude zijn, hield Pescadospunt zich voornamelijk met het huwelijk van Piet Bathory en Sava Sandorf bezig. Hij beraamde en overwoog, natuurlijk met toestemming van dokter Antekirrt, de openbare feestelijkheden, welke bij die gelegenheid, waarbij kermisspelen toegelaten, waarbij gezangen voorgedragen en danspartijen georganiseerd zouden worden, plaats zouden hebben. Dat daarbij saluutschoten uit alle stukken geschut van het eiland niet zouden vergeten worden, alsook niet een monsterachtig feestmaal in de open lucht, met eene serenade aan de jonggehuwden, waarna een solemneele taptoe met fakkellicht, bekroond door een prachtig vuurwerk, zal wel niet behoeven vermeld te worden. Hij, hij Pescadospunt, zou voor dat alles zorgen. Bij zoo iets was hij in zijn waar element. Het feest zou prachtig, zou schitterend wezen! Men zou er lang, zeer lang over praten! Het zou eeuwig in de herinnering der bewoners blijven! Leve! Leve de jonggehuwden!

De vreugde zou echter van korten duur zijn. Een flikkervlam, niets anders. Een waar stroovuur!

Al die plannen zouden door de gebeurtenissen in hunne geboorte verstikt, althans uitgesteld worden.

In den nacht van den 3den op den 4den December,--een uiterst kalme nacht, die evenwel door een dik wolkendak verduisterd werd--weerklonk plotseling een electrische schel op het Stadhuis in het vertrek van dokter Antekirrt. Dat was een afgesproken alarmsignaal.

Het was toen ongeveer tien uur in den avond. De bewoners van het Stadhuis zaten gezellig bij elkander.

De dokter en Piet verlieten op dat sein het salon, waarin zij den avond met mevrouw Bathory en met Sava Sandorf doorgebracht hadden. De dames bleven, door een soort van voorgevoel vervoerd, wel eenigermate ongerust achter.

Toen de heeren in het kabinet gekomen waren, ontwaarden zij dat het signaal kwam van den observatie-post, die op den top van den centraalheuvel van het eiland Antekirrta geplaatst was. Vandaar had men een ruim uitzicht.

Vragen en antwoorden werden natuurlijk onmiddellijk gewisseld. Men zou niet lang in twijfel verkeeren.

De strandwachters en uitkijkers seinden de nadering eener flottilje aan den zuidwestkant van het eiland. Het aantal en de aard van de vaartuigen, waaruit die flottilje bestond, was door de heerschende duisternis nog niet aan te geven. Maar dat zij talrijk waren, werd door alle waarnemers op het nadrukkelijkst bevestigd.

"Wat denkt gij er van?" vroeg Piet Bathory aan dokter Antekirrt, die als in gedachten verzonken stond.

"Wij moeten den Raad bij elkander roepen," antwoordde deze, na een oogenblik peinzen.

"Juist!" zeide Piet; "maar mij dunkt, dat er haast bij is."

In minder dan tien minuten waren, behalve de dokter en Piet, ook Luigi Ferrato en de gezagvoerders Narsos en Ködrik en de hoofden van de militie op het Stadhuis vergaderd.

Onmiddellijk werd hen mededeeling gedaan van de waarschuwingen, die van de kustwachters en uitkijkers ingekomen waren. Een kwartier later waren allen, na een bezoek aan de haven gebracht te hebben, op het uiteinde van de lange pier, waarboven het kustlicht helder brandde, vergaderd.

Van dit punt, dat slechts zeer weinig boven de oppervlakte der zee verheven was, was het onmogelijk de flottilje te ontwaren, die door de kustwachters, op den top van den centraalheuvel geplaatst, ontdekt was. Maar wanneer men den gezichteinder schel verlichtte, zou het ongetwijfeld mogelijk zijn het aantal dier vaartuigen te weten te komen, alsook waar en onder welke omstandigheden zij de kusten meenden te kunnen naderen en bereiken. De meeste stemmen waren voor die verkenning.

De vraag werd evenwel door eenigen geopperd, of het niet onvoorzichtig was zoo de ware ligging van het eiland te kennen te geven? De dokter meende van neen. Als het de lang verwachte vijand was, dan kwam die niet blindelings. Die kende de ligging van het eiland Antekirrta zeer goed, en dan zou niets hem kunnen beletten het te bereiken.

De galvanische stroom werd dus in werking gesteld en weldra, dank zij der kracht van twee electrische stralenbundels, die de zee verlichtten, lag een breede sector van den gezichteinder bloot voor het onderzoekende oog van de bewoners van Antekirrta, die den gezichteinder angstvallig en zorgvuldig peilden.

De kustwachters hadden zich helaas! niet vergist. Dat bleek al heel spoedig.

Tweehonderd vaartuigen, op zijn minst gerekend, naderden in breede linie het eiland. Het waren voornamelijk chebekken, polacres, trabacolos, sacolieven, en eene menigte anderen van minder gehalte. Dat was zonder eenigen twijfel de flottilje der Senousisten, die deze zeeschuimers van uit alle havens der Afrikaansche kuststreek van heinde en verre hadden bij elkander gehaald, en die thans herwaarts stevende.

Daar er volkomen windstilte heerschte en geen briesje de zeilen deed zwellen, moesten de opvarenden noodzakelijk roeien. Dat had te minder bezwaar, daar de kustbewoners aan zulk werk gewoon waren, en de afstand tusschen de Cyrenaïsche kust en het eiland betrekkelijk kort was, zoodat de overtocht gevoegelijk zonder wind kon geschieden. De kalmte der zee begunstigde zelfs hunne plannen, daar de verscheping nu niet door eene altijd gevaarlijke branding bemoeielijkt zou worden. Daarenboven, een zeilend vaartuig is nimmer zoo van zijne bewegingen zeker, als een vaartuig dat geroeid wordt.

De flottilje bevond zich in dat oogenblik nog op een afstand van ruim vier of vijf mijlen ten zuidwesten van het eiland. Zij zoude dus niet voor zonsopgang den oever kunnen bereiken. Dat scheen in de plannen der opvarenden te liggen; want het zou zeer onvoorzichtig te noemen zijn, voordat het dag was, hetzij den aanval te ondernemen, hetzij om te pogen om gewelddadig den ingang van de haven binnen te dringen, hetzij om eene ontscheping op het zuidelijk gedeelte der kust van Antekirrta te bewerkstelligen, hetwelk, zooals wij weten, in onvoldoend verdedigbaren toestand verkeerde. Het was dan ook voor een ieder duidelijk, dat de opvarenden geen haast maakten en den dag wilden afwachten.

Toen de naderende flottilje behoorlijk verkend was, werden de electrische lichtbronnen uitgedoofd, waardoor de gezichteinder weer in het duister gehuld werd. Dit geschiedde bij wijze van voorzichtigheidsmaatregel. Men wilde zien, zonder gezien te worden.

Er bleef dus niets anders over, dan het aanbreken van den dag af te wachten.

Inmiddels evenwel betrokken alle manschappen der militie, op bevel van dokter Antekirrt, de hun reeds vroeger aangewezen posten. Het kon toch zijn, dat de flottilje niet vereenigd was, en een afgezonderd gedeelte elders trachtte te landen.

Men moest gereed zijn, om eerste slagen toe te brengen. Daarvan hangt veelal de uitslag van eene krijgsonderneming af. Hij die den eersten slag toebrengt, heeft in den regel veel, zeer veel voor.

Het was thans zoo goed als zeker, dat de aanvallers er niet meer aan konden denken, het eiland te overvallen, daar de bundels lichtstralen, die de waakzaamheid der opgezetenen wel is waar verraden hadden, dezen tevens gelegenheid gegeven hadden, om het aantal der aanvallers en de algemeene richting, welke zij namen, waar te nemen.

Men waakte gedurende de laatste nachtelijke uren met de grootste zorgvuldigheid en nauwgezetheid. Herhaaldelijk verlichtte men nog den gezichteinder, hetgeen voornamelijk ten doel had, om het punt, waar de flottilje zich bevond, meer nauwkeurig waar te nemen, en zoo haren voortgang en de richting, die zij nam, oplettend te volgen. Men bleef in de overtuiging, dat men, alvorens het dag was, voor geene vijandelijkheden te vreezen had.

Dat de aanvallers talrijk waren, daaromtrent kon hoegenaamd geen twijfel bestaan.

Of zij voldoend materiëel met zich voerden, om opgewassen te zijn tegen de batterijen van Antekirrta, en dezen tot zwijgen te kunnen brengen, was minder zeker en natuurlijk niet uit te maken. Misschien ontbrak het hun wel geheel en al aan vesting- of positie-geschut. Maar al kon zoo iets aangenomen worden, zoo waren toch de Senousisten door hunne overgroote getalsterkte, waardoor de hoofden zich in staat gesteld zagen, het eiland op verschillende punten tegelijk te laten aantasten, zeer gevaarlijk en zeer te vreezen. Daarenboven, dokter Antekirrt was van meening, dat men zijn vijand nimmer te licht moet achten.

Eindelijk brak de dag aan, en de eerste zonnestralen verdreven in weinige oogenblikken de laatste nevelbanken, die bij den horizon op de oppervlakte der zee waren blijven hangen.

Aller blikken wendden zich toen met eene zekere spanning naar de zee ten oosten en ten zuiden van het eiland Antekirrta. Wat men toen ontwaarde, was verre van geruststellend.

De vaartuigen der flottilje ontwikkelden zich toen in eene lange linie, die zich bij hare uiteinden eenigermate omboog, om zoo het eiland te omsluiten. En dat was eene uiterst gevaarlijke beweging, dat moesten de bewoners van Antekirrta erkennen.

Inderdaad, daar waren meer dan tweehonderd vaartuigen in het gezicht, waaronder er waren van een laadvermogen van dertig tot veertig tonnen. Ongetwijfeld konden die te zamen eene macht van vijftienhonderd tot tweeduizend gewapenden aan boord hebben. Met een weinig goeden wil, waren er veel meer te bergen.

Het was ongeveer vijf uren in den morgen, toen de flottilje ter hoogte van het eiland Kenkrof aangekomen was.

Zouden de aanvallers dat eilandje aandoen en daarop post vatten, alvorens het hoofdeiland direct aan te tasten? Als ze dat deden, zou dat een zeer gelukkige omstandigheid zijn; want dan zouden de mijnwerken, door dokter Antekirrt aangelegd, al dadelijk in werking kunnen komen en, zoo niet de oplossing en het einde van het vraagstuk daarstellen, dan toch reeds bij het begin van den aanval den uitslag voor de aanvallende Senousisten hachelijk maken. Hunne gelederen zouden dan zoo gedund kunnen worden, dat verslagenheid niet zoude uitblijven.

Een half uur kroop in de grootste spanning voorbij. Het was, alsof de minuten uren waren.

Een oogenblik kon de meening gelden, dat de vaartuigen, die het eilandje langzamerhand genaderd waren, zouden landen en daar eene ontscheping bewerkstelligen... Men tuurde... men wachtte...

Daar kwam evenwel niets van. Het was, alsof de aanvallers het gevaarlijke dier plek roken.

Geen enkele sloep legde daar aan, en de vijandelijke aanvals-linie boog meer zuidwaarts af, terwijl zij het eilandje rechts liet liggen. De opvarenden maakten daarbij alle haast, en repten hunne roeiriemen zoo krachtig zij maar konden.

De uitgevoerd wordende beweging was duidelijk. Het was nu voor allen begrijpelijk, dat het eiland Antekirrta direct aangevallen, of beter gezegd, door de Senousisten overstroomd zoude worden. Overstroomd is het ware woord, want nu de flottilje naderbij kwam, ontwaarde men, dat zij zeer sterk bemand was.

"Thans blijft ons niets anders over, dan ons te verdedigen!" zei dokter Antekirrt tot de hoofden der militie. "Is dat ook niet uw oordeel? Spreek onbewimpeld!"

"Ja! ja!" riepen allen. "En wij zullen ons verdedigen! Als het moet, tot den laatsten man!"

Een sein werd oogenblikkelijk gegeven. Het geheele personeel, dat buiten verspreid was, spoedde zich in allerijl naar de stad, waar iedereen den post innam, die hem bij voorbaat aangewezen was. Dat was in weinige minuten geschied. De versterkte punten waren nu behoorlijk bezet en de omstreken geheel verlaten. Vrouwen en kinderen hadden zich in de hoofdplaats teruggetrokken.

Op bevel van dokter Antekirrt, nam Piet Bathory het commando op zich over het zuidelijk gedeelte van de vestingwerken. Luigi Ferrato kreeg het bevel over het oostelijk gedeelte. Zoo konden zij behoorlijk hunne manschappen overzien.

De verdedigers van het eiland--bestaande uit hoogstens vijf honderd militieplichtigen--werden zoodanig verdeeld, dat zij overal tegen den vijand konden optreden, waar deze pogen mocht den walgang der stad aan te tasten. Wat den dokter betrof, die bleef het opperbevel voeren, en hield zich gereed daar op te treden, waar hij meenen mocht, dat zijne tegenwoordigheid het meest vereischt werd. Dat was niet de gemakkelijkste betrekking, die hij voor zich behouden had.

Mevrouw Bathory en Sava Sandorf moesten in de middenzaal van het Stadhuis verblijven. Wat de andere vrouwen betrof, die moesten, in het geval de stad bestormd zoude worden, volgens de getroffen beschikkingen met hare kinderen een toevlucht in de bomvrije kazematten zoeken, waar zij niets te vreezen hadden, zelfs wanneer de belegeraars eenige stukken, ter ontscheping geschikt, ter hunner beschikking hadden.

Nu het vraagstuk omtrent het eilandje Kenkrof ongelukkiglijk ten nadeele van het hoofdeiland beslist was, moest de aandacht aan de haven gewijd worden. Wanneer de flottilje daarin gewelddadig zoude pogen binnen te dringen, dan zouden de fortjes op de beide pieren, welker vuurmonden een kruisvuur op den ingang daarstelden, en de kanonnen van de _Ferrato_, met de _Elektrieks_, die als torpedo-dragers dienst deden, alsook de slapende torpedo's in de geul een overkomelijke hinderpaal daarstellen, die niet gering te achten was. Het zou zelfs een voordeeligen kans opleveren, wanneer de aanval aan dien kant ondernomen mocht worden. De deskundigen hoopten dan ook, dat zulks geschieden mocht. Evenwel,--en dat was voor een ieder maar al te duidelijk,--het opperhoofd der Senousisten scheen maar al te wel de verdedigings-middelen van het eiland Antekirrta te kennen; ook scheen hij niet onbekend gebleven te zijn omtrent de kwetsbaarheid van het zuidelijk gedeelte van het eiland en de gemakkelijkheid eener landing aldaar. Eene poging, om een onvoorbereiden aanval op de haven te bewerkstelligen, zou blootstellen aan een onmiddellijke en volkomen vernietiging. Daarentegen leende zich eene ontscheping in het zuidelijk gedeelte van het eiland veel beter tot het bereiken van het beoogde doel. Tot dat plan werd dan ook besloten. Na dus zorgvuldig vermeden te hebben, om in de toegangswateren van de haven te geraken, zooals ook vermeden was geworden, vasten voet op het eilandje Kenkrof te nemen, wendde de vijand, met de meeste inspanning voortroeiende, zijne talrijke flottilje naar de zwakke punten, die de zuidelijke kust van het eiland Antekirrta aanbood. Had men hem nu nog maar met de strandbatterijen kunnen teisteren!... Maar neen, de flottilje bleef op een eerbiedigen afstand buiten het werkzame vuur der kanonnen en der mortieren.

In weerwil, dat de afstand geschat werd te groot te zijn, werden toch eenige schoten van de forten gelost. Onder den grootsten elevatiehoek bereikten de kanonkogels bij den eersten boogaanslag niet eens het derde gedeelte van den afstand, terwijl de projectielen, na hare verdere aanslagen volbracht te hebben, de meest naastbijzijnde vaartuigen niet eens bereikten, maar in de diepte verdwenen.

Met de bommen en granaten was het niet beter gesteld. Hoewel de blokken der mortieren aan het achtereinde omhoog getild waren, om zoo minder valhoogte, maar meer afstand te verkrijgen, werd ter nauwernood de helft van den af te leggen afstand bereikt, waar evenwel de projectielen in zee ploften, zonder aanslagen op de wateroppervlakte te maken.

Het leverde evenwel een prachtig tafereel op, die volkogels op de oppervlakte der zee te zien aanslaan, hen onder het opwerpen van eene hooge waterzuil, die zich als een onmetelijke Geyzer sneeuwwit in het zonlicht voordeed, te zien opspringen, een boog vormen, andermaal aanslaan, opspringen en een waterstraal opwerpen, en zoo voortgaande, terwijl de bogen en de waterzuilen allengskens kleiner en kleiner werden, totdat het projectiel over de watervlakte een eind weegs scheen te rollen, en daarbij eene diepe vore te ploegen, die evenwel langzamerhand vervloot, totdat de aanleidende oorzaak in de diepte verdween.

Het was ook een trotsch gezicht, een bom of granaat van eene betrekkelijk aanmerkelijke valhoogte plomp verloren in zee te zien storten, waarbij het water met geweld omhoog spatte, en de oppervlakte door tallooze kringen bewogen werd, die zich tot aan den horizon uitstrekten. Het geluid van zulk een plomp werd in een ruimen kring vernomen. Soms sprong zoo'n hol projectiel juist bij de aanraking van de wateroppervlakte. Dan waren het wilde waterstralen, die in alle richtingen voortgeschoten werden, dan waren het schuimmassa's en fijne, waterstofdeeltjes, die met woest geweld opgeslingerd werden, niet op eene eenige plaats, maar rondom het centraalpunt op ontelbare plekken, alwaar de scherven van de uiteengesprongen ijzermassa het water onder de meest verschillende hoeken scheerden.

Maar de bewoners van het eiland hadden voor die tafereelen in die oogenblikken weinig aandacht. Zij staakten weldra hun nutteloos vuur en volgden met angstige oogen de richting der vijandelijke flottilje, die al meer naar de zuidelijke kust van het eiland afhield.

Zoodra deze beweging onmiskenbaar gebleken was, meende dokter Antekirrt de maatregelen te moeten nemen, die door de omstandigheden geboden werden. Men mocht den vijand daar niet ongehinderd laten landen.

De gezagvoerders Ködrik en Narsos bestegen met eenige kloekmoedige zeelieden ieder een der torpedobooten en verlieten in allerijl de haven door een der toegangen, die geen gevaar van wege de slapende watermijnen opleverden.

Een kwartier later stormden de beide _Elektrieks_ als het ware op de flottilje los; zij verbraken er de linie van, deden met hunne torpedo's vijf of zes vaartuigen in de lucht vliegen en ramden een dozijn anderen zoodanig, dat zij in zinkenden toestand verkeerden.

Dat was een schoon succes! Had dat maar vervolgd kunnen worden, dan ware de aanval bij zijn begin gestuit geworden!

Evenwel was de overmacht der aanvallende Senousisten zoo groot, dat de beide gezagvoerders er op bedacht moesten zijn en ook inderdaad bedreigd werden, om geënterd te worden. Zij waren derhalve genoodzaakt om hunne schuilplaats achter de havendammen met den meesten spoed op te zoeken. Een der _Elektrieks_ had door den schok ernstige schade aan den boeg bekomen, zoodat hij in allerijl op het strand gezet moest worden, om hem voor zinken te behoeden.

Intusschen was de _Ferrato_ niet werkeloos gebleven, maar had stelling genomen en begon de flottilje met haar geschut te beschieten. Maar hoewel de kustbatterijen haar vuur aan dat van het kloeke vaartuig paarden, was men toch onmachtig, om te beletten, dat de groote massa der zeeschuimers hunne ontscheping volbrachten. Hoewel een groot getal der aanvallers gesneuveld was, en hoewel een twintigtal vaartuigen reeds in den grond geschoten of in de lucht gesprongen waren, gelukte het toch aan meer dan duizend Senousisten, om voet aan wal te zetten op de rotsen van den zuidelijken oever, waarvan de nadering door de te kalme zee in geenendeele bemoeilijkt werd.