Chapter 18
"Ik meen u te moeten herinneren, dat gij uwe bewilliging reeds te Ragusa gegeven hebt"...
"Zoo, meent gij dat?" vroeg Sava hoonend. "Mijne bewilliging te Ragusa?... Durft gij daarop nog zinspelen?"
"Ja, die bewilliging hebt gij gegeven."
"De redenen daartoe bestaan niet meer."
"Luister, Sava," hernam Sarcany, wiens gemoed kookte van drift, terwijl hij alle moeite deed, om uiterlijk kalm te blijven, zonder dat hem dit gelukte, "thans vraag ik voor de laatste maal uwe bewilliging..."
"Onnoodig!"
"Wat is onnoodig?... Maak toch niet zooveel praatjes," antwoordde hij kortaf.
"Ja, onnoodig. Die bewilliging zal ik, zoolang een ademtocht mij bezielt, weigeren."
Sarcany glimlachte smadelijk. Hij meende zeker te zijn, haar te kunnen dwingen.
"O, wees verzekerd, ik zal er de kracht toe hebben!"
"Welnu, die kracht zal ik u ontnemen! Daar is reeds voor gezorgd, daar kunt gij op rekenen."
Thans was het aan Sava, om een gebaar te maken. Zij was zich van hare kracht bewust.
"Breng mij niet tot het uiterste!" brulde Sarcany. "Ja, die kracht zal men u ontnemen, die gij tegen mij aanwendt. Namir zal haar wel weten te temmen, en dat uws ondanks, met geweld zelfs, als het moet. Weersta mij niet, Sava!... Hoort gij mij? Ik dreig zelden, maar als ik dreig, is de uitvoering steeds nabij. Vergeet dat niet."
Steeds diezelfde tergende glimlach. De Tripolitaan stond te trillen van woede. Hij hernam evenwel zoo bedaard mogelijk:
"De Imam staat gereed, om ons huwelijk volgens de gebruiken van dit land, dat mijn vaderland is, te voltrekken.... Volg mij dus! Wilt gij niet goedschiks, dan zal ik u met geweld dwingen."
Bij die woorden trad Sarcany op het jonge meisje toe, dat vlug van den divan opsprong en in allerijl naar het uiteinde van het vertrek vluchtte.
"Ellendeling!" zei zij, terwijl een waas van verachting hare schoone lippen krulde.
"Gij zult met mij meegaan!... O, gij kunt mij onmogelijk ontkomen! Uw lot is beslist."
"Met u meegaan?... dat nooit!" sprak het jonge meisje vastberaden uit. "Dat nooit! Hoort ge?"
"Gij zult mij volgen!" brulde Sarcany, die zichzelven niet meer meester was. "Gij zult!"
"Nooit! Nooit!... Ik herhaal het u tot walgens toe. Nooit! Nooit!"
"Pas op! Ik waarschuw u nogmaals. Dwing mij niet tot gewelddadigheden."
Sarcany had den arm van het jonge meisje gegrepen om haar, geholpen door Namir, naar de skiffa te sleepen, waar de Moquaddem Sidi Hassan en de Imam hen beiden wachtten.
"Help!... help!" riep Sava verbijsterd uit. "Help!... Help!..."
"Ja, roep maar om hulp!" grinnikte de ellendeling.
"Help!... help!... Piet Bathory, te hulp!"
De arme Sava wrong zich de handen.
"Piet Bathory!..." riep Sarcany spottend uit. "Roept ge de dooden te hulp?"
"Neen, Piet Bathory is niet dood!" kreet het jonge meisje in hare overspanning. "Hij is levend!... Piet Bathory! te hulp! te hulp! Ik smeek u. Help!"
Dat antwoord trof Sarcany en verschrikte hem meer dan de verschijning van zijn slachtoffer zou hebben kunnen teweeg brengen. Maar hij herstelde zich spoedig.
Piet Bathory levend! Piet Bathory, dien hij met vaste hand getroffen had en wiens lijk hij naar het kerkhof te Ragusa had zien dragen!... Inderdaad, dat kon slechts in het brein eener krankzinnige opkomen.
En, was het niet mogelijk, dat Sava onder den invloed der wanhoop krankzinnig was geworden?
Pescadospunt had intusschen dat geheele gesprek gehoord. Door Sarcany mede te deelen, dat Piet Bathory niet dood was, had Sava haar leven in groot gevaar gebracht. Dat was buiten twijfel. Onze acrobaat hield zich dan ook gereed, om met zijn mes in de hand te voorschijn te treden, wanneer de ellendeling tot verdere gewelddadigheid zou willen overgaan. Niemand zal hem verdenken, dat hij zou aarzelen, om toe te stooten, en wie dat zou willen doen, zou waarlijk Pescadospunt niet gekend hebben! Hij was in dat oogenblik tot alles in staat, ja, zelfs tot een moord!
Maar het zou zoover, Goddank, niet komen. Uitkomst was inderdaad nabij.
Plotseling sleurde Sarcany Namir mede. Hij sloot de deur met geweld toe en draaide den sleutel om, ten einde over het lot van het jonge meisje te gaan beraadslagen.
Pescadospunt ontrolde zich uit zijn tapijt, toen hij de deur hoorde toeslaan, en was met één sprong op de been.
"Kom," zei hij tot Sava. "Kom, nu mag er geen enkel oogenblik verloren gaan!"
Deze keek hem verbijsterd aan. "Zijn wij dan niet opgesloten?" vroeg zij.
Daar het slot zich aan den binnenkant der deur bevond, beijverde de behendige kerel zich de schroeven met den schroevendraaier van zijn zakmes los te maken. Dat was slechts kinderspel voor hem! Dat was volstrekt niet moeielijk en veroorzaakte geen gedruisch. In weinige oogenblikken was hij daarmede dan ook gereed, en stak hij zijn mes weer in den zak.
Toen de deur geopend was en zij naar buiten gestapt waren, sloot hij haar weer. Daarna schreed Pescadospunt vooruit en sloop door de galerij langs den muur der patio.
Het kon toen zoo ongeveer half twaalf in den nacht zijn. Eenige lichtstralen ontsnapten nog door de muurversieringen der skiffa. Pescadospunt vermeed dan ook zorgvuldig om die zaal voorbij te gaan, en richtte zich daarentegen naar den tegenovergestelden hoek der binnenplaats, om langs dien de patio te bereiken.
Toen beiden aan de deur van die gang aangekomen waren, volgden zij die tot aan het andere uiteinde. Zij hadden nog slechts eenige weinige passen af te leggen, om de trap van het minarettorentje te bereiken, toen Pescadospunt plotseling bleef staan en Sava Sandorf, wier hand de zijne niet losgelaten had, tegenhield. Ook het jonge meisje stond toen verschrikt stil.
Drie mannen liepen in de eerste binnenplaats rondom het beschreven waterbekken op en neer. De Moquaddem Sidi Hassan--want deze was een hunner,--gaf een bevel aan beide anderen. Deze verdwenen bijna onmiddellijk daarop langs de trap van het minarettorentje, terwijl hun heer een der zijvertrekken binnentrad.
Pescadospunt begreep, dat Sidi Hassan er aan dacht, om den omtrek zijner woning te doen bewaken. Dus het was te voorzien, dat wanneer het jonge meisje en hij het terras zouden bereiken, dit niet verlaten, maar wel degelijk bewaakt zoude zijn. Dat zou wel de noodlottigste teleurstelling wezen, die zij zouden kunnen ondervinden. Dat viel niet te ontkennen.
"Wij moeten evenwel alles er aan wagen!" zei Pescadospunt vastberaden.
"Ja..... alles!" antwoordde Sava Sandorf, niet minder kloekmoedig.
Beiden bereikten weldra, na de galerij doorgeslopen te zijn, de trap, die zij met de meeste voorzichtigheid en zonder eenig gekraak te veroorzaken, bestegen. Toen Pescadospunt op de bovenste trede aangekomen was, bleef hij staan en keek scherp rondom zich.
Geen gerucht hoegenaamd werd vernomen, zelfs niet de eentonige pas van de een of andere schildwacht.
Pescadospunt opende zachtkens de deur en, gevolgd door Sava Sandorf, sloop hij langs de schietgaten van den borstweringsmuur.
Plotseling weerklonk nu uit het bovenste gedeelte van het minarettorentje een alarmkreet, die door een der wachthebbende manschappen geslaakt werd. In hetzelfde oogenblik sprong de andere op Pescadospunt toe, terwijl Namir het terras opvloog en het overige personeel van den Moquaddem Sidi Hassan zich over de binnenplaatsen der woning verspreidde.
Zou Sava Sandorf zich weer laten vatten?... Zou zij weer in handen van hare belagers vallen?
Neen!... Wanneer zij andermaal in de macht van Sarcany geraakte, dan was zij verloren!... Zij verkoos den dood boven die wisselvalligheid! Ja, liever den dood!
Het jonge meisje ijlde, na Gode hare ziel aanbevolen te hebben, naar den borstweringsmuur en sprong, zonder een oogenblik te aarzelen, van boven het terras naar beneden.
Pescadospunt had den tijd en de gelegenheid niet gehad, om haar te weerhouden. Hij velde den man, die hem wilde grijpen, met een stomp onder de korte ribben ter neder, daarop greep hij ijlings het touw, dat buiten het kanteel werk hing, en eene seconde later was hij buiten en aan den voet van de muuromheining aangekomen. Een angstig gevoel maakte zich evenwel onmeedoogend van hem meester.
Hij keek rondom zich en huiverde bij de vreeselijke gedachte, die bij hem opkwam.
"Sava!... Sava!..." riep hij, terwijl hij zich woest aan de haren trok. "Sava!"
En toen hij niet dadelijk antwoord kreeg, herhaalde hij:
"Sava!... Sava!... Och, zou het arme meisje een ongeluk overkomen zijn?"
"Hier is de juffer!..." antwoordde hem eene bekende stem. "Schreeuw toch zoo niet. Hier is zij!"
"En?..." vroeg Pescadospunt aarzelend.
Hij durfde niet verder.
"En niets gebroken!..." vervolgde de bekende stem. "Neen, haar deert niets. Daar heb ik voor gezorgd."
"Niets?"
"Neen!... Ik bevond mij daar juist van pas, om... Maar, pas op!... Wat is dat?"
Een kreet van woede, gevolgd door een dof gerucht, brak den volzin van Kaap Matifou af.
Namir, door een gevoel van razernij vervoerd, had hare prooi, die haar ontsnapte, niet willen verlaten. Zij had ook den sprong gewaagd, maar had zich het hoofd op den grond verbrijzeld, zooals dat Sava Sandorf ook wedervaren zoude zijn, wanneer de sterke armen van Kaap Matifou haar niet opgevangen en in haren val weerhouden hadden.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren toegeijld en hadden zich bij Kaap Matifou en Pescadospunt aangesloten. Deze vluchtten toen terstond naar den kant van het strand. Sava Sandorf woog, hoewel zij haar bewustzijn verloren had, niet meer dan eene veer voor de stevige armen van haren redder. Hij zou er wel drie zulke hebben kunnen dragen.
Toen die kleine bende de kreek bereikte, waar de _Elektriek_ wachtte, bevond dokter Antekirrt zich met zijne makkers reeds aan boord, en na eenige weinige omwentelingen van de schroef, waren allen buiten het bereik hunner vijanden. Het vaartuig stevende de kreek uit en de buitenhaven voorbij, en was in weinige oogenblikken in het ruime sop en buiten gevaar.
Sava werd in het salon gebracht. Toen zij daar met dokter Antekirrt en Piet Bathory alleen was, keerde het bewustzijn weder. Zij vernam toen, natuurlijk met veel aandoening, dat zij de dochter van graaf Mathias Sandorf was!... Zij bevond zich weldra in de armen en aan de borst van haren vader. Welke aandoeningen die man toen ondervond, zal de lezer waarschijnlijk wel bevroeden. Eene menschelijke pen is onbekwaam die naar eisch weer te geven.
X.
ANTEKIRRTA.
Vijftien uren nadat zij de kust van Tripoli verlaten had, werd de _Elektriek 2_ door den uitkijk van Antekirrta geseind. Het vaartuig was toen nog maar ter nauwernood zichtbaar, maar in den namiddag lag het in de binnenhaven van het eiland ten anker. Dokter Antekirrt was tevreden, en moest erkennen, dat die overtocht binnen den kortst mogelijken tijd volvoerd was.
De lezer zal gemakkelijk kunnen gissen, welke ontvangst het geachte hoofd van het eiland en zijne wakkere tochtgenoten ten deel viel.
Hoewel Sava zich nu geheel en al buiten gevaar bevond, werd er toch besloten, dat de banden, die haar aan dokter Antekirrt verbonden, stipt geheim zouden gehouden worden. Daar bestonden redenen voor, en ieder die met de ware toedracht bekend was, verbond er zich toe. Die waren trouwens niet veel, namelijk: Piet Bathory, zijne moeder, Luigi en Maria Ferrato, Kaap Matifou en Pescadospunt.
Graaf Mathias Sandorf wilde onbekend blijven, totdat hij volledig de taak zou vervuld hebben, die hij op zich genomen had. Maar het was voldoende, dat Piet Bathory, die voor hem een zoon was,--zoo veel hield hij van hem,--verloofd was met Sava Sandorf, om overal en van alle kanten de vreugde te ontwaren, die dan ook door allen, op werkelijk aandoenlijke wijze aan den dag gelegd werd, zoowel op het stadhuis als in Artenak, de kleine hoofdplaats van het eiland Antekirrta.
De lezer zal zich gewis ook kunnen voorstellen, wat mevrouw Bathory moest ondervinden, toen Sava na zooveel beproevingen teruggevonden en haar weergegeven was! Die goede vrouw gevoelde zich inderdaad zoo gelukkig mogelijk.
Het jonge meisje herstelde spoedig. Weinige dagen van geluk waren voldoende, om haar de volle gezondheid weer te geven.
Wat Pescadospunt betreft, die brave kerel had zijn leven gewaagd; dat was ontwijfelbaar en dat viel niet te ontkennen, maar volgens hem was dat zeer natuurlijk, en er bestond geen mogelijkheid om hem daarover althans in woorden erkentelijkheid te betuigen. Piet Bathory had hem zoo innig aan zijn hart gedrukt en dokter Antekirrt had hem met zulk een goedaardigen blik aangekeken, dat hij verder niets hooren wilde. Volgens zijne gewoonte daarenboven, kende hij de geheele verdienste van de redding aan Kaap Matifou toe. Ja, aan Kaap Matifou, zijn tweeling-broeder als het ware.
"Ziet ge," herhaalde hij telkens, "dat is de man, dien gij moet bedanken. Niet mij!..."
"Loop heen," sprak de reus, half lachende, half gebelgd. "Loop heen met je praatjes!"
"Hij heeft alles gedaan," ging Pescadospunt voort. "Hij alleen, die sterke vent."
"Ik? Neen, hij!"
"Ja, hij, die Kaap van mijn hart! Als hij er niet geweest was, dan waarachtig ..."
"Nogmaals, loop heen! Je brengt mij waarlijk uit mijn humeur!" zei de Hercules blozend.
"Als die goede Kaap niet zooveel behendigheid bij de oefening met dien staak aan den dag had gelegd, dan zou ik niet met een sprong binnen het huis van dien akeligen Moquaddem Sidi Hassan hebben kunnen dringen...."
"Schei uit! Je maakt mij inderdaad zeeziek! Je bent een nare kerel! Hoor je?"
"En Sava Sandorf", ging Pescadospunt voort, zonder op de onderbreking van Kaap Matifou te letten, "zou den dood gevonden hebben, wanneer mijn dierbare Kaap niet daar geweest was, om haar in zijn armen op te vangen!"
"Dat is waar," sprak het jonge meisje met een schalkschen glimlach. "Dat is ontwijfelbaar waar, mijnheer Matifou!"
"Zal je nu eindigen!" sprak Kaap Matifou half gebelgd tot Pescadospunt.
"Waarom? Waarom zou ik eindigen? Ik spreek slechts de waarheid, dat kan niemand ontkennen."
"Gij gaat te ver, want het denkbeeld, om..."
"Zwijg, Kaaplief!" viel hem Pescadospunt in de rede.
"Waarom zou ik nu moeten zwijgen? Ik wil en zal thans spreken! Hoort ge? Niemand zal mij dat beletten."
"Drommels, ik ben niet sterk genoeg, om complimenten van dat gehalte in ontvangst te nemen, terwijl gij..."
"Nu terwijl ik?" vroeg Kaap Matifou, terwijl hij zijne mouwen opstroopte en zijne Hercules-armen met welgevallen beschouwde. "Nu, ga voort, terwijl ik?..."
"Kom, laten wij onzen tuin gaan bebouwen en verzorgen", zei Pescadospunt lachende. "Daar zullen die cyclopen-armen te pas komen. Wij hebben onze plantage te lang verwaarloosd."
"Cyclopen-armen!..." pruttelde Kaap Matifou, terwijl hij zijn vriend volgde. "Gij zoudt willen, dat gij uwe magere asperges tegen die cyclopen-armen kondet verruilen. Wacht maar... die cyclopen-armen zullen je die plagerijen wel betaald zetten!..."
Pescadospunt schaterde het uit, maar antwoordde niet en trok zijn vriend met zich voort.
Kaap Matifou zweeg verder; maar eindigde met zich alle gelukwenschen te laten aanleunen, alleen "om zijn kleinen Pescadospunt niet te ontstemmen." Dat duidde op een goedig karakter. Maar ieder was dat van den zachtaardigen reus gewoon.
Er werd besloten, dat het huwelijk van Piet Bathory met Sava Sandorf al zeer spoedig, namelijk op den 9den November zoude voltrokken worden. Wanneer onze jonge vriend de echtgenoot van Sava geworden zou zijn, zou hij dadelijk beginnen, om de rechten zijner vrouw op de erfenis van graaf Mathias Sandorf te doen erkennen. De brief van mevrouw Toronthal liet omtrent de geboorte en de afkomst van het jonge meisje geen twijfel bestaan. Wanneer het daarenboven noodig zoude zijn, dan zou men wel eene gelijkluidende verklaring van den bankier verwerven. Het behoeft niet verzekerd te worden, dat de noodige formaliteiten daarbij betracht werden, vooral omdat Sava Sandorf nog niet meerderjarig was en derhalve den leeftijd nog niet bereikt had, om hare rechten te doen eerbiedigen. Inderdaad, zij zou haar achttiende jaar eerst over zes weken bereiken.
Er moet bovendien bij verteld worden, dat in dat verloopen tijdvak van vijftien jaren, een wijziging in de staatkunde plaats had gegrepen, geheel ten voordeele van de Hongaarsche kwestie, en waaruit een betere toestand geboren was, vooral ten opzichte van de herinnering, die de zoo plotseling bedwongen onderneming van graaf Mathias Sandorf bij eenige staatslieden achtergelaten had. Mildere gevoelens zaten bij hen voor en zouden hunnen invloed niet missen.
Wat den Spanjaard Carpena en den bankier Silas Toronthal betreft, omtrent hun lot zou later afdoend beslist worden, evenwel niet vóórdat Sarcany op zijne beurt een plaatsje in de kasematten van Antekirrta zoude erlangd hebben. Eerst dan zou de taak van gerechtigheid, die dokter Antekirrt ondernomen had, volvoerd mogen heeten. Ja, eerst dan zou de deugd beloond en de misdaad gestraft mogen heeten.
Maar terzelfdertijd, dat de dokter de middelen beraamde, om zijn doel te bereiken, gebood de noodzakelijkheid ernstig om maatregelen van voorzorg voor de veiligheid der kolonie te treffen. Zijne agenten in de Cyrenaïsche streken en in het Tripolitaansche Regentschap meldden hem toch, dat de Senousistische beweging in belangrijkheid buitengewoon toenam, vooral in het villayetschap van Ben Ghazi, dat zich het meest in de nabijheid van het eiland Antekirrta bevond. Speciale loopers stelden zich onafgebroken in betrekking tot Jerhboub, dat nieuwe brandpunt van de Islamitische beweging, zooals de heer Duveyrier dat tweede metropolitaansche Mekka noemde, waar toen Sidi Mohammed El Mahedi tegenwoordige Grootmeester der Broederschap met zijne hem ondergeschikte hoofden van de geheele provincie resideerde. Daar nu die Senousisten de waardige nakomelingen zijn van de oude Barbarijsche zeeschuimers, dragen zij derhalve een ingekankerden en doodelijken haat toe aan een ieder, die tot het Europeesche ras behoort. Dokter Antekirrt begreep dan ook, dat hij zeer op zijne hoede moest zijn en dat voor het eiland Antekirrta inderdaad zeer gevaarvolle dagen aanbreken konden.
En werkelijk, moeten niet aan de Senousisten toegeschreven worden de veelvuldige moorden, die sedert twintig jaren op de Afrikaansche sterftelijst hebben moeten ingeschreven worden? Als wij Beurman in 1863 te Kanem hebben zien omkomen, Van der Decken met zijne makkers in 1865 op de rivier Djouba, mejuffrouw Alexina Tinne en hare volgelingen in 1865 in de Ouadj Abedjouch, Dournaux Duperré en Joubert in 1874 bij den waterput van In Azhar, de paters Paulmier, Bouchard en Menored in 1876 in de omstreken van In Calah, de paters Richard Morat en Pouplard van den zendingspost Ghadames in het noorden van de Azdjer-streek, den kolonel Flatters, de kapiteins Masson en De Dianous, den dokter Guiard, de ingenieurs Beringer en Roche in 1881 op den openbaren weg naar Warglâ, dan moeten alle die moorden toegeschreven worden aan die bloeddorstige geaffilieerden, die er toe gedwongen worden de Senousistische leer ten opzichte van stoutmoedige landonderzoekers ten uitvoer te leggen. Onbedwingbare dweepzucht komt daarbij voornamelijk in het spel. Dat is niet te betwisten.
Omtrent dit onderwerp onderhield dokter Antekirrt zich zeer dikwijls met Piet Bathory, met Luigi Ferrato, met de gezagvoerders zijner flottilje, met de hoofden zijner militie en met de voornaamste notabelen van zijn klein eiland.
Zou Antekirrta een aanval van die schrikkelijke zeeschuimers kunnen weerstaan?
Ja, ongetwijfeld, hoewel het geheele versterkingsplan nog niet geheel ontworpen, en sommige vestingwerken nog niet voltooid waren, zeker zou Antekirrta zich kunnen verdedigen, evenwel in het geval dat de aanvallers niet te talrijk zouden zijn.
Van eene andere zijde beschouwd, zouden de Senousisten er eenig belang bij hebben, het eiland te bemachtigen?
Voorzeker, daar het de geheele Sidragolf beheerschte, die door de kusten van de Cyrenaïsche en Tripolitaansche streken omzoomd en gevormd werd. Voor hen vormde dat eiland als het ware een strategische knoop en was dus zeer belangrijk.
De lezer zal wel niet vergeten hebben, dat ten zuidwesten van Antekirrta het eilandje Kenkrof op een afstand van ongeveer twee mijlen gelegen was. Nu had men den tijd niet gehad, om dat eilandje te versterken, en dat dreigde gevaarlijk te worden, in het waarschijnlijk geval, dat eene vloot daarvan hare operatiebasis wilde maken. Dokter Antekirrt had het dan ook, zooals wij weten, bij wijze van voorzorgsmaatregel laten ondermijnen, en thans werd eene schrikkelijke ontplofbare stof, de penkrastiet, in de mijngangen, die te midden van de rotsachtige massa aangelegd waren, geladen. Verdere voorzorgen waren voorloopig niet te nemen.
Er was maar eene electrische vonk noodig, die langs een onderzeeschen metaaldraad, die het eilandje met Antekirrta verbond, afgezonden kon worden, om Kenkrof, met alles wat zich op zijne oppervlakte bevond, in de lucht te doen vliegen en te vernietigen.
Ziehier, wat omtrent de andere verdedigingswerken van het eiland verricht was.
De kustbatterijen waren in goeden staat gebracht en wachtten slechts dat de aangewezen bedieningsmanschappen der militie hunne posten kwamen innemen. Het centraal conisch fortje was gereed om vuur te kunnen geven met zijne stukken, die zeer ver droegen. Talrijke torpedo's, die in het vaarwater gezonken lagen, verdedigden den toegang der haven. Ook de _Ferrato_ en de beide _Elektrieks_ waren tot handelen gereed, hetzij om den aanval verdedigenderwijze tegen te gaan, hetzij om bij den uitval op de aanvallende vloot in te loopen. Inderdaad, de verdedigingsmiddelen van het kleine eiland Antekirrta waren niet gering te schatten.
Toch had het eiland eene kwetsbare plaats, namelijk de zuidwestelijke kust. Daar was eene strook, die niet door het vuur der strandbatterijen en door dat van het fortje bestreken werd, en waar dus gemakkelijk troepen konden ontscheept worden. Men had nog geen tijd gehad, om daar het versterkingsplan te voltooien. Dat was wel te betreuren.
Daar bestond het gevaar, en misschien was het reeds te laat, om afdoende verdedigingswerken te ontwerpen en daar te stellen. Maar daaraan was nu in de gegeven omstandigheden niets meer te doen. Maar was het, alles wel beschouwd, onwraakbaar zeker, dat de Senousisten plan hadden, om het eiland Antekirrta aan te tasten?
Dat was toch, bij eenig nadenken, eene zaak van belang, ja eene gevaarlijke onderneming, die daarenboven een belangrijk materiëel vorderde. Luigi Ferrato kon aan dat plan niet gelooven en twijfelde nog. Dat gaf hij eens te kennen bij gelegenheid dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en hij de versterkingswerken van het eiland in oogenschouw namen.
"Wat zouden zij hier komen doen?" vroeg hij. "Neen, op Antekirrta hebben zij het oog niet gevestigd."
"Dat 's mijne meening niet," antwoordde dokter Antekirrt. "Het eiland is rijk, het beheerscht de streken, die aan de Syrtische Zee gelegen zijn. Al bestonden ook slechts die redenen, geloof mij, dan zou het eiland toch vroeg of laat aangevallen worden; want de Senousisten hebben er zeer groot belang bij, er zich van te bemachtigen!"
"Meent gij?" vroeg Luigi Ferrato hoofdschuddende en nog steeds ongeloovig.
"Niets is zekerder dan dat," vulde Piet Bathory aan. "En mij dunkt, dat dit eene gebeurlijkheid is, die ons zeer op onze hoede moet doen zijn!"
"Nu, dat zullen wij!... Maar, intusschen wil het bij mij er nog maar niet in..."
"Wat mij vooral aan een aanstaanden aanval doet gelooven," hernam dokter Antekirrt, "dat is, dat Sarcany tot de geaffilieerden van de Khouâns behoort, en het is mij bekend, dat hij vroeger steeds voor hen als agent in het buitenland werkzaam is geweest... Hij was het, die wapens, kruit en lood voor hen opkocht."
"Dat is zoo, maar..."
"Herinnert u nu, mijne vrienden, dat Pescadospunt in het huis van den Moquaddem een onderhoud tusschen Sarcany en Sidi Hassan afgeluisterd heeft. In dat onderhoud werd de naam van het eiland Antekirrta herhaaldelijk uitgesproken... Mij dunkt, dat dit zijne beteekenis moet hebben. Zijt gij ook niet van die meening?"
"Ja, maar..."