Chapter 17
Hij klom nu over den parapetmuur, die een dik witachtig steenkussen vormde, hetwelk met schietgaten ingesneden was. Hierbij was de eerste zorg van Pescadospunt geweest, een dun maar sterk touw, van knoopen voorzien, dat hij onder zijn licht clownspak had kunnen verbergen, te ontwikkelen, en wel zoodanig, dat het naar buiten hing en den bodem bereikte. Dat was een voorzorgsmaatregel, die gebiedend noodzakelijk was. Toen hij daarmede klaar was, legde de wakkere kleine kerel zich, alvorens verder te schrijden, plat op den buik langs den parapetmuur. In die houding, die hem door de voorzichtigheid geboden werd, wachtte hij, zonder ook maar de geringste beweging uit te voeren. Wanneer hij toch bespeurd was geworden, zou het terras weldra door de lieden van Sidi Hassan bestormd en overweldigd zijn, en in dat geval zou hem niets meer overblijven, dan van het touw gebruik te maken, waarop hij zijne hoop bouwde als op het reddingsmiddel voor Sava Sandorf. Dat alles doorkruiste in die oogenblikken zijn schrander brein.
Eene diepe stilte heerschte allerwege in de woning van den Moquaddem Sidi Hassan. Daar noch hij, noch Sarcany, noch iemand anders hunner lieden deel aan het Ooievaarsfeest hadden genomen, was de deur van de zaouya sedert zonsopgang niet geopend geweest, en zou dat ook niet na zonsondergang worden.
Na eenige minuten wachtens, sloop Pescadospunt, steeds op den buik liggende en kruipende, naar den hoek der woning, waar het meest nabij zijnde minarettorentje verrees. De trap, welke van het bovenste van dat torentje neerdaalde, moest klaarblijkelijk uitkomen op den vloer der eerste patio. En, inderdaad, hij vond deze deur, die op het terras uitkwam en die toegang tot de beneden-binnenplaatsen verleende. Dat was een aanvankelijk gunstige uitslag zijner pogingen.
Maar die deur was gesloten, niet met een sleutelslot, maar door middel van een grendel, die onmogelijk terug te schuiven was, tenzij men een gat in het paneel boorde. Dat werk had Pescadospunt zeer goed kunnen verrichten, want hij had een mes in den zak met verscheidene lemmeten en dus tot verschillende doeleinden geschikt, hetwelk hij van dokter Antekirrt ten geschenke had ontvangen en waarvan hij behendig gebruik wist te maken. Maar dat zou een tijdroovende arbeid zijn, die ook niet in alle stilte zou kunnen uitgevoerd worden, en waaraan hij dan ook niet verder dacht. Waarlijk, zijne oogenblikken waren thans te kostbaar.
Het was daarenboven niet noodig. Drie voeten boven het terras was een opening in den vorm van een schietgat in den muur van het minaret gebroken. Dat gat was wel een beetje nauw, maar onze Pescadospunt was niet dik. Daarenboven had hij wel iets van een kat, die zich uitrekken kan en door openingen glijdt, die aanvankelijk geen doortocht schijnen te kunnen verleenen. Hij probeerde, en ... weldra bevond hij zich in het minaret, evenwel niet zonder zijne schouders eenigszins geschaafd, niet zonder zijne knieën wat ontwricht en zijne scheenbeenen ontveld te hebben. Maar zoo iets deerde hem weinig. Dat kwam bij hem niet in aanmerking.
"Ziet, dat zou Kaap Matifou met al zijne kracht onmogelijk hebben kunnen uitvoeren," dacht hij niet zonder grond.
En hij lachte bij de gedachte aan de dikke zware gestalte van Kaap Matifou in dat nauwe schietgat.
Toen keerde hij op den tast af naar de deur, waarvan hij thans den grendel terugschoof, ten einde gebruik van dien doortocht te kunnen maken, wanneer hij denzelfden weg terug moest. En zoo iets was toch zeer goed mogelijk, niet waar? Hij moest in zijne omstandigheden op alles bedacht zijn.
Terwijl hij de wenteltrap afdaalde, liet Pescadospunt zich meer omlaag glijden, dan dat hij steun op de treden zocht, die door de drukking zijner voeten konden kraken. Zoo iets moest in de eerste plaats vermeden worden.
Beneden vond hij andermaal eene deur; maar hij had slechts noodig, om tegen haar te duwen, om die op hare hengsels te zien draaien. Dat ging gemakkelijk genoeg.
Die deur gaf toegang tot eene galerij, die op zuiltjes rustte en de eerste patio omgaf, en waarop een zeker getal vertrekken uitkwamen. Op de trap had eene dikke duisternis geheerscht; die galerij bevond zich in een schemerdonker, dat minder somber was. Hier kon hij ten minste met behulp zijner oogen voortschrijden, terwijl dat op de trap slechts op den tast had kunnen geschieden.
Overigens werd er nergens licht en ook nergens eenig geluid hoegenaamd waargenomen.
In het midden van de patio bevond zich een bekken, gevuld met helder frisch water, en omgeven door tuinbeddingen, waarin fraaie sierplanten, zooals peperstruiken, dwergpalmen, lauriersoorten, cactussen, enz. groeiden, welker weelderig groen als een dicht boschje rondom den oever vormde.
Pescadospunt sloop die galerij, zoo zacht hem maar mogelijk was, rond, terwijl hij voor iedere kamer stilhield, om te luisteren. Het was, alsof die onbewoond waren. Allen evenwel niet, want achter een der deuren vernam hij stemmen, die hij duidelijk kon onderscheiden. Ja, daarin kon hij zich niet vergissen. Hij hoorde spreken.
Aanvankelijk stoof Pescadospunt eenige passen achteruit; want hij had de stem van Sarcany herkend. Dwaling was onmogelijk; want die stem had hij te Ragusa meermalen gehoord. Hij trad weer naderbij; maar hoewel hij zijn oor tegen het paneel der deur hield, kon hij toch onmogelijk verstaan, wat in die kamer gesproken werd.
Er kwam een oogenblik, dat een ander en een harder geluid vernomen werd. Pescadospunt had nauwelijks tijd, om achteruit te springen, en achter een der grootste struiken, die rondom het waterbekken stonden, te schuilen.
Sarcany trad de kamer uit. Een Arabier van groote gestalte vergezelde hem. Beiden vervolgden hun gesprek, terwijl zij onder de galerij van de patio rondwandelden. Drommels, een oogenblik vroeger, dan ware de bespieder onvermijdelijk ontdekt geweest.
Ongelukkiglijk kon Pescadospunt onmogelijk verstaan, wat Sarcany en zijn makker spraken; want zij bezigden bij hun onderhoud de Arabische taal, waarvan de schrandere kerel, helaas! niets verstond. Twee woorden evenwel troffen hem, of beter gezegd, twee namen, die van Sidi Hassan--het was inderdaad de Moquaddem, die met Sarcany praatte,--daarna de naam van Antekirrta, die herhaaldelijk in het gesprek voorkwam.
"Dat is op zijn minst genomen vreemd," mompelde Pescadospunt natuurlijk onhoorbaar, "waarom spreken zij over ons eiland, over Antekirrta?.... Zou de Moquaddem Sidi Hassan, Sarcany en al die Tripolitaansche zeeschuimers een aanslag op ons dierbaar eiland smeden?... Duizend duivels!... En dan niets van die taal, die door die twee schoften gebezigd werd, te kunnen verstaan!... Het was inderdaad, om wanhopig te worden!"
Pescadospunt spitste de ooren en trachtte nog een ander verdacht woord op te vangen. Hij zorgde evenwel nauwlettend, dat hij in het groen verborgen bleef, wanneer Sarcany en Sidi Hassan het waterbekken nabij kwamen. Maar de nacht was donker genoeg, zoodat zij hem onmogelijk ontwaren konden.
"Als Sarcany maar alleen in die galerij ronddoolde," sprak Pescadospunt bij zich zelven, "dan kon ik hem bij de keel grijpen en buiten staat stellen, om verder schadelijk of gevaarlijk te zijn! Maar... daarmede zou Sava Sandorf niet geholpen zijn. En het is om haar te redden, dat ik dien gevaarlijken sprong over den omheiningsmuur volbracht heb!... Geduld!... Ja, geduld! Wij moeten wachten!... Sarcany's beurt zal ook wel komen, dat beloof ik hem, en wat ik beloof, volbreng ik; want... belofte maakt schuld."
Het gesprek en de wandeling van den Moquaddem Sidi Hassan met Sarcany duurden ongeveer twintig minuten. Sava's naam werd ook herhaaldelijk uitgesproken met de aanwijzende bijvoeging van "arouch" Pescadospunt herinnerde zich dat woord meer gehoord te hebben, dat "bruid" of "verloofde" in het Arabisch beteekent. De Moquaddem was klaarblijkelijk met de plannen van Sarcany bekend en leende er de hand toe.
Eindelijk verlieten die twee mannen de patio door een der hoekdeuren van de galerij, die toegang verleende tot de overige bijgebouwen van de ruime woning. Een zucht van verlichting ontsnapte aan de borst van den koenen bespieder.
Zoodra zij verdwenen waren, kwam Pescadospunt weer te voorschijn en sloop door de galerij tot bij die deur. Zij was niet gesloten. Hij behoefde haar slechts open te duwen, om zich in een smalle gang te bevinden, waarvan hij den muur, met de hand betastende, behoedzaam volgde. Aan het einde van die gang rondde zich een dubbel booggewelf af, dat door een middenzuil gedragen werd. Dat gewelf verleende toegang tot een tweede binnenplaats of patio. Hier moest onze verspieder met verdubbelde omzichtigheid tewerk gaan.
Vrij levendige lichtstralen drongen toch tusschen de zuilen door, waarlangs de skiffa lucht en licht van uit die patio ontving, en vormden breede lichtsectors op den vloer. Het ware uiterst gevaarlijk geweest die in dit oogenblik te overschrijden. Het geluid van talrijke stemmen liet zich toch vernemen van achter de deur van een der zalen, welke op die tweede patio uitkwamen. Het begon er voor onzen Pescadospunt inderdaad bedenkelijk uit te zien.
Hij aarzelde dan ook een oogenblik, maar ook slechts één enkel; want aarzelen kwam met zijne geaardheid weinig overeen.
Wat hij zocht, was de kamer, waarin de rampzalige Sava opgesloten was. Hij mocht op niets anders dan op het toeval rekenen, om dat vertrek te ontdekken. Of hem dat toeval dienen zou? Dat zullen wij zien.
Een licht verscheen eensklaps aan het andere uiteinde van die binnenplaats. Eene vrouw, die eene rijk met gedreven koperwerk versierde Arabische lantaarn droeg, trad eene kamer uit, die in den tegenovergestelden hoek der patio gelegen was, en volgde de galerij, waarop de deur der skiffa uitkwam.
Pescadospunt herkende die vrouw dadelijk.... Neen, maar hierbij was dwaling onmogelijk!
Het was Namir. Ja, Namir! Dat was toch al eene zeer gunstige uitkomst, niet waar?
Daar het mogelijk was, dat de Marokkaansche vrouw zich naar het vertrek begaf, waar het jonge meisje zich bevond, moest het middel uitgedacht worden, om haar te kunnen volgen. En om haar te kunnen volgen, moest onze verspieder haar vooraf doortocht verleenen, zonder dat hij ontdekt werd. Dat was in de eerste plaats noodzakelijk, dat moest Pescadospunt erkennen.
Dit oogenblik zou beslissend zijn omtrent het welslagen van de stoutmoedige poging van Pescadospunt, ook omtrent het lot van Sava Sandorf. Ziedaar, wat het brein van den stoutmoedigen acrobaat in een ondeelbaar oogenblik doorkruiste.
Namir kwam naderbij. Hare lantaarn, die zij laag bij den grond droeg, liet het bovengedeelte der galerij in eene duisternis, te zwarter naarmate de mozaïek-vloer te scherper verlicht werd. Daar zij nu onder het booggewelf moest voorbijgaan, wist Pescadospunt waarachtig niet, hoe het aan te leggen, om niet bespeurd te worden, toen eene lichtstraal der lantaarn hem liet bemerken, dat het bovengedeelte van dat booggewelf uit arabesken bestond, die _à jour_ of doorzichtig volgens den Moorschen bouwtrant opgetrokken waren. Toen had hij inderdaad een kostelijken inval.
Langs de middenzuil opklouteren, zich aan een dier arabesken vastklemmen, zich aan zijne handen optillen, zich verschuilen in het middenogief, en daar als een heiligenbeeld in zijne nis onbewegelijk blijven, was voor onzen Pescadospunt het werk van een oogenblik. Met de vlugheid van een aap en de lenigheid eener kat was hij naar boven gevlogen.
Namir vervolgde haren weg, trad onder het booggewelf voort, zonder erg en natuurlijk zonder den indringer te bespeuren, ging langs de andere zijde der galerij recht op de deur af der skiffa en opende die met den sleutel, dien zij in de hand hield.
Een bundel lichtstralen schoot dadelijk naar buiten, maar doofde onmiddellijk weer uit, toen die deur achter haar gesloten werd. Alles was weer zwart als de nacht onder dat sombere booggewelf.
Pescadospunt dacht na. En waarlijk, waar kon hij beter zitten dan in die nis, om aan zijne overpeinzingen bot te vieren? Het was inderdaad, of die nis er voor bestemd was. Hij zat daar ineen gedoken met de handen onder de kin en de ellebogen op de knie gesteund.
"Ja, het is Namir, die daar dat vertrek binnengetreden is," mompelde hij. "Daaraan valt niet te twijfelen! Het is dus klaarblijkelijk, dat zij zich niet naar de kamer van Sava Sandorf begaf!... Maar zij kwam er wellicht vandaan?... En als dat zoo is, dan ligt die kamer aan het andere uiteinde van de binnenplaats.... Daaromtrent moet ik zekerheid hebben! Het oude wijf kwam daar vandaan, als ik mij niet vergis."
In gedachte wees Pescadospunt op dat gedeelte der galerij, waar Namir het eerst verschenen was.
Hij wachtte nog eenige oogenblikken, alvorens zijn post te verlaten. Het licht scheen in het binnenste der skiffa langzamerhand te verminderen, terwijl het stemgeluid nog slechts als een eenvoudig en verwijderd gemurmel vernomen werd. Hij wilde nog wachten, om niets in de waagschaal te stellen. Als het moest, was hij de voorzichtigheid in persoon.
Het oogenblik zou ongetwijfeld aanbreken, dat het geheele personeel van den Moquaddem Sidi Hassan weldra in diepe rust gedompeld zou zijn. Dan zouden de omstandigheden meer gunstig zijn, om te handelen, daar alsdan dit gedeelte dier woning geheel eenzaam zoude zijn, al werd dan ook het laatste licht niet uitgebluscht.
Zoo gebeurde het inderdaad. De meest gewenschte stilte trad weldra in, die door niets verbroken werd.
Pescadospunt liet zich toen langs de middenzuil, die het booggewelf torschte, naar beneden glijden, sloop kruipende over de marmervloersteenen der galerij, de deur der skiffa voorbij, sloeg den uitersten hoek der patio om, en bereikte weldra het vertrek, waaruit Namir straks getreden was. Het hart bonsde hem in het lijf, van aandoening en gespannen verwachting.
Pescadospunt opende die deur, welke niet op slot gesloten was, en kon toen bij het zwakke schijnsel van eene Arabische lamp, die aan de zoldering hing en als nachtlicht dienst moest doen, en derhalve van een witmatten ballon voorzien was, met een blik het innerlijke van die kamer in oogenschouw nemen. Hetgeen hij ontwaarde, was verre van ongunstig voor zijne plannen.
De wanden waren versierd met Oostersche tapijten; hier en daar stonden zetels in Moorschen stijl, terwijl in de hoeken van het vertrek kussens opgestapeld lagen, en een dik Perzisch kleed den mozaïek-vloer bedekte. Op eene tafel bevonden zich nog de overblijfselen van het avondmaal en aan het uiterste einde van de kamer stond een divan, die met wollen stof bekleed was. Het was in één woord een kostbaar gemeubeld vertrek.
Ziedaar, wat Pescadospunt met één oogopslag zag. Hij was gewoon alles wat hij zag, goed in zich op te nemen.
Hij trad binnen en sloot zacht de deur achter zich. Daarop trad hij behoedzaam vooruit.
Eene vrouw lag op den divan uitgestrekt. Zij scheen niet ingeslapen, maar verkeerde in dien dommelenden toestand, die van den slaap niet veel verschilt. Hare ledematen waren bedekt met een soort burnous, waarmede de Arabieren zich gewoonlijk van het hoofd tot de voeten weten te dekken. Haar hoofd lag achterover gebogen en rustte op een rijkbewerkt kussen.
Dat was Sava. Daar lag de rampzalige dochter van graaf Mathias Sandorf.
Neen, Pescadospunt kon zich niet vergissen. Hij herkende haar dadelijk. Vroeger had hij haar toch verscheidene malen in de straten van Ragusa ontmoet.
Maar hoe scheen het arme meisje veranderd te zijn! Waarlijk, er was een geoefend oog noodig, om haar te herkennen.
Zij was nog steeds doodsbleek als in het oogenblik, toen hare huwelijkskoets op den lijkstoet van Piet Bathory stuitte. Maar haar geheele uiterlijk, hare lijdensvolle houding, haar weemoedig gelaat, alles, alles verkondigde, hoezeer zij geleden had!
Er was geen oogenblik te verliezen. Dat begreep Pescadospunt terstond. Hier moest gehandeld worden!
Inderdaad, de deur was niet op slot gesloten, eene omstandigheid, die het vermoeden rechtvaardigde, dat Namir ongetwijfeld bij Sava zou wederkeeren. Misschien bewaakte de Marokkaansche vrouw haar dag en nacht. Dat was inderdaad waarschijnlijk.
Maar..., al zou het jonge meisje dat vertrek kunnen verlaten, hoe zou zij kunnen ontvluchten, wanneer geen hulp van buiten daarbij verleend werd? Was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan niet ommuurd als een gevangenis? Was zij niet aan eene ware vesting gelijk, die zonder verkregen verlof niet verlaten kon worden?
Pescadospunt boog het hoofd over den divan en dacht diep na, terwijl hij het jonge meisje beschouwde.
Mijn God! hoe was hij verbaasd, toen hij de gelijkenis opmerkte, die hem tot nu toe ontgaan was, de gelijkenis van Sava Sandorf met dokter Antekirrt! En die gelijkenis was niet te loochenen! Neen, dat was zij inderdaad niet!
Hij stond een oogenblik als getroffen. Hij wreef zich het voorhoofd. Het was, alsof een denkbeeld daarin ontkiemde.
Het jonge meisje opende de oogen. Zij was op het punt een kreet te slaken. En toch...
Toen zij daar een vreemdeling vóór haar zag staan, met den rechter wijsvinger op de lippen, met smeekenden blik op haar gevestigd en in het zonderlinge hansworstenpak van den acrobaat gestoken, gevoelde zij eerder verbazing dan wel schrik. Snel sprong zij op, maar had toch den goeden geest, of beter de koelbloedigheid, om ieder geluid te bedwingen.
"Shut!..." zei Pescadospunt fluisterend en steeds met den wijsvinger op den mond. "Shut!... Laat niemand ons hooren!"
Het meisje keek hem ten uiterste verbaasd aan en opende de lippen om te spreken.
"Shut!... Stil!..." herhaalde Pescadospunt. "Van mij hebt gij niets te vreezen."
Zij ondervroeg hem met de oogen. Zij gevoelde zich, in weerwil van alles, in de nabijheid van dien man gerustgesteld.
"Ik ben hier, om u te redden...." fluisterde Pescadospunt schier onhoorbaar. "Shut!..."
De vragende uitdrukking van 's meisjes oogen werd nog dringender. Zij wachtte eene nadere verklaring.
"Achter die muren," ging Pescadospunt voort, "wachten u vrienden, om u aan de handen van Sarcany te ontrukken."
"Wie?" vroeg de blik. "Wie toch kan in dit akelig land eenig belang in mij stellen?"
"Piet Bathory is niet dood!" was het fluisterende antwoord van den acrobaat.
"Piet... niet dood?"... kreet het meisje met bedwongen stem, terwijl zij de hand op haar hart legde, om er het gebons van te bedwingen.
"Neen, niet dood!" bevestigde Pescadospunt. "Maar wees in Godsnaam bedaard!"
"Gij schertst wreed. Ik heb toch den lijkstoet van den armen jongeling met mijne eigene oogen gezien."
"Lees!"
En Pescadospunt reikte een briefje aan het jonge meisje over, dat slechts deze weinige woorden bevatte:
"Sava, vertrouw den man, die zijn leven gewaagd heeft, om bij u te komen!.... Ik ben levend!... Ik ben dicht bij u! Vertrouw hem. Vertrouw op God!
Piet Bathory."
Piet levend!... Piet in de nabijheid!... Aan den voet van den omheiningsmuur!... Maar gebeurden er dan wonderen?... O, dat zou Sava later vernemen!... Zij zou later vernemen, hoe hij aan den dood ontrukt was. Voor het oogenblik was het genoeg te weten, dat Piet Bathory haar nabij was! Ja, zeker, dat was voor het oogenblik genoeg. Meer wilde zij, meer verlangde zij thans niet te vernemen.
"Kom, laten wij vluchten!" zei zij. "Kom, laten wij maken uit die nare woning te komen!"
"Ja, laten wij vluchten," antwoordde Pescadospunt. "Dat is goed en wel, maar..."
"Maar?..." vroeg Sava ongeduldig. "Ik geloof niet, dat het raadzaam is, zich lang te bezinnen."
"Wij moeten alle kansen aan onze zijde hebben. Eene mislukking, zou den toestand nog gevaarlijker maken."
"Welke kansen?" vroeg het jonge meisje, dat de redeneering van den acrobaat moest beamen.
"Luister. Eene vraag slechts: Is Namir gewoon den nacht in dit vertrek door te brengen?"
"Neen," antwoordde Sava. "Zij slaapt gewoonlijk in haar eigen vertrek, nimmer hier."
"Neemt zij de voorzorg, om u hier op te sluiten, wanneer zij voor eenigen tijd afwezig moet zijn?"
"Ja."
"Waarom heeft zij dat thans niet gedaan?"
"Dat weet ik niet."
"Zij kan dus terugkomen. Dunkt u dat ook niet?... Anders zou zij de deur wel gesloten hebben."
"Ja!... Laten wij vluchten!" sprak Sava Sandorf gejaagd. "Kom, dan toch. Wij hebben geen tijd te verliezen."
"Dadelijk!" antwoordde Pescadospunt. "Maar luister eerst naar mij."
Hij ontwikkelde toen het plan, dat zijn schrander brein uitgedacht had. Het was zeer eenvoudig.
Zij moesten de trap op van den minarettoren, die tevens toegang verleende tot het terras, dat uitzicht op de vlakte had.
Eenmaal daar aangekomen, zou de ontsnapping met het touw, dat daar hing en tot aan den grond reikte, gemakkelijk te volvoeren zijn. Daartoe had men weldra besloten.
"Kom!" zei Pescadospunt, terwijl hij Sava Sandorf de hand reikte. "Kom, het is nu tijd."
"Kom!" zei het jonge meisje, die onbeschroomd hare hand in de zijne legde. "Ik ga met u mede."
Hij was op het punt, om de deur van het vertrek te openen toen eensklaps voetstappen op de marmeren vloersteenen van de galerij vernomen werden. Ter zelfder tijd weerklonk eene stem, die eenige woorden op gebiedende wijs uitsprak.
Pescadospunt had de stem van Sarcany herkend. Ja, hij was het die in allerijl naar Sava's kamer toetrad.
Bewegingloos bleef de acrobaat een poos op den drempel van de deur staan.
"Hij is het"... fluisterde het jonge meisje. "Hij is het!... God zij ons genadig!..."
"Ja, dat hoor ik," antwoordde Pescadospunt eveneens fluisterend. "Maar wat te doen?"
"Als hij u hier vindt..."
Het meisje aarzelde.
"Nu, wat dan?"
"Dan zijt gij verloren! Reddeloos verloren! O God, wat zal hier gebeuren?"
"Ja, maar hij zal mij niet vinden!"
"Hoe wilt gij doen?... Ontkomen is thans niet meer mogelijk", was Sava's meening.
Maar Pescadospunt antwoordde op die vraag niet.
De vlugge acrobaat had zich op den grond uitgestrekt en toen, met eene rappe en behendige beweging, die hij zoo dikwijls op de kermissen, bij het verrichten zijner meesterstukken volvoerd had, wikkelde hij zich in een van de tapijten, die op den vloer uitgestrekt lagen, en waarvan hij een punt met vlugge hand gegrepen had, en rolde zich toen tot in den donkersten hoek van het vertrek. Niemand zou daar in dat pak een menschelijk wezen vermoed hebben.
Juist was hij daarmede klaar, toen de deur vrij luidruchtig open ging, waardoor Sarcany en Namir binnentraden. Eenmaal binnen, sloten zij de deur achter zich toe.
Sava had middelerwijl weer plaats op den divan genomen. Zij hield zich zoo bedaard mogelijk en geen van beide nieuwaangekomenen bemerkten iets.
Met welk oogmerk kwam haar Sarcany thans opzoeken?... Dat was de vraag, die Sava bezig hield.
Zou hij weer moeite komen doen, om hare weigering tot dat gehate huwelijk te overwinnen?
Om het even! Sava Sandorf gevoelde zich thans sterk! Zij wist, dat Piet Bathory levend was, dat hij haar buiten wachtte!
Pescadospunt lag, steeds in het tapijt gerold, in den hoek, en al kon hij niets zien, zoo kon hij toch alles hooren, wat er gezegd werd. Niets zou hem ontsnappen.
"Sava," begon Sarcany, "morgen ochtend zullen wij dit huis verlaten, om ons elders te vestigen."
Het jonge meisje antwoordde niet. Het was alsof tot haar niet gesproken werd.
"Ik wil evenwel niet van hier gaan," vervolgde Sarcany, "zonder dat gij in ons huwelijk toegestemd zult hebben, ja, zonder dat het voltrokken zal zijn..."
Hij wachtte een oogenblik. Maar geen antwoord liet zich hooren. Sava zat slechts te luisteren.
"Alles is gereed." ging hij kalm en bedaard voort, "en gij zult dadelijk moeten..."
"Moeten!... Noch nu, noch later!" antwoordde het jonge meisje op koelen en vastbesloten toon.
"Sava," hernam Sarcany, alsof hij dat antwoord niet gehoord had, "Sava, in ons beider belang is het noodig, dat uwe bewilliging vrij geschiede. Begrijpt gij?"
"Wij kunnen nimmer gemeenschappelijke belangen hebben!" antwoordde zij trotsch en fier.
"Pas op!... Ik waarschuw u. Trotseer mij niet! Dat is een gevaarlijk spel."
En toen het jonge meisje slechts met een verachtelijk glimlachje op die bedreiging antwoordde, vervolgde Sarcany: