Chapter 16
Het was dus ter uitvoering van het vastgestelde plan, hetwelk wij bij zijne ontwikkeling vernemen zullen, dat dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zich daags daarna, tegen drie uren des namiddags, ter bespieding op de vlakte van Soung Ettélaté bevonden, terwijl Pescadospunt en Kaap Matifou zich intusschen voorbereidden voor de rol, die zij te midden van het bedrijvigste gedeelte van het feest te vervullen zouden hebben.
Op dat uur bestond er nog niets, dat een voorgevoel kon geven van het leven, van het spektakel en van de beweging, waarvan de vlakte het schouwspel ging leveren, wanneer zij bij het vallen van den avond door ontelbare fakkels zoude verlicht worden. Ter nauwernood kon te midden van die dicht opeengepakte menigte het komen en gaan opgemerkt worden van de Senousistische saamgezworenen, die, zeer eenvoudig gekleed, elkander slechts door een soort van vrijmetselaarsteeken de bevelen hunner opperhoofden mededeelden.
Het is evenwel hier de plaats, om eene Oostersche of beter Afrikaansche legende mede te deelen, waarvan de voornaamste bijzonderheden bij dat Ooievaars-feest, hetwelk eene groote aantrekkingskracht voor de Muselmansche bevolking heeft, in herinnering gebracht zouden worden.
Op het Afrikaansche Vasteland bestond in vroeger tijden een ras van Djins. Die Djins bewoonden onder den naam van Bou-lhebers een uitgestrekt grondgebied, hetwelk op de grens van de Hamada-woestijn tusschen de Tripolitaansche en de Fezzaansche rijken gelegen was. Het was een machtige volkstam, die zeer woest en dus ook uitermate gevreesd was. Hij was oneerlijk, trouweloos, twistziek en onmenschelijk wreed. Geen Afrikaansche souverein had er nog terecht mede kunnen komen. Zij hadden weerstand weten te bieden aan iedere poging, om hen aan tucht te gewennen.
Het gebeurde eens, dat de profeet Soeleyman eene poging aanwendde, niet om de Djins aan te vallen of te onderwerpen, maar om hen tot het goede te bekeeren. Te dien einde zond hij hen een zijner apostelen, om hun de liefde tot het goede en den haat voor het kwade te prediken. Het was verloren moeite! Die woeste horden grepen den zendeling en brachten hem wreedaardig ter dood. Zij ontzagen zich niet den heiligen man eerst te spietsen en hem verder, alvorens hij dood was, langzaam te verbranden.
Dat de Djins zooveel stoutmoedigheid aan den dag legden, vond daarin zijn oorzaak, dat hun land afgelegen en zeer moeielijk te bereiken was. Zij wisten, dat geen naburig vorst zijne legerscharen in die streken durfde wagen. Zij meenden daarenboven, dat niemand den profeet Soeleyman zou gaan overbrieven, welk onthaal zijn zendeling ten deel gevallen was.
Daarin vergisten zij zich evenwel. Allah waakte er over, dat de misdaad gestraft zoude worden.
Een groot aantal ooievaars was, daar het winter in Noordelijk Europa was, in het land aanwezig. Zooals de lezer wel weten zal, zijn dat vogels, tot het geslacht der steltloopers behoorende, van zeer kuische zeden, die eene buitengewone schranderheid gepaard aan eene groote opmerkingsgave bezitten. De legende beweert toch, dat zij nimmer eene landstreek bewonen, welker naam op een geldstuk voorkomt [3], omdat het geld de bron is van alle kwaad en de machtigste hefboom is, die den mensch in den afgrond zijner bedorven hartstochten drijft.
Nu hadden die ooievaars de verdorvenheid, waarin de Djins leefden, opgemerkt. Zij hadden den gruwelijken moord gezien en kwamen in eene groote vergadering bij elkander, om te beraadslagen en besloten daarin een hunner naar den profeet Soeleyman af te vaardigen, ten einde zijnen gerechten toorn over de moordenaars van den zendeling te doen ontbranden.
De profeet riep dadelijk zijne "hiep" of lievelingskoeriers tot zich en gaf hen bevel al de ooievaars van de geheele wereld in de bovenstreken van Afrika bijeen te brengen.
Dat geschiedde natuurlijk, en toen de ontelbare scharen van die vogels voor den profeet Soeleyman vergaderd waren,--zooals de legende woordelijk verhaalt,--vormden zij eene wolk, welker schaduw de geheele landstreek, tusschen Mezda en Morseug, had kunnen bedekken.
Toen greep op bevel van den profeet ieder dier langsnavels een steen in den bek en vloog naar het land der Djins. En terwijl zij daarboven zweefden, steenigden zij dat slechte ras, welker zielen voor de eeuwigheid in het binnenste der Hamada-woestijn opgesloten zitten. Waarlijk, eene gerechte straf voor zulk een snoode daad!
Dat is de fabel, die als het ware ten tooneele zoude gevoerd worden, en welker voorstelling het eigenlijke feest zou vormen. Eenige honderden ooievaars waren onder onmetelijke netten, die op de vlakte van Soung Ettélaté uitgespannen waren, verzameld. Daar wachtten zij, voor het meerendeel zooals gewoonlijk op één poot rustende, het uur der bevrijding af, terwijl zij door het geklepper met hunne lange snavels soms een gerommel in de lucht veroorzaakten, hetwelk wel iets van het geroffel van een menigte tamboers op hunne trommen had. Op een gegeven teeken moesten de netten plotseling verdwijnen en de vogels in de ruimte opstijgen, om gevaarlooze en nagemaakte steenen van weeke klei te midden van het gehuil der toeschouwers, het getoet der blaasinstrumenten en de losbranding van ontelbare geweren en verlicht door eene menigte fakkels met veelkleurige vlammen, op de opeengepakte geloovigen te laten neervallen.
Pescadospunt was met het program van dat feest bekend, en dat was het, hetwelk hem op de gedachte gebracht had, er eene rol in te vervullen. Wellicht zou hij onder de gegeven omstandigheden, die veel verwarring zouden daarstellen, gelegenheid vinden in het huis van den Moquaddem Sidi Hassan te dringen.
Op het oogenblik toen de zon onderging, werd op het fort of kasteel van Tripoli een zwaar kanonschot gelost, dat het sein was, hetwelk door het publiek op de vlakte van Soung Ettélaté zoo lang en ongeduldig verbeid was. Statig rolde het zware geluid voort, wekte al de echo's der omstreken op, en stierf eindelijk als een ver verwijderde donder weg.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato waren eerst als het ware verdoofd door het vreeselijke spektakel, dat zich in het eerste oogenblik van alle kanten hooren deed; vervolgens werden zij verblind door de duizenden lichtjes die op de vlakte schitterden. Het was, of de geheele Soung Ettélaté met al de sterren des firmaments getooid was.
Toen dat kanonschot losbrandde, was die menigte van Nomaden nog bezig met hun avondmaal te nuttigen. Hier zag men er zich te goed doen aan gebraden schapenvleesch. Elders werd pilau met kippenvleesch er bij verorberd door hen, die Turk waren of daarvoor wenschten door te gaan; op eene andere plek ontwaarde men bij vermogende Arabieren couscoussou; verder zag men een eenvoudige "bazina," eene soort pap van gruttemeel met olie gekookt, die het gewone voedsel uitmaakte van die arme drommels, evenals elders het meest talrijk, die meer koperen "mehbouhs" dan gouden "mictals" op zak hadden; eindelijk ontwaarde men overal en inderdaad met stroomen, de "lagby," een soort vruchtensap, afkomstig van den dadelpalm, dat wanneer het evenals het bier gegist heeft, zooveel alcohol bevat, dat het meer dan smoordronken, ja, dat het stapelgek maakt. [4]
Eenige minuten nadat het kanonschot gedreund had, waren allen, mannen, vrouwen, kinderen, Turken, Arabieren, Khouans en Negers reeds als buiten zich zelven van opgewondenheid. Het was waarlijk noodig, dat de koperen blaasinstrumenten van die barbaarsche orchesten buitengewoon geluidmakend waren, om zich te midden van dat menschelijk spektakel te kunnen doen vernemen. Hier en daar sprongen ruiters met hunne paarden rond en schoten hunne lange geweren en hunne ruiterpistolen af, terwijl vuurwerk afgestoken werd en moorslagen knalden, alsof het geschut was, dat losgebrand werd te midden van een leven, hetwelk onmogelijk te beschrijven zoude zijn.
Hier was een negerhoofd, dat, potsierlijk aangekleed, met rammelende beentjes aan zijn buikgordel, terwijl zijn gelaat door een duivelsch mombakkes bedekt was, en bij het licht van walmende toortsen, en aangevuurd door het geroffel op houten trommen en door het klagend opdreunen van een eentonig gezang, een dertigtal zwarte kroeskoppen, die te midden van een kring van stuiptrekkende vrouwen, welke in de handen klapten, hunne vertooning opvoerden, tot den dans aanmoedigde.
Elders waren er wilde Aïssassouas, die tot het uiterste door godsdienstige en alcoholische [5] opgewondenheid vervoerd waren en met opgespoten gelaatstrekken en met uitpuilende oogen, hout tusschen de tanden maalden, op ijzer kauwden, zich diepe insnijdingen in de huid maakten, met gloeiende kolen goochelden, zich door afgrijselijke slangen lieten omwikkelen, die hen aan de handen, aan de wangen, aan de lippen beten, en die zij met gelijke munt betaalden door hun bloedige staarten te verorberen.
Maar in weerwil van dat aanlokkelijke schouwspel, drong de menigte weldra volijverig op naar den kant van het huis van den Moquaddem Sidi Hassan, alsof eene nieuwe en meer belangwekkende vertooning haar daarheen getrokken had.
En inderdaad, daar bevonden zich twee mannen, de een buitengewoon groot en dik, de andere buitengewoon klein en slank. Het waren twee akrobaten, wier opmerkenswaardige krachts- en behendigheidsoefeningen, die te midden van eene vierdubbele rij toeschouwers uitgevoerd werden, de meest levendige toejuichingen, die door een Tripolitaanschen mond konden uitgestoten worden, verwierven. Het was daar om hooren en zien te doen vergaan.
Het waren Pescadospunt en Kaap Matifou, die waarlijk geheel en al op dreef waren.
Zij hadden eene plek uitgekozen, om hunne kermisvertooning op te voeren, welke slechts op weinige passen afstand van de woning van den Moquaddem Sidi Hassan gelegen was. Beiden hadden voor deze bijzondere gelegenheid hun baantje van voorheen, hun baantje van kenniskunstenaars ter hand genomen. Zij waren behoorlijk gekleed in een gelegenheidspakje, dat zij van Arabische stoffen vervaardigd hadden, en hoopten op daverende toejuichingen.
"Je zult toch niet te zeer verroest wezen?" had Pescadospunt alvorens te beginnen aan Kaap Matifou gevraagd.
"Verroest?... Wat meen je?" had de reus gevraagd. "Ik ben toch geen oude spijker, denk ik?"
"Neen, dat weet ik wel; maar ik vraag je, of je soms stijf in de gewrichten geworden bent?"
"Neen, volstrekt niet," antwoordde Kaap Matifou. "Dat zul je wel ondervinden."
"En je deinst voor geene oefening terug... Voor geen enkele? Bedenk je wel."
"Neen, voor geen enkele. Maar wat zal het doel van die oefening wezen? Zeg mij toch."
"Het doel moet wezen om die lummels in vervoering te brengen. Zul je daarvoor niet terugdeinzen?"
"Ik!... ooit terugdeinzen!... Kom, je houdt mij voor den gek," sprak Kaap Matifou verstoord.
"Zelfs, wanneer je ..."
Pescadospunt scheen te aarzelen.
"Wat? Ga toch voort. Je bent anders zoo spraakzaam en thans sta je te kieskauwen."
"Nu ja, zelfs wanneer je keisteenen met de tanden moet fijnmalen?" vroeg de kleine man.
"Is dat alles?" was de ietwat kleinachtende wedervraag van den reus.
"Of slangen oppeuzelen?"
"Slangen?"
Thans scheen Kaap Matifou te aarzelen.
"Ja, slangen!"
"Gekookt?" vroeg Kaap Matifou. "Gekookt of rauw, daarin bestaat onderscheid."
"Neen, rauw! waarde Kaap. Geheel rauw."
"Rauw?... Br! br!"
"En nog wel levend!"
Kaap Matifou had een leelijk gezicht getrokken; maar als het moest zijn, dan was hij besloten om slangen te eten, evenals een eenvoudige Aïssasoua. Hij pruttelde evenwel nog iets tegen.
"Moeten wij dat voor ons pleizier doen?" vroeg hij na een poos bedenkens.
"Voor ons pleizier neen," antwoordde Pescadospunt met een guitigen glimlach op de lippen.
"Maar waartoe dan die gekheid?"
"Zooals ik je gezegd heb, om die lummels in vervoering te brengen."
"Loop heen!" had de reus geantwoord. "Voor die schoeljes eet ik geen slangen. Als het nog Europeanen, als het nog Franschen waren! Dan was het wat anders."
"Och, die kerels kunnen ons ook niet schelen," antwoordde Pescadospunt, hartelijk lachende.
"Maar, waarom dan?"
"Kaaplief, je schijnt maar niet te kunnen begrijpen."
"Maar, wat dan?"
"Dat we eene rol spelen. Wij moeten het groote doel bevorderen. Wij moeten de bevrijding van juffrouw Sava bewerken."
"Met levende slangen te eten?" vroeg de reus hoofdschuddend. "Als ik dat er mee bewerken kan, ben ik bereid een frikadel van alle slangen der wereld te maken en die op te peuzelen."
Dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato bevonden zich onder de menigte van toeschouwers en verloren hunne makkers niet uit het oog, hoewel zij zich te midden van dien ontzaglijken menschendrom de grootste inspanning daartoe moesten getroosten.
Neen, Kaap Matifou was niet verroest! Hij had niets van zijne buitengewone kracht verloren. Vijf of zes Arabieren, en nog wel van de stevigsten uit een geheelen hoop, hadden een kans gewaagd door met hem te worstelen. Maar zij lagen al heel spoedig op den grond uitgestrekt, met de schouders in aanraking met het maaiveld, zooals de akrobatische uitdrukking luidt.
Daarna volvoerden beide kunstenaars te zamen goocheltoeren, die de Arabieren, daar verzameld, in verrukking brachten, vooral toen zij elkander behendig brandende fakkels toewierpen, die overgaande van de hand van Pescadospunt in die van Kaap Matifou, hare vurige zigzags kruisten. Dat verwekte algemeene verbazing.
En toch kon dat publiek, waarvoor zij werkten, terecht moeielijk te bevredigen zijn.
Er bevonden zich toch onder die menigte een vrij groot aantal van hen, die de half wilde Touaregs hadden leeren bewonderen, welker lenigheid en behendigheid aan die der vlugste diersoorten mag gelijk gesteld worden, zooals weleer met veel ophef in het bewonderingwekkend program van den beroemden kermistroep van Bracca aangekondigd werd. Die kenners en bewonderaars hadden toch gelegenheid gehad den stoutmoedigen Mustapha, den Samson der woestijn, het kanonmensch toe te juichen, "wien de koningin van Groot Brittanje en Ierland door haren kamerdienaar, bij gelegenheid van dergelijke voorstellingen te Londen, had laten verzoeken, niet meer zijne oefeningen te herhalen, bevreesd als de vorstin was, dat er een ongeluk zoude gebeuren!"
Maar Kaap Matifou was onvergelijkelijk bij zijne krachtsvertooningen en hij behoefde voor geen mededinger bevreesd te zijn. Neen, voor niemand ter wereld, al ware het Hercules, de goddelijke zoon van Alcmene, in eigen persoon geweest.
Eindelijk kwam er eene laatste oefening, die de geestdrift van die cosmopolitische menigte, welke de Europeesche kunstenaars omgaf, ten top voerde. En hoewel die oefening voor de Europeesche kermisspellen oud en versleten mocht heeten, scheen zij hier voor de Tripolitaansche nieuwsgierigen nog de aantrekkelijkheid der nieuwheid te hebben.
De toeschouwers verdrongen dan ook elkander, ja verpletterden zich schier rondom de beide kunstenaars, die bij afwezigheid der zon in dit uur bij fakkellicht werkten.
Kaap Matifou had een staak gegrepen, die vijf en twintig of dertig voet lang was en hield hem met beide handen, die op zijne borst rustten, loodrecht omhoog. Pescadospunt klom met een behendigheid van een aap langs dien staak naar boven, en bij het uiteinde gekomen, nam hij daar, terwijl hij den staak onrustbarend deed buigen, de meest bevallige houdingen aan. Inderdaad, het was een verrukkelijk maar uiterst moeielijk kunststuk. Een zwak oogenblik bij hem, die den staak torste, en een val kon niet uitblijven. En die val moest voor den armen Pescadospunt noodlottig zijn.
Maar Kaap Matifou kende geene aanvallen van zwakte. Hij stond daar, met achterover gebogen hoofd en vooruitgestrekte borst, onwrikbaar stevig als de rots, waarvan hij den naam voerde, hoewel hij bij zijne pogingen om den staak met den daarop kunsten-vertoonenden Pescadospunt in evenwicht te houden, trappelde, zich keerde en draaide en langzamerhand van plaats veranderde.
Toen hij eindelijk in de onmiddellijke nabijheid van den heiningmuur van Sidi Hassan's woning gekomen was, dreef hij de vermetelheid zoo ver en ontwikkelde zooveel kracht, om den staak van zijne borst op te tillen, in de rechterhand te nemen en dien arm uit te strekken, terwijl Pescadospunt daarboven den stand aannam van den Roem en evenals die wufte godin kushandjes aan de menigte toezond. Het was inderdaad eene bevallige vertooning.
De saamgepakte Arabieren en Negers waren buiten zich zelven van bewondering. Zij stieten schelle kreten uit, klapten woest met de voeten. Gelukkig, dat het geen planken vloer was, waarop zij stonden. Neen, waarlijk, dat moest erkend worden; zoo iets had de Samson der woestijn, de koene Mustapha, de stoutmoedigste der Touaregs, niet durven ten uitvoer leggen. De geestdrift was dan ook ten top; want zulke krachtsontwikkeling was inderdaad nog nooit waargenomen.
In dit oogenblik dreunde op het onverwachtst een kanonschot van de wallen der citadel van Tripoli.
Op dat sein vlogen de honderden ooievaars op, die eensklaps bevrijd werden van de onmetelijke netten, die hen gevangen hielden, stegen in de lucht op, terwijl zij, onder het uitvoeren van een klepperend concert, waarop met een onmetelijk geschreeuw, door de menschen aangeheven, geantwoord werd, eene hagelbui van nagemaakte steenen lieten neervallen, die natuurlijk niemand konden deeren, daar zij, zooals gezegd werd, van weeke klei vervaardigd waren.
Dat was het glanspunt van het feest. De vogels van den profeet Soleyman leidden evenwel de aandacht zeer af.
Men zou gezegd hebben, dat al de krankzinnigen-gestichten van Europa, Azië en Afrika plotseling ontruimd waren, en dat hunne bewoners op eens op de vlakte van Soung-Ettélaté in het Tripolitaansche Regentschap bij elkander gebracht waren; zulk een vreeselijk spektakel werd daar door die saamgeschoolde en opgewonden menigte aangeheven. Evenwel, alsof hare bewoners doof en stom waren, nog erger, alsof zij uitgestorven waren, was de woning van den Moquaddem Sidi Hassan hardnekkig gesloten gebleven gedurende die uren van algemeene vroolijkheid, en geen enkele bediende of huisgenoot was aan de deur of op de terrassen verschenen. Het was alsof daarin geen nieuwsgierigen, geen belangstellenden in het feest behoorden.
Maar ziet! In hetzelfde oogenblik, toen al de fakkels, die het feest verlicht hadden, na de opstijging der ooievaars, plotseling uitgebluscht waren, was ook Pescadospunt eensklaps verdwenen, alsof hij met de getrouwe vogels van den profeet Soleyman hemelwaarts gevlogen was. Dat was inderdaad uiterst merkwaardig.
Waar was hij heen gevaren?...
Wat was er van hem geworden?
Ja, wat? Dat wist niemand te verklaren. Daarop was geen antwoord te geven.
Toch scheen Kaap Matifou zich omtrent die verdwijning niet veel te bekommeren. Nadat hij zijn staak in de lucht opgeworpen en hem vele buitelingen had laten maken, ving hij hem behendig bij het andere einde op, liet hem ronddraaien en bogen beschrijven, zooals de meest ervaren tamboer-majoor met zijn dikgeknopten stok zoude gedaan hebben. Het wegmoffelen van Pescadospunt scheen voor hem de natuurlijkste zaak der wereld te zijn. Hij keek met eene zelfvoldaanheid rond, alsof die goochelpartij tot het program behoorde.
De bewondering der toeschouwers was intusschen ten top gestegen en hunne geestdrift uitte zich dan ook door een ontzaglijk hoerah, dat tot voorbij de uiterste grenzen der oase moest gehoord worden. Niemand hunner twijfelde er aan, of de behendige acrobaat was door de ruimte naar het rijk der Ooievaars vertrokken en was bij den profeet Soleyman aangeland.
Het onverklaarbare bekoort in den regel de menigte het meest. Daarmede is zij steeds te verschalken.
IX.
HET HUIS VAN SIDI HASSAN.
Het was ongeveer negen uren, toen het kanonschot gevallen was en de ooievaars opgestegen waren.
Vuurwerk, geweerschoten, muziek, geschreeuw, gehuil, dat alles had eensklaps opgehouden. De menigte begon langzamerhand te verdwijnen. De meesten keerden naar Tripoli terug, anderen begaven zich naar de Menehié-oase en naar de naburige dorpen van de provincie. Vóórdat het een uur later zoude zijn, zou de vlakte van Soung Ettélaté stil en ledig geworden, zijn. Zij zou dan eene verbazende tegenstelling vormen met de levendigheid en drukte van straks.
De tenten waren opgerold, de kampementen opgebroken. Berbers en Negers waren reeds op weg naar de verschillende streken van het Tripolitaansche Regentschap, terwijl de Senousisten zich naar de Cyrenaïsche provincie wendden en daar voornamelijk de villayet Ben Ghazi opzochten, ten einde er al de strijdkrachten van den kalief bij elkander te brengen. Zoo had het feest het zijne er toe bij gebracht, om ongemerkt eene aanmerkelijke verplaatsing van menschendrommen te bewerkstelligen.
Slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory en Luigi Ferrato zouden de vlakte gedurende den geheelen nacht niet verlaten. Zij moesten zich na de verdwijning van Pescadospunt op iedere gebeurlijkheid voorbereid houden, en ieder hunner had zich dadelijk een observatiepost onder aan den voet van den omheiningsmuur van de woning van den Moquaddem Sidi Hassan uitgekozen. Daar zouden zij evenwel een paar vervelende uren door te brengen hebben.
Pescadospunt intusschen, die op het oogenblik, dat Kaap Matifou zijn staak met uitgestrekten arm omhoog hield, met een verbazenden sprong over den muur wipte, was op de parapet-helling van een der terrassen, aan den voet van den minarettoren, die de verschillende binnenplaatsen dier woning beheerschte, neergekomen. Door de veerkracht zijner lenige beenen had hij de zwaarte van den val gebroken, zoodat binnenshuis daarvan niets bemerkt was.
Niemand had hem te midden van dien somberen nacht kunnen zien, noch van buiten, noch van binnen, en niemand had hem kunnen hooren. Hij was zelfs niet uit de skiffa bemerkt, die te midden van de patio gelegen was, en waar binnen zich een zeker getal khouans bevonden, die gedeeltelijk sliepen, maar ook gedeeltelijk volgens de bevelen van den Moquaddem Sidi Hassan waakzaam waren, en zelfs als schildwachten op post stonden. Dat was nog al gunstig uitgevallen.
Men begrijpt, dat Pescadospunt onmogelijk eenig plan had kunnen beramen. Zulk een plan zou toch door zooveel onvoorziene omstandigheden herhaaldelijk gewijzigd moeten worden, dat het geen waarde zou gehad hebben. De innerlijke indeeling van het huis van Sidi Hassan was hem toch geheel onbekend, en hij wist niet en kon ook niet weten, waar het jonge meisje opgesloten was, ook niet of zij van nabij bewaakt werd, en nog minder, of haar in het gewichtige oogenblik de ziels- en lichaamskracht niet zou ontbreken, om daadwerkelijk op te treden en tot hare ontvoering mede te werken.
Daarom moest de stoutmoedige kerel noodzakelijk geheel en al op goed geluk te werk gaan.
Ziehier, wat hij zichzelf voorgespiegeld had, alvorens dien luchtsprong te ondernemen:
"Vóór alles moet ik," zoo mompelde hij in zich zelven, "hetzij door geweld, hetzij door list, bij Sava Sandorf zien te geraken. Indien zij mij niet dadelijk volgen kan, indien ik haar gedurende dezen nacht niet ontvoeren kan, moet zij ten minste vernemen, dat Piet Bathory levend is, dat hij zich in hare nabijheid, aan den voet van de omheiningsmuren bevindt, dat dokter Antekirrt en zijne makkers gereed staan, om haar te hulp te komen, en eindelijk moet haar aan het verstand gebracht worden, dat, wanneer hare ontvoering eenige vertraging mocht ondervinden, zij voor geene bedreiging moet bezwijken!... In geen geval mag zij hare toestemming tot dat schandelijk huwelijk geven!... Het is waar, ik kan ontdekt worden, vóórdat ik haar gevonden en bereikt zal hebben!... Maar.... komt tijd, komt raad!... Gebeurt dat onverhoopt, dan is het oogenblik daar, om de noodige middelen ter ontkoming te beramen."