Mathias Sandorf [3]

Chapter 14

Chapter 143,724 wordsPublic domain

De Arabische gids geleidde zijn troepje met vluggen pas; twee of drie malen moest men stil blijven houden bij eenige alleenstaande wachthuizen, wier eenig venster, uitziende op dat gedeelte van het gebouw, hetwelk niet door de maan verlicht werd, een geelachtig licht te ontwaren gaf. Dan traden een of twee Marokkanen met eene smokende lantaarn in de hand naar buiten, om met den gids te spreken. Na eenige woorden gewisseld te hebben, die tot herkenning moesten dienen, werd de weg vervolgd. Klinkende munt was hierbij het hoofdmiddel om vlug vooruit te komen, en het herkenningsteeken naar eisch te doen slagen.

Noch de dokter, noch zijne tochtgenooten spraken een woord. Stilzwijgend schreden zij naast elkander voort.

Zij waren afgetrokken, in gedachten verzonken, en lieten de muildieren, die met dien vlakken weg, welke hier en daar een ravijn vertoonde, goed bekend waren en de veelvuldige steenen, boomstronken en wortels, waarmede hij bezaaid was, behendig wisten te mijden, rustig voortstappen. Het stevigste en sterkste van die dieren bleef evenwel somwijlen achter. Toch moest het daarom niet minder geacht worden dan de anderen: want het droeg Kaap Matifou en die woog inderdaad op zijn minst voor twee.

Dat wekte de goede luim van Pescadospunt op, die de opmerking niet weerhouden kon:

"Het zou wenschelijk zijn dat Kaap Matifou eerder het muildier, dan dat het muildier Kaap Matifou droeg!"

Zoo omstreeks half tien liet de Arabische gids stilhouden bij een grooten witten walmuur, die met torens en schietgaten bekroond, de stad aan dezen kant moest beschermen en verdedigen. In dien muur opende zich een lage poort, die op Marokkaansche wijze met allerlei arabesken versierd was. Daarenboven gluurden door talrijke schietgaten de mondingen van kanonnen, niet oneigenaardig aan die groote kaaimannen gelijk, die in het maanlicht op de modder uitgestrekt liggen te slapen.

De poort was gesloten en men moest alweer met de beurs in de hand onderhandelen, om haar geopend te krijgen. Eindelijk gelukte dat ook, en toen stapten allen naar binnen en verloren zich te midden der smalle, bochtige, soms verwulfde straten, die door andere poorten van elkander gescheiden werden, welke niet anders dan door hetzelfde tooverwoord geopend konden worden.

Tetuan is eene stad, die dertig duizend zielen telt, en vele moskeeën bezit.

Na een goed kwartieruur ronddoolens, kwamen de dokter en zijne makkers bij eene herberg aan,--eene fonda, zooals zij plaatselijk genoemd wordt,--de eenige trouwens van de geheele stad, die door eene Jodin gehouden werd, terwijl eene eenoogige meid den dienst van kellner waarnam. Aanlokkelijk zag het er niet uit.

Het gebrek aan comfort dezer fonda, welker schamele vertrekken zich rondom eene binnenplaats uitstrekten, laat zich verklaren door het gering getal vreemdelingen, die de reis naar Tetuan ondernemen. Daar ter stede bevindt zich zelfs slechts één vertegenwoordiger der Europeesche mogendheden, namelijk de consul van Spanje, die te midden van eenige duizenden inwoners verblijf houdt, waarvan verreweg het grootste getal inboorlingen en dus geen Spanjaarden zijn.

Hoe ongeduldig dokter Antekirrt ook was om zijne nasporingen en ondervragingen nopens de woning van Namir te beginnen, en hoe hij ook haakte, om er dadelijk heen te ijlen, zoo bedwong hij zich toch. Hier moest immers noodzakelijk met de uiterste voorzichtigheid gehandeld worden. In de omstandigheden, waarin Sava geplaatst was, kon eene ontvoering ernstige moeielijkheden ondervinden en opleveren. Het voor en het tegen moest zeer ernstig gewikt en gewogen worden. Misschien was het raadzaam, om onverschillig welken losprijs voor de vrijheid van het jonge meisje te bieden. Maar in geen geval mochten dokter Antekirrt of Piet Bathory zich althans aan Sarcany bekend maken, die waarschijnlijk te Tetuan aanwezig was. In zijne handen was Sava een vrijgeleide, eene zekerheid voor de toekomst, die hij niet licht zoude laten glippen. En dan moest bedacht worden, dat men zich hier niet in een beschaafd land van Europa bevond, waar justitie en politie hunne tusschenkomst, hunnen bijstand hadden kunnen verleenen. In dat brandpunt van slavenhandel zou het betoog niet te leveren zijn, dat Sava niet het wettige eigendom van de Marokkaansche vrouw was. Hoe zou bewezen kunnen worden, anders dan door den brief van mevrouw Toronthal en door de bekentenis van den bankier, dat zij de dochter was van graaf Mathias Sandorf? Daarenboven, hoe bij haar te geraken? Die Arabische huizen zijn gewoonlijk goed gesloten en weinig toegankelijk. Men kan er zoo gemakkelijk niet indringen. De tusschenkomst van een Kadi kon zelfs vruchteloos blijken, in de vooronderstelling altijd, dat die bekomen kon worden, hetgeen meer dan twijfelachtig mocht heeten.

Er werd dan ook besloten, dat voorshands het huis van Namir ten nauwkeurigste zoude gadegeslagen worden, evenwel zoo, dat geen achterdocht opgewekt zoude worden. Pescadospunt zou iederen ochtend bij het krieken van den dag met Luigi Ferrato op kondschap uitgaan. Deze laatste had gedurende zijn verblijf op het zoo cosmopolitische eiland Malta eenigermate de Arabische taal geleerd. Beiden zouden trachten op te sporen in welk kwartier en in welke straat die Namir woonde, wier naam toch bekend moest zijn. Dan zou men eerst naar omstandigheden kunnen handelen.

In afwachting had de _Elektriek_ 2 eene schuilplaats gezocht in een der smalle en kleine kreeken van de kust bij de monding van de Tetuan-rivier, alwaar dat vaartuig gereed moest blijven, om op het eerste sein te kunnen vertrekken. Dat punt was niet moeielijk te vinden en weldra lag het vaartuig daar zoo rustig als in een haven van het vasteland.

Zoo ging in de fonda die eerste nacht, die dokter Antekirrt en Piet Bathory zoo lang toescheen, voorbij. Wat Pescadospunt en Kaap Matifou betreft, wanneer die ooit gehoopt hadden in bedden te slapen, die met porselein ingelegd waren, dan hadden zij thans redenen te over om tevreden te zijn. Zij sliepen daarom niet minder goed.

Luigi Ferrato en Pescadospunt begonnen den volgenden ochtend hunnen onderzoekingstocht, door zich naar den bazaar te begeven, waarheen reeds een gedeelte der Tetuansche bevolking zich verzameld had. Pescadospunt kende Namir, die hij wel twintigmalen gelegenheid had gehad in de straten van Ragusa op te merken, toen zij daar de rol van verspiedster ten behoeve van Sarcany vervulde. Het kon dus gebeuren, dat hij haar ontmoette; maar daar zij hem niet kende, zou dat geen nadeelige gevolgen hebben. En in dat geval zou hij haar slechts te volgen hebben.

De voornaamste bazaar van Tetuan bestaat uit eene verzameling van keeten, winkels en kramen, allen lang, smal, vuil en smerig, waartusschen vochtige en glibberige toegangen voeren. Eenige linnen lappen van verschillende tint en kleur, over touwen gespannen, beschermden die holen tegen de brandende stralen der zon. Overal zag men sombere winkels en uitstallingen, waar geborduurde zijden stoffen verkocht werden, schel gekleurde passementwerken, babouchen, een soort van sloffen, geldtaschjes, burnous, aardewerk, juweelen, halssnoeren, armbanden, ringen, gesmeed en gedreven koperwerk, kandelaars, wierookvaten, lantaarns,--in één woord alles, wat zich in de bijzondere magazijnen van de groote steden in Europa bevindt en wat hier als het ware op de straat te koop aangeboden wordt.

Er was reeds eene groote menigte op den bazaar aanwezig, zoodat het moeite kostte, om zijn weg te vervolgen.

Iedereen genoot van de frischheid der ochtend-uren. Mauresken, die tot aan de oogen gesluierd waren, Jodinnen met ongedekt gelaat, Arabieren, Kabylen, Marokkanen, Negers kwamen en gingen in dien bazaar, waar de vreemdelingen waarlijk ook niet ontbraken; zoodat de tegenwoordigheid van Luigi Ferrato en van Pescadospunt geene bevreemding kon baren en dat ook niet deed. Het eenige, waarop zij te letten hadden, was om in dat gedrang bij elkander te blijven.

Gedurende ruim een uur poogden zij in die menigte Namir te ontwaren. Maar te vergeefs. De Marokkaansche vrouw was niet te bespeuren.

En Sarcany evenmin. Beiden waren en bleven onzichtbaar. Dat was inderdaad eene teleurstelling.

Luigi Ferrato besloot toen eenige dier jongens te ondervragen, die daar half naakt rondliepen, en als eene staalkaart konden gelden van al de Afrikaansche rassen, welker vermenging van de Rifsche kustplaatsen af tot aan de grenzen van de Sahara geschiedt en waarvan de produkten op al de Marokkaansche bazaars rondkrioelen. Hij riep den eerste den besten tot zich en begon met het weinige Arabisch, dat hij kende, uit te kramen.

De eersten dier bengels, tot wie de zeeman zich wendde, wisten op zijne vragen geen antwoord te geven. Eindelijk was er een, een Kabylische jongen, ongeveer twaalf jaar oud, met het schalksche gezicht van een Parijzer straatjongen, die verzekerde dat hij de Marokkaansche kende en aanbood de beide Europeanen, tegen eene belooning van eenige geldstukken, naar hare woning te geleiden. Dat was een lichtpunt, dat in de duisternis scheen.

Natuurlijk werd dat aanbod dadelijk aangenomen en stapte het drietal weldra door een schier onuitwarbaar netwerk van straten, die naar de vestingwerken der stad uitstralen. Binnen tien minuten hadden zij een bijna eenzaam kwartier bereikt, waarin de laaggebouwde en spaarzame huizen geen enkel raam in den voorgevel vertoonden. Het zag er akelig en somber uit. Intusschen wachtten dokter Antekirrt en Piet Bathory de terugkomst van Luigi Ferrato en Pescadospunt met koortsachtig ongeduld af. Wel twintig malen waren zij op het punt om zelf heen te gaan en de nasporingen te leiden. Zij werden evenwel door de gedachte weerhouden, dat zoowel Sarcany als de Marokkaansche hen beide kenden. Dat was waarschijnlijk alles op het spel zetten, wanneer een dier twee hen ontmoette. Dit dwong hen derhalve tot oppassen, ja tot vluchten, om buiten het bereik hunner vijanden te zijn. Zij bleven dus ten prooi aan de hevigste onrust te huis en wisten niet om met den tijd hun ongeduld te dooden.

Het was negen uur, toen Luigi Ferrato en Pescadospunt in de fonda terugkeerden.

Hun betrokken gelaat verkondigde genoegzaam, dat zij slechts ongunstige tijdingen mede te deelen hadden.

En inderdaad, Sarcany en Namir hadden in gezelschap van een jong meisje, dat niemand kende, reeds sedert vijf weken Tetuan verlaten, terwijl een oude vrouw tot bewaakster van het huis achtergebleven was.

Op dien slag waren noch dokter Antekirrt noch Piet Bathory voorbereid. Zij waren dan ook vernietigd.

"En toch is dat vertrek heel natuurlijk," merkte Luigi Ferrato na het verhaal hunner nasporing op.

En dokter Antekirrt en Piet Bathory keken hem vragend aan.

"Wat bedoelt gij?" vroegen beiden tegelijk.

"Moest Sarcany niet vreezen," ging Luigi voort, "dat Silas Toronthal uit wraakzucht of door eenige andere reden gedrongen, zijne schuilplaats zou openbaren?"

Dat moest beaamd worden; maar dat veranderde de zaak hoegenaamd niet.

Zoolang het slechts gold misdadigers en verraders op te sporen, had dokter Antekirrt nimmer aan zijn taak getwijfeld, en was nimmer teruggedeinsd om haar te volbrengen. Nu het evenwel gold om zijne eigene dochter uit de handen van Sarcany te redden, voelde hij datzelfde zelfvertrouwen in zijne te treffen maatregelen niet meer.

Intusschen kwam hij met Piet overeen, dat men dadelijk het huis van Namir moest bezoeken. Misschien zou men daar meer dan eene enkele herinnering aan Sava aantreffen. Misschien zou de een of andere bijzonderheid hen openbaren, wat van haar geworden was. Misschien ook zoude de oude Jodin, dier ter bewaking van het huis achtergelaten was, hen uiterst nuttige inlichtingen voor hunne verdere nasporingen kunnen geven of verkoopen.

Luigi Ferrato geleidde hen dadelijk derwaarts. Het was niet ver. Binnen een half uur waren zij er.

Dokter Antekirrt, die het Arabisch sprak alsof hij in Arabia Petrea geboren was, gaf zich uit voor een vriend van Sarcany. Hij was zoo even te Tetuan aangekomen en zoude slechts doortrekkend zijn. Hij zou zich gelukkig gevoeld hebben, wanneer hij zijn vriend had mogen ontmoeten. Nu dat niet kon, vroeg hij zijn huis te mogen bezichtigen.

Eerst maakte de oude Jodin eenige moeielijkheden. Maar een handvol seechinen maakte haar veel leniger en handelbaarder. Al dadelijk weigerde zij niet om de vragen van dokter Antekirrt te beantwoorden, die, dat moet erkend worden, de grootste belangstelling voor haren meester ademden.

Het meisje, door de Marokkaansche vrouw aangebracht, was bestemd om de echtgenoote van Sarcany te worden. Dat was reeds sedert lang beslist en misschien zou, zonder hun overhaast vertrek, het huwelijk reeds te Tetuan voltrokken zijn. Dat jonge meisje had, sedert hare aankomst alhier, dat wil zeggen sedert drie maanden ongeveer, nimmer de woning verlaten. Men verhaalde dat zij van Arabische afkomst was, maar de oude Jodin meende redenen te hebben, om te gelooven, dat zij eene Europeesche moest zijn. Heel zeker daaromtrent was zij niet, want zij had haar slechts weinig gezien en dat nog wel gedurende de afwezigheid van de Marokkaansche vrouw. Meer wist zij er niet van te vertellen.

Ook het land, waarheen Sarcany zoowel Namir als Sava gevoerd had, wist de oude Jodin niet te noemen. Alles wat zij wist, was dat zij ongeveer vijf weken geleden vertrokken waren met eene karavaan, die naar het oosten trok. Sedert dien dag stond de woning onder hare bewaking en zij moest er oppassen, totdat Sarcany gelegenheid zoude gevonden hebben om haar te verkoopen--waaruit de gevolgtrekking was af te leiden, dat het zijn plan niet was naar Tetuan weer te keeren. Verder wist dat vrouwmensch niet te vertellen. Het nieuws wat zij medegedeeld had, was uiterst schraal.

Dokter Antekirrt hoorde die antwoorden koelbloedig aan en vertaalde ze, naarmate ze gegeven werden, voor Piet Bathory. Wat, alles goed beschouwd, als zeker kon gerekend worden, was dat Sarcany het niet geraden geoordeeld had, zich in te schepen op een van die pakketbooten, die Tanger aandoen, of om in den spoortrein plaats te nemen, die bij Oran een aanvang neemt. Dat reeds duidde op plannen, die het daglicht niet mochten zien, en vermeerderde de onrust onzer vrienden niet weinig.

Sarcany had zich bij eene karavaan aangesloten, die van Tetuan vertrokken was, om te gaan.... Ja, waarheen? Naar de een of andere oase in de woestijn?... Of nog verder, naar een van die streken, welke door halfwilden bewoond worden en waar Sava geheel en al in zijne macht zoude zijn en van zijne genade zou afhangen? Hoe dat te weten te komen? Want het is in Noord-Afrika al even moeielijk om het spoor eener karavaan als van een persoon alleen weer te vinden! Het spoor eener karavaan verdwijnt in het zand der woestijn evenals het kielzog van een vaartuig zich verliest in de wateren van den Oceaan.

Dokter Antekirrt hield dan ook bij de oude Jodin aan. Hij herhaalde, dat hij belangrijke berichten, die Sarcany ter zeerste golden, mede te deelen had, en die juist dat huis betroffen, waarvan hij zich ontdoen wilde. Maar hoe hij ook praatte, en hoe hij het ook verder aanlegde, het was hem onmogelijk iets verder te weten te komen.

Klaarblijkelijk was die vrouw onbekend met de nieuwe schuilplaats, waarheen Sarcany gevlucht was, om de ontknooping van het drama te bespoedigen. Die teleurstelling was nog wel de grootste, die dokter Antekirrt en Piet Bathory konden ondervinden.

Beide mannen en Luigi Ferrato verzochten toen de woning, die naar Arabischen stijl gebouwd was, en welker vertrekken hun daglicht ontvingen van een patio of binnenplein, dat met eene rechthoekige galerij omgeven was, te mogen bezichtigen. Hoe zwak ook hunne hoop hierbij was, meenden zij dat de een of andere aanwijzing hun hierbij den weg zou kunnen wijzen.

Dat werd hun toegestaan, en weldra hadden zij de kamer bereikt, die door Sava bewoond was geweest. Dat was eene ware gevangeniscel. Hoe veel uren had het rampzalige jonge meisje daar in dat vertrek ten prooi aan de diepste wanhoop, zonder dat zij op hulp en verlossing kon rekenen, doorgebracht? Zonder een woord te spreken, doorsnuffelden dokter Antekirrt en Piet Bathory die kamer en zochten het geringste merk of teeken, dat hen op het spoor, hetwelk zij zochten, kon brengen.

Eensklaps naderde de dokter een klein koperen brasero of komfoor, dat in een hoek van de kamer op den drievoet rustte. In dat komfoor bewogen zich eenige overblijfselen van papieren, die door de vlam verbrand, maar niet volkomen verteerd waren.

Zou Sava geschreven hebben? Dat was niet geheel en al onwaarschijnlijk.

Zou zij, door dat plotselinge vertrek overvallen, er toe besloten hebben dien brief, vóórdat zij Tetuan verliet, te verbranden?

Of, wat ook mogelijk was, werd die brief bij Sava gevonden en door Sarcany of Namir vernietigd?

Piet Bathory had den blik van dokter Antekirrt, die over dien brasero gebogen stond, gevolgd.

"Wat is er toch?" vroeg hij, met een angstig voorgevoel. "Wat ziet gij toch in dat komfoor?"

Antekirrt wees op de papierasch.

En inderdaad, op die asch, die door een windzuchtje in fijn poeder kon vernietigd worden, waren eenige letters zichtbaar en staken zwart af op dien lichtgrijzen grond. Onder anderen stond daarop duidelijk, hoewel de woorden onvolkomen waren: "mev... Bath..." Ja, dat stond er heel duidelijk op. Daarin kon men zich niet vergissen.

Sava wist niet en kon niet weten, dat mevrouw Bathory uit Ragusa verdwenen was. Had zij gepoogd haar te schrijven als aan de eenige persoon op deze wereld, van wien zij hulp verwachten kon?

Maar achter den naam van mevrouw Bathory was nog een andere te lezen: namelijk die van haren zoon...

Piet hield den adem in, om die asch niet te doen verstuiven, en poogde eenig ander woord te ontdekken, dat nog leesbaar was... Maar zijn blik was beneveld!... Het was hem onmogelijk iets meer te ontwaren!...

En toch stond er nog een woord, dat hem op het spoor van het jonge meisje kon brengen,... een woord dat dokter Antekirrt in staat was bijna ongeschonden waar te nemen:

"Tripoli!"... riep hij uit. En na nogmaals gekeken te hebben: "Ja, dat staat er duidelijk... Zie maar... Tripoli!"

Het was dus in het Regentschap Tripoli, in zijn geboorteland, waar hij eene volkomene veiligheid moest vinden, dat Sarcany eene toevlucht gezocht had!

Het was naar die landstreek dat de karavaan zich begaf, waarbij Sarcany zich vijf weken geleden aangesloten had.

"Naar Tripoli!" zei de dokter. "En zonder een dag, zonder een uur, zonder eene minuut te verliezen!"

"Naar Tripoli!" herhaalde Piet in de grootste opgewondenheid. "Gij hebt gelijk, wij mogen geen tijd verloren laten gaan!"

Dienzelfden dag waren allen weer op de _Elektriek 2_ ingescheept en had dat vaartuig zee gekozen. Men kon uitrekenen, dat Sarcany op het punt was, om aldaar aan te komen. En mocht hij reeds aangekomen zijn, dan hoopten de opvarenden, dat dit slechts weinige dagen vóór hen zou geschied zijn.

VIII.

HET OOIEVAARS-FEEST.

Tripoli, in het Turksch _Tarablus Giharb_, ook Tripolitanië geheeten, is de meest Oostelijke der Berberijsche Staten en ligt aan de Middellandsche zee tusschen Tunis en Egypte en beslaat met de daartoe behoorende landstreken Fezzan en Barka, eene oppervlakte van ruim zestien duizend twee honderd vierkante geografische mijlen. Tripoli vormt eene vlakte, waarover slechts hier en daar uitloopers van het Atlasgebergte zich uitstrekken, en is vooral langs de kust zeer zandig. Terwijl de westelijke kustlanden vrij goed besproeid en vruchtbaar zijn, is het landschap Sort, hetwelk woestijn beteekent, ten oosten van kaap Mesurata, aan de Golf van Sidra gelegen, zeer onvruchtbaar en bedekt met duinen en moerassen, welke laatsten met zout water gedrenkt zijn. In het binnenland strekt de vlakte Westwaarts zich uit tot aan de Zwarte Bergen, die ongeveer 2700 voet hoog zijn en de noordelijke grenzen van Fezzan vormen en daar door diepe ouaddi's of rivieren doorsneden zijn, welke hier en daar aan een weligen plantengroei het aanschijn verleenen.

Het klimaat is in Tripoli over het algemeen gezond en de winter wordt er vervangen door den regentijd.

Tripoli is bevolkt door 1,550,000 inwoners, die in de steden tot de Mooren en op het land tot de Arabische Bedouinen en de Berbers behooren. Allen zijn natuurlijk belijders van den Mohammedaanschen godsdienst. Daarenboven zijn er ook veel Israëlieten, terwijl er in de stad Tripoli ook nog een paar honderd Europeanen, meest Italianen, aangetroffen worden.

De Bedouinen houden zich vooral bezig met de veeteelt, en de Mooren met den handel, vooral met den karavaanhandel. De nijverheid is in dat rijk weinig ontwikkeld; maar levert toch fraaie zijden, wollen en katoenen stoffen, wapens, lederen en metalen voorwerpen. De Tripolitaansche Staat vormt een ejalect of onderhoorigheid van het Turksche rijk en wordt namens den Sultan van Constantinopel bestuurd door een gouverneur-generaal.

De stad Tripoli, in het Arabisch Tarabolus geheeten, is op eene landtong aan de Middellandsche Zee gelegen. Zij wordt beschermd door hooge muren, bezit een fraai paleis voor den gouverneur-generaal, heeft nauwe maar zindelijke straten en eene door flinke batterijen gedekte haven voor den zeehandel met Europa en den binnenlandschen handel met Afrika. In de stad telt men twaalf moskeeën, onderscheidene synagogen, eene Roomsch-Katholieke kapel, vele openbare baden, bazaars, karavancera's, scholen, hôtels, enz. Er bestaat een levendige handel in corduaanleder, in wollen en zijden stoffen en zij telt eene bevolking van dertig duizend zielen.

Deze stad is het aloude Oea en in haren onmiddellijken omtrek vindt men nog vele oudheden.

Zij behoorde weleer tot het naburige Karthago en vormde daarvan de Regio Syrtica of de Syrtische landstreek. Na den tweeden Punischen oorlog werd zij door de Romeinen ten prooi gelaten aan de Numidische koningen, en na de onderwerping van dezen, bij de Romeinsche provincie Afrika gevoegd.

Nadat in de derde eeuw na Christus, het gebied der drie steden Oea, Sabrata en Groot Deptis tot ééne provincie verheven was, ontstond de Grieksche naam Tripolis of Drie Steden. Na den inval der Arabieren in de VIIde eeuw, deelde de stad het lot van het overige Barbarije.

In 1509 werd de stad Tripoli door de Spanjaarden onder graaf Pietro van Navarra veroverd en aan het gezag van een Spaanschen stadhouder onderworpen. Keizer Karel V gaf haar in 1530 in leen aan de ridders van Sint Jan, maar reeds in 1551 werd zij door de Turken heroverd en was na dien tijd de hoofdzetel der zeerovers aan de Afrikaansche kust. In 1681 deed Koning Lodewijk XIV de Tripolitaansche zeeschuimers door den admiraal Duquesne in de haven van Seios aantasten, waarbij vele hunner schepen in den grond geboord werden. In 1685 bombardeerde de maarschalk d'Estrées de stad met zoo goed gevolg, dat de Dey den vrede met een half millioen livres koopen moest. In 1714 maakte de Turksche Pacha Hamed Bey zich nagenoeg onafhankelijk van de Porte, doordien hij aan deze enkel een jaarlijksche schatting betaalde en de dynastie der Karamanli stichtte. In 1728 ondernamen de Franschen eene expeditie tegen Tripoli, die met de verwoesting der stad eindigde. Evenwel vernietigde eerst de verovering van Algiers door de Franschen in 1830 de te Tripoli gevestigde zeeschuimers. In 1835 eindelijk ontzette de Porte het Huis Karamanli van zijne heerschappij en voegde Tripoli als een ejalect aan het Turksche rijk.

Die aardrijks- en geschiedkundige bijzonderheden zullen den lezer gewis niet onwelkom geweest zijn, en kunnen wij thans ons verhaal vervolgen.