Chapter 13
Ja, voortreffelijk was het voorzeker, maar mislukt was het totaal. Want wanneer het huwelijk voltrokken ware, dan zou Sarcany zich wel gehaast hebben, er al de mogelijke voordeden uit te trekken.
Welke smarten, welke teleurstellingen moest dokter Antekirrt thans ondervinden?
Was hij het niet, die deze betreurenswaardige aaneenschakeling van feiten had in het leven geroepen, eerst door zijn medewerking aan Piet Bathory te weigeren; verder door Sarcany in de gelegenheid te stellen zijne plannen te vervolgen en ten uitvoer te leggen, terwijl hij hem bij hunne ontmoeting te Cattaro reeds onschadelijk had kunnen maken; eindelijk door mevrouw Bathory haren zoon niet weer te geven, toen hij dezen aan den dood ontrukt had? En, inderdaad, hoeveel rampen zouden niet vermeden zijn, wanneer Piet Bathory zijne moeder nabij geweest ware, toen de brief van mevrouw Toronthal door deze zelve in de Marinella-straat aan huis bezorgd werd! Het was waarlijk een samenloop van noodlottige omstandigheden. En als Piet eens geweten had, dat Sava de dochter van graaf Sandorf was, zou hij er dan niet in geslaagd zijn, haar aan de gewelddadigheden van Sarcany en Silas Toronthal te ontrukken? Dat was meer dan waarschijnlijk, dat moet erkend worden.
Waar was Sava thans? Die vraag beheerschte bij dokter Antekirrt alles.
O, voorzeker in de macht van Sarcany! Dat antwoord maakte den rampzaligen vader radeloos.
Maar waar hield die ellendeling haar thans verscholen? Eene tweede vraag, die in belangrijkheid voor de eerste niet onderdeed.
Hoe zou men het moeten aanleggen om haar aan dien snoodaard te ontrukken?
Dat moest snel beraamd worden, want binnen weinige weken zou de dochter van graaf Sandorf haar achttiende jaar bereikt hebben, het tijdstip, waarop zij als erfgename zoude moeten optreden, op gevaar af anders hare rechten te zullen verliezen.--Sarcany wist dat, en deze omstandigheid moest hem het uiterste doen beproeven, om Sava's toestemming tot dit gehate huwelijk te verwerven. De tijd was dus kort, en er moest uiterst spoedig gehandeld worden, dat gevoelde dokter Antekirrt.
In een ondeelbaar oogenblik, als het ware, had die opvolging van gedachten het brein van den rampzaligen vader doorkruist. Na dat verleden, evenals mevrouw Bathory en haar zoon gedaan hadden, in gedachten opgebouwd te hebben, gevoelde hij de verwijtingen die de echtgenoote en de zoon van Stephanus Bathory hem, onverdiend wel is waar, konden doen! En toch, wanneer de zaken bestaan hadden, zoo als hij ze zich voorgesteld had, zou dan eene vereeniging mogelijk geweest zijn tusschen Piet Bathory en haar, die voor allen, ook voor hemzelven, Sava Toronthal genoemd werd?
Het was nu zaak, het koste wat het wilde, om zijne dochter Sava uit te vinden,--wiens naam, gevoegd aan dien van de gravin Rena, zijn echtgenoote, gegeven was aan de goelet _Savarena_, zooals de naam van Luigi's vader aan het stoomjacht _Ferrato_ verleend was.--Waarlijk, geene geringe taak, dat moet erkend worden. Maar er was geen dag, geen uur, geen oogenblik meer te verliezen. Alle krachten moesten ingespannen worden, om tot het doel te geraken.
Mevrouw Bathory was reeds naar het Stadhuis teruggevoerd, toen dokter Antekirrt er ook binnentrad in gezelschap van Piet, die zich aan de grootste afwisselingen van blijdschap en wanhoop overgaf, evenwel daarbij geen woord sprak. Op zijn gelaat was nochtans te ontwaren, aan welke aandoening hij ten prooi was.
De brave moeder was genezen. Zij was evenwel zeer verzwakt en uitgeput door de geweldige reactie, die zij ondergaan had. Zij was in haar kamer gezeten, toen dokter Antekirrt en Piet Bathory haar daar opzochten.
Maria Ferrato had, met de scherpzinnigheid der vrouwen eigen, begrepen, dat die drie menschen alleen bij elkander gelaten moesten worden. Derhalve was zij zacht, en zonder dat iemand het merkte, naar de groote zaal in het Stadhuis gegaan.
Dokter Antekirrt naderde, met de hand op den schouder van Piet geleund, mevrouw Bathory.
"Mevrouw," sprak hij, "ik had reeds van uwen zoon den mijnen gemaakt. Maar dat was hij nog maar krachtens vriendschapsbanden; geloof mij, ik zal alles doen, om te bewerken, dat hij het ook door de banden van het bloed wordt. Als ik daarin slaag, zal ik, dat kan ik u betuigen, de gelukkigste aller stervelingen zijn. Sava mijne dochter! en Piet mijn zoon!"
Mevrouw Bathory keek hem verbaasd aan. Zij kon hem onmogelijk begrijpen, dat was haar wel aan te zien.
"Ja," ging dokter Antekirrt voort, "dat hij in mij een waren vader, ik een waren zoon in hem vond..."
De arme vrouw wist niet wat te denken en keek beteuterd beide mannen beurtelings aan.
"Door hem Sava... mijne dochter... te laten trouwen!" lichte de dokter eindelijk toe.
"Uwe dochter?..." kreet mevrouw Bathory, terwijl zij de hand aan het voorhoofd bracht... "Sava uwe dochter?"
"Ja, mijne dochter! Deel toch in mijn geluk, waarde mevrouw. Sava is mijne dochter!"
"Maar... wie zijt ge dan?" vroeg de ontstelde moeder, terwijl zij haar gelaat met de beide handen bedekte.
"Wie ik ben?... Ik ben graaf Mathias Sandorf! Ik ben de beste vriend van Stephanus, uwen echtgenoot!"
Mevrouw Bathory sprong van haren stoel op, strekte de handen uit, en viel schier onmachtig in de armen van haren zoon. Maar al kon zij van aandoening niet spreken, zoo kon zij toch hooren. In weinige woorden deelde Piet haar mede, wat zij niet wist; hoe graaf Mathias Sandorf door de toewijding en opoffering van den visscher Andreas Ferrato gered was geworden; waarom deze gedurende vijftien jaren onbekend en voor dood had willen blijven doorgaan en hoe hij eindelijk onder den naam van dokter Antekirrt te Ragusa gekomen was. Hij verhaalde, wat Sarcany en Silas Toronthal met betrekking tot het verraad van de Triëster samenzwering gedaan hadden; daarna het verraad van Carpena, waarvan zijn vader het slachtoffer geweest was, hoe eindelijk dokter Antekirrt hem levend aan het graf op het kerkhof te Ragusa ontrukt had, om hem deelgenoot te maken van de rechtspleging, die hij wenschte ten uitvoer te leggen. Hij eindigde zijn verhaal met de mededeeling, dat twee der ellendelingen: de bankier Silas Toronthal en de Spanjaard Carpena, reeds in hunne macht waren; maar dat de derde nog ontbrak, de derde, namelijk Sarcany, dezelfde schaamtelooze kerel, die van Sava Sandorf zijne vrouw wilde maken, van Sava, de dochter van zijn slachtoffer.
Gedurende meer dan een uur zaten dokter Antekirrt, mevrouw Bathory en haar zoon, een drietal dat in de toekomst door een zoo innigen band van toegenegenheid zoude verbonden worden, bij elkander, om nog de daadzaken betreffende het ongelukkige jonge meisje in bijzonderheden te behandelen en te bespreken. Het was voor hen allen helder als de dag, dat Sarcany voor niets zou terugdeinzen, om Sava tot dat huwelijk, hetwelk hem het vermogen van graaf Sandorf moest in handen spelen, te nopen. Zij vestigden in het bijzonder hunne aandacht op dien toestand, die, al waren ook al de vroegere plannen van den ellendeling verijdeld, toch nog voor het tegenwoordige angstverwekkend genoeg was. Dus voor en boven alles: Sava moest weergevonden worden, al moest ook hemel en aarde bewogen worden. Dat was de eerst voor de hand liggende taak. Dat begrepen allen.
Men kwam overeen, dat mevrouw Bathory en Piet voorloopig de eenigen zouden blijven, die weten zouden, dat graaf Mathias Sandorf zich achter den naam van dokter Antekirrt verborg. Wanneer men dat geheim prijs gaf, zou het bekend worden, dat Sava zijne dochter was, en het was in het belang van de nasporingen, die ondernomen moesten worden, dat dit nog niet geweten werd. Dus het diepste geheim werd daaromtrent aanbevolen.
"Maar waar is Sava?" vroeg mevrouw Bathory, toen zij hare gedachte weer eenigermate verzameld had.
En toen zij daarop van niemand, noch van haren zoon, noch van dokter Antekirrt antwoord ontving, vervolgde zij:
"Waar haar te zoeken?... Waar haar te vinden? Zeg, zal dat te ontdekken zijn?"
"O, dat zullen wij wel te weten krijgen!" antwoordde Piet, bij wien de wanhoop vervangen was door eene geestkracht, die niet meer tanen zoude. "Dat zullen wij wel uitvinden!"
"Ja!... dat zullen wij!" hernam dokter Antekirrt vastberaden.
"En al kan ook aangenomen worden, dat Silas Toronthal niet weet, waarheen Sarcany eene schuilplaats gezocht heeft, zoo zal hij toch niet kunnen ontkennen, dat hij weet, waar die ellendeling mijne dochter opgesloten houdt. En dat zal hij, dat moet hij ons zeggen, al moet ook geweld gepleegd worden!"
"Ja, als hij het weet,... dan zal hij het moeten zeggen!" riep Piet Bathory woest uit.
"Ja!... dat moet!" zei de dokter. "Ik herhaal het, al zou geweld moeten gebruikt worden."
"Onmiddellijk!" riep Piet Bathory uit. "Laten wij geen oogenblik verliezen."
"Ja, onmiddellijk!"
Noch dokter Antekirrt, noch mevrouw Bathory, noch haar zoon Piet zouden langer in dien staat van onzekerheid hebben kunnen verblijven. Er moest naar eene uitkomst getracht worden.
Luigi Ferrato, die zich met Pescadospunt en Kaap Matifou in de groote zaal van het Stadhuis bevond, alwaar Maria zich bij hen gevoegd had, werd dadelijk geroepen.
Hij kreeg bevel, om zich naar het fortje te begeven, zich daarbij door Kaap Matifou te doen vergezellen, en Silas Toronthal naar het Stadhuis over te brengen.
De bankier verliet een kwartier later het gekasematteerde vertrek, dat hem tot gevangenislokaal diende, waarbij Kaap Matifou met zijne breede hand de vuist van den misdadiger als in een schroef geklemd hield, en volgde gedwee zijn geleider door de groote straat van Artenak, naar de Raadzaal.
De bankier had aan Luigi gevraagd, waarheen men hem voerde, maar had daarop geen antwoord bekomen. Dit maakte hem te meer ongerust, daar hij steeds niet wist in handen van welk machtig persoon hij zich sedert zijne gevangenneming bevond.
Silas Toronthal, die steeds door Kaap Matifou vastgehouden werd, trad, voorafgegaan door Luigi Ferrato, de zaal binnen.
Wel zag hij terstond Pescadospunt, echter niet mevrouw Bathory noch haren zoon, die zich beiden ter zijde hielden. Maar plotseling bevond hij zich tegenover dokter Antekirrt, met wien hij te Ragusa te vergeefsch getracht had in aanraking te komen. Nu scheen hem plotseling een vreeselijk licht op te gaan. Nu eerst scheen hij te begrijpen.
"Gij!... Gij!"... riep hij ontzet en ten uiterste verbaasd uit. "Gij!... Gij, dokter Antekirrt!"
Maar zijne zelfbeheersching, evenwel niet zonder inspanning, hernemende.
"Zoo, zoo!" zeide hij. "Het is dokter Antekirrt, die mij op Fransch grondgebied heeft laten gevangen nemen! Hij is het, die mij wederrechtelijk van mijne vrijheid beroofd heeft?"
"Wederrechtelijk? Durft Silas Toronthal, die in zijn leven zooveel wederrechtelijke daden pleegde, dat woord gebruiken?"
"Ja, wederrechtelijk!" herhaalde de bankier, terwijl hij zijn toespreker onbeschaamd aankeek.
"Maar, toch niet onrechtvaardig!" antwoordde de dokter met indrukwekkende stem.
"Wat heb ik met u te maken? Wat heb ik u gedaan? Zeg, wat heb ik u gedaan?" vroeg de bankier.
"Mij?" ...
"Ja, u?"
"Gij zult het vernemen, Silas Toronthal, en dat wel vroeger dan u wellicht lief zal zijn."
"Wanneer? Spreek! Wanneer?"
De bankier bleef in zijn onbeschaamde rol volharden. Hij meende van dokter Antekirrt niets te vreezen te hebben.
"Wanneer gij geantwoord zult hebben op deze vraag: wat hebt gij deze ongelukkige vrouw gedaan?"
"Mevrouw Bathory!" riep de bankier uit, terwijl hij een paar stappen achteruit deed, toen hij de weduwe ontwaarde, die op hem toetrad. "Mevrouw Bathory! O God!"
"En haar zoon!" vulde dokter Antekirrt aan. "Zeg, wat hebt gij haren zoon gedaan?"
"Piet!" ...
"Ja, Piet!"
"Piet Bathory?" stamelde Silas Toronthal. "Geeft het graf dan zijn prooi terug?"
Hij zou voorzeker van ontsteltenis omver gevallen zijn, wanneer Kaap Matifou hem niet onwrikbaar overeind en op zijne plaats vastgehouden had. Die kolossus verwrikte niet.
Dus Piet Bathory, dien hij dood waande, de man wiens lijkstatie hij had zien voorbij trekken, Piet Bathory die op het kerkhof te Ragusa begraven was, diezelfde Piet Bathory stond daar voor hem als een geest, die uit het graf verrezen was! Silas Toronthal gevoelde zich in zijne tegenwoordigheid hevig beangst.... Hij begon te begrijpen, dat hij de straf zijner misdaden niet zou kunnen ontloopen.... Hij voelde, dat hij verloren was. Hij keek rond, alsof hij een hoek zocht, waar hij zich voor aller oogen kon verbergen.
"Waar is Sava?" vroeg eensklaps dokter Antekirrt. "Waar is dat jonge meisje, dat ..."
"Mijne dochter?"
"Sava is uwe dochter niet!" antwoordde dokter Antekirrt gestreng en met indrukwekkend gebaar.
"Sava, mijne dochter niet?" vroeg Silas Toronthal geheel en al onthutst. "Wie heeft u dat gezegd?"
"Neen! Sava is de dochter van graaf Mathias Sandorf, dien gij, door hem en zijne beide makkers, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar, laaghartig te verraden, aan den dood hebt overgeleverd! Verstaat gij mij? Dat is duidelijk!"
Bij die zoo formeele beschuldiging gevoelde zich de bankier Silas Toronthal vernietigd.
Dokter Antekirrt wist toch niet alleen, dat Sava zijne dochter niet was, maar hij wist ook, dat zij de dochter van graaf Mathias Sandorf was! Hij wist hoe en door wien de samenzweerders van Triëst verraden waren! Dat walgelijke verleden verhief zich in zijne geheele schrikkelijkheid tegen Silas Toronthal. Hij wenschte in den grond te kunnen verzinken, om die beschuldigende oogen te kunnen ontgaan.
"Waar is Sava," hernam de dokter, die zijn toorn slechts door zeer veel wilskracht bedwong.
Geen antwoord. Silas Toronthal gluurde met gebogen hoofd rond en scheen zich te beraden.
"Waar is Sava, die door Sarcany, uwen medeplichtige bij al uwe misdaden, van het kasteel te Artenak opgelicht is geworden? Zult gij spreken?"
En toen de ellendeling steeds zweeg, vervolgde Antekirrt somber en schrikkelijk in stem en gebaren:
"Waar is Sava, die door dien ellendeling op eene plaats, die gij kent en kennen moet, opgesloten gehouden wordt, om haar hare toestemming af te dwingen tot een huwelijk, dat haar afschuw inboezemt ... tot een huwelijk met een der verraders van haren vader!"
Andermaal geen antwoord. In het brein van Silas Toronthal begon. een denkbeeld te gloren. Hij glimlachte onmerkbaar.
"Voor de laatste maal: waar is Sava?" brulde dokter Antekirrt buiten zich zelven.
Hoe schrikverwekkend het uiterlijke van den dokter zich ook voordeed, hoe dreigend zijne woorden ook klonken, dat alles kon Silas Toronthal niet bewegen om te antwoorden. De aterling had begrepen, dat de tegenwoordige toestand van het jonge meisje hem tot schild, tot dekmantel kon dienen. Hij voelde, dat zijn leven geen gevaar liep, zoolang hij dat geheim niet geopenbaard had. Ziedaar, wat hem eenigermate gerustgesteld had, en wat dien glimlach te voorschijn getooverd had.
"Luister," hernam de dokter, wien het gelukt was zijne zelfbeheersching en koelbloedigheid te herwinnen, "hoor naar mij, Silas Toronthal! Misschien meent gij verplicht te zijn, uwen medeplichtige te sparen! Gij vreest misschien hem te benadeelen door te spreken! Welnu, weet dit dan: Sarcany, na uw vermogen verkwist te hebben, heeft, om zich van uwe stilzwijgendheid te verzekeren, gepoogd u te vermoorden, zoo als hij Piet Bathory te Ragusa vermoord heeft... Ja... twijfelt gij? Op hetzelfde oogenblik, toen mijne lasthebbers de hand op u legden, en zich van uw persoon op den straatweg naar Nizza, meester maakten, stond hij gereed met zijn dolk toe te stooten... En zult gij, nu gij dat weet, blijven zwijgen? Zult gij dien man willen blijven sparen, die ook jegens u voor geen moord terugdeinsde? Komaan, spreek."
Silas Toronthal bleef bij het denkbeeld volharden, dat zijn stilzwijgen zijne tegenstanders nopen moest, om hem te ontzien. Hij gaf dan ook geen antwoord.
"Waar is Sava?" herhaalde dokter Antekirrt.
Niets, geen woord! Dat zwijgen was tergend, was uitdagend. Piet Bathory stond te knarsetanden van woede.
"Waar is Sava?" herhaalde de dokter, die ditmaal zijn geduld begon te verliezen.
"Ik weet het niet!..." antwoordde Silas Toronthal, vast besloten zijn geheim zorgvuldig te bewaren.
Eensklaps stiet hij echter een gil uit en poogde, terwijl hij zich van pijn kromde en spartelde, Kaap Matifou, die zijne hand steeds in de zijne omklemd hield, achteruit te duwen. Hij had eerder kunnen proberen een granietblok van zijne plaats te brengen.
"Genade... Genade!" riep hij, terwijl hij zich van pijn kromde. "Genade! ik smeek u!"
Kaap Matifou kneep die hand, waarschijnlijk onbewust, alsof hij ze verbrijzelen wilde.
"Genade!" kreet de bankier, "zoo'n pijn heb ik nog nooit ondervonden! Mijne hand is verpletterd."
"Zult ge spreken?... Of..."
En hij gaf een teeken aan Kaap Matifou, die dadelijk de klemschroef aanzette.
"Ja... Ja..." kreet de ongelukkige misdadiger. "Ja... ja!... ik zal spreken!"
"Welnu dan, haast u! Waar is Sava?"
"Sava... Sava..." stamelde Silas Toronthal, die slechts met afgebroken woorden kon antwoorden.
"Welnu, Sava?... Waar is zij? Geen omwegen, geen onwaarheden. Ik waarschuw u ten beste."
"Sava.. in het huis... van Namir... de verspiedster van... Sarcany... Daar is zij opgesloten."
"Maar waar is dat huis? Nogmaals waarschuw ik u tegen misleiding. De waarheid, niets dan de waarheid!"
"Te... Tetuan! in Marokko!..." kreet de gemartelde. "Daar zult gij haar vinden."
Kaap Matifou liet, nadat die woorden den bankier ontvallen waren, diens hand eerst los, en die hand viel machteloos langs zijne zijde neder. Ja, een handdruk wisselen met dien reus, mocht voorwaar ongeraden heeten.
"Breng den gevangene naar zijne cel terug!" zei dokter Antekirrt; "wij weten, wat wij verlangden te vernemen."
Luigi Ferrato trok Silas Toronthal met zich voort, het Stadhuis uit en sloot hem in zijn kasemat op.
Sava te Tetuan! Sava in Marokko! Sava in de macht van dat afzichtelijk wijf!
Dus, toen dokter Antekirrt en Piet Bathory twee maanden geleden te Ceuta aangekomen waren, om den Spanjaard Carpena aan dat boevenverblijf te ontvoeren, scheidden hen slechts eenige weinige mijlen van de plaats, waar dat Marokkaansche vrouwmensch het jonge meisje opgesloten hield! En dat hadden zij niet geweten! Het was om te vertwijfelen!
"Dezen nacht nog vertrekken wij naar Tetuan, Piet," zei de dokter op kalmen toon.
Toen ten tijde bestond nog geen spoorweg, die rechtstreeks van Tunis naar de Marokkaansche grenzen voerde. Om dan ook binnen den kortst mogelijken tijd te Tetuan te kunnen aankomen, viel niets beters te doen, dan zich in te schepen op een van die snelvarende vervoermiddelen, tot de flottilje van Antekirrta behoorende.
Voor dat de scheepsbel de acht glazen had laten weerklinken, die het middernachtsuur moesten aangeven, had de _Elektriek_ 2 haar anker gelicht en stoomde de Syrtische zee uit en de volle Middellandsche zee in.
Aan boord bevonden zich slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato, Pescadospunt en Kaap Matifou.
Van die allen was Piet Bathory slechts aan Sarcany bekend. De anderen had hij nimmer gezien.
Wanneer men te Tetuan zou aangekomen zijn, dan zou men zien, hoe te handelen. Want het was nog niet uitgemaakt, of men met list of gewelddadig zou te werk gaan. Dat zou van de omstandigheden afhangen, waarin Sarcany zich te midden van die geheel Marokkaansche stad zoude bevinden. Dat zou ook afhangen van den aard van het verblijf van dien man in de woning van Namir en van het personeel, waarover hij kon beschikken.
Maar, voor alles moest men te Tetuan aankomen! Ja, dat ging voor alles. En daarom moest spoed gemaakt worden.
Van Antekirrta af tot aan de Marokkaansche grenzen wordt gerekend een afstand van twee duizend vijfhonderd kilometers te bedragen, hetgeen ongeveer met dertien honderd vijftig zeemijlen overeenkomt. Wanneer nu de _Elektriek 2_ zich met volle kracht voorwaarts bewoog, dan kon zij om en nabij zeven en twintig mijlen in het uur afleggen. Hoeveel sneltreinen op de spoorwegen van het vasteland bereiken die snelheid? Dus dat lange stalen spilvormige lichaam, waarop de wind geen vat had, dat door de deininggolven heenschoof, zonder er vertraging door te ondervinden, of weerstand te bieden, dat om geen brekers scheen te geven, zou niet eens vijftig uren noodig hebben, om ter gewilder plaatse te komen.
De _Elektriek 2_ was den volgenden ochtend, reeds vóórdat de dag aanbrak, kaap Bon genaderd. Van dat punt af zou het vaartuig, na de monding van de golf van Tunis voorbijgestevend te zijn, slechts weinige uren noodig hebben om kaap Bizerta uit het gezicht te verliezen. La Calle, Bône, de IJzeren Kaap, wier metaalmassa, zooals men beweert, de kompasnaald doet afwijken, de Algerijnsche kust, Stora, Bougie, Dellys, Algiers, Cherchell, Montanagem, Oran, Nemours, daarna de Rifsche kuststreken, kaap Melilla, die evenals Ceuta aan Spanje toebehoort, kaap Tres Forcas, vanwaar het vasteland zich tot bij kaap Negro afrondt, dat geheele panorama van de Afrikaansche kust ontrolde zich, terwijl het scheepje zich voortspoedde gedurende de dagen van 20 en 21 November voor de oogen der opvarenden, zonder dat een oponthoud of een ongemak de vaart kwam vertragen. Nooit was de machine, door de accumulatoren bewogen, in de gelegenheid geweest, dergelijke diensten te presteeren. Maar zij hield zich goed.
Werd de _Elektriek_ ook al ontwaard, nu eens langs en evenwijdig aan de kust stevenende, dan weer eens in volle zee buiten de baaien, die zij van kaap tot kaap doorsneed, dan moesten de kustwachters wel aan de verschijning van een bovennatuurlijk vaartuig of wel aan een buitengewoon grooten visch van het geslacht der walvisschen gelooven, die door geen stoomboot, de wateren der Middellandsche zee beploegende, ingehaald zoude kunnen worden. Men keek er naar uit. Men wees elkander dat vreemdsoortig voorwerp aan, maar daar bleef het ook bij.
Dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato, Pescadospunt en Kaap Matifou ontscheepten zoo omstreeks tegen acht uren in den avond bij de uitwatering van de kleine Tetuan-rivier, waarin de sloep eene aanlegplaats gezocht had. Die rivier, door de aardrijkskundigen Martil genaamd, heeft twee forten, die hare nadering beschermen.
Op ongeveer honderd passen van den rivier-oever verwijderd, bestond een soort van caravanserail, waar onze reizigers muildieren en een Arabischen gids aantroffen, die aanbood hen naar de stad te brengen. De prijs, dien hij vroeg, werd zonder afdingen aangenomen, zoodat zij dadelijk konden vertrekken.
In dit gedeelte van de Rifsche kuststreek, hebben de Europeanen noch van de inheemsche bevolking, noch van de zwervende volksstammen, die het land afloopen, iets te vreezen. Het land is bovendien zeer slecht bewoond en nog slechter bebouwd. De weg kronkelt door eene vlakte, die met schrale boompjes en struiken bezaaid is. De lezer moet zich niet verbeelden, dat die weg een aangelegd gemeenschapsmiddel was; neen, het was slechts een pad, dat eer aan de hoeven der paarden of muilezels, dan wel aan eenige menschenhand te danken was. Aan de eene zijde vloot de rivier binnen hare modderige oevers, waar het gekwaak der padden en kikvorschen en het schrille gepiep der sprinkhanen zich lieten hooren. Op de watervlakte dobberden eenige visschersschuiten, die midden op stroom ten anker lagen, terwijl er ook op het droge gehaald waren. Aan de andere zijde rechts van den weg ontwikkelde zich eene reeks van kale heuvels, die zich in de verte bij het zuidelijk gebergte aansloten.
De nacht was prachtig, de maan scheen heerlijk en overgoot de omstreken met haar zacht licht. Door de terugkaatsing harer bleeke stralen in den spiegel der rivier, veroorzaakte zij, dat de omtrekken der hoogten van den noorder-gezichteinder zich minder nauwkeurig afteekenden. In de verte ontwaarde men de witte gebouwen van Tetuan, en deed zich de stad voor als eene onmetelijke witte vlek op den somberen nevelachtigen achtergrond.