Chapter 11
Dat plan werd dadelijk ten uitvoer gelegd. Onmiddellijk werden loopgraven en mijngangen aangelegd, die mijngangen werden behoorlijk geladen, zoodat weldra het geheele eilandje Kencraf aan een grooten mijnoven gelijk was, die door een onderzeeschen geleiddraad met het eiland Antekirrta in verbinding gebracht werd. Een zwakke electrische stroom langs dien geleiddraad was voldoende, om eene uitbarsting te weeg te brengen, die geen spoor van het eilandje aan de oppervlakte der zee zoude achterlaten. En waarlijk, het was geen gewoon buskruit, ook geen schietkatoen, zelfs geen dynamiet, hetwelk dokter Antekirrt zoude bezigen, om die vreeselijke ontploffing teweeg te brengen. Neen, hij kende de samenstelling van een ontploffende stof, die kort geleden uitgevonden werd, en welker verbrijzelende kracht zoo aanmerkelijk was, dat men van haar kon zeggen dat zij in verhouding tot het dynamiet stond zooals deze laatste stof tot het gewone buskruit van Barthold Schwarz. Zij was veel handelbaarder dan de nitroglycerine, ook gemakkelijker vervoerbaar, daar zij slechts het bezigen van twee onafhankelijke vloeistoffen behoefde, welker vermenging niet vroeger dan op het oogenblik van gebruik bewerkstelligd moest worden. Die vloeistoffen bevroren niet, terwijl het dynamiet reeds bij vijf of zes graden bevriest, en zij konden slechts ontploffen door het aanbrengen van een geweldigen schok, zooals de aanvuring van een slaghoedje, met slagkwik gevuld, kan teweeg brengen. Zooals men ziet, was dat een gemakkelijk en eenvoudig maar verschrikkelijk middel.
Hoe wordt dat verkregen?
Eenvoudig door de inwerking van het zuivere en watervrije protoxyd van stikstof in vloeibaren toestand op verschillende lichamen, rijk aan koolstof, zooals op minerale, plantaardige, dierlijke oliën of andere vloeibare voortbrengselen van vetstoffen. Die beide vochten, die afzonderlijk geheel onschuldig en in elkander oplosbaar zijn, worden in zekere verhouding gemengd, zooals men water met wijn zou mengen, zonder dat er gevaar bij de behandeling bestaat. Zoo wordt de "panklastiet" vervaardigd, een woord dat: "alles verbrijzelend" beteekent, een inderdaad juiste naam, want die nieuw verkregen vloeistof is in staat alles te verbrijzelen, en overtreft in kracht verre alle overige bekende ontploffingsmiddelen.
Dit scheikundig schrikmiddel werd dus in talrijke mijngangen onder de oppervlakte van het maaiveld van het eilandje geladen. Met een onderzeeschen telegraafdraad stond die lading in verbinding met het eiland Antekirrta. Langs dien draad zou de electrische vonk voortspoeden naar de aanvuringen van slagkwik, waarvan iedere mijngang voorzien was, en het kon niet missen, of de algemeene ontploffing zou alsdan onmiddellijk volgen. Daar het evenwel zoude kunnen gebeuren, dat de draad door de eene of andere omstandigheid onbruikbaar werd, zoo werden er nog twee uitgebracht, onafhankelijk van elkander, en werden bovendien bij wijze van voorzorgsmaatregel nog andere electrische batterijen op verschillende plekken van het eiland onder de oppervlakte van den bodem ingegraven en door onderaardsche geleidingsdraden met de mijngangen verbonden. Het was voldoende de plaatjes van een dier batterijen, die met de oppervlakte van den grond gelijk gelegd waren, met den voet eventjes aan te raken, om den stroom af te sluiten, den benoodigden schok op het slagkwik en zoo de ontploffing te veroorzaken. Het zou dus onmogelijk genoemd worden, dat wanneer talrijke aanvallers op het eilandje Kencraf ontscheepten, er een aan de totale vernietiging zoude ontsnappen.
Die verschillende werkzaamheden waren in de eerste dagen van November tamelijk gevorderd, toen er een ongeval plaats greep, dat dokter Antekirrt noodzaakte zijn eiland gedurende eenige dagen te verlaten.
In den ochtend van den 3den November kwam het stoomvaartuig, dat bestemd was om de steenkolen van Cardiff over te voeren, in de haven van Antekirrta ten anker. Gedurende den overtocht was het door slecht weder genoodzaakt geworden Gibraltar aan te doen. Daar vond de kapitein der boot op het postkantoor een brief, die aan dokter Antekirrt gericht was. Die brief was door de verschillende postdiensten her- en derwaarts gezonden geworden, zonder dat hij den geadresseerde had kunnen bereiken. De menigvuldige postmerken op den omslag, gaven daar de meest afdoende getuigenis van.
Dokter Antekirrt nam dien brief in ontvangst, bekeek den omslag, die de postmerken van Malta, Catania, Ragusa, Ceuta, Otranto, Malaga en Gibraltar droeg.
Het adres, hetwelk een zwaar beverig schrift vertoonde, was klaarblijkelijk door iemand ter neder gesteld, die de gewoonte niet meer had om de pen te voeren, wien het ook misschien aan kracht ontbroken had, om die weinige woorden ter neer te schrijven. De omslag voerde slechts één naam, den naam van den dokter, met die roerende aanbeveling:
"Aan dokter Antekirrt.
"Aan Gods goede zorgen overgelaten."
De dokter scheurde den omslag open, ontvouwde den brief, die op een vel papier geschreven was, dat door den tijd reeds geel geworden was, en las het navolgende:
"Heer dokter!
"Dat God u dezen brief toch in handen voere!... Ik ben reeds zeer bejaard!... Ik kan sterven.... Dan zal zij alleen op de wereld zijn!... Och, heb medelijden met de laatste dagen van mevrouw Bathory!... Zij is gedurende haar geheele leven zoo zeer beproefd geweest!... Kom haar te hulp! Dat is de bede van
Uwen ootmoedigen dienaar Borik."
Verder stond er in een hoek: "Carthago" en daaronder deze woorden: "Regentschap Tunis."
De dokter bevond zich alleen op het Stadhuis, toen hij van dien brief kennis nam. Een kreet van vreugde en van wanhoop te gelijkertijd ontsnapte hem,--van vreugde, omdat hij 't spoor van mevrouw Bathory wedervond,--van wanhoop of beter van vrees, want de postmerken op den omslag van dien brief duidden aan, dat hij reeds langer dan een maand geleden geschreven was.
Luigi Ferrato werd dadelijk geroepen. Hij kwam terstond aangeloopen en meldde zich op het Stadhuis aan.
"Luigi," zei dokter Antekirrt, "geef kapitein Ködrik de noodige bevelen, dat de _Ferrato_ binnen twee uren stoom op heeft en in staat zij om te kunnen vertrekken."
"Het vaartuig zal gereed zijn, om op den opgegeven tijd zee te kunnen kiezen," antwoordde Luigi.
"Goed zoo."
"Maar vergeef mij eene onbescheidene vraag: moet het vaartuig ter uwer beschikking zijn, heer dokter?"
"Ja, Luigi. Daarop dient gerekend te worden," antwoordde dokter Antekirrt.
"Zal het een lange reis gelden? Ook dat dien ik te weten, heer dokter," was Luigi's tweede vraag.
Dokter Antekirrt raadpleegde eene kaart.
"Slechts drie of vier dagen. Meer niet, denk ik," was zijn antwoord.
"Vertrekt gij alleen?"
"Neen! Zoek Piet Bathory op, en zeg hem zich gereed te houden mij te vergezellen."
"Piet is op dit oogenblik afwezig, heer dokter...." antwoordde Luigi Ferrato. "Maar ik zal hem seinen."
"Afwezig?"
"Ja, maar binnen een uur zal hij van het eilandje Kencraf terug zijn, alwaar hij de werkzaamheden bestuurt."
"O, zoo is het goed."
"Ik ga dus uwe bevelen volbrengen en kapitein Ködrik waarschuwen, heer dokter."
"Wacht even. Ik heb nog iets ... ik verlang ook dat uwe zuster dat tochtje medemaakt, Luigi," ging dokter Antekirrt voort, "laat haar daartoe dadelijk alle voorbereidingen treffen. Maar spoedig, niet waar?"
"Dadelijk, heer dokter."
Luigi ijlde heen, om de bevelen, die hij van dokter Antekirrt ontvangen had, ten uitvoer te brengen. Hij seinde dadelijk naar het eilandje Kencraf en spoedde zich naar zijn zuster en naar kapitein Ködrik.
Een uur later vertoonde Piet Bathory zich op het Stadhuis. Hij had de depêche van Luigi ontvangen.
"Lees," zei de dokter.
En hij reikte hem Boriks brief over.
VI.
DE GEESTVERSCHIJNING.
Het stoomjacht lichtte weinige minuten na het middaguur het anker. Het had kapitein Ködrik tot gezagvoerder en Luigi Ferrato tot eersten officier. Als passagiers waren slechts dokter Antekirrt, Piet Bathory en Maria Ferrato aan boord. Deze laatste werd medegenomen om mevrouw Bathory hare zorgen te kunnen wijden, wanneer het onmogelijk zoude blijken haar onmiddellijk van Karthago naar Antekirrta te vervoeren.
Zonder dat daarop in 't bijzonder gewezen behoeft te worden, zal de lezer beseffen, welke gewaarwordingen, welke angsten het hart van Piet Bathory bestormden. Hij wist thans waar zijne moeder was, hij ging naar haar toe!... Maar waarom had Borik haar zoo onverwachts en zoo spoedig uit Ragusa weggevoerd en dat nog wel om haar naar dat verre kustland van Tunis te brengen? In welken toestand van ellende en armoede zou hij beiden terugvinden? Bij die gedachte ijsde hij. Bij die gedachte durfde hij niet verwijlen, uit vrees te zeer door zijne aandoeningen overmeesterd te worden.
Op al dat leed, hetwelk Piet Bathory aan Maria toevertrouwde, antwoordde deze slechts met hoopvolle en troostvolle woorden. Zij herkende in den brief, dien de dokter ontvangen had, de zichtbare tusschenkomst der Voorzienigheid. Dat was volgens het vrome en brave meisje niet te miskennen. Hier was de vinger Gods!
Natuurlijk waren bevelen verstrekt, om de _Ferrato_ hare meest mogelijke snelheid te doen bereiken. Door de stoomkleppen te bezwaren, werd weldra eene vaart van gemiddeld vijftien mijlen in het uur overschreden. Nu bedraagt de afstand van de golf van Sidra tot kaap Bon, aan het noordoostelijk uiteinde van het Tunische vasteland gelegen, hoogstens duizend kilometers. Verder van kaap Bon tot aan de Goulet, die de haven van Tunis vormt, duurt het slechts anderhalf uur voor een vlug stoomjacht, om dien afstand af te leggen. Ongerekend slecht weder of andere wederwaardigheden, kon de _Ferrato_ in twee en dertig uren tijds op hare bestemming aankomen.
De zee was buiten de Sidragolf effen en glad. Er woei een zachte noord-westen bries, die evenwel niet scheen te zullen aanwakkeren. De kapitein liet recht op kaap Bon aansturen, om dicht daarbij iets af te vallen, ten einde des te sneller de beschuttende strook te bereiken, die de vaste wal zoude aanbieden, wanneer de wind mocht aanwakkeren. Hij zou dus het eiland Pantellaria, dat halfweg tusschen kaap Bon en Malta gelegen is, niet in het gezicht loopen, daar hij de gezegde kaap zoo dichtbij mogelijk wilde voorbij stevenen.
Terwijl de kust zich buiten de Sidrabaai afrondt, wordt zij westwaarts diep ingesneden en beschrijft daar een bocht met zeer grooten straal. Daar langs ontwikkelt zich voornamelijk het kustland van het regentschap Tripoli, dat zich tot aan de golf van Gabes tusschen het eiland Dscherba en de stad Sfax uitstrekt. Daarna buigt de kust weer eenigermate oostwaarts naar kaap Dinias toe, om de baai Hammamet te vormen, en ontwikkelt zich verder van zuid naar noord tot aan kaap Bon.
Eenmaal bij die kaap aangekomen, stevende de _Ferrato_ naar die Hammamet baai. Daarin zou het vaartuig langs den wal loopen, om dien niet weer uit het gezicht te verliezen tot bij de Goulet.
Hoewel de bries niet sterk genoemd mocht worden, verhieven de golven zich toch aanmerkelijk gedurende den dag van den derden November en den daaropvolgenden nacht. Er is slechts weinig wind noodig om die Syrtische zee, waarin de meest grillige stroomingen en tegenstroomingen van de geheele Middellandsche zee te zamen komen, in beroering te brengen. Maar reeds den volgenden ochtend werd land verkend, juist ter hoogte van kaap Dinias. Eenmaal onder dien hoogen oever gekomen, werd de vaart van het jacht aangenaam en voorspoedig.
De _Ferrato_ stevende op ongeveer twee mijlen van de kust, waarvan men al de bijzonderheden nauwkeurig kon opmerken. Buiten de Hammamet-baai op de hoogte van Kelibiah, stevende het stoomjacht nog dichter langs de kust, om een blik in de kleine kreek Sidi Youssouf, die ten noorden door eene aaneenschakeling van klippen en rotsen gedekt is, te kunnen werpen. Eigenlijk kon deze laatste beweging van de _Ferrato_ eene verkenning van het vijandelijke strand heeten.
Bij de inbuiging der kust strekte zich een prachtig zandig strand voor het oog uit. Naar achteren vertoonde zich eene reeks van lage heuvelen, die met klein struikgewas bekleed waren, hetwelk met moeite ontkiemd was in dien bodem, die meer overvloed aan steenen heeft dan aan teelaarde. Verder af werden hoogere heuvels ontwaard, die als uitloopers van de nog verder gelegen "djebels", die het gebergte in het het binnenland uitmaakten, konden beschouwd worden. Hier en daar werd een verlaten marabout ontwaard, die zich als een soort witte vlek te midden van het groen der struiken voordeed. Op den voorgrond verrees een kleine verschansing, die er bouwvallig uitzag, en hooger-op een grooter fort, dat in beteren staat verkeerde en dat zich op den heuvel verhief, die de Sidi Youssouf-kreek ten noorden afsloot.
Intusschen was die kreek niet verlaten. Door de rotsblokken beschut, lagen verscheidene Levantsche vaartuigen, als chebekken, polacres enz. op eene halve kabellengte der kust op eene diepte van vijf of zes vademen ten anker. Maar de helderheid en doorzichtigheid van het groene water dier kreek was zoo volmaakt, dat men den bodem, uit zwarte steenen en uit lichtgestreept zand bestaande, waarin de lepels der ankers grepen, en waaraan de weerkaatsing van het licht wonderlijke vormen verleende, duidelijk ontwaren kon.
Langs het strand, aan den voet der lage duinen, die met mastiek- en tamarinde stuiken bezaaid waren, bemerkte men een douar, die uit een twintigtal goubi's bestond en zijne tenten van vuil geel gestreept linnen vertoonde. Men kon dat vergelijken met een grooten Arabischen mantel, die achteloos op het strand geworpen was. Buiten de plooien van dien mantel graasden schapen en geiten, die in de verte er uitzagen als zwarte raven, wier schreeuwende bende door een geweerschot opgejaagd had kunnen worden. Een tiental kameelen lagen òf uitgestrekt op het zand, òf stonden onbeweeglijk, alsof zij in steen uitgebeiteld waren en herkauwden in de nabijheid van eene rotsachtige omheining, die als ontschepingskade kon dienen.
Terwijl men de monding der Sidi Youssouf-kreek voorbijstevende, kon men er een blik in werpen en merkte dokter Antekirrt op, dat men munitiekisten, wapenen en zelfs eenige kleine kanonstukken, die tot het veldgeschut behoorden, ontscheepte. De Sidi Youssouf-kreek leende zich door hare verwijderde ligging op de buitenste grenskuststrook van het regentschap Tunis, maar al te gemakkelijk tot deze soort van smokkelhandel.
Luigi Ferrato vestigde de aandacht van dokter Antekirrt op de lossing dier oorlogscontrabande, welke toen daar op dat strand, zonder eenige contrôle hoegenaamd, gedreven werd.
"Ja, Luigi," antwoordde hij, "ik zie het wel. Dat is inderdaad bedenkelijk genoeg."
"En wat denkt gij er over?"
"Dat het Arabieren zijn, welke die oorlogs-wapenen en munitiën in ontvangst komen nemen."
"Maar voor wie die wapens."
"Wie weet het? Wellicht om ze aan de bergbewoners te verstrekken, ten einde daarmede de Fransche troepen zoowel in Tunis als in Algiers te bevechten."
"Denkt gij dat?" vroeg dokter Antekirrt met een bitteren glimlach om de lippen.
"Ik weet niet wat te denken. Dat oorlogstuig kan ook aangekocht zijn voor rekening der talrijke geaffilieerden aan het Senousisme, die aan wal struikroovers en aan boord zeeschuimers zijn, en die zich tegenwoordig in de Cyrenaïsche provinciën met een bepaald doel al meer en meer te zamen trekken."
"Zou zoo iets kunnen geschieden?"
"Inderdaad, en ik meen zelfs onder die Arabieren eenige typen te herkennen, die eerder uit de binnenlanden van Afrika dan wel uit de Tunische provinciën afkomstig zijn."
"Maar," vroeg Luigi, "waarom verzetten de autoriteiten van het regentschap of ten minste de Fransche autoriteiten zich niet ernstig tegen die ontscheping van wapenen en munitiën?"
"Waarom? Omdat men te Tunis zelfs niet gist wat aan de andere zijde van kaap Bon voorvalt," antwoordde dokter Antekirrt, "en wanneer de Franschen eindelijk meester van Tunisië zullen zijn, dan zullen deze oostelijke hellingen van de djebels nog voor langen tijd aan hunne macht ontsnappen. Hoe het ook zij, dat lossen van wapentuig en krijgsbehoeften komt mij zeer verdacht voor."
"Het is gelukkig, dat ons stoomjacht een snel varend vaartuig is," merkte Luigi gekscherend op.
"Zeker is dat gelukkig, want had de _Ferrato_ hare snelheid niet in haar voordeel, dan zou de flottilje, die wij daar ontwaren, geen oogenblik aarzelen om haar aan te tasten."
Hadden de Arabieren werkelijk die gedachte gekoesterd, zoo als dokter Antekirrt vermoedde, dan had het stoomjacht toch niets te vreezen. In minder dan een half uur was het de kleine reede van Sidi Youssouf voorbij gestevend. Nadat kaap Bon, die zich zoo ver buiten het Tunische vasteland uitstrekt, genaderd was, stevende de _Ferrato_ met volle kracht den vuurtoren voorbij, die op haar uiterste uiteinde, dat geheel met rotsen, die in prachtige lagen gelegerd zijn, bedekt is, verrijst.
Het stoomjacht doorsneed nu, steeds niet volle kracht stoomende, de Tunische golf, die zich tusschen kaap Bon en kaap Karthago uitstrekt. Ter linkerzijde van de _Ferrato_ verhief zich de reeks van steile hellingen van den djebel Bon-Karnin, van den djebel Rossas en van den djebel Zaghouan, met eenige dorpen hier en daar in de bergplooien verscholen. Ter rechter zijde verscheen in het volle licht, in al hare heerlijkheid als eene andere Arabische Kasbah, de heilige stad Sidi-Bon-Saïd, die zeer waarschijnlijk een der voorsteden was van het oude Carthago. Op den achtergrond verhief zich Tunis, geheel wit in het schitterende zonlicht boven het meer van Bahira, een weinig achter dien arm, welke de Goulet aan alle de ontscheepten uit de pakketbooten van Europa als het ware toesteekt.
Op een afstand van drie mijlen van de haven lag een smaldeel van Fransche oorlogschepen ten anker, terwijl een weinig dichter bij den kant eenige handelsvaartuigen voor hunne ankerkettingen lagen te dobberen, die door de groote verscheidenheid hunner nationale vlaggen eene groote levendigheid aan die reede bijzetten.
Het was ongeveer één uur, toen de _Ferrato_ op een afstand van drie kabellengten van de haven van Goulet haar anker liet vallen. Nadat de formaliteiten van den geneeskundigen dienst vervuld waren, werd de vrije toegang aan de passagiers van het stoomjacht verleend. Dokter Antekirrt, Piet Bathory, Luigi Ferrato en zijne zuster Maria namen plaats in de sloep, die dadelijk van boord afstak.
Na de havenpier omgeroeid te zijn, gleed zij door dat smalle kanaal, hetwelk steeds overvuld is met barkassen, sloepen, vletten en andere ontschepingsvaartuigen, die aan beide kaden vastgemeerd waren, en legde dicht bij een onregelmatig gevormd plein aan, hetwelk met boomen beplant, en met villa's, handelskantoren, koffiehuizen enz. omgeven was. Op dat plein wemelde het van Malthezers, Joden, Arabieren, Fransche en inlandsche soldaten, die daar bij den ingang van de voornaamste straat der havenbuurt drentelden.
De brief van Borik gaf Karthago tot adres op en die naam van eenige bouwvallen, die ter nauwernood op de oppervlakte van den bodem ontwaard worden, is alles wat van de geboortestad van Hannibal overbleef.
Om zich naar het strand van Karthago te begeven, is het niet noodig gebruik te maken van het klein eindje Italiaanschen spoorweg, dat den dienst verricht tusschen de Gouleta en Tunis en daarbij langs het meer van Bahira loopt. Hetzij men het strand volgt, dat met zijn hard en fijn zand een uitnemend wandelpad voor de voetgangers oplevert, hetzij men den stofachtigen weg kiest, die meer landwaarts in, de vlakte doorsnijdt, langs beide wegen bereikt men gemakkelijk den voet van den heuvel, waarop de kapel van den Heiligen Lodewijk en het klooster der Algerijnsche zendelingen verrijzen.
Toen dokter Antekirrt en zijne reisgenooten ontscheepten, stonden verscheidene rijtuigen, met kleine paarden bespannen, te wachten. In een oogwenk had men een rijtuig bestegen en was den koetsier bevel gegeven, om zoo spoedig mogelijk naar Karthago te rijden.
Het rijtuig, na eerst de voornaamste straat van de Gouleta in flinken draf gevolgd te hebben, reed tusschen twee rijen prachtige villa's door, die door de rijke Tunisiërs gedurende de warme maanden bewoond worden, daarna langs de paleizen van Keredina en Mustapha, die op de kust in de nabijheid van de oude havenkommen der Karthaagsche stad verrijzen. Het is meer dan twee duizend jaren geleden toen de mededingster van Rome dat geheele strand innam, van de punt der Goulet af tot aan de kaap, die haren naam behouden heeft.
De kapel van den Heiligen Lodewijk, gebouwd op een heuvel van twee honderd voeten hoog, is opgericht op dezelfde plaats, waar men beweert, dat die koning van Frankrijk in 1270 gestorven zou zijn. Dat gebouwtje is te midden van eene omheining gelegen, die meer oudheidkundige brokstukken, deelen van bouwwerken, stukken van standbeelden, van vazen, kommen, zuilen, kapiteelen en architraven, dan boomen of struiken bevat. Het klooster der zendelingen, waarvan pater Delattre, een zeer geleerd archeoloog, toen prior was, is meer achterwaarts gelegen. Van de hoogte van dien heuvel, waarop die omheinde plek staat, beheerscht men geheel en al het zandige strand, van kaap Karthago af tot aan de eerste huizen der Goulet.
Aan den voet van dien heuvel verrijzen eenige paleizen van Arabische bouworde, die evenwel van pieren naar Engelsche mode voorzien zijn, alsook van bevallige staketsels, die zich tot ver in zee uitstrekken en waaraan de sloepen en jollen der reede kunnen aanleggen. Verder-op strekt zich de baai met alle hare voorgebergten, alle hare uitstekende punten, alle hare inhammen, die bij afwezigheid van bouwvallen, hunne geschiedkundige herinneringen behouden hebben, in hare geheele heerlijkheid uit.
Maar wanneer er paleizen en villa's aangetroffen werden tot op de plaats, waar voorheen de oude oorlogs- en handelshavens van het machtige Karthago zich bevonden, dan vindt men er ook hier en daar tusschen de plooien van het heuvelland, te midden van het in puin liggend gesteente, op een grijsachtigen bodem, die bijna ongeschikt ter bebouwing is, kleine huizen, ware stulpen, waarin de armen der streek wonen. De meesten van de laatstbedoelde bewoners oefenen geen ander handwerk uit dan op de oppervlakte of in de eerste lagen des bodems naar min of meer kostbare voortbrengselen van het Karthaagsche tijdperk, zooals bronzen, steenen voorwerpen, aardewerk, medailles, munten, enz. te zoeken. Dat alles wordt door de kloosterlingen voor hun archeologisch museum opgekocht. Zij doen dat evenwel veel meer uit medelijden, dan dat zij tuk op die zaken zouden zijn.
Eenige dier ellendige stulpen bezitten slechts twee of drie muurvlakken. Men zou ze met bouwvallen van marabouts kunnen vergelijken, die in dit klimaat van hevigen zonneschijn, wit gebleekt zijn.
Dokter Antekirrt en zijne tochtgenooten gingen van de eene hut naar de andere. Zij bezochten ze in de hoop er mevrouw Bathory aan te treffen. Toch konden ze niet gelooven, dat zij tot dien trap van ellende vervallen zoude zijn.
Plotseling hield het rijtuig stil voor eene nog ellendiger stulp, waarvan de deur slechts een gat vertoonde, dat in den muur gebroken was. De muur zelf lag half in puin en was gedeeltelijk met struiken en ruig overdekt.
Eene oude vrouw, die in een donkeren mantel gehuld was, zat voor die deur.
Piet had haar herkend!... Hij stiet een wilden kreet uit!... Hij sprong uit het rijtuig....
"Moeder!... Moeder!..." riep hij.
Ja.... dat was zijne moeder!... Hij ijlde naar haar toe, knielde voor haar neder, sloot haar in zijne armen....
Maar zij beantwoordde die liefkozingen niet. Zij zag hem met strakken blik aan.
Zij scheen hem niet te herkennen.... Neen ... dat oog stond levenloos ... dof....
"Moeder!... Moeder!..." riep hij uit, terwijl de dokter met Luigi en zijne zuster naderden en zich bij hem voegden.
"Bedaar, bedaar, Piet," sprak dokter Antekirrt. "In Gods naam bedaar. Uwe hartstochtelijkheid kan alles bederven."