Mathias Sandorf [3]

Chapter 10

Chapter 103,702 wordsPublic domain

Intusschen bevond zich thans een man in de kasematten van Antekirrta, die weten moest, waar Sava Toronthal zich bevond, of ook zij nog steeds in de macht van Sarcany was. Dat was hij, die haar voor zijne dochter had laten doorgaan, dat was de bankier Silas Toronthal. Maar uit eerbied voor de nagedachtenis van haren vader, zou hij nimmer gepoogd hebben, hem over dit onderwerp aan het praten te krijgen.

Silas Toronthal bevond zich daarenboven sedert zijne gevangenneming in een zoodanigen geestestoestand, in een zoodanige lichamelijke en zedelijke neerslachtigheid, dat hij niets zou hebben kunnen mededeelen, al had zijn eigen belang gevergd, dat hij zulks deed. Maar hij had integendeel in het geheel geen belang er bij om mede te deelen, wat hij van Sava wist, omdat hij onkundig was dat hij de gevangene van dokter Antekirrt was, ook dat Piet Bathory niet dood maar levend op het eiland Antekirrta aanwezig was, een eiland waarvan hij den naam zelfs niet kende, en dus nog veel minder wist, waar dat ergens ter wereld gelegen was.

Inderdaad, slechts God, zooals Maria Ferrato zeide, kon dien toestand ontwikkelen.

De werkelijke staat der kleine volkplanting zou slechts onvolkomen in het licht gesteld zijn, wanneer vergeten werd melding te maken van Pescadospunt en van Kaap Matifou. Die behoorden toch in het kader van het personeel van het eiland Antekirrta te huis. Die twee behoorden tot de notabelen van de kleine volkplanting, en dat verdienden zij ook.

Hoewel het Sarcany gelukt was te ontsnappen, hoewel men zelfs zijn spoor bijster geraakt was, zoo was de gevangenneming van Silas Toronthal zoo belangrijk, dat de dankbetuigingen van dokter Antekirrt en van Piet Bathory aan Pescadospunt niet ontbraken. Geheel aan zijn eigen gedachtenloop overgelaten, had die brave kerel juist gedaan, wat in de gegeven omstandigheden moest verricht worden. Niemand had het kunnen verbeteren. Daar nu dokter Antekirrt zich tevreden betoonde, zou het den beiden vrienden niet gepast hebben, het ook niet te zijn. Zij hadden derhalve hunne lieve en fraaie woning weer betrokken, in afwachting dat men andermaal hunne diensten noodig zoude hebben. Hunne vurigste hoop was, dat zij meermalen voor de goede zaak nuttig zouden kunnen zijn.

Pescadospunt en Kaap Matifou hadden dadelijk na hunne aankomst te Antekirrta, een bezoek afgelegd bij Maria en Luigi Ferrato, daarna hadden zij hunne opwachting gemaakt bij eenigen der notabelen van Artenak. Overal werden zij uitstekend ontvangen; want zij hadden zich bij iedereen bemind weten te maken. Men had dan Kaap Matifou bij die plechtige gelegenheden moeten zien. Hij schitterde dan inderdaad, hoewel hij zich een weinig verlegen met zijn kolossalen omvang betoonde, waarmede hij alleen een zaal vulde.

"Ik ben evenwel dun," merkte Pescadospunt op, "dat maakt evenwicht, en herstelt de ongelijkheid."

Wat dien kleinen behendigen akrobaat aangaat, hij was de vreugde van de geheele volkplanting, die hij met zijne vroolijke geaardheid verlevendigde. Hij stelde zijne schranderheid en behendigheid ten dienste van allen. O! als hij de zaken naar het algemeen welbehagen mocht regelen, welk program van vermakelijkheden zou hij dan niet zoowel voor de stad als voor de omstreken ontwerpen. Ja, als het moest, dan zou hij, Pescadospunt en Kaap Matifou geen oogenblik aarzelen, om hun beroep van kunstenmakers te hervatten, ten einde de Antekirrtsche bevolking in opgetogenheid te brengen.

In afwachting dat die fraaie dag zoude aanbreken, hielden Pescadospunt en Kaap Matifou zich onledig met hun tuin, die door prachtige boomen beschaduwd was, te verfraaien, alsook hunne villa, die waarlijk onder de bloemen bedolven scheen. Bij die werken aan de kleine havenkom verleenden zij krachtige en nuttige hulp. Wanneer men Kaap Matifou kolossale rotsbrokken zag loswringen en vervoeren, dan moest betuigd worden, dat onze Provençaalsche Hercules niets van zijne krachten verloren had.

Slaagden de lasthebbers van dokter Antekirrt niet in hunne pogingen om mevrouw Bathory op te sporen, anderen, die Sarcany opzochten, waren niet gelukkiger. Geen hunner had kunnen ontdekken, waar die ellendeling een schuilplaats had gevonden, nadat hij Monte Carlo verlaten had.

Kende Silas Toronthal het geheim van die schuilplaats? Dat was op zijn minst genomen aan twijfel onderhevig, wanneer men de omstandigheden in aanmerking neemt, waaronder die twee op den weg naar Nizza van elkander gescheiden waren. Daarenboven, al was de bankier met de verblijfplaats van zijn medeplichtige bekend, dan was het nog de vraag, of hij die zou willen aanwijzen. Het meest waarschijnlijke was dat hij zou weigeren.

Dokter Antekirrt wachtte dan ook uiterst ongeduldig het tijdstip af, dat Silas Toronthal in staat zoude zijn te kunnen antwoorden, om alsdan de proef te nemen.

Het was in een fortje, dat bij den noordwestelijken hoek aangelegd was, dat Silas Toronthal en Carpena ieder in eene cel opgesloten waren, waarin zij hoegenaamd niemand te zien kregen. Zij kenden elkander niet anders dan van naam; want de bankier had zich nimmer met de zaken van Sarcany op Sicilië ingelaten. Er was dan ook een streng bevel uitgevaardigd, namelijk: dat men hen zelfs niet mocht laten gissen, dat zij te zamen dat fortje bewoonden. Zij waren in twee gekasematteerde vertrekken opgesloten, die van elkander verwijderd lagen en die zij slechts verlieten, om een poos op afzonderlijke pleintjes lucht te scheppen. Zij werden bewaakt door twee sergeanten van de Antekirrtsche militie, van welker trouw dokter Antekirrt verzekerd was. Het was dan ook onmogelijk, dat de twee gevangenen gemeenschap met elkander konden hebben, of dat zij afspraken met elkander hadden kunnen houden.

Ook was geen onbescheidenheid te vreezen. Op alle vragen, die Silas Toronthal en Carpena tot hunne bewakers richtten omtrent de plaats hunner gevangenschap, hadden zij nimmer antwoord ontvangen. Niets kon hen dus doen vooronderstellen, dat zij in de macht van dien geheimzinnigen dokter Antekirrt geraakt waren, dien de bankier kende, omdat hij hem te Ragusa verscheidene malen ontmoet had, en voor wien hij een instinctmatigen angst had voelen ontgloren.

De eenige en voortdurende gedachte van den dokter was thans, om Sarcany uit te vinden, om hem te kunnen bemachtigen, zooals dat met zijne twee medeplichtigen reeds geschied was. Toen Silas Toronthal dan ook tegen den 16n October zoover in beterschap toegenomen was, dat hij in staat was om de vragen te kunnen beantwoorden, die hem gesteld zouden worden, besloot de dokter hem aan een onderzoek te onderwerpen.

Maar alvorens werd een raad belegd, bestaande uit dokter Antekirrt, uit Piet Bathory en Luigi Ferrato, waarin ook Pescadospunt geroepen werd, wiens adviezen niet te versmaden waren.

Dokter Antekirrt bracht hen op de hoogte van zijne voornemens met betrekking tot de gevangenen.

"Wat denkt gij er van?" vroeg hij, toen hij daarmee geëindigd had.

"Zou Silas Toronthal," merkte Luigi Ferrato op, "bij het vernemen dat men verlangt te weten, waar zich Sarcany ophoudt, niet gissen kunnen, dat men het er op toelegt om ook zijn medeplichtige in handen te krijgen?"

"Welnu," vroeg de dokter, "welk bezwaar zou daarin gelegen zijn, nu hij ons toch niet ontsnappen kan?"

"Toch meen ik, dat er een is, heer dokter," antwoordde Luigi.

"Silas Toronthal kan meenen, dat het in zijn belang is, om niets te zeggen, wat ten nadeele van Sarcany kan uitgelegd worden. Dat zou hem den mond kunnen snoeren."

"Maar waarom?" vroeg dokter Antekirrt. "Welk belang zou hij kunnen hebben, om niets te zeggen?"

"Ja, waarom?" herhaalde Piet Bathory. "Welk belang?... Waarlijk, ik kan aan mijn gedachte geen vorm geven."

"Omdat hij zich zelven daarmede kan benadeelen." antwoordde Luigi. "Mij dunkt dat dat eene reden is."

"Mag ik mij eene bemerking veroorloven?" vroeg Pescadospunt, die zich uit bescheidenheid een weinig ter zijde hield.

"Voorzeker, mijn vriend," antwoordde de dokter. "Wat wildet gij ons zeggen?"

"Heeren," hernam Pescadospunt, "ga ik af op de omstandigheden, waaronder die twee boezemvrienden afscheid van elkander genomen hebben, dan meen ik het er voor te moeten houden, dat zij elkander niet meer te ontzien hebben. De bankier Silas Toronthal moet Sarcany, die hem tot den bedelstaf bracht, uit den grond van zijn hart haten. Wanneer onze gevangene dus weet, waar zijn medeplichtige zich thans bevindt, dan zal hij geen oogenblik aarzelen,--zoo denk ik ten minste,--om dat mede te deelen. Vertelt hij niets, dan is dat volgens mij het bewijs, dat hij niets weet, dus dat hij niets te zeggen heeft."

Die redeneering was niet van juistheid ontbloot. Het was meer dan waarschijnlijk dat wanneer de bankier Silas Toronthal met de plaats bekend was, waarheen Sarcany gevlucht kon zijn en waar hij zich zou kunnen ophouden, hij zich niet verplicht zoude rekenen geheimhouding te betrachten, vooral wanneer zijn eigen belang mede zoude brengen om haar te verbreken.

"Wij zullen heden nog vernemen, waaraan wij ons te houden hebben," antwoordde de dokter, "en ik zal zien wat mij verder te doen staat, wanneer Silas Toronthal niets weet of niets wil mededeelen. Maar, daar hij nog onkundig moet blijven, dat hij in de macht van dokter Antekirrt is, daar hij evenzeer nog niet mag weten, dat Piet Bathory in leven is, zoo zal Luigi Ferrato de taak op zich willen nemen, om hem te ondervragen."

"Ik stel mij geheel tot uwen dienst, heer dokter," antwoordde de jonge zeeman.

Luigi begaf zich ten gevolge van dit gesprek naar het fortje, alwaar hem toegang verleend werd tot de kasemat, die Silas Toronthal tot gevangenis diende.

De bankier was op dat oogenblik in een hoek bij eene tafel gezeten. Hij had juist zijn bed verlaten. Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was zijn gemoedstoestand veel verbeterd. Hij hield zich toen niet met de gedachte bezig, dat hij zijn vermogen verloren had. Hij dacht zelfs niet aan Sarcany. Er was iets wat hem bovenmate verontrustte, en dat was de zucht om te weten de reden waarom, en de plaats waar hij opgesloten was, en wie toch wel de machtige persoon kon zijn, die er belang bij kon hebben, zich van zijn persoon te verzekeren. Dat was het wat hem bezig hield, maar waaromtrent hij geen oplossing kon vinden. Zoo veel was zeker, dat hij begreep alles te vreezen te hebben.

Toen hij Luigi Ferrato zijne cel zag binnentreden, stond hij op; maar op een teeken van dezen ging hij weder onmiddellijk zitten. Het onderhoud, dat plaats had, was slechts van korten duur en ziehier de vragen, die hem gesteld werden:

"Gij zijt Silas Toronthal, voorheen te Triëst en laatstelijk te Ragusa woonachtig, niet waar?"

"Op die vraag heb ik niet te antwoorden. Zij die mij gevangen hebben, moeten weten wie ik ben, dunkt mij."

"Dat weten zij. Wees daaromtrent onbekommerd, heer Toronthal! Op zijn tijd zult gij alles te weten komen."

"Maar wie zijn zij, als ik u bidden mag? Zijn het machtige mannen? Dat zou ik wel willen weten."

"Dat zult gij later vernemen. Niet te nieuwsgierig, heer bankier. Dat is eene ongepaste ondeugd hier."

"En wie zijt gij?"

"Alweer te nieuwsgierig. Maar ik wil daarop wel antwoorden, dat ik een man ben, die de opdracht heeft u te ondervragen."

"Opdracht van wien? Gij spreekt steeds in onbegrijpelijke raadselen."

"Van hem, wien gij rekening en verantwoording verschuldigd zijt, die recht over leven en dood over u heeft."

"Maar nogmaals, wie is dat? Gij zoudt mij inderdaad beangst kunnen maken."

"Dat is niet aan mij om het u te zeggen. Misschien zal hij het u later zelf zeggen."

"Welnu, in dat geval weiger ik te antwoorden. Vertrouwen tegenover vertrouwen."

"Zoo als ge verkiest! Ge waart te Monte Carlo in gezelschap van een man, dien gij sedert lang kent en die u, sedert gij van Ragusa vertrokken zijt, niet verlaten heeft. Die man is van Tripolitaansche afkomst en heet Sarcany. Hij is ontsnapt op het oogenblik, dat gij op den weg naar Nizza in hechtenis genomen werd. Ziehier nu wat mij opgedragen is u te vragen: Weet gij waar die man zich thans bevindt en zoo ja, zijt gij genegen dat mede te deelen?"

Silas Toronthal wachtte zich er wel voor om te antwoorden. Wanneer men verlangde om te weten waar Sarcany zich bevond, dan was daarvan klaarblijkelijk het doel om zich van zijn persoon meester te maken, zooals men met hem gedaan had. En waarom wilde men dat doen? Had dat betrekking op gebeurtenissen van het verleden, waarin zij beiden gezamenlijk de hand hadden gehad? Stond dat in verband met de kuiperijen, die zij zich ter zake van de Triëster samenzwering veroorloofd hadden? Maar hoe zouden die feiten bekend geraakt zijn? En wie kon er belang bij hebben, om als wreker van graaf Mathias Sandorf en van zijne twee vrienden, die reeds sedert vijftien jaren overleden waren, op te treden? Dat alles zweefde den ellendeling in een ondeelbaar oogenblik voor den geest.

Dat waren de vragen, die Silas Toronthal zich in de eerste plaats stelde. Hij begreep al spoedig, dat hij zich niet in handen van een wettig ingestelde rechtbank bevond, wier macht zich over hem en zijn medeplichtige dreigde uit te strekken. Dat moest hem evenwel nog ongeruster maken. Hoewel het voor hem niet twijfelachtig was, dat Sarcany eene schuilplaats te Tetuan in het huis van de oude Namir gezocht had, waar de laatste inzet van de partij, die hij speelde, zelfs binnen een zeer begrensd tijdvak moest gewonnen worden, besloot hij dadelijk zich niets daarvan te laten ontvallen. Wanneer later zijn belang mocht medebrengen om openhartig te zijn, welnu, dan zou hij spreken; maar totdat hem dat gebleken zoude zijn, zou hij zeer gesloten spel spelen. Na hem een kort oogenblik van beraad gelaten te hebben, vervolgde Luigi:

"Welnu...? Zijt gij van zins te spreken? Of weigert gij?"

"Ik zou u kunnen antwoorden," hernam Silas Toronthal, "dat ik weet waar die Sarcany, waarvan gij spreekt, zich ophoudt, dat ik het evenwel niet wil zeggen. Maar inderdaad, ik weet het niet."

"Is dat uw eenig antwoord, Silas Toronthal?" vroeg Luigi Ferrato zeer ernstig.

"Ja, het eenige en het waarachtige. Ge behoeft mij niet te gelooven, als gij niet wilt. Toch zult gij geen ander antwoord erlangen."

"Bedenk u wel.... Uw stilzwijgen zou u kunnen berouwen, heer bankier."

Silas Toronthal trok de schouders op. Hij was thans vast besloten. Hij wilde en zou niet spreken.

Luigi Ferrato verliet hem toen en deelde dokter Antekirrt den uitslag van dat onderhoud mede. Ofschoon het antwoord van den bankier, alles wel beschouwd, niet onaanneembaar was, was men wel verplicht zich er mede te vergenoegen. Er bleef dus niets anders te doen over om de schuilplaats van Sarcany te ontdekken, dan de nasporingen ijverig voort te zetten, ja, te verdubbelen en daartoe noch moeite noch geld te sparen.

Maar terwijl intusschen gewacht werd, dat de een of andere tijding aanleiding kon geven om de vervolging te hervatten, moest dokter Antekirrt zich met andere kwestiën bezig houden, die ernstig waren en waarbij de veiligheid van het eiland Antekirrta zeer betrokken was. Die kwestiën zouden weldra uitsluitend beslag op zijne aandacht leggen.

Hij had geheime berichten uit de Cyrenaïsche provinciën ontvangen.

Cyrenaïca, in het Grieksch Kyrenaikeh, was in den voortijd een belangrijk Noord-Afrikaansch landschap, door Grieken gesticht en bewoond, en op de hoogvlakte Barca gelegen.

De Grieksche volkplanting werd er omstreeks het jaar 631 vóór de geboorte van Christus op bevel van het orakel van Delphi, door inwoners van het eiland Thera en doof eenige Spartanen onder aanvoering van Battus gesticht.

Het landschap ontleende zijn naam aan de stad Cyrene, terwijl er voorts nog vier andere Grieksche steden verrezen, weshalve dat gewest ook wel Pentapolis (vijfstad) genoemd werd. De nakomelingen van Battus hadden er als vorsten een onbeperkt gezag, en onder Acceulaus III verviel het aan de Perzen.

Omtrent het jaar 440 vóór Christus, werd er de republikeinsche regeeringsvorm ingevoerd, terwijl handel, scheepvaart, nijverheid, kunsten en wetenschappen er toen buitengewoon bloeiden. Weldra ontstond er echter verdeeldheid, en tyrannen maakten zich meester van de heerschappij.

Na den dood van Alexander de Groote werd het veroverd door Ptolomeus III Psycon, die het in 96 vóór Christus aan de Romeinen naliet, welke het eerst onafhankelijk verklaarden, maar het 30 jaren later met het eiland Creta tot een Romeinsch wingewest vereenigden. Later werd Cyrenaïca door Barbaarsche horden uit de binnenlanden van Afrika geteisterd, en in de VIIde eeuw onzer jaartelling voltooiden de Saraceenen het werk der verwoesting.

De grond leverde in de dagen der oudheid een overvloed van kostelijke vruchten op.

Het land was vóór de geboorte van Christus de zetel der Cyrenaïsche wijsbegeerte, wier aanhangers ook Hedonici genoemd werden, omdat zij vrijelijk hunne hartstochten en lusten opvolgden. Die wijsbegeerte stond tegenover die der Cynici, bloeide omstreeks eene eeuw in en buiten Griekenland en werd door die der Epicuristen verdrongen. Zij versmaadde alle bespiegeling en bepaalde zich tot het tastbare en zinnelijke, zoodat zij tevens tot atheïsme verviel.

Tot de meest beroemde volgelingen van Aristippus behoorden, behalve zijne dochter Areta, zijn kleinzoon Aristippus Metrodoctus, Antipater, Anniceris, Theodorus en Hesegius.

Voorts was Cyrenaïca tot in de Vde eeuw na Christus de hoofdzetel der Gnostische wijsgeeren. Het geheele gewest bevat een overgrooten schat van merkwaardige overblijfselen der oudheid.

De hoofdstad des lands was Cyrene, gelegen aan de waterbron Kyra, thans Aim-ej-Shedah of Eeuwige bron. Zij lag op eene hoogvlakte, vier uren gaans van de kust, tusschen twee bergtoppen, van welke de oostelijke waarschijnlijk de Akropolis of Citadel torschte. Aan de noordelijke helling van den anderen ontsprong de reeds genoemde bron, waarbij zich een tempel van Apollo verhief, en wat verder westwaarts was een schouwburg in de rotsen uitgehouwen. Voorts blijkt het uit de trotsche bouwvallen, dat de stad weleer in het bezit was van een groot aantal prachtige tempels en andere openbare gebouwen.

Ook werd de wetenschap er ijverig beoefend; want zij was de vaderstad van Aristippus, Anniceris, en Carnéades, van den dichter Callimachus en van den geleerden Erasthothenes.

De agenten, welke dokter Antekirrt in dat nabij gelegen land had, beveelden hem aan om de omstreken van de golf van Sidra uiterst nauwkeurig te doen gadeslaan. Volgens hen was het geduchte bondgenootschap der Senousisten bezig hare strijdkrachten op de grenzen van Tripoli te zamen te trekken. Een algemeene beweging bracht de benden langzamerhand al meer en meer in de nabijheid van het Syrtische kustland.

Vlugge boden brachten voortdurend zendbrieven over van den Grootmeester naar de verschillende zaouiyias van Noordelijk en Oostelijk Afrika.

Vuur- en blanke wapens, uit het buitenland afkomstig, waren afgeleverd en door het bondgenootschap in ontvangst genomen. Eindelijk, en dat was wel het meest gewichtige van die tijdingen, was het blijkbaar dat eene aanzienlijke macht in het villayetschap van Ben Gaza, derhalve in de onmiddellijke nabijheid van het eiland Antekirrta bijeengetrokken werd. Waarlijk, de toestand begon zich wel te ontwikkelen.

Met het vooruitzicht op die gevaarlijke nabijheid, die weldra dreigend kon worden, was dokter Antekirrt verplicht die maatregelen te treffen, welke hem de voorzichtigheid gebood.

Piet Bathory en Luigi Ferrato stonden hem gedurende de drie laatste weken van de maand October volijverig bij die werkzaamheden ter zijde, en alle bewoners der volkplanting brachten volgaarne alles bij, wat de weerbaarheid van het eiland kon verhoogen.

Pescadospunt werd herhaaldelijk maar zoo geheim mogelijk naar de Cyrenaïsche kust gezonden, om zich daar in betrekking met de agenten te stellen, en weldra had die schrandere kleine kerel zich overtuigd, dat het gevaar, hetwelk het eiland Antekirrta bedreigde, niet hersenschimmig, niet denkbeeldig genoemd mocht worden.

De zeeschuimers toch van de provincie Ben Ghâzi, versterkt en aangevuld door eene ware te wapen oproeping van de geaffilieerden en bondgenooten der geheele kuststreek, hielden zich volijverig onledig met het uitrusten van een krijgstocht, die het eiland Antekirrta tot doelwit had.

Zou die tocht binnen betrekkelijk korten tijd ondernomen worden, of zou hij nog uitgesteld worden?

Daaromtrent was niets te vernemen.

Toch kreeg men te weten, dat de hoofden der Senousisten zich nog in de zuidelijke districten ophielden, waaruit men de gevolgtrekking mocht opmaken, dat geene belangrijke operatiën in de eerste dagen ondernomen zouden worden. Die hoofden toch zouden haar moeten besturen en aanvoeren.

Daarom kregen de _Elektrieks_ van Antekirrta bevel om in de buurt van de Syrtische zee te kruisen, zoowel om de kuststrook van het Cyrenaïsche en van het Tripolitaansche gebied als de kust van geheel het Tunische rijk tot aan Kaap Bon in het oog te houden. Voor zulke kleine vaartuigen was dat een belangrijke dienst. Hunne bewonderenswaardige snelheid vergoedde evenwel veel.

De lezer weet dat de verdedigingswerken van het eiland Antekirrta nog niet volgens de ontworpen plannen voltooid waren. Maar al mocht het ook niet mogelijk heeten om dien arbeid ter gewenschter tijd te kunnen beëindigen, zoo had men zich toch beijverd om den voorraad van levensmiddelen, munitiën en verdere krijgsbehoeften in de magazijnen en arsenalen van Antekirrta zoo rijkelijk mogelijk aan te vullen.

Het eiland Antekirrta, dat door een zeearm ter breedte van ongeveer twintig mijlen van de Cyrenaïsche kust gescheiden was, zou geheel eenzaam in den Syrtischen zeeboezem liggen, wanneer niet een klein eiland, algemeen bekend onder den naam van het Kencraf eilandje, hetwelk een omtrek van ongeveer driehonderd meters bezat, in de nabijheid van zijn zuidoostelijke punt gelegen ware. Volgens den gedachtegang van dokter Antekirrt, zou dit eilandje later tot verbanningsoord moeten dienen, namelijk wanneer een der kolonisten die straf ooit zoude verdienen en zij door de ingestelde rechtsmacht op het hoofdeiland uitgesproken zoude worden, een geval dat zich gelukkig nog niet voorgedaan had. Men had er evenwel bij wijze van voorzorg eenige barakken tot dat doeleinde opgericht.

Maar in weerwil daarvan was het eilandje Kencraf niet versterkt en--het mocht niet verbloemd worden--wanneer eene vijandelijke vloot een aanval op Antekirrta in het schild voerde, dan stelde de ligging daarvan een daadwerkelijk gevaar voor de hoofdvestiging daar. Want eene vijandelijke macht had niets anders te doen dan daar te ontschepen en van dat eilandje eene degelijke operatie-basis te maken. Het bood alle gemakken aan om er levensmiddelen en munitiën te debarkeeren men kon er eene batterij opwerpen en derhalve zou het een aanvaller een stevig steunpunt verschaffen. Het ware beter geweest, dat het eilandje in het geheel niet bestond, vooral omdat de tijd ontbrak, om het behoorlijk in staat van verdediging te stellen.

De ligging van het eilandje Kencraf en de voordeelen, die een vijand er van trekken kon, moesten dan ook dokter Antekirrt ongerust maken. Nadat hij alles rijpelijk overwogen had, besloot hij het te vernietigen, maar die vernietiging tevens te doen dienen, om de honderden zeeschuimers, die het wagen zouden er bezit van te nemen, om te brengen, zonder er een van te laten ontsnappen. Hij dacht er zeer ernstig over na en kwam toen tot een vrij goed uitgewerkt plan.